GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 23/1430
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 23 augustus 2023, nummer BRE 22/6097, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.
1. Ontstaan en loop van het geding
De inspecteur heeft de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) 2017 (hierna: de aanslag) opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting heeft plaatsgevonden op 21 maart 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen, [inspecteur 1] , [inspecteur 2] en [inspecteur 3] , namens de inspecteur. Belanghebbende is niet verschenen. Op deze zitting zijn gelijktijdig behandeld de onderhavige zaak en de zaken met nummers 23/1424 en 23/1429.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
Van deze zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan partijen is verzonden.
De griffier heeft verklaard dat de uitnodiging voor de zitting in het portaal van Mijn rechtspraak is gezet en niet per post aan belanghebbende is verstuurd. Uit telefonische navraag op de zittingsdag bij belanghebbende is gebleken dat hij niet op de hoogte was van de zitting, dat hij niet digitaal procedeert en dat hij nog niet alle stukken had ontvangen. Onderzoek na de zitting heeft uitgewezen dat belanghebbende niet op de juiste wijze voor de zitting van 21 maart 2025 was uitgenodigd. Het hof heeft het onderzoek heropend.
Belanghebbende heeft vóór de nadere zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de inspecteur.
De nadere zitting heeft plaatsgevonden op 11 september 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .
Op deze zitting zijn gelijktijdig behandeld de onderhavige zaak en de zaken met nummers 23/1424 en 23/1429.
Bij aanvang van de zitting zijn partijen erop gewezen, dat de meervoudige belastingkamer tijdens de zitting van 21 maart 2025 was samengesteld uit J.M. van der Vegt, T.A. Gladpootjes en B.J. Rubbens en dat de zaak verder wordt behandeld in een gewijzigde samenstelling door J.M. van der Vegt, A.J. Kromhout en B.J. Rubbens.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
2. Feiten
Belanghebbende is directeur-grootaandeelhouder van de vennootschappen [A BV] , [B BV] en [C NV] . Verder exploiteert belanghebbende onder de naam " [eenmanszaak] " in 2017 een onderneming in de vorm van een eenmanszaak.
De activiteiten van de eenmanszaak bestaan, zoals volgt uit het uittreksel van de Kamer van Koophandel, uit organisatie- en advieswerkzaamheden.
Het ondernemingsvermogen van de eenmanszaak bedraagt, volgens de aangifte IB/PVV van belanghebbende voor het jaar 2016, eind 2016 € 18.967 negatief. Volgens de aangifte IB/PVV van belanghebbende voor het jaar 2017, is het ondernemingsvermogen op 1 januari 2017 € 17.607 positief.
Belanghebbende heeft voor het jaar 2017 aangifte IB/PVV gedaan naar een verzamelinkomen van € 57.296. In dat verzamelinkomen is onder meer begrepen een belastbaar resultaat uit onderneming van € 15.143 negatief, bestaande uit € 17.607 negatief als winst uit onderneming en € 2.464 MKB-winstvrijstelling.
De inspecteur is vervolgens bij het opleggen van de aanslag van de ingediende aangifte afgeweken. Hij heeft het verzamelinkomen vastgesteld op € 166.101. De inspecteur heeft als belastbare winst uit onderneming € 82.389 (positief) in de aanslag in aanmerking genomen. Dit bedrag bestaat uit € 103.082 winst uit onderneming, verminderd met € 7.280 ondernemersaftrek en € 13.413 MKB-winstvrijstelling. Verder heeft de inspecteur, in afwijking van de aangifte, het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen (box 3) vastgesteld op € 11.273. Bij de aanslag heeft de inspecteur € 5.498 belastingrente in rekening gebracht.
Het door de inspecteur in de aanslag in aanmerking genomen bedrag winst uit onderneming is als volgt opgebouwd:
Aangegeven winst door belanghebbende: € 17.607 negatief
Aansluitverschil balans eind 2016 — begin 2017 € 36.574
Correctie van bedrag ‘andere kosten’ € 84.115
Totaal € 103.082
De inspecteur heeft in de uitspraak op bezwaar het inkomen uit werk en woning verminderd naar € 120.413. Hij heeft de belastbare winst uit onderneming verminderd tot € 47.974, bestaande uit € 63.064 winst uit onderneming, verminderd met € 7.280 ondernemersaftrek en € 7.810 MKB -winstvrijstelling.
