GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 23/1865
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 8 november 2023, nummer BRE 21/5833, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur,
en
de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid),
hierna: de minister.
1. Ontstaan en loop van het geding
De inspecteur heeft een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) over het jaar 2019 opgelegd. Tegelijkertijd is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting heeft plaatsgevonden op 22 augustus 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende en zijn gemachtigde [gemachtigde] , en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .
Belanghebbende heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
2. Feiten
Belanghebbende is gehuwd met [naam] (hierna: [naam] ).
De inspecteur heeft op 11 mei 2021 aan belanghebbende een (definitieve) aanslag IB/PVV 2019 opgelegd overeenkomstig de door belanghebbende op 17 maart 2021 ingediende aangifte IB/PVV 2019.
Op 20 mei 2021 heeft belanghebbende een nadere aangifte over 2019 gedaan. In deze nadere aangifte is het box 3-inkomen anders verdeeld en daarbij zijn de onderstaande bezittingen en schulden opgenomen:
Bezittingen:
- Bank- en spaartegoeden
€
3.661.251
- Aandelen, obligaties e.d.
€
185.527
- Overige vorderingen, contant geld
€
349.219
- (Rechten op) onroerende zaken
€
3.275.110
- Overige bezittingen
€
97.626
Schulden:
- Schulden (o.a. borg huurders)
€
43.514
De inspecteur heeft deze nadere aangifte IB/PVV 2019 gevolgd en heeft op 24 juli 2021 een navorderingsaanslag IB/PVV 2019 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 66.695 en een voordeel uit sparen en beleggen van € 349.484 en een te betalen bedrag van € 92.193 en gelijktijdig bij beschikking een bedrag van € 3.198 aan door belanghebbende te betalen belastingrente vastgesteld.
De inspecteur had aan [naam] voorlopige aanslagen over het jaar 2019 opgelegd. Op 11 mei 2021 heeft de inspecteur haar een (definitieve) aanslag IB/PVV 2019 opgelegd met een te betalen bedrag van € 94.856 (waaronder € 2.685 aan belastingrente). [naam] heeft geen bezwaar gemaakt tegen de bij haar opgelegde aanslag IB/PVV over 2019. Op 16 juli 2021 heeft de inspecteur de aanslag verminderd waardoor er geen te betalen bedrag meer resteerde.
De inspecteur heeft het door belanghebbende naar aanleiding van de opgelegde navorderingsaanslag IB/PVV 2019 ingediende bezwaarschrift op 16 augustus 2021 ontvangen.
De rechtbank heeft het beroep behandeld ter zitting op 20 september 2022. Op 5 september 2022 heeft belanghebbende de gronden van het beroep uitgebreid en verzocht om rechtsherstel naar aanleiding van het (kerst)arrest van de Hoge Raad van 24 december 2021. Ter zitting hebben alle betrokken partijen afgesproken om het centrale rechtsherstel door de Staatssecretaris af te wachten en is de zaak door de rechtbank aangehouden.
Met dagtekening 24 februari 2023 is in navolging van bovengenoemd arrest, het Besluit Rechtsherstel Box 3 en de Wet Rechtsherstel box 3 de navorderingsaanslag verminderd tot een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen € 189.426. Het bedrag van de belastingrente is dienovereenkomstig verminderd tot € 1.532.
Belanghebbende en [naam] hebben op 15 augustus 2023 aan de inspecteur verzocht om op grond van artikel 2.17, lid 4, Wet IB 2001 de onderlinge verhouding van de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen te wijzigen. De inspecteur heeft zich akkoord verklaard met die nadere verdeling, waardoor het aandeel van belanghebbende in de grondslag sparen en beleggen wordt verminderd van € 6.478.199 naar € 6.035.899.
Omdat belanghebbende zich klaarblijkelijk niet kon verenigen met het geboden rechtsherstel - belanghebbende wenste een andere verdeling dan gekozen bij (herziene) aangifte - heeft op verzoek van belanghebbende een tweede zitting plaats gehad op 27 september 2023.
In de door de inspecteur bij de rechtbank ingebrachte pleitnota staat – voor zover hier relevant – het volgende vermeld:
“1. Gegrond verklaren beroep In het (nadere) verweerschrift van 25 februari 2022 hebben wij het standpunt ingenomen waarom naar onze mening het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard zou moeten worden. Op 18 november 2022 heeft de Hoge Raad in een vergelijkbare zaak arrest gewezen. Gelet op dit arrest, maar ook gelet op het nieuwe artikel 30ia Algemene wet inzake rijksbelastingen, geven wij uw Rechtbank in overweging het beroep van belanghebbende gegrond te verklaren.”
