GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.338.366/01
arrest van 16 september 2025
in de zaak van
[B.V. 1] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
appellante,
hierna aan te duiden als [B.V. 1] ,
advocaat: mr. J.C.T. Papeveld te Waalwijk,
tegen
1. [B.V. 2] , gevestigd te [vestigingsplaats] ,
2. [B.V. 3], gevestigd te [vestigingsplaats] ,
3. [B.V. 4], gevestigd te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerden,
hierna aan te duiden als [B.V. 2] , [B.V. 3] en [B.V. 4] en gezamenlijk als [geïntimeerden] ,
advocaat: mr. R.A.C.J. van Kessel te Boxtel,
op het bij exploten van dagvaarding van 6 november 2023 en 8 november 2023 en herstelexploten van 8 november 2023 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 9 augustus 2023, door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, gewezen tussen [B.V. 1] als eiseres en [geïntimeerden] als gedaagden.
1. Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/325562 / HA ZA 17-635)
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar het hiervoor genoemde vonnis.
2. Het geding in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
Vervolgens is de behandeling van de zaak ingevolge artikel 37 lid 5 Rv geschorst. Na hervatting van de zaak heeft het hof opnieuw een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op de hiervoor vermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
3. De beoordeling
Kern van de zaak
[voornaam] , [voornaam] en [voornaam] zijn via hun persoonlijke holdingvennootschappen aandeelhouder van [B.V. 4] en op die manier eigenaar van de [XXX] Groep, een agrarisch bedrijf. Deze procedure houdt verband met een al langer lopend geschil tussen aan de ene kant [voornaam] en aan de andere kant [voornaam] en [voornaam] . De verhouding tussen [voornaam] , [voornaam] en [voornaam] is de afgelopen jaren verslechterd en er liepen en lopen verschillende juridische procedures tussen [voornaam] aan de ene kant en [voornaam] en [voornaam] aan de andere kant. Op 12 september 2016 heeft de algemene vergadering van aandeelhouders van [B.V. 4] [B.V. 1] , de persoonlijke holdingvennootschap van [voornaam] , ontslagen als bestuurder. In deze procedure vordert [B.V. 1] vernietiging van dit ontslagbesluit en een verklaring voor recht dat de managementovereenkomst met [B.V. 4] voortduurt.
De feiten
In rov. 2 heeft de rechtbank vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. Met grief I wordt deze vaststelling bestreden. Het hof zal een nieuw overzicht geven van de vaststaande feiten die voor de beoordeling in hoger beroep van belang zijn.
Hoedanigheid van partijen
i. Alle vennootschappen die partij zijn in deze procedure maken deel uit van de
[XXX] Groep. Het bedrijf is in de jaren ’70 gestart door [echtpaar XXX] . Zij zijn gestart met een melkveehouderij. Het bedrijf is later uitgebreid met een nertsenhouderij en een vleesvarkensbedrijf (thans: een zeugenhouderij). Het bedrijf beschikt bovendien over landbouwgronden. Deze gronden zijn dienstbaar aan de bedrijfsvoering, waarbij gedacht moet worden aan het plaatsen van mest en het winnen van voer voor de eigen dieren.
Na het overlijden van [de vrouw] heeft [de man] zich geleidelijk teruggetrokken uit het
bedrijf. Het bedrijf wordt inmiddels gerund door de kinderen van [de vrouw] en [de man] : [voornaam] , [voornaam] en [voornaam] .
In de loop der jaren zijn diverse vennootschappen opgericht die tezamen
de [XXX] -groep zijn gaan vormen. In 2013 is een herstructurering van de [XXX] -groep in gang gezet. In dat kader is onder meer [B.V. 4] (voorheen genaamd: [B.V. 5] ) opgericht. De holding houdt de aandelen van de diverse besloten vennootschappen waarin de activiteiten van de verschillende bedrijven van de [XXX] -groep zijn ondergebracht.
[B.V. 1] , [B.V. 3] en [B.V. 2] zijn de
persoonlijke holdings van [voornaam] , [voornaam] en [voornaam] . Via deze holdings zijn zij indirect aandeelhouder van [B.V. 4] . Het bestuur van [B.V. 4] werd gevormd door de persoonlijke holdings van [voornaam] , [voornaam] en [voornaam] . Tussen [voornaam] enerzijds en [voornaam] en [voornaam] anderzijds is een meningsverschil ontstaan over de (voortzetting) van de samenwerking binnen de [XXX] -groep. Inmiddels zijn de verhoudingen tussen [voornaam] enerzijds en [voornaam] en [voornaam] anderzijds ernstig bekoeld, worden er over en weer verwijten van bedreigingen gemaakt en is [B.V. 1] op 12 september 2016 ontslagen als bestuurder van [B.V. 4] (zie onder xxvi e.v. hierna).
De herstructurering van de [XXX] Groep en de geschillen tussen partijen
De herstructurering is niet volledig afgerond. Zo was het de bedoeling dat er een
Directiestatuut zou worden overeengekomen en dat er een Stichting Administratiekantoor zou worden opgericht, waarin de aandelen van de persoonlijke holdings van [voornaam] , [voornaam] en [voornaam] zouden worden ondergebracht.
Over de wijze waarop de herstructurering is uitgevoerd zijn tussen [voornaam] enerzijds
en [voornaam] en [voornaam] anderzijds geschillen ontstaan. Dit heeft er onder andere toe geleid dat [voornaam] en [B.V. 1] klachten hebben ingediend tegen de betrokken accountant en de betrokken notaris, onder andere omdat de accountant en de notaris [voornaam] onvoldoende hebben geïnformeerd over de consequenties van de inbreng en vanwege de voor [voornaam] nadelige gang van zaken in verband met de inbreng van buitenvennootschappelijk vermogen. De klachten van zijn (deels) gegrond verklaard.
In 2016 heeft [voornaam] bij de rechtbank Oost-Brabant een procedure (zaak- en
rolnummer C/01/314359/HA ZA 16-710) aanhangig gemaakt met als doel te komen tot splitsing van de [XXX] Groep (hierna: de splitsingsprocedure). In de splitsingsprocedure hebben partijen afspraken gemaakt om te komen tot een waardering van de [XXX] Groep. Daartoe zijn ook deskundigen benoemd. In verband met de gemaakte afspraken en de benoeming van deskundigen zijn door partijen verschillende kortgedingprocedures gevoerd die over en weer tot veroordelingen hebben geleid. De splitsingsprocedure bevindt zich thans in de eindfase.
In de door [B.V. 1] en [voornaam] in april 2018 gestarte enquêteprocedure bij
de Ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam, zijn de verzoeken van [B.V. 1] en [voornaam] door de Ondernemingskamer bij beschikking van 1 oktober 2018 afgewezen. Hoewel er volgens de Ondernemingskamer alleen al vanwege de geschillen tussen partijen gegronde redenen zijn om aan een juist beleid en een juiste gang van zaken te twijfelen, moeten partijen zich inspannen om de door ieder van hen gewenste oplossing van hun geschillen te bereiken via de splitsingsprocedure, en wegen de nadelen van een door de Ondernemingskamer te gelasten onderzoek zwaarder dan de voordelen van door een onderzoek te verkrijgen openheid van zaken.
De aanloop naar het ontslag van [B.V. 1]
Bij e-mailbericht van 23 mei 2016 hebben [voornaam] en [voornaam] aan [voornaam] een oproep
tot medewerking gedaan. Zij hebben hem verzocht bepaalde gegevens met betrekking tot de varkens en het rundvee toe te sturen voor het benodigde financieringsmemorandum en hebben onder andere het volgende geschreven:
“(…)
Gezamenlijk hebben wij eind 2015 al besloten in eerdere besprekingen dat we de pelzenproductie van het jaar 2015 niet aan gaan bieden en de verkopen door gaan schuiven in verband met de slechte marktsituatie. Met dit bedrijfsplan is ook door jouw mee ingestemd. Dit betekent dat hiervoor nieuwe financiële middelen dienen te worden aangetrokken.
