Parketnummer: 20-001579-22
Uitspraak : 25 september 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
’s-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 11 juli 2022 in de strafzaak met parketnummer 02-688140-15 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1955,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij het vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de officier van justitie ontvankelijk verklaard in de vervolging van de verdachte, het tenlastegelegde bewezenverklaard en dat gekwalificeerd als ‘medeplegen van in de uitoefening van een beroep/bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd’ (feit 1 primair (het hof begrijpt: feit 1)) en ‘diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking, meermalen gepleegd’ (feit 2), de verdachte daarvoor strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaar en met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
Namens de verdachte is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen met uitzondering van de opgelegde straf en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis, alsmede tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaar.
De raadsman van de verdachte heeft zich primair op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging dient te worden verklaard. Subsidiair heeft de raadsman integrale vrijspraak bepleit. Meer subsidiair heeft de raadsman partiële vrijspraak van het onder feit 1 tenlastegelegde bestanddeel ‘in de uitoefening van een beroep of bedrijf’ bepleit. Mocht het hof evenwel tot een bewezenverklaring komen, heeft de raadsman – in de vorm van een voorwaardelijk verzoek – het hof verzocht om een viertal getuigen te horen. Daarnaast is een straftoemetingsverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het bestreden vonnis, met aanvulling van de gronden waarop dit berust en met verbetering van de motivering omtrent de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.
De motivering omtrent de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie zal in zijn geheel worden vervangen als hierna vermeld. Voorts zal het hof de bewijsvoering, waaronder de bewijsmiddelen en de bewijsoverweging, aanvullen zoals hieronder weergegeven.
Het hof zal de strafmotivering van de rechtbank aanvullen in verband met de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.
Het hof zal tevens een beslissing nemen op een voorwaardelijk verzoek van de verdediging om getuigen te mogen horen.
Verbetering van de motivering over de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie
De verdediging heeft zich – op gronden als verwoord in de pleitnota – primair op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard wegens een grove schending van de redelijke termijn, te weten een overschrijding van 5,5 jaar in eerste aanleg en daarnaast tevens een overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. Daarbij is de wens om te kunnen ontnemen de reden voor het Openbaar Ministerie geweest om de verdachte te vervolgen. Het enkel leggen van beslag is geen rechtens te respecteren belang en aldus had geen redelijk denkend officier van justitie tot vervolging over mogen gaan. Tevens heeft het Openbaar Ministerie geen compleet onderzoek aangeleverd en is dat inmiddels onherstelbaar. Er is geen sprake meer van een ‘fair trial’ en dat dient tot de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie te leiden, aldus de raadsman.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Het hof stelt voorop dat, ingevolge vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging slechts in uitzonderlijke gevallen in beeld komt.
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, overwogen dat de enkele overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM nimmer kan leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de strafvervolging.
In zijn arrest van 13 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2059, oordeelde de Hoge Raad onder verwijzing naar het arrest uit 2008 dat het voorschrift van artikel 6, eerste lid, EVRM inzake de behandeling binnen een redelijke termijn niet het oog heeft op andere factoren die noodzaken tot een voortvarende afhandeling van strafzaken, zoals de ongunstige invloed van het tijdsverloop op de beoordeling van de feiten als gevolg van de verbleking van de herinnering van – bijvoorbeeld – getuigen en dat het voorschrift in het bijzonder niet ertoe strekt de verdedigingsrechten van een verdachte te waarborgen, zoals het recht getuigen te ondervragen. De in voormeld arrest geformuleerde uitgangspunten en regels houden uitsluitend verband met het recht op behandeling van een strafzaak binnen een redelijke termijn en gelden dus niet voor de beoordeling van inbreuken op de verdedigingsrechten.