De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de navorderingsaanslag IB/PVV 2019 verminderd naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 176.248, de rentebeschikking dienovereenkomstig verminderd, het verzoek om een dwangsom, een rentevergoeding in verband met de teveel betaalde box 3-belasting en een vergoeding van immateriële schade afgewezen en de inspecteur veroordeeld in het betalen van het griffierecht en de proceskosten.
De inspecteur heeft in zijn verweerschrift in hoger beroep met betrekking tot het geschil over de belastingrente het volgende geschreven:
“7. Motivering Inspecteur 7.1 Belastingrente Ik ben van mening dat de belastingrente/heffingsrente terecht en tot een juist bedrag is vastgesteld.
(…)
8. Conclusie
De uitspraak van de rechtbank is juist en het hoger beroep dient ongegrond te
worden verklaard.”
3. Geschil en conclusies van partijen
Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:
i) Heeft de inspecteur de belastingrente terecht en tot het juiste bedrag vastgesteld?
ii) Moet aan belanghebbende rente worden vergoed in verband met de door hem uiteindelijk teveel betaalde box 3-belasting?
iii) heeft de rechtbank ten onrechte geen vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn toegekend?
Belanghebbende heeft ter zitting bij het hof uitdrukkelijk en ondubbelzinnig zijn standpunt ingetrokken dat hij recht heeft op een dwangsom in verband met het niet tijdig beslissen op het door belanghebbende ingediende bezwaar.
Belanghebbende concludeert tot het vergoeden van (belasting)rente en het toekennen van een vergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De inspecteur concludeert tot een ongegrond hoger beroep.
4. Gronden
Ten aanzien van het geschil
1. Heeft de inspecteur de belastingrente terecht en tot het juiste bedrag vastgesteld?
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat ten onrechte belastingrente in rekening is gebracht, omdat het berekenen van belastingrente niet is toegestaan over een periode waarin de Belastingdienst al beschikte over het te betalen belastingbedrag. Belanghebbende verwijst daarbij naar het arrest van de Hoge Raad van 18 november 2022. Ook stelt belanghebbende dat de inspecteur ter zitting van de rechtbank heeft verklaard dat hij de belastingrente niet meer handhaaft. De inspecteur stelt daarentegen in hoger beroep dat de belastingrente terecht en tot het juiste bedrag is vastgesteld.
Het hof overweegt als volgt. Het staat een partij, en dus ook de inspecteur, vrij om zich in hoger beroep te verweren met alle gronden die hij dienstig acht. Dit is slechts anders voor zover het desbetreffende standpunt onderscheidenlijk verweer ondubbelzinnig zou zijn prijsgegeven, dan wel wordt aangevoerd onder zodanige omstandigheden, dat behandeling ervan zou leiden tot een inbreuk op de goede procesorde. In verband met de mogelijkheid van misverstand of onberadenheid, en in verband met de regel dat een ingetrokken grief of verweer niet wederom in hogere instantie mag worden aangevoerd, kan een grief of verweer slechts dan als ingetrokken worden aangemerkt wanneer een partij uitdrukkelijk en ondubbelzinnig verklaart die grief of dat verweer in te trekken.
Het hof is van oordeel dat de inspecteur uitdrukkelijk en ondubbelzinnig zijn standpunt dat de belastingrente terecht en naar het juiste bedrag is vastgesteld heeft prijsgegeven. Dat prijsgeven volgt expliciet uit de bij de rechtbank ingediende pleitnota van de inspecteur (zie 2.11), waarbij de inspecteur zelfs specifiek verwijst naar het arrest van 18 november 2022. Ter zitting bij het hof heeft de inspecteur geen verklaring kunnen geven over dat wat in de hiervoor vermelde pleitnota stond vermeld. Daarmee is naast de uitdrukkelijke tekst van de pleitnota ook het ondubbelzinnige karakter gegeven. Het gelijk is dan ook aan belanghebbende.
2. Moet rente worden vergoed in verband met de teveel betaalde box 3-heffing?
Belanghebbende stelt dat rente moet worden vergoed over de door hem teveel betaalde belasting inzake zijn box 3-vermogen. Belanghebbende bestrijdt in dat kader de merites van het oordeel van de Hoge Raad van 6 juni 2024 onder verwijzing naar de andersluidende conclusie van Advocaat-Generaal Pauwels van 22 december 2023.