Wij zijn toen gelijk begonnen met het trachten van verzamelen van alle benodigde gegevens, echter nu zijn we 5 maanden verder en ben jij voor ons nog steeds onbereikbaar en zijn de door jouw te verstrekken gegevens nog steeds niet aangeleverd.
Middels deze mail willen wij nogmaals sterk benadrukken dat we binnen enkele weken al in grote liquiditeitsproblemen komen en dat dan gelijk het voer voor de levende haven niet meer betaald kan worden. Ook posten als personeelskosten en belastingen kunnen niet op zich laten wachten.
Graag nu snelle reactie binnen 24 uur om alle medewerking te verlenen aan de totale afwikkeling van de financiering die zoals je weet zeker 3 miljoen euro zal bedragen.
(…)”
Bij e-mailbericht van 26 mei 2016 heeft [voornaam] geschreven dat de gevraagde
informatie al beschikbaar is voor [voornaam] en [voornaam] . [voornaam] heeft voorts geschreven:
“(…)
Verdere afspraken die in december 2015 door jouw getekend zijn over verdere uitwerking van financiering zijn nooit uitgevoerd.
Recent heb ik daar je nog opgewezen toen zij je dat je er niets van aantrok van de getekend afspraken. In 2015 heb iedereen er meerdere malen op gewezen dat er teveel en verkeerde investering werden gedaan.
En dat dit grootte financiële problemen zou gaan opleveren
Het door schuiven van alleen nertsen pelzen van verkoop jaar 2016 naar 2017 heb ik ook meerdere malen bekritiseert dat dit een groot financieel liquide probleem zou veroorzaken en misschien nog wel extra verlies bij verder prijs daling.
Dat uitstel van verkoop pelzen 3 mij financiering voor aangetrokken moest worden werd stellig ontkend max 2 mij nu spreek je zelf over 3 mij zelfs meer.
(…)
Hier zal ik dan ook duidelijk over zijn dat ik hier nooit meer akkoord ga.
Ook het investeringsplan is als behalve volgens afspraak wat schriftelijk door alleen getekend in december 2015
Er zou alleen geld aangetrokken worden voor de explatatie nertsen en geen enkele investering zou nog gedaan worden in de nertsen zolang het verbod van kracht is voor de nertsen.
Verder zou er in de varkens enkele investeringen gedaan worden
Deze zijn alleen geschrapt en vervangen door alleen nertsen investeringen zelf nieuwbouw.
(…)”
Bij e-mailbericht van 28 mei 2016 hebben [voornaam] en [voornaam] aan [voornaam] laten weten
dat zij het niet eens zijn met de inhoud van zijn e-mailbericht van 26 mei 2016. Bij e-mailbericht van 30 mei 2016 hebben [voornaam] en [voornaam] vervolgens uitgenodigd voor een vergadering op 1 juni 2016 om de situatie te bespreken. Tijdens deze vergadering hebben [voornaam] en [voornaam] medegedeeld dat zij hem op non-actief willen stellen indien hij niet meewerkt aan de financiering die volgens hen noodzakelijk is.
Op 30 juni 2016 heeft advieskantoor [yyy] een
financieringsmemorandum opgesteld met als vraagstelling:
“De bedrijfsactiviteiten van de [XXX] Groep worden verricht in een viertal agrarische bedrijfstakken: nertsenhouderij, zeugenhouderij, kalverenhouderij en akkerbouw. Vanwege de actuele prijsontwikkelingen op de markt van nertsenpelzen heeft [XXX] Groep ervoor gekozen om de verkoop van nertsenpelzen deels op te schorten. Hierdoor ontstaat voor de [XXX] Groep een incidentele liquiditeitsbehoefte, welke als gevolg van een noodzakelijk investeringsprogramma in de voorliggende jaren uit eigen middelen thans bij voorkeur bancair wordt ingevuld. Om de kosten van de nertsenhouderij in 2016 en deels in 2017 deels voor te kunnen financieren verzoekt de [XXX] Groep de Rabobank een overbruggingskrediet beschikbaar te stellen van € 4.250.000,-. Het overbruggingskrediet wordt aangevraagd door [B.V. 4] B.V., ten behoeve van de dochtermaatschappijen, in dit memorandum bekend als de [XXX] Groep. Het voorstel is om deze faciliteit middels een lening en een krediet in rekening courant beschikbaar te stellen. Dit voorstel wordt hierna uitgewerkt.”
Op 21 juli 2016 heeft Rabobank een offerte opgesteld voor een
werkkapitaalfinanciering van € 4.250.000,-, die bestaat uit een geldlening van € 2.000.000,- en een krediet van € 2.250.000,-. [voornaam] en [voornaam] hebben deze offerte ondertekend. [voornaam] heeft deze offerte niet ondertekend. Rabobank heeft de offertetermijn vervolgens verlengd tot en met 2 augustus 2016.
Op 22 juli 2016 heeft Werner Wijnen, de partner van [voornaam] (hierna: Wijnen), aan
de advocaat van [voornaam] een e-mailbericht gestuurd met daarbij een aantal stukken met betrekking tot de herstructurering en de offerte van Rabobank.
Op 30 juli 2016 heeft Wijnen een e-mailbericht aan de advocaat van [voornaam]
gestuurd met als onderwerp “Actuele stand openstaande facturen” en met als bijlagen Pdf-bestanden over de crediteuren van nertsen, rundvee en varkens en het voorschot nertsvoer. In het e-mailbericht heeft Wijnen de openstaande posten toegelicht en afgesloten met:
“Het moge duidelijk zijn dat het water reeds tot de lippen is gestegen en dat er geen financiële middelen meer beschikbaar zijn.
Een eventuele biggen levering of kalverenlevering zal nooit toereikend zijn om dit tekort weg te nemen en is een faillissement niet of, maar wanneer en door wie aangevraagd zal worden.
Geen der partijen zal hier beter van worden en een eventuele afsplitsing zal dan niet meer besproken hoeven te worden.”
Bij e-mailbericht van 31 juli 2016 aan [voornaam] , [voornaam] en [de man] heeft [voornaam] het
volgende geschreven:
“(…)
Ik vind het van groot belang dat er per direct een oplossing komt om het liquiditeitstekort te verkleinen. Dat tekort opvullen is nodig voor voer, lonen en andere directe kosten.
Ik ben bereid om mee te werken aan het oplossen van deze tekorten.
Mijn voorstel is om door samen te tekenen voor overbruggingskredieten van elke keer max E 200.000. De rabo zou bijv zekerheden op delen van onze gronden kunnen krijgen in plaats van meteen op het geheel.
Op die manier krijgen we samen ruimte om ook samen goede beslissingen te nemen. Dus besluiten over de tekorten maar ook over de toekomst.
De lopende financieringsaanvraag omvat meer dan alleen het opvullen van deze tekorten. Dit gaat mij veel te ver. Die financiering gaat ten koste van onze continuïteit.
Ik wil graag splitsen en ontvlechten. Die ontvlechting ziet op de aandelen in de VOF’s maar ook de BV-structuur. Op oa grond, gebouwen en dieren.
Ik wil hier vermelden dat ik tot vorige week 23 7 2016 geen wetenschap heb gehad van de inhoud van de financieringsaanvraag. (…)
Verder wil ik opmerken dat pas gisteren ik de overzichten heb ontvangen van de actuele stand de openstaande facturen. In die overzichten zitten voor zover ik kan zien ook fouten.