Bij een inbreuk op de verdedigingsrechten van de verdachte die niet onder het bereik van artikel 359a Sv valt, komt de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging niet in aanmerking, behoudens in het uitzonderlijke geval dat die inbreuk van dien aard is en zodanig ernstig dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM. Andere gevolgen dan niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging liggen meer in de rede indien sprake is van een onherstelbare en niet voor (procedurele) compensatie vatbare schending van de verdedigingsrechten, waaronder het geval dat tijdsverloop een complicatie heeft gevormd bij de vergaring en waardering van bewijsmateriaal. In zijn arrest van 22 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1413, oordeelde de Hoge Raad dat indien onevenredig tijdsverloop een complicatie vormt bij de bewijsvergaring of de waardering van het bewijs, de rechter daarmee rekening kan houden en, indien de bewijsvoering op gespannen voet zou komen met de “fairness of the proceedings as a whole”, de verdachte kan vrijspreken van hetgeen aan hem ten laste is gelegd.
Gelet op bovengenoemde jurisprudentie is derhalve niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie vanwege de enkele schending van de redelijke termijn niet aan de orde.
Dat neemt weliswaar niet weg dat wel sprake is van een aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn. Het hof overweegt in dat verband dat de stelling van de verdediging dat de waarheidsvinding is bemoeilijkt, dat er sprake is van een incompleet dossier en dat door de termijnoverschrijding er geen sprake meer is van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM, onvoldoende is gebleken. Het hof heeft ook ambtshalve geen redenen gezien waaruit zou blijken dat de termijnoverschrijding heeft geleid tot een schending van de verdedigingsrechten bij de vergaring en waardering van bewijsmateriaal. Naar het oordeel van het hof is in de onderhavige zaak dan ook geen sprake van een inbreuk op de verdedigingsrechten van de verdachte die van dien aard is en zodanig ernstig is dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM.
Ten aanzien van het verweer dat geen redelijk denkend officier van justitie tot vervolging van de verdachte over had mogen gaan, overweegt het hof dat in art. 167, eerste lid, Sv aan het Openbaar Ministerie de bevoegdheid is toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. De beslissing van het Openbaar Ministerie om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde. Een uitzonderlijk geval als zojuist bedoeld doet zich voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet terwijl geen redelijk handelend lid van het Openbaar Ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. Te dezen doet zich niet een zodanig uitzonderlijk geval voor. Het gaat hier immers om grootschalige en georganiseerde hennepteelt waarmee naar redelijke verwachting grote verdiensten zijn gemaakt.
Het verweer met betrekking tot de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de strafvervolging wordt dan ook in al zijn onderdelen verworpen. Nu ook overigens geen gronden zijn gebleken die aan de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de strafvervolging in de weg staan, kan het Openbaar Ministerie hierin worden ontvangen.
Aanvulling van de bewijsvoering
De bewijsvoering behoeft, mede gelet op hetgeen in hoger beroep aan de orde is gekomen, de navolgende aanvullingen.
Het hof vult het door de rechtbank gebezigde bewijsmiddel ‘VIII. Het proces-verbaal van bevindingen van 10 februari 2016, pagina 669 tot en met 678, de bijgevoegde e-mailberichten (bijlagen 3, 6, 7, 18, 22 en 28), pagina 681, 687, 688, 707, 708, 714 en 729’ aan met het volgende:
Email bijlage 18
Goodmorning [medeverdachte 1] ,
Hieronder de brief die ik naar [verdachte] heb gemaild betreffende de [locatie] .
Ik heb het er dadelijk met je over.
Tot later,
[medeverdachte 2] .
Beste [verdachte] ,
Na een ‘turbulente’ start van ons samenwerkingsverband zijn de afgelopen acht maanden vlekkeloos en plezierig verlopen. De gewenste rust keerde terug en resulteerde geleidelijk in betere resultaten.
(…)
Afgelopen zondag werd ik gebeld door [medeverdachte 3] . Naar blijkt heb jij zaterdag contact opgenomen met [medeverdachte 3] en ontmoet. Je hebt dingen besproken, met hem, betreffende de [locatie] . Ik accepteer dit zeker niet. Ik heb contact opgenomen met [medeverdachte 1] , ik heb dit besproken met [medeverdachte 4] en ook zij gaan hier absoluut niet mee akkoord. Als er wat besproken dient te worden m.b.t. de [locatie] , dan doen wij dit in goed overleg met ons vieren.
