5. De beschikking d.d. 14 november 2024
Bij die beschikking heeft het hof bepaald dat de vader voor 31 januari 2025 het hof dient te informeren over de voortgang en de resultaten van het persoonlijkheidsonderzoek. Verder heeft het hof bepaald dat de raad voor 14 februari 2025 het hof dient te informeren over de vraag wat het onderzoek heeft opgeleverd en of aan de hand van de uitkomst aanvullende stappen kunnen worden gezet of een aanvullend raadsonderzoek nodig is. Het hof houdt iedere verdere beslissing aan tot 14 februari 2025.
6. Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
Na voornoemde tussenbeschikking heeft het hof kennisgenomen van de inhoud van:
- het V8-formulier namens de vader, ingekomen bij de griffie op 29 januari 2025;
- het V8-formulier namens de vader, ingekomen bij de griffie op 10 februari 2025;
- het V8-formulier met een productie namens de vader, ingekomen bij de griffie op 10 maart 2025;
- het V6-formulier met producties namens de vader, ingekomen bij de griffie op 14 augustus 2025;
- het V6-formulier met producties namens de moeder, ingekomen bij de griffie op 2 september 2025.
De voortzetting van de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 4 september 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
-de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .
Tijdens deze mondelinge behandeling heeft de raad aangeboden een verkort
raadsonderzoek te doen. Het hof heeft in afwachting van de informatie van de raad de zaak
aangehouden.
Het hof heeft vervolgens kennisgenomen van de inhoud van:
- het verkort raadsonderzoek namens de raad d.d. 24 september 2025, ingekomen bij de griffie op 10 oktober 2025;
- het V8-formulier namens de vader met de reactie op het verkort raadsonderzoek, ingekomen bij de griffie op 22 oktober 2025;
- het V8-formulier namens de moeder met de reactie op het verkort raadsonderzoek, ingekomen bij de griffie op 28 oktober 2025.
Naar aanleiding van het verkort raadsonderzoek hebben beide ouders middels
voornoemde V8-formulieren een eindbeslissing verzocht.
7. De verdere beoordeling
De standpunten en het advies van de raad
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de raad het volgende geadviseerd.
De raad blijft bij het standpunt dat er meer zicht moet komen op de vader. Dit is helaas niet gelukt nu het persoonlijkheidsonderzoek niet van de grond is gekomen. Ook is het jammer dat een incident heeft plaatsgevonden waarbij de vader na lange tijd onaangekondigd en daarmee onverwachts contact heeft gehad met [minderjarige] in een winkelcentrum in [plaats] . Het is belangrijk dat er iets verandert en dat [minderjarige] een normaal beeld kan ontwikkelen van de vader. Helemaal geen contact tussen de vader en [minderjarige] is niet de oplossing, maar de manier waarop de vader contact zoekt met [minderjarige] is evenmin in het belang van [minderjarige] . Voorkomen moet worden dat er vervelende situaties ontstaan. Er is veel wantrouwen tussen de ouders en het lukt hen niet om samen het contact vorm te geven. Begeleid contact is in het verleden wel mogelijk gebleken. De raad adviseert dan ook een contactregeling waarbij de vader en [minderjarige] een keer per kwartaal één à twee uur begeleid contact hebben met elkaar. Het zou dan gaan om een contactregeling die voor langere tijd begeleid dient plaats te vinden zonder dat wordt gewerkt aan uitbreiding van het contact of wordt toegewerkt naar onbegeleid contact.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de raad aangeboden een verkort onderzoek te doen naar welke instantie deze begeleiding zou kunnen aanbieden en hoe dit er dan concreet uitziet (locatie, mogelijke dagen, financiering en voorwaarden).
Uit het verkort raadsonderzoek d.d. 24 september 2025 volgt dat zowel [jeugdhulpverlener 1] te [plaats] als het [jeugdhulpverlener 2] te [plaats] de mogelijkheid en bereidheid hebben om vier keer per jaar gedurende één à twee uur voor onbepaalde tijd het contact tussen de vader en [minderjarige] te begeleiden. De gemeente [gemeente] is bereid om de omgangsbegeleiding te financieren.
De vader voert tijdens de mondelinge behandeling en in de nagezonden stukken het volgende aan.
