GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Wrakingskamer
registratienummer: 200.336.312/02 en 200.336.355/02datum beslissing: 3 december 2025
Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingsverzoeken
op het verzoek als bedoeld in artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)
in de twee gevoegde zaken met nummers 200.336.312/01 en 200.336.355/01 van
[verzoekster] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in het principaal hoger beroep,
verweerster in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: verzoekster,
advocaat: mr. P van Wijngaarden te Groningen,
tegen
[erfgename] , als erfgename van
[erflater] ,
laatstelijk wonende te [woonplaats] ,
verweerder in het principaal hoger beroep,
verzoekster in het incidenteel hoger beroep,
advocaat mr. A.A.M. Kroon-Jongbloed te Groningen,
strekkende tot wraking van mrs. A.J.F. Manders, P.P.M. van Reijsen en M.J. van Laarhoven, raadsheren in het team familie- en jeugdrecht van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch (hierna: de raadsheren), alsmede (aanvankelijk) voorwaardelijk tot wraking van de griffier, mr. [griffier] .
1. Het procesverloop
Het verzoek is op 27 oktober 2025 ter griffie van dit hof ontvangen. Op 12 november 2025 is van verzoekster een e-mail met een aanvulling op het wrakingsverzoek ontvangen. Op 13 november 2025 is een schriftelijke reactie op het wrakingsverzoek van mr. Kroon-Jongbloed namens [erfgename] ontvangen.
De raadsheren hebben de wrakingskamer laten weten niet in het verzoek tot wraking te berusten. Zij hebben een schriftelijke reactie op het verzoek aan de wrakingskamer toegezonden. Deze reactie is op voorhand aan verzoekster toegezonden.
De wrakingskamer heeft het verzoek ter zitting van 19 november 2025 mondeling behandeld, zoals verzoekster eerder door de coördinator van de wrakingskamer was medegedeeld. Verzoekster is, bijgestaan door haar advocaat, ter zitting verschenen en heeft het verzoek aan de hand van spreekaantekeningen toegelicht.
Mrs. Manders, Van Laarhoven en [griffier] zijn eveneens ter zitting verschenen. Mrs. Manders en Van Laarhoven hebben hun standpunt toegelicht. Mr. Van Reijsen had laten weten dat zij verhinderd is om ter zitting verschijnen.
De voorzitter heeft de mondelinge behandeling gesloten en uitspraak bepaald op 3 december 2025.
2. Het standpunt van verzoekster
Verzoekster heeft ten aanzien van de ontvankelijkheid van het verzoek tot wraking aangevoerd dat de raadsheren in de twee gevoegde zaken op 2 oktober 2025 een tussenbeschikking hebben gewezen (hierna: de beschikking) die verzoekster pas op 6 oktober 2015 heeft ontvangen. Omdat het een zeer omvangrijk dossier betreft met een zeer ingewikkelde pensioenproblematiek, vereiste de beschikking bestudering en overleg met derden. Het op 27 oktober 2025 ingediende verzoek tot wraking is daarom tijdig in de zin van artikel 37 lid 1 Rv gedaan, aldus verzoekster.
Verzoekster heeft ter onderbouwing van het verzoek aangevoerd, verkort weergegeven, dat de tussenbeschikking een ontoelaatbare verrassingsbeslissing is. De raadsheren hebben in deze beschikking zo goed als alle door verzoekster ingebrachte stellingen, aktes, producties, pensioenrapporten, rapporten van de fiscaal jurist en van de Duitse advocaat als 'niet onderbouwd' terzijde gelegd en zij hebben een beschikking van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden en de uitspraak van de Hoge Raad waarbij de zaken naar dit hof zijn verwezen, genegeerd. Ook hebben de raadsheren in de tussenbeschikking onjuiste feiten aangevuld om tot een bepaalde uitkomst in het voordeel van de wederpartij te komen. Er is sprake van onjuiste en tegenstrijdige motiveringen en handelen in strijd met de wet en het procesreglement. Volgens verzoekster is evident sprake van een rechterlijke dwaling. De raadsheren hebben het geschil van partijen onjuist afgebakend, zijn actief buiten de rechtsstrijd getreden en hebben zich gemengd in het partijdebat. Zij hebben onder meer gegrond verklaarde cassatiemiddelen gemanipuleerd om de wederpartij te begunstigen. Daaruit blijkt vooringenomenheid. Verder is er sprake van schending van het beginsel van hoor en wederhoor, equality of arms en de goede procesorde. Ook is er sprake van rechtsweigering, willekeur en obstructie die verzoekster belet haar rechten uit te oefenen. Volgens verzoekster kan het gedrag van de raadsheren niet anders dan 'bewust roekeloos' worden genoemd.