Graag wil ik jullie oproepen om samen in gesprek te gaan
(…)”
Op 1 augustus 2016 heeft er op het kantoor van Rabobank een bespreking
plaatsgevonden waarbij aanwezig waren [voornaam] , Wijnen en [voornaam] en hun advocaat, [voornaam] en zijn fiscaal adviseur Frank Veeke (hierna: Veeke), en Wil Schers van Rabobank. Veeke heeft een verslag gemaakt van deze bespreking. Hierin staat onder andere het volgende:
“(…)
Aanleiding voor het gesprek is het voorliggende financieringsvoorstel dd 21 juli 2016 (…)
Het financieringsvoorstel is gericht op:
Een krediet van € 2.250.000
Gelding van € 2.000.000
Er wordt een hypothecaire zekerheid gevestigd voor een bedrag van € 4.000.000 op genoemde percelen
grond en gebouwen. Op een aantal genoemde percelen gelegen te Milheeze is reeds voorbelast met hypotheek. Per saldo een totale hypothecaire zekerheid van € 5.000.000.
(…)
Tijdens het gesprek is door Frank en ruggespraak gehouden met [voornaam] .
Na terugkomst geeft Frank aan waar [voornaam] mee kan leven en ook bereid is om mee verder te gaan:
[voornaam] kan akkoord gaan met de knip in de financiering, Dat is gericht op de eerste tranche en de hypotheekverlening.
[voornaam] wil voor het vrijgeven van de financiering uit de tweede tranche (evt in delen) werken met driemaal gelijktijdige ondertekening van de verklaring door elk van de vennoten (=persoonlijk recht)
o Deze verklaring en vrijgave ziet alleen op exploitatie
[voornaam] wil zo snel mogelijk de herstructurering afronden (inbreng VOF delen (ex nertsendeel) en oprichten Stak)
[voornaam] wil verder dat bij de afronding de opties voor ontvlechting van zijn deel (zoals eerder besproken) wordt ingebouwd.
Over deze voorgaande punten is gesproken en er is overeenstemming bereikt.
In die discussie zijn nog de volgende punten naar voren gekomen. Daarover is ook overeenstemming:
Extra vrijgave van € 500.000 uit de tweede tranche.
De reden om dit te doen is om te voorkomen dat in het aanstaande pelsseizoen men nogmaals aan tafel moet en beslissen.
Belanghebbenden hebben besloten om dit bedrag uit de tweede tranche te halen.
Daarover is dus tussen de drie vennoten overeenstemming en hoeft geen aparte verklaring naar de bank.
In het gesprek werd instemmend gereageerd op de afronding van de herstructurering. Dit kan in gang gezet worden.
Dat betekent voor Werner dat hij zijn vordering uit Werwij BV afgelost wil zie (ongeveer € 340.000)
Daarover is besloten dat dit ook kan gebeuren uit laatstgenoemd bedrag van € 500.000.
(…)”
Op 2 augustus 2016 heeft Rabobank een gewijzigde offerte opgesteld, conform de op
1 augustus 2016 gemaakte afspraken. Ten aanzien van de geldlening van € 2.000.000,- is opgenomen dat een bedrag van € 1.500.000,- zal worden gestort op een depotrekening en dat (over)boekingen door Rabobank worden verwerkt na opdracht van de drie aandeelhouders van [B.V. 4] . Deze offerte is op 3 augustus 2016 getekend door [voornaam] en [voornaam] .
Bij e-mailbericht van 2 augustus 2016 heeft de voerleverancier laten weten dat de
afspraken over de voerbetalingen voor de nertsenhouderij niet worden nagekomen en dat zij om die reden de voerleveringen voor de nertsenhouderij opschort.
Bij brief van 3 augustus 2016 heeft de advocaat van [voornaam] en [voornaam] aan
Rabobank onder andere geschreven dat [voornaam] ondanks de op 1 augustus 2016 gemaakte afspraken de aangepaste offerte niet zal tekenen, waardoor een financiële noodsituatie ontstaat. Om die reden verzoekt de advocaat Rabobank om ermee akkoord te gaan dat alleen [voornaam] en [voornaam] de offerte tekenen. Volgens de advocaat zijn op grond van de statuten van [B.V. 4] de handtekeningen van twee van de drie bestuurders hiervoor voldoende.
Bij e-mailbericht van 4 augustus 2016 heeft Rabobank het verzoek van de advocaat
van [voornaam] en [voornaam] van 3 augustus 2016 afgewezen:
“(…)
Zoals besproken op 1 augustus volgen wij in het financieringsvoorstel de huidige structuur van de ondernemingen-groep.
Daaruit volgt voor de bank dat de handtekeningen van drie bestuurders aanwezig dienen te zijn om de financiering te kunnen verstrekken. (…)”.
Op 9 augustus 2016 heeft [voornaam] de offerte van Rabobank ondertekend, met daarbij
de toevoeging dat deze onder protest en dwang is getekend, dat hij het financieringsmemorandum nooit overhandigd heeft gekregen, dat hij jaarcijfers nooit heeft gezien en dat hij grote vraagtekens heeft bij de haalbaarheid van de financiering en de toegestuurde cijfers.
Bij e-mailbericht van 10 augustus 2016 heeft [voornaam] aan [voornaam] en [voornaam]
geschreven dat het liquiditeitstekort volgens hem per direct kan worden opgelost door pelzen in onderpand te geven. [voornaam] heeft hierop gereageerd met de mededeling dat het goed is dat [voornaam] wil meedenken en met dit voorstel komt.
Bij e-mailbericht van 14 augustus 2016 heeft [voornaam] aan [voornaam] en [voornaam] onder
andere geschreven dat hij met Rabobank heeft gesproken over het bijlenen van € 400.000,- onder de bestaande hypotheek en dat dat volgens hem op korte termijn mogelijk is, waarmee het liquiditeitsprobleem voorlopig zal zijn opgelost.
Bij brief van 15 augustus 2016 aan [voornaam] , [voornaam] , [voornaam] en Wijnen heeft
Rabobank geschreven dat de ondertekening voor haar niet acceptabel is omdat [voornaam] een aantal aantekeningen en voorbehouden heeft gemaakt, waaruit de bank afleidt dat er geen volledig en uniform commitment van alle vennoten is. Voor de bank is onvoorwaardelijk commitment van alle vennoten een essentiële financieringsvoorwaarde van de bank. Uit de brief volgt voorts dat het financieringsvoorstel niet meer aan de orde is en dat een nieuw financieringsverzoek alleen in behandeling wordt genomen als er onvoorwaardelijk en unaniem commitment is van alle vennoten. Rabobank sluit af met:
“(…)
Mocht u in de komende dagen/weken liquiditeitstekorten hebben dan is ons advies om hierin te voorzien door verkoop van voorraad of andere (vaste) activa. De bank is van mening dat er voldoende vermogensbestanddelen aanwezig zijn om de liquiditeitsproblematiek voor de korte termijn op te lossen.”
Het ontslag van [B.V. 1]
Bij brief van 16 augustus 2016 hebben [B.V. 3] en [B.V. 2]
, [B.V. 1] uitgenodigd tot het bijwonen van de algemene vergadering van aandeelhouders (hierna: AvA) van [B.V. 4] op 25 augustus 2016, met als enig agendapunt het voorstel tot het onmiddellijk ontslag van [B.V. 1] als bestuurder van [B.V. 4] . Ter toelichting op dit agendapunt staat in de brief:
“De reden voor het voorgenomen ontslag is gelegen in het feit, dat [B.V. 1] meerdere malen heeft geweigerd de door Rabobank Peel Noord aangeboden financieringsvoorstellen te ondertekenen, waardoor [B.V. 1] het voortbestaan van [B.V. 4] B.V. en de aan haar gelieerde vennootschappen in ernstige mate in gevaar heeft gebracht. [B.V. 1] heeft aldus als bestuurder schromelijk in strijd gehandeld met de belangen van [B.V. 4] B.V., waardoor zij niet langer als bestuurder gehandhaafd kan blijven.”
Bij brief van haar advocaat van 24 augustus 2016 heeft [B.V. 1]
bezwaar gemaakt tegen het voorgenomen besluit en erop aangedrongen dat er overleg plaatsvindt om te komen tot een werkbare situatie, op basis van de afspraken die zijn vastgelegd in het gespreksverslag van 1 augustus 2016.