Het bedrag aan winst uit onderneming is als volgt opgebouwd:
Aangegeven winst door belanghebbende € 17.607 negatief
Aansluitverschil balans eind 2016 - begin 2017 € 36.574
Correctie van saldo ‘andere kosten’ € 44.097
Totaal € 63.064
Verder heeft de inspecteur het belastbaar inkomen uit box 3 verminderd tot € 4.987. De bij de aanslag in rekening gebrachte belastingrente is tot slot verminderd tot € 3.507.
Tijdens de beroepstermijn heeft de inspecteur in verband met rechtsherstel voor box 3, met dagtekening 25 november 2022, een verminderingsbeschikking voor de aanslag gegeven. In die verminderingsbeschikking heeft hij het belastbaar inkomen uit box 3 vastgesteld op € 327. Het verzamelinkomen is daardoor vastgesteld op € 120.413, en verder is de in rekening gebrachte belastingrente verminderd tot € 3.366.
3. Geschil en conclusies van partijen
Het geschil betreft het antwoord op de volgende vraag: heeft de inspecteur de aanslag op het juiste bedrag vastgesteld?
Meer specifiek is in geschil of de inspecteur terecht de winst uit onderneming heeft gecorrigeerd voor het verschil in aansluiting tussen het eindvermogen in 2016 en het beginvermogen in 2017; of een bedrag van € 86.996 aan algemene kosten in aftrek op de winst kan komen en of belanghebbende per 1 januari 2017 een schuld van € 1.673.833 in box 3 in aanmerking kan nemen.
Belanghebbende heeft zijn klacht dat de hoorplicht was geschonden ter zitting ingetrokken.
Belanghebbende concludeert tot vermindering van de aanslag naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 57.296 en uit sparen en beleggen van nihil. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.
4. Gronden
Vooraf
Voor zover belanghebbende erover klaagt dat het beroep met betrekking tot de aanslag tegelijkertijd is behandeld met het beroep over de informatiebeschikking over 2015, faalt die klacht. Uit het proces-verbaal volgt dat de rechtbank de behandeling van beide zaken gescheiden heeft gehouden en dat belanghebbende zich over beide jaren heeft kunnen uitlaten. De omstandigheid dat op de zitting van de rechtbank de inspecteur niet was voorbereid op behandeling van het beroep over de aanslag, is geen omstandigheid in het nadeel van belanghebbende. Het hof ziet niet in hoe de belangen van belanghebbende hierdoor zijn geschaad.
Ten aanzien van het geschil
Winst uit onderneming
De rechtbank heeft met betrekking tot de winst uit onderneming het volgende geoordeeld:
“4.6. De inspecteur heeft het aangegeven resultaat uit onderneming van € 17.607 negatief, verhoogd met allereerst een bedrag van € 36.574. Dat betreft het aansluitingsverschil tussen het door belanghebbende zelf opgegeven vermogen op 31 december 2016 van € 18.967 negatief en 1 januari 2017 van € 17.607 positief.Belanghebbende heeft, naar de rechtbank begrijpt, aangevoerd dat dat verschil ziet op een verrekening van kosten binnen zijn familiesituatie. Onduidelijk is echter hoe die kosten verband houden met (het verschil tussen) het eindvermogen van 2016 en/of beginvermogen van 2017 en ook is met die verklaring van belanghebbende niet aannemelijk geworden dat dit kosten betreffen die verband houden met activiteiten van de eenmanszaak. De rechtbank is daarom van oordeel dat de inspecteur het aansluitingsverschil terecht tot de winst heeft gerekend.
Verder heeft belanghebbende kennelijk in zijn resultaat uit onderneming een kostenpost van € 86.996, genoemd ‘andere kosten’, begrepen. De inspecteur heeft na zijn uitspraak op bezwaar van die kostenpost in totaal € 42.899 (€ 86.996 - € 44.097) geaccepteerd. De rest aan gestelde kosten wordt betwist door de inspecteur. Het is aan belanghebbende, die een hoger bedrag aan kosten op zijn winst uit onderneming wil laten drukken, om de kosten tot een hoger bedrag dan reeds is toegelaten, aannemelijk te maken.