De vader heeft op respectievelijk 29 januari 2025, 10 februari 2025, 10 maart 2025 en 14 augustus 2025 het hof bericht over de voortgang van het gewenste persoonlijkheidsonderzoek. De vader is door de huisarts verwezen naar [GGZ 1] . [GGZ 1] heeft de vader drie opties voorgehouden. Een persoonlijkheidsonderzoek bij [GGZ 1] zelf is niet mogelijk omdat er geen sprake is van delictgedrag. Geen onderzoek laten verrichten is evenmin een optie voor de vader en dus heeft hij voor de derde optie gekozen en dat is een verwijzing naar [GGZ 2] . Op 22 mei 2025 heeft [GGZ 2] aan de huisarts van de vader kenbaar gemaakt het door de vader gewenste persoonlijkheidsonderzoek niet te kunnen uitvoeren. De vader is terug naar de huisarts verwezen om samen met de huisarts te zoeken naar een instelling die gespecialiseerd is in onderzoek op rechterlijk verzoek. [GGZ 3] heeft op 13 augustus 2025 de vader bericht dat zij een verwijzing van de huisarts hebben ontvangen voor een persoonlijkheidsonderzoek maar dat zij dit niet bieden. Het advies van [GGZ 3] is om met de huisarts te kijken welke instelling dit wel kan bieden. Het lukt de vader niet om een instantie te vinden die het door het hof en de raad gewenste persoonlijkheidsonderzoek kan verrichten. De vader vindt een onderzoek zelf ook niet nodig. Hij heeft al hulp ingeschakeld. Het wijkteam en schuldhulpverlening is bij de vader betrokken.
Recent is de vader [minderjarige] samen met de broer van de moeder toevallig tegengekomen in een winkelcentrum in [plaats] . [minderjarige] was blij de vader na lange tijd weer te zien.
Hoewel de vader liever onbegeleid contact wil met [minderjarige] staat hij open voor begeleid contact met [minderjarige] zoals de raad voorstelt, maar wel bij voorkeur met een hogere frequentie zoals bijvoorbeeld een keer per maand zodat het contact met [minderjarige] daadwerkelijk hersteld kan worden.
Naar aanleiding van het verkort raadsonderzoek heeft de vader laten weten niet mee te willen werken aan begeleide omgang zoals geadviseerd en voorgesteld door de raad. Wanneer begeleide omgang zal plaatsvinden zal [minderjarige] een gevoel van onveiligheid ondervinden. De vader verzoekt een eindbeslissing.
De moeder voert tijdens de mondelinge behandeling en in de nagezonden stukken het volgende aan.
De vader heeft wel degelijk mogelijkheden tot het laten uitvoeren van een (forensisch) persoonlijkheidsonderzoek bij [GGZ 1] . Dit blijkt onder meer uit de overgelegde brochure van de [GGZ 1] . Ook zijn de wachttijden bij [GGZ 1] beperkt. Wanneer de vader graag contact wil met [minderjarige] dient hij hier aan mee te werken, ook wanneer dat betekent dat het een forensisch onderzoek betreft.
Recent heeft er onverwachts een korte ontmoeting tussen [minderjarige] en de vader plaatsgevonden in een winkelcentrum in [plaats] . [minderjarige] had zijn vader al geruime tijd niet gezien. Deze gebeurtenis heeft veel impact gehad op [minderjarige] en de moeder. Hoewel de moeder begrijpt dat de vader [minderjarige] graag wil zien, is het niet in het belang van [minderjarige] dat de vader onverwachts bij of in de omgeving van de woning van de moeder en [minderjarige] verschijnt. De moeder kan zich vinden in het voorstel van de raad dat er een keer per kwartaal begeleid contact is tussen de vader en [minderjarige] . Het is wel belangrijk dat de vader buiten dit begeleid contact geen contact met [minderjarige] zoekt. Ook is het van belang dat de vader niet afhaakt vanwege de reiskosten en dat hij de gemaakte afspraken nakomt en niet dat na één à twee keer het contact weer stopt of dat om uitbreiding wordt verzocht. De regeling moet zorgen voor rust en veiligheid voor [minderjarige] .
Naar aanleiding van het verkort raadsonderzoek heeft de moeder aangegeven in te stemmen met het advies van de raad om vier keer per jaar begeleid contact te laten plaatsvinden tussen de vader en [minderjarige] . De moeder heeft geen voorkeur voor een bepaalde instantie. Omdat de vader heeft aangegeven hiervoor niet open te staan, lijkt dit niet haalbaar en verzoekt de moeder eveneens een eindbeslissing.
Het oordeel
Het hof oordeelt als volgt.
Het hof zal de bestreden beschikking ten aanzien van het gezag en de omgang bekrachtigen en hieronder toelichten waarom.