[B.V. 1] is niet op de AvA van 25 augustus 2016 verschenen.
Bij brief van 1 september 2016 hebben [B.V. 3] en [B.V. 2]
, [B.V. 1] uitgenodigd tot het bijwonen van de tweede buitengewone AvA op 12 september 2016. Wederom met als enig onderwerp van de vergadering het voorstel tot ontslag van [B.V. 1] . Tijdens de AvA op 12 september 2016 is het voorstel tot het ontslag van [B.V. 1] aangenomen (hier: het Besluit).
De procedure bij de rechtbank
In de procedure bij de rechtbank vorderde [B.V. 1] :
Primair
het besluit van 12 september 2016, inhoudende het ontslag van [B.V. 1] als statutair directeur van [B.V. 4] te vernietigen;
gedaagden te veroordelen om binnen 24 uur na betekening van een daartoe veroordelend vonnis [B.V. 1] in het register van de Kamer van Koophandel in te schrijven als bestuurder van [B.V. 4] op straffe van een direct te verbeuren dwangsom van € 25.000,- en te vermeerderen met € 1.000,- per dagdeel dat zij niet aan deze veroordeling voldoen met een maximum van € 500.000,-, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen dwangsom en maximum;
te verklaren voor recht dat de (arbeids-)overeenkomst van [B.V. 1] per 12 september 2016 in stand is gebleven;
[B.V. 4] te veroordelen om aan [B.V. 1] het verschuldigde ‘loon’ vanaf 1 januari 2015 t/m februari 2021 à € 308.333,33, een en ander te vermeerderen met 21% omzetbelasting, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, te betalen;
Subsidiair
5. [B.V. 4] te veroordelen om aan [B.V. 1] een billijke vergoeding van € 883.000,-, een en ander te vermeerderen met 21% omzetbelasting, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, te betalen;
Zowel primair als subsidiair
6. [B.V. 4] te veroordelen om over de onder sub 4 en 5 genoemde bedragen aan [B.V. 1] de wettelijke handelsrente te vergoeden per datum ontslag, 12 september 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen rentevergoeding;
7. [B.V. 4] te veroordelen om per 1 maart 2021, althans met ingang van een andere door de rechtbank te bepalen datum, en zolang de rechtsverhouding tussen [B.V. 4] en [B.V. 1] bestaat maandelijks € 4.166,67 te vermeerderen met 21% omzetbelasting, althans enig ander door de rechtbank in goede justitie te bepalen vergoeding, aan [B.V. 1] te betalen;
8. gedaagden hoofdelijk, des de een betalende de ander bevrijdende, te veroordelen in de kosten van dit geding, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het te wijzen vonnis – en voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;
9. gedaagden hoofdelijk, des de een betalende de ander bevrijdende, te veroordelen in de nakosten ter hoogte van € 131,- dan wel, indien betekening van het vonnis plaatsvindt op € 192,-.
[geïntimeerden] hebben gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, hierna aan de orde komen.
In het bestreden vonnis heeft de rechtbank de vorderingen van [B.V. 1] afgewezen, met veroordeling van [B.V. 1] in de proceskosten.
De procedure in hoger beroep
[B.V. 1] heeft in hoger beroep zeven grieven aangevoerd en haar eis gewijzigd. [B.V. 1] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot het toewijzen van haar gewijzigde vorderingen:
Ten aanzien van de vordering ex art. 2:15 lid 1 sub a + sub b BW
Het ten processe bedoelde besluit van 12 september 2016 inhoudende het ontslag van [B.V. 1] als (statutair) bestuurder van [B.V. 4] te vernietigen;
[geïntimeerden] te veroordelen om binnen 24 uur na betekening van een daartoe veroordelend arrest [B.V. 1]
a. in het register van de Kamer van Koophandel in te schrijven als bestuurder van [B.V. 4]
b. toe te laten tot de werkzaamheden als statutair bestuurder van [B.V. 4]
c. in staat te stellen alle bevoegdheden uit te oefenen die op grond van boek 2 BW en de statuten op [B.V. 1] als statutair bestuurder rusten op straffe van een direct te verbeuren dwangsom van € 25.000,= en te vermeerderen met € 1.000,= per dagdeel dat zij niet aan deze veroordeling voldoen met een maximum van € 500.000,=, althans een door Uw Hof in goede justitie te bepalen dwangsom en maximum;
Ten aanzien van de managementovereenkomst
3. Te verklaren voor recht dat er vanaf 1 januari 2015, althans een door Uw Hof in goede justitie te bepalen datum, er sprake is van een managementovereenkomst tussen [B.V. 4] en [B.V. 1] en de managementovereenkomst tot op heden niet is geëindigd c.q. is beëindigd;
4. Te verklaren voor recht dat tot het moment waarop de managementovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd [B.V. 4] € 50.000,- excl. BTW per jaar, althans een door Uw Hof in goede justitie te bepalen vergoeding, aan [B.V. 1] verschuldigd is;
Proceskosten (eerste aanleg en hoger beroep)
5. Geïntimeerden hoofdelijk, des de een betalende de ander bevrijdend, te veroordelen om de door [B.V. 1] betaalde proceskostenveroordeling a € 1.814,- aan [B.V. 1] terug te betalen, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente, althans een door Uw Hof in goede justitie te bepalen rentevergoeding, vanaf de datum waarop dit bedrag door [B.V. 1] aan geïntimeerden is betaald tot aan de dag der algehele voldoening;
6. Geïntimeerden hoofdelijk, des de een betalende de ander bevrijdend, te veroordelen in de proceskosten zoals aan de zijde van [B.V. 1] vervallen en in beide instanties, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het in deze te wijzen arrest, en voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;
7. Geïntimeerden hoofdelijk, des de een betalende de ander bevrijdende, te veroordelen in de nakosten ter hoogte van € 131,- dan wel, indien betekening van het in deze te wijzen vonnis plaatsvindt op € 192,-.
[geïntimeerden] hebben geen bezwaar gemaakt tegen de eiswijzing van [B.V. 1] . Het hof ziet ook geen aanleiding de eiswijziging ambtshalve buiten beschouwing te laten wegens strijd met de goede procesorde. Recht zal worden gedaan op de gewijzigde eis.
Gezien de inhoud van de grieven en de in hoger beroep gewijzigde vorderingen van [B.V. 1] , gaat het in dit hoger beroep om
(i) de vraag of het Besluit vernietigbaar is vanwege strijd met de wettelijke of statutaire bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen (artikel 2:15 lid 1 sub a BW) en/of vanwege strijd met de redelijkheid en billijkheid (artikel 2:15 lid 1 sub b BW), en
(ii) de vraag of er sprake is van een managementovereenkomst tussen [B.V. 4] en [B.V. 1] en of deze managementovereenkomst is geëindigd c.q. is beëindigd.
Het hof zal deze onderwerpen hierna achtereenvolgens behandelen.
Is het Besluit in strijd met wettelijke of statutaire bepalingen (artikel 2:15 lid 1 sub a BW)?
Ter onderbouwing van haar beroep op artikel 2:15 lid 1 sub a BW heeft [B.V. 1] gesteld dat het Besluit is genomen in strijd met artikel 2:227 lid 7 BW. Tijdens de mondelinge behandeling heeft zij zich bovendien op het standpunt gesteld dat uit de memorie van antwoord van [geïntimeerden] volgt dat het feit dat [B.V. 1] is teruggekomen op de op 1 augustus 2016 gemaakte afspraak dat zij akkoord zou gaan met de financiering reden is geweest voor het ontslag, hetgeen een formeel gebrek oplevert omdat dit niet op de agenda voor de AvA stond. Naar het oordeel van het hof gaat dit betoog niet op omdat [B.V. 1] uit de tekst van de toelichting op het agendapunt in de brief van 16 augustus 2016 (rov. 3.2. onder xxvi) gezien de gebeurtenissen in de aanloop naar het Besluit (rov. 3.2. onder ix-xxv) had moeten begrijpen dat haar weigering om de offerte van Rabobank te tekenen in weerwil van de op 1 augustus 2016 gemaakte afspraken mede ten grondslag lag aan de agendering van haar ontslag.
