ECLI:NL:GHSHE:2025:3003

ECLI:NL:GHSHE:2025:3003, Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 29-10-2025, 24/261

Instantie Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak 29-10-2025
Datum publicatie 02-12-2025
Zaaknummer 24/261
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBZWB:2024:224
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005806

Samenvatting

Wet Bpm. Belanghebbende heeft gelet op HR 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060, recht op een hogere vergoeding voor de kosten van bezwaar. Art. 19a Wet Bpm moet gelet op HR 26 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1375, buiten toepassing blijven. Hoger beroep gegrond.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Nummer: 24/261

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonend in [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 18 januari 2024, nummer BRE 22/817, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de inspecteur.

en

de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid),

hierna: de minister.

1. Ontstaan en loop van het geding

De inspecteur heeft een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de inspecteur.

De zitting heeft plaatsgevonden op 24 september 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

Bij brief van 1 oktober 2025 heeft het hof het onderzoek heropend en partijen gelegenheid gegeven te reageren op enkele arresten van de Hoge Raad van 26 september 2025.

Belanghebbende heeft hierop gereageerd bij brief van 3 oktober 2025.

Het hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten en een uitspraak aangekondigd.

2. Feiten

Belanghebbende heeft op aangifte een bedrag van € 3.342 aan Bpm voldaan ter zake van de registratie van het motorrijtuig BMW X3 met VIN-nummer [VIN-nummer] (de auto). In de aangifte is belanghebbende uitgegaan van een CO2-uitstoot van 282 gr/km.

Bij de aangifte is een taxatierapport gevoegd van [B.V.] . van 31 augustus 2020. In dit rapport heeft de taxateur een bedrag aan schade berekend van € 22.636. Er is een bedrag van € 23.500 in mindering gebracht op de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat.

De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door Domeinen Roerende Zaken (DRZ). De bevindingen zijn opgenomen in een taxatierapport van 27 november 2020. De hertaxateur heeft voor een bedrag van € 2.925 aan schade aan de auto geconstateerd.

Daarvan is een bedrag van € 2.101 (72%) in mindering gebracht op de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat. In onderdeel 4c. ‘Bevindingen/opmerkingen’ heeft de hertaxateur vermeld op welke onderdelen hij van de schadecalculatie van belanghebbende is afgeweken.

De inspecteur heeft op basis van hem ter beschikking staande gegevens het standpunt ingenomen dat de verschuldigde Bpm moet worden vastgesteld op € 15.771. Vervolgens heeft de inspecteur de naheffingsaanslag opgelegd naar een bedrag van € 12.429.

De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en de naheffingsaanslag verminderd naar een bedrag van € 7.817. Voorts heeft de rechtbank de minister veroordeeld tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade van € 500, de inspecteur veroordeeld in de proceskosten van € 2.370 en gelast dat de inspecteur het griffierecht van € 184 aan belanghebbende vergoedt.

3. Geschil en conclusies van partijen

Het geschil in hoger beroep betreft uitsluitend het antwoord op de vraag of de inspecteur de (proces)kostenvergoeding voor de bezwaarfase op het juiste bedrag heeft vastgesteld.

Belanghebbende heeft tijdens de zitting van het hof uitdrukkelijk en ondubbelzinnig verklaard dat hij zijn standpunt dat de rechtbank ten onrechte geen procespunt heeft toegekend voor het verzoek om vergoeding van immateriële schade, intrekt.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, maar uitsluitend voor zover dit ziet op de vergoeding van de kosten van bezwaar.

4. Gronden

Ten aanzien van het geschil

De rechtbank heeft een vergoeding van de kosten van bezwaar vastgesteld op 2 x € 310 = € 620. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060, is dit onjuist. Het hof zal daarom de kosten van bezwaar opnieuw vaststellen op 2 x € 647 = € 1.294.

Tussenconclusie

De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is.

Ten aanzien van het griffierecht

De inspecteur dient aan belanghebbende het bij het hof betaalde griffierecht van € 279 te vergoeden, omdat de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd.

Ten aanzien van de proceskosten

Het hof veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het hof, omdat het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is.

Gelet op hetgeen onder 4.1 is overwogen stelt het hof de kostenvergoeding voor de bezwaarfase opnieuw vast op € 1.294. Omdat de rechtbank het bedrag van de kostenvergoeding voor bezwaar en de proceskostenvergoeding voor het beroep in één bedrag in het dictum heeft genoemd, zal het hof de proceskostenvergoeding voor het beroep eveneens opnieuw vaststellen naar de huidige tarieven. Het hof ziet daarbij geen aanleiding om af te wijken van de wegingsfactor 1 die door de rechtbank is gehanteerd. Het hof stelt de tegemoetkoming in beroep aldus op 2 (punten) x € 907 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 1.814.

Het hof stelt de tegemoetkoming in hoger beroep op 2 (punten) x € 907 (waarde per punt) x 0,25 (factor gewicht van de zaak) is € 453,50. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1375, is sprake van een bijzondere omstandigheid op grond waarvan artikel 19a Wet Bpm buiten toepassing blijft.

Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.

5. Beslissing

Het hof:

De uitspraak is gedaan door T.A. Gladpootjes, voorzitter, J.C.E. Ackermans-Wijn en J. Wessels, in tegenwoordigheid van A.S. van Middelkoop, als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 oktober 2025 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.

De griffier, De voorzitter,

A.S. van Middelkoop T.A. Gladpootjes

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?