Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 14 februari 2025, en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf onder parketnummer 96-106989-22, in de strafzaak met parketnummer 96-250200-24, tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1985,
BRP adres: [adres 1] ,
laatst opgegeven woon- of verblijfplaats: [adres 2] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte, bij verstek, door de politierechter ter zake van ‘overtreding van artikel 163, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994’ veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren subsidiair 30 dagen hechtenis. Daarnaast is aan de verdachte de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen ontzegd voor de duur van 6 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
Ten slotte is de tenuitvoerlegging gelast van de eerder aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke straf onder parketnummer 96-106989-22, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 4 weken.
Van de zijde van de verdachte is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het door de verdachte ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk zal verklaren nu de verdachte geen schriftuur houdende grieven heeft ingediend noch mondeling bezwaren tegen het vonnis heeft opgegeven, en overigens geen belang is gediend met een behandeling van de onderhavige strafzaak in hoger beroep.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof stelt vast dat op 26 februari 2025 namens de verdachte tijdig hoger beroep is ingesteld tegen het vonnis waarvan beroep. Op 29 juli 2025 is het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep aangevangen met het door de voorzitter doen uitroepen van de onderhavige strafzaak.
Nu de verdachte geen schriftuur houdende grieven heeft ingediend noch mondeling (of via een gemachtigd advocaat) bezwaren tegen het vonnis heeft opgegeven en het hof niet van oordeel is dat de strafzaak desalniettemin onderzocht dient te worden, zal het hof toepassing geven aan het in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering bepaalde en het door de verdachte ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk verklaren.
BESLISSING
Het hof:
verklaart het door de verdachte ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus gewezen door:
mr. J. Platschorre, voorzitter,
mr. S. Riemens en mr. K.J. van Dijk, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. Vulto, griffier,
en op 12 augustus 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.