Op grond van artikel 2:227 lid 7 BW hebben bestuurders en commissarissen in de algemene vergadering van aandeelhouders een raadgevende stem. Dit geldt ook indien de schorsing of het ontslag van een bestuurder op de agenda staat. De ratio hiervan is dat de bestuurders en commissarissen door het geven van hun visie op de aandeelhoudersvergadering de aandeelhouders kunnen informeren en adviseren over de voorliggende agendapunten, zodat de aandeelhouders daarmee bij hun stemgedrag rekening kunnen houden (zie A-G Assink in zijn conclusie voor Hoge Raad 8 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:832, ECLI:NL:PHR:2020:111). Dit betekent dat bestuurders en commissarissen voldoende in de gelegenheid moeten worden gesteld om tijdens de aandeelhoudersvergadering hun raadgevende stem te kunnen gebruiken. Dit vergt dat zij tijdig worden uitgenodigd en daarbij op de hoogte worden gesteld van hetgeen zal worden behandeld, zodat zij zich daarop adequaat kunnen voorbereiden. Artikel 2:227 lid 7 BW dient het vennootschappelijke belang, en niet het privé-belang van de betreffende bestuurder. Dit privé-belang wordt beschermd door het recht van de bestuurder om te worden gehoord over het voorgenomen ontslag- of schorsingsbesluit. Bij de toepassing van artikel 2:227 lid 7 BW gaat het erom of een bestuurder of commissaris voldoende in de gelegenheid is gesteld om als zodanig zijn raadgevende stem te gebruiken. Maatgevend is niet of die bestuurder of commissaris vervolgens ook daadwerkelijk gebruik heeft gemaakt van zijn raadgevende stem.
Naar het oordeel van het hof is het Besluit niet genomen in strijd met artikel 2:227 lid 7 BW. Hiervoor is het volgende redengevend.
[B.V. 1] is bij brief van 16 augustus 2016 uitgenodigd voor de AvA van [B.V. 4] . In deze brief staat dat tijdens de AvA het voorstel tot het onmiddellijk ontslag van [B.V. 1] als bestuurder van [B.V. 4] in stemming zal worden gebracht. De brief vermeldt voorts de reden van het voorgenomen ontslag (zie rov. 3.2. onder xxvi). De AvA heeft vervolgens, na [B.V. 1] bij brief van 1 september 2016 opnieuw te hebben opgeroepen, op 12 september 2016 plaatsgevonden. Uit de notulen en het proces-verbaal van constatering dat door de aanwezige gerechtsdeurwaarder is opgesteld, volgt dat aanwezig waren [voornaam] namens [B.V. 1] met zijn advocaat, en [voornaam] en [voornaam] namens [B.V. 3] en [B.V. 2] met hun advocaat. In het proces-verbaal van constatering staat voorts:
“(…)
Dat partijen inhoudelijk gediscussieerd hebben over de hoogte van de financiering, over de bedrijfsvoering en over het al dan niet splitsen; De inhoudelijke discussie is door mij gerechtsdeurwaarder niet op alle punten vastgelegd gelet op de complexiteit hiervan.
(…)
Na over en weer gediscussieerd te hebben zonder dat dit tot enige oplossing geleid heeft, hebben alle partijen ingestemd met een schorsing van deze Algemene Vergadering van Aandeelhouders om te kijken of er nog een oplossing in der minne mogelijk is voor de gerezen conflicten;
Na hervatting van de Algemene Vergadering van Aandeelhouders hebben de partijen [B.V. 2] en [B.V. 3] voorgesteld om tot stemming over te gaan. Vervolgens heeft de Voorzitter het voorstel in stemming gebracht (…) “
Uit deze gang van zaken volgt dat [B.V. 1] voldoende in de gelegenheid is gesteld om haar raadgevende stem te gebruiken. Zij is immers ruim van te voren geïnformeerd over de AvA en het agendapunt en zij heeft tijdens de AvA ruimschoots de gelegenheid gehad haar visie te geven, zo volgt uit het proces-verbaal van constatering.
[B.V. 1] heeft in dit kader aangevoerd dat het besluit om haar als bestuurder te ontslaan al vast stond. Dit blijkt volgens haar uit het feit dat de advocaat van [B.V. 3] en [B.V. 2] tijdens de vergadering van 1 juni 2016 heeft aangekondigd dat [B.V. 1] zou worden ontslagen als bestuurder van [B.V. 4] indien zij niet zou meewerken aan de financiering door Rabobank, hetgeen is herhaald tijdens de bespreking van 1 augustus 2016 en in de brief van de advocaat van 3 augustus 2016, en uit het feit dat Veeke in februari 2017 heeft verklaard dat op dat moment iedereen tegen [voornaam] is. Het hof volgt [B.V. 1] hierin niet. Uit het proces-verbaal van constatering volgt immers dat de AvA van 12 september 2016 is geschorst om te kijken of er nog een oplossing in der minne mogelijk was. Dit strookt niet met de stelling dat het besluit om [B.V. 1] te ontslaan al vast stond. Dan zou overleg over een oplossing in der minne immers geen zin hebben gehad. Het hof verwijst in dit verband bovendien naar hetgeen zij in rov. 3.6.5. hierna oordeelt over de stelling van [B.V. 1] dat sprake was van een vooropgezet plan om haar “eruit te werken”.
[B.V. 1] heeft aangevoerd dat op grond van de statuten van [B.V. 4] het besluit tot ontslag van een bestuurder kan worden genomen met 2/3 meerderheid van de stemmen, terwijl voor de herstructurering het vereiste van unanieme besluitvorming gold en [voornaam] ervan uitging dat dit ook na de herstructurering zou gelden. Dit leidt echter niet tot een andere conclusie. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt immers niet in te in te zien hoe deze omstandigheid zou leiden tot de conclusie dat [B.V. 1] onvoldoende in de gelegenheid is gesteld om van haar raadgevende stem gebruik te maken.
[B.V. 1] heeft haar stelling dat zij onvoldoende informatie had om daadwerkelijk invulling te kunnen geven aan haar recht op een raadgevende stem onvoldoende onderbouwd. Ten tijde van de AvA beschikte [B.V. 1] over het financieringsmemorandum en de offerte van Rabobank (zie rov. 3.6.10. hierna). Hierbij komt dat uit de e-mailwisseling in de periode mei-september 2016 (rov. 3.2. onder ix-xxv) volgt dat is gesproken over een liquiditeitstekort en de noodzaak van financiering, en uit het verslag van de bespreking van 1 augustus 2016 (rov. 3.2. onder xvii) en het proces-verbaal van constatering (rov. 3.5.3. hiervoor) volgt dat partijen hebben gesproken over de financiering door Rabobank en het voorliggende financieringsvoorstel. Hieruit volgt niet dat [B.V. 1] onvoldoende informatie had om een adequate beslissing te kunnen nemen. Gesteld noch gebleken is dat [B.V. 1] in die periode in het kader van de voorliggende financiering door Rabobank heeft gewezen op het gebrek aan informatie of om bepaalde informatie heeft gevraagd. Dat de jaarrekeningen van [B.V. 4] over 2014 en 2015 e.v. niet zijn vastgesteld dan wel onjuist zijn zoals [B.V. 1] stelt, leidt naar het oordeel van het hof ten slotte niet tot de conclusie dat [B.V. 1] onvoldoende informatie had om adequaat van haar raadgevende stem gebruik te kunnen maken (zie ook rov. 3.6.7. en 3.6.8. hierna). Hetzelfde geldt voor haar stelling dat zij geen inzage had in alle bankrekeningen die binnen de [XXX] Groep werden gebruikt, hetgeen bovendien door [geïntimeerden] wordt betwist.
