Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 31 mei 2024 in de strafzaak met parketnummer 02-081461 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1987,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van ‘mishandeling’ veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis. Daarnaast heeft de politierechter de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 750,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. De politierechter heeft bepaald dat de benadeelde partij voor het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Ten slotte is ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
De officier van justitie in het arrondissement Zeeland-West-Brabant heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Omvang van het hoger beroep
De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot vergoeding van een bedrag van € 35.977,42, te vermeerderen met de wettelijke rente. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd. De raadsman van de benadeelde heeft ter terechtzitting in hoger beroep de vordering tot schadevergoeding verlaagd tot een bedrag van € 28.918,08. Deze verlaging komt voort uit een verlaging van de materiële schade, te weten de gederfde inkomsten van € 28.559,34 naar € 21.500,00.
De vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] is derhalve in hoger beroep enkel tot het bedrag van € 28.918,08 aan het oordeel van het hof onderworpen.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte en de benadeelde partij naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de tenlastegelegde mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft, bewezen zal verklaren en de verdachte ter zake daarvan zal veroordelen tot een taakstraf van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaren. Voorts heeft de advocaat-generaal een vrijheidsbeperkende maatregel, als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht, in de vorm van een contactverbod met het slachtoffer, de partner van het slachtoffer en de dochter van het slachtoffer gevorderd. Ten slotte heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij in zijn geheel wordt toegewezen onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De raadsman heeft partiële vrijspraak bepleit van het tenlastegelegde zwaar lichamelijke letsel als gevolg van de mishandeling en verzoekt het vonnis te bevestigen. De raadsman kan zich vinden in de door de politierechter opgelegde straf. Ten slotte heeft de raadsman de vordering van de benadeelde partij op onderdelen betwist.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het hof tot een enigszins andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 10 maart 2024 te Tilburg, althans in Nederland, [slachtoffer] heeft mishandeld door [slachtoffer] tegen het hoofd/lichaam te slaan en/of te stompen en/of te stoten en/of tegen het lichaam te schoppen en/of te trappen en/of (daarbij) ten val te brengen, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken (scheen)been en/of/althans één of meer breuken ten gevolge heeft gehad.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten en/of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 10 maart 2024 te Tilburg, [slachtoffer] heeft mishandeld door [slachtoffer] tegen het hoofd/lichaam te slaan en/of te stompen en daarbij ten val te brengen, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken scheenbeen en/of/althans één of meer breuken ten gevolge heeft gehad.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
In het geval tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op dit arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.
Bewijsoverwegingen
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden zoals weergegeven in de bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de tenlastegelegde mishandeling terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft. De raadsman heeft daartoe in de kern aangevoerd dat het zwaar lichamelijk letsel ook op andere wijze kan zijn ontstaan dan door de gedragingen van de verdachte, bijvoorbeeld doordat het slachtoffer zich heeft verstapt, het verdraaien van het been of het ergens tegenaan botsen daarvan. Daarbij voert de raadsman aan dat niet kan worden bewezen dat door de verdachte geschopt is, dat het slachtoffer zelf het eerste fysieke contact heeft gemaakt en hijzelf ook tot drie keer in de aanval is gegaan.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Het hof stelt voorop dat de beantwoording van de vraag of een causaal verband bestaat tussen de door de verdachte verrichte gedragingen en het tenlastegelegde gevolg, dient te geschieden aan de hand van de maatstaf of dit gevolg redelijkerwijs als gevolg van die gedragingen aan de verdachte kan worden toegerekend.
