2. Verdachte [verdachte] en zijn eenmanszaak [bedrijf 3]
Ik zie in het door de Belastingdienst opgeleverde document dat verdachte [verdachte] geen loonbelasting activiteit heeft opgegeven en dat er geen omzetbelasting is opgegeven voor de eenmanszaak [bedrijf 3] .
Bron: DOC-015-01.
3. [betrokkene 6] en zijn eenmanszaak [bedrijf 4]
Pagina 293
Ik zie in het door de Belastingdienst opgeleverde document dat [betrokkene 6] geen loonbelasting activiteit heeft opgegeven en dat er geen omzetbelasting is opgegeven voor de eenmanszaak [bedrijf 4] .
Bron: DOC-015-02.
4. [betrokkene 7] en zijn eenmanszaak [bedrijf 2]
Ik zie in het door de Belastingdienst opgeleverde document dat [bedrijf 2] geen loonbelasting activiteit heeft opgegeven.
Bron: DOC-015-04, DOC-015-05 en DOC-015-06.
5. [betrokkene 8] en zijn eenmanszaak [bedrijf 1]
Ik zie in het door de Belastingdienst opgeleverde document dat [betrokkene 8] geen loonbelasting activiteit heeft opgegeven. En ik zie dat er geen aangiften omzetbelasting zijn gedaan.
Bron: DOC-015-07, DOC-015-08 en DOC-015-09.
Bewijsoverwegingen
Verweren van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het onder 3 en 4 (primair en subsidiair) tenlastegelegde. Daartoe is kort weergegeven aangevoerd dat:
- Niet kan worden bewezen dat [betrokkene 9] wederrechtelijk in Nederland verbleef.
o Hij beschikte namelijk over rechtmatig verblijf in Polen en hij heeft daar legaal gewerkt. Aannemelijk is dat hij daar bescherming heeft gekregen op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming. In een dergelijk geval hebben Oekraïners het recht om 90 dagen binnen een periode van 180 dagen naar een andere lidstaat van de Europese Unie, bijvoorbeeld Nederland, te reizen.
o Evenmin kan worden vastgesteld dat de rechtmatigheid van het verblijf van [betrokkene 9] op grond van artikel 12, eerste lid en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 is geëindigd omdat hij – in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen – arbeid heeft verricht. Voor een dergelijke conclusie is namelijk vereist dat dit door de rechter wordt vastgesteld.
- Niet kan worden bewezen dat de verdachte [betrokkene 9] arbeid liet verrichten.
o De verdachte heeft dit ontkend, het bedrijf [bedrijf 2] was niet van de verdachte en niet kan worden vastgesteld dat [betrokkene 9] in loondienst dan wel in opdracht van de verdachte werkte. [betrokkene 9] werd niet betaald door de verdachte en heeft ook verklaard geen contact met de verdachte te hebben gehad.
- Gelet op het vorenstaande kan evenmin worden vastgesteld dat is gehandeld uit winstbejag en/of dat de verdachte van het plegen zijn beroep en/of een gewoonte heeft gemaakt.
Het hof overweegt als volgt.
Algemene bewijsoverwegingen
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Bijzondere bewijsoverwegingen
Het hof overweegt als volgt.
Het juridisch kader met betrekking tot de (on)rechtmatigheid van het verblijf in Nederland door Oekraïners .
Op 4 maart 2022 is Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen geactiveerd op grond waarvan ontheemden uit Oekraïne opvang en voorzieningen krijgen in Nederland en andere EU-landen. Vreemdelingen, afkomstig uit Oekraïne, kunnen zich sindsdien ingevolge de richtlijn melden bij de gemeente om zich in te laten schrijven in de Basisregistratie Personen (BRP). Een aanvraag voor verblijf onder de richtlijn start officieel als de vreemdeling zich inschrijft bij de gemeente. De aanmelding bij de gemeente, waarbij een verzoek wordt gedaan om de verstrekking van opvang en voorzieningen als ontheemde uit Oekraïne en op grond waarvan de vreemdeling is ingeschreven, wordt door de IND aangemerkt een aanvraag voor een verblijfsvergunning onder voornoemde richtlijn. Hiermee ontstaat op dat moment rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder f, van de Vreemdelingenwet 2000.
Was de toegang of het verblijf in Nederland van [betrokkene 9] wederrechtelijk?
Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de persoon [betrokkene 9] (hierna: [betrokkene 9] ), geboren op [geboortedag 2] 1985, niet voorkomt in de systemen van de IND. Dit betekent dat [betrokkene 9] zich niet heeft gemeld bij de gemeente in het kader van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming Oekraïne of anderszins vóór 8 maart 2023 in Nederland een aanvraag voor een verblijfsvergunning heeft ingediend. Voor zover [betrokkene 9] zich rechtmatig de toegang tot Nederland heeft verschaft en rechtmatig in Nederland verbleef gedurende de zogenaamde vrije termijn ex artikel 12 van de Vreemdelingenwet 2000 heeft te gelden dat deze vrije termijn in ieder geval is geëindigd doordat [betrokkene 9] voor een werkgever arbeid heeft verricht in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen. Uit de bewijsmiddelen volgt dat [betrokkene 9] ten tijde van de controle al meerdere dagen voor de verdachte arbeid heeft verricht. Het verblijf van [betrokkene 9] in Nederland was daarom op de dag van de controle wederrechtelijk.