Is het Besluit in strijd met de redelijkheid en billijkheid (artikel 2:15 lid 1 sub b BW)?
Volgens [B.V. 1] is het Besluit is strijd met de redelijkheid en billijkheid. Tijdens de mondelinge behandeling heeft het hof met [B.V. 1] en haar advocaat besproken wat zij precies ten grondslag legt aan het beroep op artikel 2:15 lid 1 sub b BW. [B.V. 1] en haar advocaat hebben toegelicht dat het hierbij uitsluitend erom gaat dat de gronden die zijn genoemd in de uitnodiging voor de AvA van 16 augustus 2016, pertinent onjuist zijn. Hetgeen door [B.V. 1] en haar advocaat is aangevoerd over het feit dat de herstructurering niet is afgerond en dat de zeggenschapsverhoudingen binnen de [XXX] Groep niet conform de gemaakte afspraken zijn, geldt uitsluitend ter illustratie en is voor het beroep op artikel 2:15 lid 1 sub b BW niet relevant, zo hebben zij tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep verklaard.
Het hof zal zich bij de beoordeling van het beroep op artikel 2:15 lid 1 sub b BW dan ook beperken tot hetgeen door [B.V. 1] is aangevoerd ter onderbouwing van haar stelling dat de gronden die zijn genoemd in de uitnodiging voor de AvA van 16 augustus 2016, pertinent onjuist zijn. Het gaat er hierbij volgens [B.V. 1] om dat het financieringsmemorandum waarop het voorstel van Rabobank was gebaseerd, onjuist is en dat hem dat nooit is toegestuurd, dat er geen sprake was van liquiditeitsproblemen en dat [B.V. 1] , ondanks het feit dat zij niet alle informatie had, toch steeds coöperatief is geweest.
Overigens geldt dat het hof van oordeel is dat hetgeen door [B.V. 1] is aangevoerd over het feit dat de herstructurering niet is afgerond en dat de zeggenschapsverhoudingen binnen de [XXX] Groep niet conform de gemaakte afspraken zijn, niet maakt dat het ontslagbesluit vernietigbaar is wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in artikel 2:15 lid 1 onder b BW, zie rov. 3.6.4. hierna.
Het hof stelt hierbij het volgende voorop. Op grond van artikel 2:15 lid 1 sub b BW is een ontslagbesluit vernietigbaar, indien het besluit in strijd is met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW worden geëist. In artikel 2:8 lid 1 BW is bepaald dat een rechtspersoon en degenen die krachtens de wet en de statuten bij zijn organisatie zijn betrokken, zich als zodanig jegens elkaar moeten gedragen naar hetgeen door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd. Bij het toetsen van een besluit aan artikel 2:15 lid 1 onder b BW is de maatstaf of het orgaan alle in aanmerking komende belangen naar redelijkheid en billijkheid tegen elkaar heeft afgewogen, waarbij geldt dat de rechter bij de beoordeling aan de hand van die maatstaf terughoudendheid past (vgl. HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ9145).
Uitgangspunt is dat de bevoegdheid om vernietiging van een besluit vanwege strijd met de redelijkheid en billijkheid te vorderen, op grond van artikel 2:15 lid 5 BW vervalt een jaar na het einde van de dag, waarop hetzij aan het besluit voldoende bekendheid is gegeven, hetzij de belanghebbende van het besluit kennis heeft genomen of daarvan is verwittigd. [B.V. 1] was aanwezig op de AvA van 12 september 2016 waarop het Besluit is genomen. Op dat moment was zij dus bekend met het Besluit. Dit betekent dat [B.V. 1] haar vordering tot vernietiging van het Besluit tijdig heeft ingesteld.
Tussen partijen is niet in geschil dat er sinds eind 2015 sprake was van een (dreigend) liquiditeitstekort binnen de [XXX] Groep omdat de pelzenproductie van het jaar 2015 niet op de markt zou worden gebracht. Dit blijkt bijvoorbeeld uit de e-mailwisseling eind mei 2016 (rov. 3.2. onder ix e.v.) en uit het e-mailbericht van [voornaam] aan [voornaam] , [voornaam] en [de man] van 31 juli 2016 (rov. 3.2. onder xvi). Tussen [B.V. 1] enerzijds en [B.V. 3] en [B.V. 2] anderzijds bestond wel een verschil van inzicht over de omvang en de oorzaak van het liquiditeitstekort en over het nut en de noodzaak van de financiering door Rabobank. Volgens [B.V. 1] is het liquiditeitstekort veel kleiner en kan het worden opgelost met overbruggingskredieten van € 200.000,- (zie het e-mailbericht van 31 juli 2016) en is het financieringsmemorandum in die zin onjuist. De Rabobank-financiering is veel omvangrijker, en is daarom volgens haar niet in het belang van de onderneming. Hierbij speelt volgens [B.V. 1] ook een rol dat [B.V. 3] en [B.V. 2] , althans [voornaam] , [voornaam] en [voornaam] , grote bedragen aan de onderneming hebben onttrokken en dat zij de financiering door Rabobank willen gebruiken voor investeringen die niet in het belang van de onderneming zijn, zonder dat [B.V. 1] daarmee instemt.
Uit de gang van zaken blijkt echter dat partijen tijdens de bespreking op 1 augustus 2016 afspraken hebben gemaakt waarmee aan de bezwaren van [B.V. 1] tegemoet werd gekomen, en dat Rabobank de offerte dienovereenkomstig heeft aangepast (zie rov. 3.2. onder xvii en xviii). De offerte van Rabobank betrof een rekening-courantfaciliteit van € 2.250.000,- die volgens de offerte uitsluitend mocht worden gebruikt voor de financiering van de bedrijfsuitoefening van de [XXX] Groep en een geldlening van € 2.000.000,-. Met de op 1 augustus 2016 gemaakte afspraken werd voorkomen dat de geldlening voor andere doeleinden dan de exploitatie van de onderneming van de [XXX] Groep zou worden gebruikt, zonder de instemming van [B.V. 1] . De uitkomst van de bespreking van 1 augustus 2016 was dat [B.V. 1] met inachtneming van de gemaakte afspraken akkoord was met de financiering door Rabobank, zo volgt uit het verslag van Veeke (rov. 3.2. onder xvii).
Onder deze omstandigheden, en mede gezien de terughoudendheid die het hof in dit kader in acht moet nemen, is het naar het oordeel van het hof niet in strijd met de redelijkheid en billijkheid dat de AvA het besluit heeft genomen om [B.V. 1] te ontslaan als bestuurder van [B.V. 4] . Doordat [B.V. 1] toch niet bereid bleek de offerte van Rabobank onvoorwaardelijk te tekenen, handelde zij in strijd met de op 1 augustus 2016 gemaakte afspraken en was er geen financiering voor het dreigende liquiditeitstekort beschikbaar waardoor zij het voortbestaan van [B.V. 4] en de aan haar gelieerde vennootschappen in ernstige mate in gevaar heeft gebracht. Deze gang van zaken rechtvaardigt het standpunt van [B.V. 3] en [B.V. 2] dat [B.V. 1] heeft gehandeld in strijd met de belangen van [B.V. 4] en de aan haar gelieerde vennootschappen. Dit maakt dat de AvA bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid en naar billijkheid tot het Besluit heeft kunnen komen. Daaraan doet niet af dat er volgens Rabobank vermogensbestanddelen aanwezig waren om de liquiditeitsproblematiek voor de korte termijn op te lossen (zie rov. 3.2. onder xxv hiervoor). Het hof verwijst op dit punt naar rov. 3.6.6.
Van een vooropgezet plan om [B.V. 1] “eruit te werken”, is naar het oordeel van het hof gezien het voorgaande dan ook geen sprake. Hierbij komt dat tijdens de AvA is gesproken over de voorliggende problematiek en dat partijen nog hebben geprobeerd om tot een oplossing in der minne te komen, hetgeen niet is gelukt (zie rov. 3.5.4. hiervoor).