Ten aanzien van de vraag of sprake is van zwaar lichamelijk letsel overweegt het hof het volgende. De aangever is geopereerd, waarbij de breuken zijn hersteld middels pinnen en bouten. De dokter heeft destijds gesteld dat het herstel enkele weken tot maanden duurt. Ten tijde van het indienen van de vordering op 23 mei 2024 (de pleegdatum van het tenlastegelegde feit is van 10 maart 2024) is aangever nog steeds herstellende, loopt hij met een kruk en heeft hij niet kunnen werken, zo blijkt uit de toelichting op de vordering van de benadeelde partij. Uit de brief van het ETZ van 10 juli 2025 dat door de gemachtigde is overgelegd blijkt dat de aangever poliklinisch is gaan revalideren en dat hij in januari 2025 voor het laatst door de arts is gezien. Pas toen is geconstateerd dat de fractuur volledig was geconsolideerd en dat de aangever klinisch geen beperkingen meer had en de eindsituatie was bereikt. Naar aanleiding van voornoemde feiten en omstandigheden stelt het hof vast dat het herstel meer dan zes maanden heeft geduurd. Mede gelet op de aard van het letsel, is het hof van oordeel dat aldus sprake is van zwaar lichamelijk letsel.
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de aangever niet meer opstaat, direct nadat hij voor de derde keer door de verdachte naar de grond is geslagen. Het hof stelt op grond daarvan vast dat middels die laatste genadeslag, waardoor het slachtoffer ten val is gebracht, het letsel bij het slachtoffer is veroorzaakt en dat aldus dit letsel aan de verdachte kan worden toegerekend. Het hof komt daarmee tot een bewezenverklaring van de tenlastegelegde mishandeling terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde feit wordt als volgt gekwalificeerd:
mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen straf en maatregel
De raadsman heeft te kennen gegeven zich te kunnen vinden in de door de politierechter opgelegde taakstraf voor de duur van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis.
Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straffen en maatregelen gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. In het bijzonder is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling met zwaar lichamelijk letsel als gevolg. De verdachte is naar de woning van het slachtoffer gegaan en heeft voor de deur van zijn woning de dochter van het slachtoffer lastiggevallen, als gevolg waarvan de zus van verdachte, tevens vrouw van het slachtoffer, zich genoodzaakt heeft gezien de deur te openen. Vervolgens is er een conflict ontstaan tussen de verdachte en het slachtoffer, waarbij de verdachte het slachtoffer heeft mishandeld door hem meerdere keren tegen de grond slaan. Als gevolg van die mishandeling heeft het slachtoffer een crurisfractuur (een fractuur van het scheenbeen en kuitbeen) opgelopen, waarvan hij nog maanden heeft moeten herstellen. Daarbij heeft de mishandeling plaatsgevonden voor de woning van het slachtoffer; een omgeving waar hij zich juist veilig moet kunnen voelen. Het incident gebeurde in het bijzijn van getuigen, waardoor ook hen schrik is aangejaagd. De verdachte heeft dit gevoel van veiligheid en de lichamelijke integriteit van het slachtoffer ernstig aangetast. Het hof acht het kwalijk dat de verdachte zich – in plaats van zich te beheersen – op een dergelijke agressieve wijze heeft geuit en dat hij zich van de nadelige gevolgen van zijn handelen voor nota bene zijn familie kennelijk niets heeft aangetrokken.
Gelet op de ernst van het feit en gelet op de omstandigheid dat ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat de familierelaties onvoldoende zijn hersteld en een contactverbod gewenst is, acht het hof een taakstraf in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf als stok achter de deur aangewezen. Het hof zal echter in plaats van een contactverbod in de vorm van een 38v-maatregel (aan de voorwaarden voor oplegging van die maatregel is niet voldaan) een locatieverbod als bijzondere voorwaarde bij de voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen. Het hof wil de verdachte hiermee op het hart drukken dat hij zich niet opnieuw schuldig moet maken aan (soortgelijke) strafbare feiten. Indien de verdachte dit wel doet, loopt hij het risico dat de voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand alsnog ten uitvoer wordt gelegd.
Alles afwegende acht het hof oplegging van een taakstraf voor de duur van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis, alsmede een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand met een proeftijd van twee jaren, passend en geboden. Met oplegging van deze deels voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van een bedrag van € 35.977,42 ter zake van materiële en immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Bij het vonnis waarvan beroep is de vordering gedeeltelijk toegewezen tot een totaalbedrag van € 750,00 ter zake van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 maart 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. De vordering van de benadeelde partij is voor het overige niet-ontvankelijk verklaard.