(…)
Het is in ieders belang dat wat tot nu toe is bereikt, wordt gecontinueerd en verder wordt geperfectioneerd. Tegelijkertijd is de grootste discretie en veiligheid van essentieel belang. Het sleutelwoord is en blijf: samenwerking.
Het hof vult het door de rechtbank gebezigde bewijsmiddel ‘III. Het proces-verbaal van bevindingen van 1 oktober 2015, pagina 291 tot en met 293, en bijgevoegde bijlage 2, pagina 297 tot en met 307’ aan met het volgende:
Bijlage 2
6-6-2015 11:36:21(UTC+O), [telefoonnummer 1] @s.whatsapp.net ( [gebruikersnaam] )
Wie verzorgt er nu dan?
6-6-2015 11:37:05(UTC+O), [telefoonnummer 2] @s.whatsapp.net ( [medeverdachte 2] ) _> To:
[telefoonnummer 1] @s.whatsapp.net [gebruikersnaam] ( [gebruikersnaam] )
[betrokkene 1]
6-6-2015 11:37:35(UTC+O), [telefoonnummer 1] @s.whatsapp.net ( [gebruikersnaam] )
Dan kan die t toch met [betrokkene 2] ff regelen?
6-6-2015 11:38:38(UTC+O), [telefoonnummer 2] @s.whatsapp.net ( [medeverdachte 2] ) _> To:
[telefoonnummer 1] @s.whatsapp.net [gebruikersnaam] ( [gebruikersnaam] )
Hij is naar golftoernooi
6-6-2015 11:40:07(UTC+O), [telefoonnummer 1] @s.whatsapp.net ( [gebruikersnaam] )
Dus er is niemand. Lekker dan
6-6-2015 11:41:29(UTC+O), [telefoonnummer 2] @s.whatsapp.net ( [medeverdachte 2] ) _> To:
[telefoonnummer 1] @s.whatsapp.net [gebruikersnaam] ( [gebruikersnaam] )
Als wij terug zijn komt het helemaal goed, no worries
6-6-2015 11:42:32(UTC+O), [telefoonnummer 1] @s.whatsapp.net ( [gebruikersnaam] )
6-6-2015 11:44:44(UTC+O), [telefoonnummer 2] @s.whatsapp.net ( [medeverdachte 2] ) _> To:
[telefoonnummer 1] @s.whatsapp.net [gebruikersnaam] ( [gebruikersnaam] )
En ik betaal [betrokkene 2] voor vandaag
12-6-2015 13:20:27(UTC+O), [telefoonnummer 2] @s.whatsapp.net ( [medeverdachte 2] ) _> To:
[telefoonnummer 1] @s.whatsapp.net [gebruikersnaam] ( [gebruikersnaam] )
Ben weer terug, [locatie] alles okee
(…)
3-7-2015 7:35:04(UTC+O), [telefoonnummer 1] @s.whatsapp.net ( [gebruikersnaam] )
Heb jij nog ff tijd vanochtend?
3-7-2015 8:11:53(UTC+O), [telefoonnummer 2] @s.whatsapp.net ( [medeverdachte 2] ) _> To:
[telefoonnummer 1] @s.whatsapp.net [gebruikersnaam] ( [gebruikersnaam] )
Ben [locatie]
3-7-2015 8:12:17(UTC+O), [telefoonnummer 2] @s.whatsapp.net ( [medeverdachte 2] ) _> To:
[telefoonnummer 1] @s.whatsapp.net [gebruikersnaam] ( [gebruikersnaam] )
Morgen?
3-7-2015 8:14:20(UTC+O), [telefoonnummer 1] @s.whatsapp.net ( [gebruikersnaam] )
Nee, kan ik niet. Het is niet belangrijk maar wilde ff de positie van [bijnaam] bespreken met je.
3-7-2015 8:16:50(UTC+O), [telefoonnummer 2] @s.whatsapp.net ( [medeverdachte 2] ) _> To:
[telefoonnummer 1] @s.whatsapp.net [gebruikersnaam] ( [gebruikersnaam] )
Volgende week... ?