Dat Rabobank in haar brief van 15 augustus 2016 heeft geschreven dat er volgens haar voldoende vermogensbestanddelen beschikbaar waren om de liquiditeitsproblematiek voor de korte termijn op te lossen en er na het ontslag van [B.V. 1] niet alsnog gebruik is gemaakt van de Rabobank financiering, leidt niet tot een andere conclusie. Dat er een oplossing voor de korte termijn mogelijk was door het te gelde maken van bepaalde activa, betekent in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen niet dat het Besluit in redelijkheid niet genomen had kunnen worden. Dit doet, net als de gang van zaken na het Besluit, immers niet af aan het feit dat [B.V. 1] heeft gehandeld in strijd met de door haar op 1 augustus 2016 gemaakte afspraken, waardoor er geen financiering beschikbaar was voor het liquiditeitstekort dat zij zelf ook voorzag. Door [geïntimeerden] is bovendien aangevoerd dat er in plaats van de Rabobank financiering een lening tegen een hoge rente bij een andere financier is aangegaan, zo blijkt uit de door [geïntimeerden] overgelegde hypotheekakte.
[B.V. 1] heeft nog aangevoerd dat zij niet over alle financiële informatie beschikte om het financieringsmemorandum en de offerte van Rabobank te kunnen beoordelen, en dat zij zich steeds coöperatief heeft opgesteld zoals bijvoorbeeld blijkt uit de e-mailberichten van 10, 14 en 24 augustus 2016. Ook dit leidt niet tot een ander oordeel. Het hof verwijst naar hetgeen zij in dit verband met de beschikbaarheid van informatie heeft overwogen in rov. 3.5.6. hiervoor. Hierbij komt dat uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat er ook volgens [B.V. 1] sprake was van een liquiditeitstekort, zij het dan van een geringere omvang dan waar de andere twee bestuurders en het financieringsmemorandum van uitgingen. De zorg van [B.V. 1] dat de financiering zonder zijn instemming zou worden gebruikt voor investeringen die niet in het belang van de vennootschap of de onderneming van de [XXX] Groep zijn (bijvoorbeeld omdat een investering in de nertsentak volgens [voornaam] in strijd is met de wet vanwege het op dat moment aanstaande nertsenverbod), is geadresseerd in de op 1 augustus 2016 gemaakte afspraken, waar [B.V. 1] zich vervolgens niet aan heeft gehouden. Dat [B.V. 1] vervolgens alternatieven heeft voorgesteld en bereid was opnieuw in overleg te treden en zich in die zin coöperatief heeft opgesteld, betekent in het licht van hetgeen hiervoor in rov. 3.6.4 is overwogen niet dat het Besluit in strijd is met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW worden geëist. In dit kader is ten slotte nog van belang dat tijdens de AvA is gesproken over de voorliggende problematiek en dat partijen ook toen nog hebben geprobeerd om tot een oplossing in der minne te komen, hetgeen niet is gelukt (zie rov. 3.5.3. hiervoor).
Voor zover [B.V. 1] bedoelt te betogen dat zij geen of onvoldoende toegang heeft tot financiële informatie uit het verleden en dat zij dus niet kan beoordelen of het liquiditeitstekort (mede) is veroorzaakt door onttrekkingen door [B.V. 3] en [B.V. 2] en/of [voornaam] , [voornaam] en [voornaam] , geldt dat dit naar het oordeel van het hof niet betekent dat het Besluit in strijd met de redelijkheid en billijkheid is. Hetzelfde geldt voor zover [B.V. 1] bedoelt te betogen dat het financieringsmemorandum berust op onjuiste cijfers. Dit doet immers niet af aan hetgeen hiervoor in rov. 3.6.4. is overwogen. De problematiek van de onttrekkingen ligt bovendien voor in de splitsingsprocedure, waar partijen hebben afgesproken dat dit onderwerp is van het onderzoek van de door de rechtbank aangestelde deskundigen. Indien dit onderzoek volgens [B.V. 1] niet op de juiste wijze is verricht of indien [B.V. 1] zich om andere redenen niet met de uitkomst daarvan kan verenigen, geldt dat het debat daarover in de splitsingsprocedure moet plaatsvinden.
[B.V. 1] heeft in dit verband gewezen op de uitspraak van de Ondernemingskamer van 1 oktober 2018. Volgens haar kwalificeren het gestelde liquiditeitstekort en de vermeende dreigende discontinuïteit als wanbeleid en heeft de Ondernemingskamer dit in haar beschikking vastgesteld. Het hof volgt [B.V. 1] hierin niet. In rov. 3.4. van de beschikking heeft de Ondernemingskamer overwogen dat de slechte verstandhouding en het wantrouwen tussen [voornaam] enerzijds en [voornaam] en [voornaam] anderzijds in de weg staan aan het gezamenlijk besturen van de [XXX] Groep en dat sinds het ontslag van [B.V. 1] als bestuurder van [B.V. 4] , ook als gevolg van verstoorde verhoudingen, geen aandeelhoudersvergaderingen meer zijn belegd en de jaarrekeningen vanaf het boekjaar 2014 niet meer zijn vastgesteld. De Ondernemingskamer heeft voorts overwogen dat de feitelijke situatie zo is dat [voornaam] leiding geeft aan de varkenshouderij en [voornaam] en [voornaam] aan de rundvee- nertsen- en akkerbouwtak en dat er verschillen van inzicht over de bedrijfsvoering bestaan die niet oplosbaar zijn gebleken via normaal overleg. In rov. 3.5. van beschikking heeft de Ondernemingskamer vervolgens geoordeeld dat deze situatie gegronde redenen oplevert om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken. Het liquiditeitstekort en de financiering door Rabobank spelen bij dit oordeel geen rol.
[B.V. 1] stelt terecht dat [yyy] het financieringsmemorandum heeft afgerond en aan Rabobank heeft toegestuurd, zonder haar daarbij te betrekken en zonder haar het financieringsmemorandum toe te sturen. [geïntimeerden] hebben in dit verband verwezen naar het e-mailbericht van 22 juli 2016 van Wijnen aan de advocaat van [B.V. 1] , maar hierbij is niet het financieringsmemorandum gevoegd.
Hoewel deze gang van zaken niet strookt met het feit dat [B.V. 1] samen met [B.V. 3] en [B.V. 2] bestuurder was van [B.V. 4] en tussen hen de afspraak gold dat besluiten boven € 100.000,- uitsluitend gezamenlijk zouden worden genomen, leidt dit niet tot de conclusie dat het Besluit in strijd is met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW worden geëist. Vast staat immers dat [B.V. 1] vanaf 23 juli 2016 in ieder geval wel de beschikking had over het financieringsmemorandum (zie haar eigen e-mailbericht van 31 juli 2016, rov. 3.2. onder xvi hiervoor), dat zij op 1 augustus 2016 met haar medebestuurders over de financiering heeft gesproken en afspraken heeft gemaakt waarmee aan haar zorgen tegemoet werd gekomen, en dat voor het accepteren van de offerte van Rabobank haar instemming sowieso was vereist. Rabobank eiste handtekeningen van alle drie de bestuurders en was niet bereid om de financiering te verstrekken zonder onvoorwaardelijk commitment van alle drie de “vennoten” (rov. 3.2. onder xxi en xxv).
Tussenconclusie
Uit het voorgaande volgt dat het Besluit niet vernietigbaar is op grond van artikel 2:15 lid 1 sub a of sub b BW.
Is er sprake van een voortdurende managementovereenkomst tussen [XXX] Holding en [B.V. 4] ?