De benadeelde partij heeft middels een handhavingsverzoek te kennen gegeven de gehele vordering in hoger beroep te handhaven. Gedurende het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep heeft de gemachtigde van de benadeelde partij de vordering, voor wat betreft de gederfde inkomsten, naar beneden bijgesteld. De gevorderde gederfde inkomsten zijn verlaagd tot een bedrag van € 21.500,00. Dat betekent dat de gehele vordering van de benadeelde partij is bijgesteld tot een bedrag van € 28.918,08 en dat de vordering in zoverre aan het hof voorligt. Dit betekent dat de vordering ten aanzien van de materiele schade thans € 22.918,08 bedraagt en bestaat uit de volgende schadeposten:
De gevorderde immateriële schade bedraagt onverminderd € 6.000,00.
De gemachtigde van de benadeelde partij heeft verzocht dat de vordering van de benadeelde partij in zijn geheel wordt toegewezen.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij in zijn geheel wordt toegewezen onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft de vordering ter terechtzitting in hoger beroep op onderdelen inhoudelijk betwist. De verdediging kan zich vinden in het door de politierechter toegewezen bedrag van € 750,00 ter zake van immateriële schade en acht het gevorderde bedrag ten aanzien van het eigen risico redelijk. De verdediging stelt ten aanzien van de gevorderde gederfde inkomsten dat niet aannemelijk is dat de benadeelde niets heeft verdiend, omdat het werk wel degelijk is gedaan, zij het door familie. De raadsman heeft gesteld dat toewijzing van een deel van de gederfde inkomsten, bij wijze van een voorschot, mogelijk is, maar dat de vordering ten aanzien van de gederfde inkomsten voor het overige te ingewikkeld is. Aldus dient de vordering ten aanzien van de gederfde inkomsten deels niet-ontvankelijk te worden verklaard en dient te worden bepaald dat de vordering voor dat deel bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht. Daarnaast heeft de raadsman naar voren gebracht dat rekening gehouden dient te worden met de eigen schuld van het slachtoffer.
Het hof overweegt als volgt.
Ten aanzien van de materiële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 1.110,00, bestaande uit de schade genoemd onder de posten a, b en c.
Ten aanzien van de schade genoemd onder post e overweegt het hof dat – mede gelet op de betwisting van de vordering door de verdediging – de beoordeling van de volledige omvang van de schade op basis van de thans aanwezige informatie een te complexe kwestie is om in het kader van dit strafgeding te beslechten. Om de volledige omvang van de schade ten aanzien van de gederfde inkomsten te kunnen bepalen, is nader onderzoek noodzakelijk. Om de zaak daartoe aan te houden levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. Hoewel evident sprake is van enig verlies van verdienvermogen over de afgelopen periode, past het niet om bij een dergelijk complexe vordering met gebruikmaking van de bevoegdheid van het hof tot schatten, de mogelijkheden van een procedure voor de burgerlijke rechter te begrenzen. Het hof zal daarom bepalen dat deze vordering van de benadeelde partij ten aanzien van de schade genoemd onder e niet-ontvankelijk wordt verklaard en bepalen dat deze in zoverre bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.
Ten aanzien van de gevorderde reiskosten genoemd onder post f, voor zover dit betrekking heeft op de kosten voor het bezoeken van de advocaat, en de gevorderde eigen bijdrage voor de rechtsbijstandsverzekering genoemd onder post d, overweegt het hof dat deze niet rechtstreeks door het strafbare feit veroorzaakte schade betreffen en derhalve niet als materiële schade voor vergoeding in aanmerking komen. Indien een benadeelde partij proceskosten als onderdeel van de schade in de zin van artikel 51f van het Wetboek van Strafvordering vordert, dient de benadeelde partij in zoverre ingevolge artikel 361, tweede lid, Wetboek van Strafvordering in de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard (vgl. HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2338 en HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, r.o. 2.7.2 en 2.7.4). Het hof zal beoordelen of voornoemde posten wel voor vergoeding als proceskosten in aanmerking komen.