Daarin is hij naar het oordeel van de rechtbank niet geslaagd. Belanghebbende heeft namelijk geen concreet verifieerbare stukken ingediend die de rechtbank aan kan merken als onderbouwing van zakelijke kosten voor het jaar 2017. De inspecteur heeft daarom de kosten niet tot een te laag bedrag ter berekening van de winst uit onderneming toegelaten.
De rechtbank komt dus tot de conclusie dat de inspecteur de winst uit onderneming niet tot een te hoog bedrag in de aanslag IB/PVV 2017, zoals die luidt na uitspraak op bezwaar, heeft vastgesteld. In zoverre kan het beroep van belanghebbende dus niet slagen.”
Het hof acht dit oordeel juist en op goede gronden gegeven en maakt het tot de zijne. Wat belanghebbende in hoger beroep aanvoert maakt dit oordeel niet anders. Ter zitting heeft belanghebbende nog nader toegelicht dat het aansluitingsverschil bestaat uit advocaatkosten die hij voor zijn zoon heeft betaald en die hij wil verrekenen. Dat zijn geen kosten die belanghebbende ten laste van de winst van zijn eenmanszaak kan brengen of op een andere wijze kan verrekenen met het ondernemingsvermogen in zijn eenmanszaak.
Box 3
De rechtbank heeft met betrekking tot de vraag of bij de grondslag van box 3 rekening moet worden gehouden met een schuld van € 1.673.833 als volgt geoordeeld:
“4.9. In geschil is alleen of er rekening gehouden moet worden met de door belanghebbende gestelde schuld groot op peildatum 1 januari 2017 € 1.673.833. Dat betreft, aldus belanghebbende, een persoonlijke garantstelling van circa 5 miljoen gulden toentertijd aan de nationale borg, die door de rechtbank toen is bekrachtigd en actueel blijft. Ter onderbouwing heeft belanghebbende een dagvaarding van 31 augustus 1999, een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 10 november 1999 en een exploot van een deurwaarderkantoor met dagtekening 23 november 1999 overgelegd. De inspecteur betwist dat op 1 januari 2017 een schuld van € 1.673.833 ter berekening van het box 3 inkomen in aanmerking moet worden genomen. Daartoe voert de inspecteur aan dat de stukken die belanghebbende ter onderbouwing heeft overgelegd zien op een schuld van rond de eeuwwisseling, en als deze schuld nog niet is verjaard niet aannemelijk is geworden dat deze schuld op 1 januari 2017 nog op belanghebbende rustte.
De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende, gelet op de gemotiveerde betwisting van de inspecteur, niet aannemelijk heeft gemaakt dat op peildatum 1 januari 2017 op hem een schuld rustte van € 1.673.833.Uit de stukken die belanghebbende heeft overgelegd volgt dat namelijk niet. Daaruit volgt wel dat belanghebbende eind jaren '90 een schuld had maar blijkt niet dat belanghebbende op 1 januari 2017 (nog steeds) deze schuld had. Dat betekent dat de inspecteur in zijn vaststelling van het belastbaar inkomen uit box 3 terecht geen rekening met de door belanghebbende genoemde schuld rekening heeft gehouden. Het beroep van belanghebbende kan in zoverre dus ook niet slagen. Wel is het beroep op dit punt gegrond omdat de inspecteur hangende de beroepsprocedure een ambtshalve vermindering in het kader van rechtsherstel box 3 heeft toegepast.”
Dit oordeel acht het hof juist en op goede gronden gegeven, het hof maakt dit oordeel tot de zijne. Belanghebbende maakt ook met wat hij in hoger beroep aanvoert niet aannemelijk dat deze schuld per 1 januari 2017 nog bestond.
Tussenconclusie
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht.
5. Beslissing
Het hof:
De uitspraak is gedaan door J.M. van der Vegt, voorzitter, A.J. Kromhout en B.J. Rubbens, in tegenwoordigheid van N.A. de Grave, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 november 2025 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. Aan de partij die niet digitaal procedeert, is een afschrift op die datum aangetekend per post verzonden.
De griffier, De voorzitter,
N.A. de Grave J.M. van der Vegt
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.