In het proces-verbaal van de zitting van 23 april 2025, dat niet de datum van opmaak vermeldt en pas in november is ontvangen, ontbreken essentiële, mondelinge stellingen en onderbouwingen van verzoekster ter zitting. Het proces-verbaal bevat vergissingen/slordigheden die het beeld van vooringenomenheid versterken.
Verzoekster heeft aangevoerd dat al deze handelingen van de raadsheren de objectieve schijn van partijdigheid hebben gewekt waardoor een eerlijk proces als bedoeld artikel 6 EVRM niet meer gewaarborgd is. Verzoekster heeft geen vertrouwen meer in dit gerechtshof en wenst verwijzing van de zaken naar een ander hof.
Ter zitting van de wrakingskamer heeft verzoekster laten weten dat zij het voorwaardelijke verzoek tegen de griffier – dat afhankelijk was van de inhoud van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling – niet handhaaft.
3. Het standpunt van de raadsheren
De raadsheren hebben gereageerd op het verzoek en concluderen tot afwijzing ervan. Volgens de raadsheren is er geen sprake van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden, noch van vooringenomenheid. De raadsheren wijzen erop dat het middel van wraking niet bedoeld is om kritiek te kunnen uiten op de inhoud van de beschikking van 2 oktober 2025. De wrakingskamer gaat niet over de inhoud en de motivering van de beschikking, aldus de raadsheren. Waar de klachten van verzoekster betrekking hebben op schending van het beginsel van hoor en wederhoor, het beginsel van equality of arms en de goede procesorde, verwijzen de raadsheren naar het proces-verbaal van de mondelinge behandeling. De zitting is zonder incidenten verlopen, aldus de raadsheren.
4. De beoordeling
Op verzoek van een partij kan elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden (artikel 36 Rv).
Zo al het wrakingsverzoek niet te laat in de zin van artikel 37 lid 1 Rv is ingediend en verzoekster daarin ontvankelijk is, overweegt de wrakingskamer dat voor de beoordeling van het wrakingsverzoek de volgende overwegingen uit de beschikking van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:87) tot uitgangspunt worden genomen.
"3.4 Uitgangspunt is dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat hij jegens de verzoekster een vooringenomenheid koestert, althans dat bij de verzoekster dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Er is geen algemene regel aan de hand waarvan kan worden beoordeeld of sprake is van uitzonderlijke omstandigheden zoals hiervoor vermeld. (…)
De beoordeling van wrakingsgronden dient mede plaats te vinden tegen de achtergrond van art. 6 lid 1 EVRM (…). Over de onpartijdigheid van de rechter en de vraag wanneer zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens de verzoekster een vooringenomenheid koestert, althans dat bij de verzoekster dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is, en aldus sprake is van een schending van art. 6 lid 1 EVRM, blijkt uit de rechtspraak van het EHRM onder meer het volgende.
De beoordeling van wrakingsgronden in het kader van art. 6 lid 1 EVRM is beperkt tot het vereiste van onpartijdigheid van de rechter (‘impartial tribunal’). Deze onpartijdigheid behelst de afwezigheid van bevooroordeeldheid en vooringenomenheid. Het al dan niet bestaan daarvan kan op verschillende manieren worden getoetst. Het EHRM maakt onderscheid tussen een subjectieve toets en een objectieve toets. Bij de subjectieve toets wordt rekening gehouden met de persoonlijke overtuiging, het persoonlijke belang en het gedrag van een bepaalde rechter, dat wil zeggen of de rechter in een bepaalde zaak persoonlijke bevooroordeeldheid of vooringenomenheid koestert. Bij de objectieve toets wordt nagegaan of het gerecht zelf en onder meer de samenstelling van het gerecht, voldoende waarborgen bieden om gerechtvaardigde twijfel over de onpartijdigheid van het gerecht uit te sluiten.