[B.V. 1] stelt dat sprake is van een managementovereenkomst die niet is geëindigd door haar ontslag op 12 september 2016 en die voorziet in de betaling door [B.V. 4] van een jaarlijkse managementfee van € 50.000,-. Ter onderbouwing hiervan beroept zij zich op een aantal e-mailberichten van [yyy] , waaronder het bericht van 26 augustus 2016 over de concept jaarcijfers van [B.V. 4] over 2015. Hierin staat onder andere:
“(…) Uit die cijfers blijken vorderingen in rekening courant van [B.V. 3] , [B.V. 2] en [B.V. 1] van ieder € 50.000,- op [B.V. 4] Deze vorderingen hebben te maken met de management fee over 2015 die [B.V. 4] verschuldigd is aan de persoonlijke holdings van de drie bestuurders. Deze management fee is niet uitbetaald maar is in rekening courant verrekend (…)”
Zij beroept zich voorts op de concept-jaarrekeningen van [B.V. 4] 2015-2018 waaruit volgens haar blijkt dat de managementfee van € 50.000,- in de periode 2015-2018 jaarlijks in rekening-courant is verrekend. [B.V. 1] heeft er ten slotte op gewezen dat uit de desbetreffende pleitaantekeningen van [geïntimeerden] blijkt dat zij zich tijdens de mondelinge behandeling in de procedure bij de rechtbank op het standpunt heeft gesteld dat [B.V. 1] haar taken als statutair bestuurder heeft uitgevoerd op grond van een managementovereenkomst, en dat zij zich tijdens een kort geding tussen partijen in 2020 op het standpunt heeft gesteld dat er in de jaren 2015-2017 jaarlijks voor alle drie de bestuurders een managementfee van € 50.000,- is verrekend in rekening-courant en in 2018 voor ieder een bedrag van € 43.750,-.
Naar het oordeel van het hof volgt uit het door [B.V. 1] gestelde en uit de haar overgelegde en hiervoor genoemde documenten dat [B.V. 4] vanaf 2015 jaarlijks een managementfee heeft betaald aan haar aandeelhouders. Het bestaan van een managementovereenkomst wordt door [geïntimeerden] betwist, en voor zover daarvan wel sprake was betoogt [geïntimeerden] dat deze op 12 september 2016 is beëindigd. [geïntimeerden] onderbouwen die betwisting echter niet, terwijl van beëindiging bovendien geen sprake is (zie rov. 3.8.4. hierna). Dit had gezien hetgeen door [B.V. 1] is aangevoerd en gezien de door [geïntimeerden] in eerste aanleg en in een eerder kort geding ingenomen standpunten zoals hiervoor vermeld, wel op de weg van [geïntimeerden] gelegen. Dit maakt dat naar het oordeel van het hof vast staat dat sprake is van een managementovereenkomst die verplicht tot betaling van een managementfee van € 50.000,- en dat nu [B.V. 1] zelf heeft betoogd dat verrekening in rekening-courant plaatsvindt, sprake is van die verrekening.
Volgens [geïntimeerden] heeft het ontslag van [B.V. 1] tot gevolg dat ook de managementovereenkomst is geëindigd. Het hof onderkent dat het zo kan zijn dat als sprake is van een nauwe samenhang tussen het bestuurderschap en de managementovereenkomst, het vennootschapsrechtelijke ontslag van de statutair bestuurder ook de managementovereenkomst doet eindigen (vgl. Hoge Raad 15 april 2005 ECLI:NL:HR:2005:AS2032 en ECLI:NL:HR:2005:AS2713 waarin de Hoge Raad in geval van een natuurlijk persoon als bestuurder besliste dat het einde van de vennootschappelijke betrekking tussen de vennootschap en de bestuurder tevens het einde van de tussen hen bestaande arbeidsovereenkomst betekent). In dit geval volgt uit het door [B.V. 1] gestelde en de door haar overgelegde documenten echter dat de managementovereenkomst na het ontslag van [B.V. 1] op 12 september 2016 is doorgelopen. Ook in 2017 en (gedeeltelijk) in 2018 is immers de managementfee betaald door middel van verrekening in rekening-courant
[geïntimeerden] hebben voorts aangevoerd dat de managementovereenkomst in ieder geval in 2018 is geëindigd. In het kader van de voorgenomen splitsing hebben partijen als peildatum oktober 2018 genomen. Om die reden heeft de accountant na 2018 geen managementfee meer geboekt in de rekening-courant van de aandeelhouders van [B.V. 4] . Dit betekent dat de managementovereenkomst in oktober 2018 is geëindigd, aldus [geïntimeerden]
Het hof volgt [geïntimeerden] hierin niet. Een overeenkomst van opdracht, zoals een managementovereenkomst, eindigt door opzegging door de opdrachtgever (artikel 7:408 BW). Gesteld noch gebleken is dat [B.V. 4] de managementovereenkomst heeft opgezegd, of dat de managementovereenkomst op een andere rechtsgeldige wijze is geëindigd, bijvoorbeeld doordat partijen zulks in onderling overleg overeen zijn gekomen. Het enkele feit dat [B.V. 4] op enig moment is gestopt met het betalen van managementfee is hiervoor onvoldoende.
Dit alles maakt dat het hof voor recht zal verklaren (i) dat er vanaf 1 januari 2015 sprake is van een managementovereenkomst tussen [B.V. 4] en [B.V. 1] die tot op heden niet is geëindigd en (ii) dat tot het moment waarop de managementovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd [B.V. 4] jaarlijks een managementfee van € 50.000,- exclusief btw aan [B.V. 1] is verschuldigd, te voldoen door verrekening in rekening-courant. Hierbij geldt dat uit rov. 3.8.1. en 3.8.2. volgt dat vast staat dat de managementfee die [B.V. 4] is verschuldigd aan [B.V. 1] over de jaren 2015 tot en met 2017 reeds volledig is voldaan en over 2018 deels, tot een bedrag van € 43.750,-, is voldaan.
[geïntimeerden] hebben een beroep gedaan op verrekening. [B.V. 1] boekt alle opbrengsten van VOF [XXX] varkens naar zijn privé-rekening en deze moeten verrekend worden met de vordering ter zake de managementfee, aldus [geïntimeerden] Het bestaan van een tegenvordering staat echter niet in de weg aan de hiervoor genoemde verklaringen voor recht, nog daargelaten dat de gegrondheid van deze tegenvordering niet op eenvoudige wijze is vast te stellen en het beroep op verrekening om die reden niet toegewezen zou kunnen worden (artikel 6:136 BW).
Artikel 21 Rv
Volgens [B.V. 1] hebben [geïntimeerden] zich in deze procedure van evident onjuiste feiten bediend. Zij verzoekt het hof om die reden om op grond van artikel 21 Rv maatregelen te treffen. Naar het oordeel van het hof is van een schending van de waarheids- en volledigheidsplicht door [geïntimeerden] echter geen sprake, althans niet in die mate dat het hof gebruik maakt van zijn discretionaire bevoegdheid om op grond van artikel 21 Rv de gevolgtrekkingen te maken die het geraden acht. Het enkele feit dat partijen het oneens zijn over de feiten, althans over de interpretatie daarvan is hiervoor onvoldoende.
Slotsom
Uit het voorgaande volgt dat het hof het bestreden vonnis zal bekrachtigen en de gewijzigde vordering van [B.V. 1] zal toewijzen zoals vermeld in de beslissing. Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren omdat partijen over en weer als gedeeltelijk in het ongelijk gesteld gelden.
4. De uitspraak
Het hof:
bekrachtigt het bestreden vonnis;
verklaart voor recht dat er vanaf 1 januari 2015 sprake is van een managementovereenkomst tussen [B.V. 4] en [B.V. 1] die tot op heden niet is geëindigd;
verklaart voor recht dat tot het moment waarop de managementovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd, [B.V. 4] jaarlijks een managementfee van € 50.000,- aan [B.V. 1] is verschuldigd, te voldoen door verrekening in rekening-courant;
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten van de procedure in hoger beroep draagt;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. N.W.M. van den Heuvel, Y.L.L.A.M. Delfos-Roy en M.E.U. Janssens en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 16 september 2025.
griffier rolraadsheer