Het hof stelt voorop dat, hoewel in de Nederlandse rechtsorde geen stare decisis geldt, zodat het hof niet gebonden is aan beslissingen van de Hoge Raad in eerdere zaken, het hof geen enkele reden ziet om in dit geval afwijkend te oordelen van het arrest van 6 juni 2024. In dat arrest is geoordeeld dat voor een passend en voldoende rechtsherstel volstaan kan worden met de vergoeding van de teveel betaalde belasting en als uitgangspunt geen rentevergoeding hoeft te worden toegekend. Het beloop van de wettelijke rente is bovendien niet meer dan het bedrag van de belastingvermindering, waardoor van een uitzonderingssituatie (in de zin van het genoemde arrest) waar wel aanleiding zou bestaan voor een rentevergoeding, geen sprake is.
3. Heeft de rechtbank ten onrechte geen vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn toegekend?
Belanghebbende stelt zich ten slotte op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte geen vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft toegekend. De omstandigheden die de rechtbank heeft genoemd om te komen tot het oordeel dat geen vergoeding voor de immateriële schade moet worden toegekend vinden geen steun in de jurisprudentie, aldus belanghebbende.
Op grond van vaste jurisprudentie van de Hoge Raad geldt als uitgangspunt dat, behoudens bijzondere omstandigheden, de berechting van een zaak in de bezwaar- en de beroepsfase niet binnen een redelijke termijn geschiedt als de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen, uitspraak doet. De termijn vangt in beginsel aan op het moment waarop de inspecteur het bezwaarschrift ontvangt en eindigt op het moment waarop de rechter uitspraak doet. Het bezwaarschrift is door de inspecteur ontvangen op 16 augustus 2021 en de inspecteur heeft op 6 januari 2022 uitspraak op bezwaar gedaan. De rechtbank heeft uitspraak gedaan op 8 november 2023. Vanaf de datum van ontvangst van het bezwaarschrift door de inspecteur tot en met de datum waarop de rechtbank uitspraak doet, zijn twee jaar en bijna 3 maanden is verstreken. De redelijke termijn is derhalve in principe met (afgerond) drie maanden overschreden.
Naar het oordeel van het hof:a. vormt de omstandigheid dat het geschil zich eerder in de procedure beperkte tot de belastingrente en daarna is uitgebreid met de box 3-heffing geen bijzondere omstandigheid die de redelijke termijn verlengt;b. vormt het uitstel om het centrale rechtsherstel als gevolg van het Kerstarrest af te wachten ook geen bijzondere omstandigheid die de redelijke termijn verlengt en het (al dan niet) instemmen met dat uitstel evenmin;c. vormt het gebruik maken van het aan belanghebbende toekomende recht op een nadere zitting en het daartoe indienen van nadere stukken evenmin een bijzondere omstandigheid; end. is van een bijzondere mate van complexiteit in deze specifieke zaak van belanghebbende naar het oordeel van het hof geen sprake en is dat ook niet de dragende overweging geweest voor de rechtbank om de redelijke termijn te verlengen.
Nu de redelijke termijn van de rechtbank-fase niet wordt verlengd is deze overschreden en dient voor de schadevergoeding als uitgangspunt een tarief te worden gehanteerd van € 500 per half jaar waarmee die termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. Belanghebbende heeft dus recht op € 500.
Tussenconclusie
De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht
De inspecteur dient aan belanghebbende het bij het hof betaalde griffierecht van € 136 te vergoeden, omdat de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd.
Ten aanzien van de proceskosten
Het hof veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het hof, omdat het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is.
Het hof stelt deze tegemoetkoming op 2 (punten) x € 907 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 1.814.
5. Beslissing
Het hof:
- verklaart het hoger beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak van de rechtbank, maar alleen voor de beslissingen over de belastingrente en de vergoeding van immateriële schade;
- vernietigt de beschikking belastingrente;
- veroordeelt de minister tot vergoeding van de schade die belanghebbende heeft geleden tot een bedrag van € 500;
- bepaalt dat de inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het hoger beroep bij het hof van € 136 vergoedt;
- veroordeelt de inspecteur in de kosten van het geding bij het hof van € 1.814.
De uitspraak is gedaan door A.J. Kromhout, voorzitter, J.C.E. Ackermans – Wijn en B.J. Rubbens, in tegenwoordigheid van N.A. de Grave, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 november 2025 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De voorzitter,
N.A. de Grave A.J. Kromhout
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.