Het vorenstaande wordt niet anders, indien zoals door de verdediging gesteld, [betrokkene 9] op grond van voormelde richtlijn tijdelijke bescherming in Polen genoot en daarom rechtmatig gedurende een vrije termijn van 90 dagen visumvrij in Nederland mocht verblijven. [betrokkene 9] heeft immers tijdens zijn verblijf in Nederland arbeid verricht in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen, waarmee zijn eventuele rechtmatig verblijf ex artikel 12 van de Vreemdelingenwet 2000 is geëindigd. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de vreemdeling die een beroep toekomt op tijdelijke bescherming als hiervoor bedoeld, enkel in de lidstaat die overeenkomstig Richtlijn 2001/55/EG en de toepasselijke nationale wetgeving aan de vreemdeling die bescherming biedt, aanspraak kan maken op de uit de tijdelijke bescherming voortvloeiende rechten, waaronder het mogen verrichten van arbeid.
De stelling dat pas tot een bewezenverklaring kan worden gekomen wanneer door een (het hof begrijpt: bestuurs-)rechter is vastgesteld dat het rechtmatig verblijf op grond van artikel 12 van de Vreemdelingenwet 2000 is geëindigd, vindt geen steun in het recht. Ook in zoverre wordt het verweer van de verdediging verworpen.
Is verdachte [betrokkene 9] behulpzaam geweest bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland en/of heeft hij die [betrokkene 9] daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaft?
Op grond van de bewijsmiddelen stelt het hof het volgende vast.
De verdachte:
Voorts waren de facturen die in verband met de werkzaamheden aan [adres 2] werden verstuurd, voorzien van het e-mailadres van de verdachte, het telefoonnummer van de verdachte en het bankrekeningnummer van de verdachte. Daarbij werd bovendien verzocht het gefactureerde bedrag over te maken naar de bankrekening van de verdachte.
Op grond van deze feiten en omstandigheden acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte diverse personen, waaronder [betrokkene 9] , heeft tewerkgesteld voor een verbouwing waarbij de verdachte – in ieder geval feitelijk – optrad als aannemer en op locatie bovendien een leidinggevende rol had in de zin dat hij het personeel ter plaatse aanstuurde.
Ten aanzien van het bestanddeel ‘behulpzaam zijn bij het zich verschaffen van verblijf’ in Nederland heeft te gelden dat ook behulpzaamheid, die is gericht op voortzetting van het verblijf in Nederland, valt onder artikel 197a van het Wetboek van Strafrecht. Doordat de verdachte [betrokkene 9] liet werken, heeft verdachte deze persoon gelegenheid en middelen verschaft om in Nederland te kunnen verblijven.
Winstbejag (feit 3)
Het gaat bij winstoogmerk om een gerichtheid op verrijking. Onder ‘winst’ dient te worden verstaan: ‘iedere stoffelijke verrijking die zou kunnen intreden ten gevolge van het begaan van het verboden feit, daargelaten of deze verrijking om te zetten is in bepaalde valuta of economische eenheden’.
Vaststaat dat facturen voor de bouwwerkzaamheden op naam van de verdachten waren gesteld en dienden te worden overgemaakt naar zijn bankrekening terwijl ter zake van [betrokkene 9] geen loonbelasting is betaald door de verdachte en/of [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] . Ook stond [betrokkene 9] niet op de loonlijst van de verdachte of voornoemde bedrijven, waardoor de verdachte de verplichte loonheffingen en werkgeverslasten heeft uitgespaard. Daarmee kan worden vastgesteld dat de verdachte uit winstbejag heeft gehandeld.
Wist de verdachte dat het verblijf wederrechtelijk was of had hij ernstige redenen dit te vermoeden?
Het is een feit van algemene bekendheid dat personen van buiten de Europese Unie niet zomaar in Nederland mogen werken. Op de verdachte, zijnde degene die de werkzaamheden heeft laten verrichten, rustte een onderzoeksplicht. Dat de verdachte zich daarvan bewust was, vindt bevestiging in het gesprek met [betrokkene 3] waarin de verdachte erkent dat hij verantwoordelijk was om te checken of de ‘juiste papieren’ er waren om te werken.
Verdachte had, vóórdat hij [betrokkene 9] liet werken, eenvoudig kunnen en moeten onderzoeken of [betrokkene 9] rechtmatig in Nederland verbleef en gerechtigd was om hier arbeid te verrichten. Van dat onderzoek is niets gebleken. Het hof concludeert dat de verdachte door [betrokkene 9] onder de voornoemde omstandigheden desondanks werkzaamheden te laten verrichten minst genomen ernstige redenen had te vermoeden dat het verblijf van [betrokkene 9] wederrechtelijk was.