3-7-2015 8:20:58(UTC+O), [telefoonnummer 1] @s.whatsapp.net ( [gebruikersnaam] )
Ik wilde je ff spreken voor ik hem zie. Hij zal aan de bak moeten met de eventuele verandering. Denk dat hij daar geen tijd en zin in en voor heeft. In principe hebben we m niet meer nodig. Misschien financiële regeling treffen met m.?
Het hof vult de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen aan met het bewijsmiddel ‘het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 10 juli 2015, pagina 379, voor zover inhoudende de verklaring van [medeverdachte 4] ’:
Vraag verbalisanten: Als we over “ [locatie] ” spreken. Wat bedoelen jullie daar dan mee?
Verklaring verdachte: Dan hebben we het over de woning in Walsoorden. We noemen dat zo omdat daar altijd fazanten lopen.
Aanvulling strafmotivering
Het hof verenigt zich met hetgeen door de rechtbank omtrent de op te leggen straf is overwogen en beslist. Het hof zal deze overwegingen aanvullen met de constatering dat ook in hoger beroep sprake is van een schending van de redelijke termijn. Het hof zal daaraan echter geen consequenties verbinden gelet op de door de rechtbank opgelegde straf, die door het hof wordt bevestigd, en volstaan met de enkele constatering dat ook in hoger beroep de redelijke termijn is overschreden.
Beslissing op voorwaardelijk verzoek
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep een voorwaardelijk verzoek gedaan strekkende tot het horen van een viertal getuigen, te weten [betrokkene 4] , [betrokkene 3] , [betrokkene 2] en [medeverdachte 3] .
Het hof stelt vast dat het verzoek van de verdediging niet betrekking heeft op het horen van getuigen die een voor de verdachte belastende verklaring hebben afgelegd die voor het bewijs kan worden gebruikt. Het hof stelt vast dat de verdediging deze getuigen voorwaardelijk wenst te horen als zgn. “ontlastende getuigen”. In zo een geval, kan aan de rechtspraak van het EHRM (vgl. EHRM (GC) 18 december 2018, appl. no. 36658/05, Murtazaliyeva vs. Rusland) worden ontleend dat voor de beoordeling van dergelijke verzoeken als voornaamste toets wordt aangelegd of het verzoek om de ontlastende getuige te horen door de verdediging voldoende beargumenteerd c.q. onderbouwd is en of het verhoor relevant is in het licht van de beschuldiging die aan de verdachte in de tenlastelegging wordt gemaakt. Het gaat dan met name om de vraag of het verhoor van de ontlastende getuige in het kader van de waarheidsvinding relevant is voor de beoordeling van de zaak en of het verhoor van die getuige redelijkerwijs geacht kan worden de positie van de verdediging te kunnen verstevigen en de uiteindelijke uitkomst in de zaak te kunnen beïnvloeden.
Het hof overweegt dat de raadsman onvoldoende heeft onderbouwd waarom de betreffende getuigen gehoord dienen te worden en in hoeverre dergelijke verhoren kunnen bijdragen aan de beantwoording van de vragen in de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering. De stelling van de verdediging dat een ander dan de verdachte de in het dossier genoemde ‘ [verdachte] ’ of ‘ [verdachte] ’ betreft, vindt immers zijn weerlegging in de gebezigde bewijsmiddelen. Het verzoek van de raadsman om [betrokkene 4] , [betrokkene 3] , [betrokkene 2] en [medeverdachte 3] te horen wordt tegen de achtergrond van het voorgaande, alsook nu het hof het horen van deze getuigen ook overigens niet noodzakelijk acht, afgewezen, nu niet kan worden gezegd dat het horen van deze getuigen de positie van de verdediging kunnen verstevigen en de uitkomst van de zaak kunnen beïnvloeden.
BESLISSING
Het hof:
bevestigt het vonnis waarvan beroep, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door:
mr. J.T.F.M. van Krieken, voorzitter,
mr. C.P.J. Scheele en mr. M.C.C. van de Schepop, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. N. van Abeelen en mr. D.S. Yap, griffiers,
en op 25 september 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. J.T.F.M. van Krieken en mr. M.C.C. van de Schepop zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.