Parketnummer: 20-001603-22
Uitspraak : 25 september 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
’s-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 11 juli 2022 in de strafzaak met parketnummer 02-688116-15 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1960,
postadres: [adres] .
Hoger beroep
Bij het vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de officier van justitie ontvankelijk verklaard in de vervolging van de verdachte, het tenlastegelegde bewezenverklaard en dat gekwalificeerd als ‘medeplegen van in de uitoefening van een beroep/bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd’ (feit 1 primair) en ‘diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking, meermalen gepleegd’ (feit 2), de verdachte daarvoor strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaar en met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
Namens de verdachte is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen met uitzondering van de opgelegde straf en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis, alsmede tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaar.
De raadsvrouw van de verdachte heeft zich primair op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging dient te worden verklaard. Subsidiair heeft de raadsvrouw vrijspraak van het onder feit 1 primair tenlastegelegde bepleit en meer subsidiair is door de raadsvrouw partiële vrijspraak van het onder feit 1 primair tenlastegelegde bestanddeel ‘in de uitoefening van een beroep of bedrijf’ bepleit. Daarnaast is een straftoemetingsverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het bestreden vonnis en met de redengeving waarop dit berust, met verbetering van de motivering omtrent de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. De motivering omtrent de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie zal in zijn geheel worden vervangen als hierna vermeld.
Het hof zal de strafmotivering van de rechtbank aanvullen in verband met de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.
Verbetering van de motivering over de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie
De verdediging heeft zich – op gronden als verwoord in de pleitnota – primair op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard wegens een grove schending van de redelijke termijn, te weten een overschrijding van 5,5 jaar in eerste aanleg en daarnaast tevens een overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. De belangen van de verdediging zijn door deze overschrijding geschonden. Zo zijn de herinneringen van de verdachte vervaagd en kan hij geen zinnig antwoord meer geven op vragen over belangrijke stukken in het dossier, zoals de e-mailberichten. Dit raakt de kwaliteit van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep. Ook is het onderzoek destijds niet volledig geweest. Bij een voortzetting van de vervolging ontbreekt tevens voldoende strafrechtelijk belang, aldus de raadsvrouw.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Het hof stelt voorop dat, ingevolge vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging slechts in uitzonderlijke gevallen in beeld komt.
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, overwogen dat de enkele overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM nimmer kan leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de strafvervolging.
In zijn arrest van 13 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2059, oordeelde de Hoge Raad onder verwijzing naar het arrest uit 2008 dat het voorschrift van artikel 6, eerste lid, EVRM inzake de behandeling binnen een redelijke termijn niet het oog heeft op andere factoren die noodzaken tot een voortvarende afhandeling van strafzaken, zoals de ongunstige invloed van het tijdsverloop op de beoordeling van de feiten als gevolg van de verbleking van de herinnering van – bijvoorbeeld – getuigen en dat het voorschrift in het bijzonder niet ertoe strekt de verdedigingsrechten van een verdachte te waarborgen, zoals het recht getuigen te ondervragen. De in voormeld arrest geformuleerde uitgangspunten en regels houden uitsluitend verband met het recht op behandeling van een strafzaak binnen een redelijke termijn en gelden dus niet voor de beoordeling van inbreuken op de verdedigingsrechten.
Bij een inbreuk op de verdedigingsrechten van de verdachte die niet onder het bereik van artikel 359a Sv valt, komt de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging niet in aanmerking, behoudens in het uitzonderlijke geval dat die inbreuk van dien aard is en zodanig ernstig dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM. Andere gevolgen dan niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging liggen meer in de rede indien sprake is van een onherstelbare en niet voor (procedurele) compensatie vatbare schending van de verdedigingsrechten, waaronder het geval dat tijdsverloop een complicatie heeft gevormd bij de vergaring en waardering van bewijsmateriaal. In zijn arrest van 22 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1413, oordeelde de Hoge Raad dat indien onevenredig tijdsverloop een complicatie vormt bij de bewijsvergaring of de waardering van het bewijs, de rechter daarmee rekening kan houden en, indien de bewijsvoering op gespannen voet zou komen met de “fairness of the proceedings as a whole”, de verdachte kan vrijspreken van hetgeen aan hem ten laste is gelegd.
Gelet op bovengenoemde jurisprudentie is derhalve niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie vanwege de enkele schending van de redelijke termijn niet aan de orde.
Dat neemt weliswaar niet weg dat wel sprake is van een aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn. Door de verdediging is gesteld dat door de overschrijding van de redelijke termijn de belangen van de verdediging zijn geschonden, de kwaliteit van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is geraakt en het onderzoek onvolledig is geweest. Voor zover de verdediging daarmee heeft willen stellen dat door de overschrijding van de redelijke termijn er geen sprake meer is van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM, is dat naar ’s hofs oordeel onvoldoende gebleken. Het hof heeft ook ambtshalve geen redenen gezien waaruit zou blijken dat de termijnoverschrijding heeft geleid tot een schending van de verdedigingsrechten bij de vergaring en waardering van bewijsmateriaal. Naar het oordeel van het hof is in de onderhavige zaak dan ook geen sprake van een inbreuk op de verdedigingsrechten van de verdachte die van dien aard is en zodanig ernstig is dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM.
Het verweer met betrekking tot de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de strafvervolging wordt dan ook in al zijn onderdelen verworpen. Nu ook overigens geen gronden zijn gebleken die aan de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de strafvervolging in de weg staan, kan het Openbaar Ministerie hierin worden ontvangen.
Aanvulling strafmotivering
Het hof verenigt zich met hetgeen door de rechtbank omtrent de op te leggen straf is overwogen en beslist. Het hof zal deze overwegingen aanvullen met de constatering dat ook in hoger beroep sprake is van een schending van de redelijke termijn. Het hof zal daaraan echter geen consequenties verbinden gelet op de door de rechtbank opgelegde straf, die door het hof wordt bevestigd, en volstaan met de enkele constatering dat ook in hoger beroep de redelijke termijn is overschreden.
BESLISSING
Het hof:
bevestigt het vonnis waarvan beroep, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door:
mr. J.T.F.M. van Krieken, voorzitter,
mr. C.P.J. Scheele en mr. M.C.C. van de Schepop, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. N. van Abeelen en mr. D.S. Yap, griffiers,
en op 25 september 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. J.T.F.M. van Krieken en mr. M.C.C. van de Schepop zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.