Vrijspraak van beroep en/of gewoonte
Het hof zal – overeenkomstig de standpunten van de advocaat-generaal en de verdediging – de verdachte vrijspreken van het onder 3 tenlastegelegde bestanddeel ‘beroep en/of gewoonte’, nu niet is gebleken dat de verdachte zijn beroep en/of een gewoonte heeft gemaakt van het plegen van dat feit.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 3 en 4 subsidiair bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
de eendaadse samenloop van:
een ander uit winstbejag behulpzaam zijn bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland, terwijl hij weet of ernstige redenen heeft te vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk is
en
een ander, die zich wederrechtelijk toegang tot of verblijf in Nederland heeft verschaft, krachtens overeenkomst of aanstelling arbeid doen verrichten, terwijl hij ernstige reden heeft te vermoeden dat de toegang of dat verblijf wederrechtelijk is.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen straf
De verdediging heeft bepleit dat het hof zal volstaan met oplegging van een geheel voorwaardelijke straf. Daartoe is – kort weergegeven – aangevoerd dat de verdachte first offender is, hij destijds zelf in een penibele situatie verkeerde omdat zijn verblijfsvergunning was ingetrokken en terugkeer naar Tunesië gelet op zijn geaardheid en afvalligheid van de Islam geen reële optie was. Op dit moment beschikt de verdachte over rechtmatig verblijf in Nederland, woont hij bij zijn Nederlandse partner en werkt hij als houtbewerker, barman en artiest. Er is geen gevaar voor herhaling en verdachte zal geen gevaar voor de openbare orde vormen zoals bedoeld in de hierop van toepassing zijnde beleidsregels van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), aldus de verdediging.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het – kort gezegd – in eendaadse samenloop begaan van het uit winstbejag een ander behulpzaam zijn bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland, terwijl de verdachte wist of ernstige reden had te vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk was (feit 3) en het tewerkstellen van een illegale vreemdeling (feit 4 subsidiair).
Dergelijke feiten zijn strafbaar gesteld omdat daarmee het overheidsbeleid om illegaal verblijf in Nederland tegen te gaan wordt gefrustreerd en bovendien concurrentievervalsing plaatsvindt. Daarnaast leveren dergelijke feiten een acute gevaarzetting op voor de publieke kas. De gesmokkelden en tewerkgestelden draaien immers niet mee in het stelsel van sociale verzekeringen en genieten niet de sociale rechten die een persoon (al dan niet werknemer) met rechtmatig verblijf heeft. Daar komt voor wat betreft illegaal tewerkgestelden bij dat zij zich in beginsel inherent in een onwenselijk afhankelijke positie bevinden ten opzichte van hun werkgever.
Dat laatste gold overigens in mindere mate voor [betrokkene 9] . Hij had zich – als Oekraïner – immers kunnen melden bij een gemeente om aanspraak te maken op de bescherming die door de Richtlijn Tijdelijke Bescherming werd geboden, in welk geval hij niet alleen rechtmatig in Nederland zou hebben kunnen verblijven maar ook (mits in loondienst) rechtmatig zou hebben mogen werken zonder een tewerkstellingsvergunning. Het hof betrekt dit in (sterk) strafmatigende zin bij het bepalen van de op te leggen straf. Niettemin rekent het hof de verdachte aan dat hij heeft gehandeld zoals is bewezenverklaard.
Het hof heeft bij de strafoplegging acht geslagen op de inhoud van het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 5 september 2025, betreffende het justitiële verleden van de verdachte. Hieruit blijkt dat hij niet eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van een strafbaar feit.
Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Uit het onderzoek ter terechtzitting is hieromtrent aan de hand van een getoonde verblijfskaart gebleken dat hij inmiddels, naar het hof begrijpt, beschikt over een geldige verblijfstitel in Nederland. Voorts is gelet op een overgelegde arbeidsovereenkomst gebleken dat de verdachte werk heeft. Bovendien zou hij geen financiële zorgen hebben.
Alles afwegende is het hof van oordeel dat oplegging van een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden is.
Met oplegging van een voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 55, 197a en 197b van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
Het hof:
verklaart het door de verdachte en de officier van justitie ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk, voor zover dit is gericht tegen de beslissing van de rechtbank ter zake van het onder 1, 2 (primair en subsidiair) tenlastegelegde en tevens voor zover dit is gericht tegen het onder 3 en 4 (primair en subsidiair) tenlastegelegde en betrekking heeft op de onder 3 en 4 genoemde [betrokkene 1] ;
vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet opnieuw recht:
verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 4 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 3 en 4 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het onder 3 en 4 subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden;
bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de eventuele tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Aldus gewezen door:
mr. A.C. Bosch, voorzitter,
mr. R.G.A. Beaujean en mr. H.A.T.G. Koning, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. Vulto, griffier,
en op 5 december 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.