Gezag
De rechtbank heeft destijds in rechtsoverweging 3.12 van de bestreden beschikking overwogen dat tussen partijen geen basis aanwezig is voor hervatting van constructief overleg over [minderjarige] en de over hem te nemen beslissingen. De verhouding tussen partijen is ernstig verstoord. Gezamenlijk gezag is niet in het belang van [minderjarige] . Gedurende de procedure in hoger beroep is deze situatie onveranderd gebleven. Vast staat dat de verhouding tussen de ouders nog steeds ernstig is verstoord. Er is nog steeds geen contact tussen de vader en de moeder en het is ook niet de verwachting dat dit op korte termijn wordt hervat. Dit geldt ook voor het contact tussen de vader en [minderjarige] . Sinds januari 2023 hebben zij geen contact meer en de vader heeft aangegeven niet mee te willen werken aan het opstarten van begeleid contact zoals de raad heeft voorgesteld. Het persoonlijkheidsonderzoek van de vader is evenmin van de grond gekomen waardoor er nog steeds geen zicht is op zijn persoonlijkheid, zijn problematiek en de vraag of er hulpverlening nodig is en of de vader kan aansluiten bij de behoeften van [minderjarige] . De man lijkt niet gemotiveerd om hulpverlening te accepteren en geeft geen inzicht in zijn (on)mogelijkheden in zijn rol als vader. Er is weliswaar een informatieregeling aan de moeder opgelegd, maar doordat er geen contact is tussen de vader en [minderjarige] , heeft de vader geen goed beeld van behoeften van [minderjarige] en blijft onduidelijk of hij hierbij kan aansluiten. De vader zal hierdoor geen goede afweging kunnen maken welke beslissingen in het belang van [minderjarige] zijn. Gelet op het vorenstaande acht het hof de wijziging van gezamenlijk gezag naar het eenhoofdig gezag van de moeder noodzakelijk in het belang van [minderjarige] .
Omgang
In eerste aanleg heeft de raad onderzoek gedaan en gebleken is dat de raad zorgen heeft over de sociaal-emotionele ontwikkeling van [minderjarige] , de opvoedingsomgeving van [minderjarige] bij de vader (opvoedstijl) en de moeder (overbelasting in draagkracht) alsook ten aanzien van het gebrek aan (basis)veiligheid. Er zijn contra-indicaties voor contact met de vader maar deze zijn op te heffen wanneer de vader zich meewerkend opstelt ten aanzien van hulpverlening zodat er zicht komt op zijn persoonlijkheid, eventuele problematiek en/of welke behandeling of begeleiding nodig is. Het hof heeft in de beschikking van 14 november 2024 geoordeeld dat het hof dit ook nodig vindt vanwege de zorgen over de (on)mogelijkheden van de vader om adequaat te kunnen aansluiten bij de behoeften van [minderjarige] en zijn (emotionele) veiligheid te kunnen waarborgen. Ondanks de ruime gelegenheid die de vader hiervoor heeft gekregen van het hof, is het de vader niet gelukt om een persoonlijkheidsonderzoek te laten uitvoeren en het lijkt er op dat de vader hier ook niet de noodzaak van inziet. Dit maakt dat de zorgen niet zijn weggenomen en er nog steeds contra-indicaties voor (onbegeleide) omgang zijn. Naar aanleiding van het raadsadvies tijdens de mondelinge behandeling is aan de ouders de optie voorgehouden om begeleid contact te laten plaatsvinden tussen de vader en [minderjarige] . Het begeleid contact kan plaatsvinden onder de voorwaarden dat dit contact voor de lange termijn begeleid wordt en dat de vader betrouwbaar is in het naleven van de afspraken. Gebleken is dat er twee instanties zijn, te weten [jeugdhulpverlener 1] en het [jeugdhulpverlener 2] , die de begeleide omgang in deze vorm op zich kunnen en willen nemen. Hoewel beide ouders akkoord waren met het idee dat er begeleid contact zou worden opgestart, weigert de vader alsnog mee te werken aan dit begeleid contact. De vader laat daarmee naar het oordeel van het hof zien dat het hem niet lukt om aan te sluiten bij de behoeften van [minderjarige] en dat hij geen inzicht heeft in zijn eigen handelen en de gevolgen daarvan voor [minderjarige] . Dit blijkt ook uit het feit dat de vader onvoorspelbaar is door na lange tijd contact te zoeken met [minderjarige] zonder dat hij oog heeft wat de impact daarvan is op [minderjarige] . Ondanks alle pogingen om te komen tot (begeleid) contactherstel is dit niet gelukt en is de situatie feitelijk onveranderd gebleven. Het hof ziet geen mogelijkheden tot omgang en acht omgang in strijd met de zwaarwegende belangen van [minderjarige] .
8. De beslissing
Het hof:
bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 16 januari 2024, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, team familie- en jeugdrecht, ter attentie van het centraal gezagsregister;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. S.P.A. Wensink – Vergunst, E.M.C. Dumoulin en G.M. Goes en is in het openbaar uitgesproken op 4 december 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.