Bij de objectieve toets moet worden nagegaan of er, afgezien van het gedrag van de rechter, feiten kunnen worden vastgesteld die twijfel over zijn onpartijdigheid kunnen doen rijzen. Dit betekent dat het standpunt van degene die stelt dat die onpartijdigheid ontbreekt belangrijk is, maar niet doorslaggevend bij de beoordeling of er in een bepaalde zaak een gegronde reden is om te vrezen dat een bepaalde rechter of het rechterlijk college partijdig is. Beslissend is of deze vrees als objectief gerechtvaardigd kan worden beschouwd. De objectieve toets heeft meestal betrekking op de uitoefening van verschillende functies binnen de gerechtelijke procedure door dezelfde persoon, of hiërarchische of andere banden tussen de rechter en andere actoren in de procedure, die objectief gezien twijfels rechtvaardigen over de onpartijdigheid van het gerecht, en dus op grond van de objectieve toets niet voldoen aan art. 6 lid 1 EVRM. Daarom moet in elk individueel geval worden beslist of de betrokken relatie van dien aard en omvang is dat zij wijst op een gebrek aan onpartijdigheid van het gerecht. In dit opzicht kan zelfs de schijn van vooringenomenheid van een zeker belang zijn."
Tegen de achtergrond van het voorgaande overweegt de wrakingskamer als volgt.
Uit de arresten van de Hoge Raad van 25 september 2019 (ECLI:NL:HR:2018:1413 en ECLI:NL:HR:2018:1770) volgt dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen meebrengt dat een rechterlijke (tussen)beslissing als zodanig nimmer grond kan vormen voor wraking; wraking is geen verkapt rechtsmiddel. De wrakingskamer komt geen oordeel toe over de juistheid van de (tussen)beslissing noch over het verzuim te beslissen. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak.
Bij de beantwoording van de vraag of en in hoeverre dit ook geldt voor de motivering van de (tussen)beslissing, moet uitgangspunt zijn dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen zich evenzeer ertegen verzet dat die motivering grond kan vormen voor wraking, zelfs indien het zou gaan om een onbegrijpelijke, gebrekkige of te summiere motivering of om het ontbreken van een motivering. Dit is uitsluitend anders indien de motivering van de (tussen)beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten – bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen – niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die de motivering heeft gegeven.
Gezien de in de vorige twee overwegingen gegeven maatstaf moet de conclusie zijn dat hetgeen verzoekster heeft aangevoerd geen grond kan vormen voor wraking. De door verzoekster gegeven argumenten zijn nagenoeg alle gericht tegen de inhoud van de beschikking van 2 oktober 2025. De wrakingskamer komt geen oordeel toe over de daarin gegeven inhoudelijke en processuele overwegingen en beslissingen. Niet kan worden gezegd dat de motivering van die beschikking - hoezeer ook verzoekster het daarmee oneens is - niet anders kan worden begrepen dan als een blijk van vooringenomenheid. Hetgeen verzoekster heeft aangevoerd, is daarvoor niet toereikend. Daarbij merkt het hof op dat verzoekster de zware negatieve kwalificaties die zij heeft gegeven aan de gedragingen van de raadsheren, zoals bewuste roekeloosheid, manipulaties en obstructie, naar het oordeel van de wrakingskamer volstrekt onvoldoende heeft onderbouwd.
Met betrekking tot het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 23 april 2025 geldt het volgende. In beginsel dient worden uitgegaan van de juistheid van hetgeen in het proces-verbaal staat vermeld. Dat is de primaire kenbron van het ter zitting verhandelde. Er zijn in dit geval geen aanwijzingen dat het proces-verbaal niet een correcte, zakelijke weergave is van hetgeen zijdens partijen naar voren is gebracht. De omstandigheid dat het proces-verbaal niet de datum van opmaak vermeldt, maakt dat niet anders. Uit het proces-verbaal blijkt naar het oordeel van de wrakingskamer dat verzoekster en haar advocaat in voldoende mate in de gelegenheid zijn gesteld ter zitting hun standpunten naar voren te brengen. Er blijkt niet uit dat sprake is geweest van schending van het beginsel van hoor en wederhoor, en/of van een ander in het kader van de goede procesorde in acht te nemen beginsel. De conclusie dat verzoekster om die reden geen eerlijk proces krijgt kan niet worden getrokken.
Gezien het voorgaande verwerpt de wrakingskamer het standpunt van verzoekster dat de raadsheren jegens haar een vooringenomenheid koesteren, of dat bij de verzoekster dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Het verzoek moet daarom worden afgewezen. Het is niet aan de wrakingskamer om de zaak naar een ander gerechtshof te verwijzen, zoals verzoekster ook heeft verzocht.
4. De beslissing
Het hof (de wrakingskamer):
wijst het wrakingsverzoek af;
beveelt de onverwijlde mededeling van deze beslissing aan verzoekster, de wederpartij en de raadsheren.
Deze beslissing is gegeven door mrs. J.W. van Rijkom, (voorzitter), J.P. de Haan en S.V. Pelsser (leden) en in tegenwoordigheid van de griffier en in het openbaar uitgesproken op 3 december 2025.