Ten aanzien van de gevorderde schade onder f, voor zover dit betrekking heeft op de reiskosten van de familie voor ziekenhuisbezoeken, overweegt het hof het volgende. Derden kunnen ingevolge artikel 51f, tweede lid, Wetboek van Strafvordering zich zelfstandig voegen in het strafproces, indien zij verplaatste schade als bedoeld in artikel 6:107, eerste lid 1, aanhef en onder a, van het Burgerlijk Wetboek lijden. Het gaat erom dat een derde kosten heeft gemaakt ten behoeve van het slachtoffer van het strafbare feit. Het betreft kosten die het slachtoffer, als niet de derde maar hijzelf deze zou hebben gemaakt, van de verdachte had kunnen vorderen. Overigens kan het slachtoffer ook zelf een vergoeding vragen voor de gemaakte kosten door de derde. Uit de laatste zinsnede van artikel 6:107, eerste lid, onder a, Burgerlijk Wetboek volgt dat de aanspraak van derden op vergoeding van verplaatste schade de totale aansprakelijkheid van de aansprakelijke persoon niet verhoogt. Uitgaven of kosten van een derde ten behoeve van een gekwetste waarvoor de gekwetste, als hij deze uitgaven of kosten zelf zou hebben gedragen, geen schadevergoeding van de aansprakelijke zou kunnen vorderen, behoren dan ook niet tot de verplaatste schade. Het hof begrijpt dat de benadeelde namens zijn familie ‘verplaatste’ schadevergoeding vordert, namelijk voor het bezoeken van de benadeelde in het ziekenhuis. Het hof is gelet op het hiervoor overwogene van oordeel dat kosten die zijn ontstaan uit het bezoeken van de benadeelde, geen kosten betreffen die rechtens voor vergoeding in aanmerking komen, nu dit geen kosten zijn die de benadeelde, als niet zijn familie maar hijzelf deze zou hebben gemaakt, van de verdachte had kunnen vorderen. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard ten aanzien van de door de familie gemaakte reiskosten.
Ten aanzien van de immateriële schade
Een vergoeding voor immateriële schade kan slechts worden toegekend in een van de in artikel 6:106 BW genoemde gevallen, te weten (onder meer) indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen. Uit het procesdossier en het ter terechtzitting verhandelde blijkt dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte de benadeelde partij zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, te weten een crurisfractuur. De benadeelde partij is daarvoor gedurende 3 dagen opgenomen geweest in het ziekenhuis. Voorts is een medische ingreep noodzakelijk gebleken, waarbij de breuk met pinnen en bouten is hersteld. [slachtoffer] heeft nog gedurende lange tijd last ondervonden van het letsel. Uit de brief van het ETZ van 10 juli 2025 die door de gemachtigde is overgelegd blijkt dat de benadeelde poliklinisch is gaan revalideren en dat hij in januari 2025 voor het laatst door de arts is gezien. Pas toen is geconstateerd dat de fractuur volledig was geconsolideerd en dat hij klinisch geen beperkingen meer had en de eindsituatie was bereikt. Het hof begroot deze immateriële schade, op grond van het onderzoek in de onderhavige strafrechtelijke procedure, naar billijkheid op een bedrag van € 3.000,00. Daarbij is in het bijzonder gelet op de omstandigheden van het geval en de schadevergoeding die in vergelijkbare gevallen door rechters wordt toegekend. Het hof zal het overige gedeelte van de gevorderde immateriële schade afwijzen.
Conclusie
Het voren overwogene leidt ertoe dat de vordering van de benadeelde partij tot een totaalbedrag van € 4.110,00 zal worden toegewezen, bestaande uit € 1.110,00 ter zake van de materiele schade zoals genoemd onder de posten a, b en c en € 3.000,00 ter zake van immateriële schade. Het meer gevorderde bedrag ter zake van immateriële schade zal worden afgewezen. De benadeelde partij zal voor al het overige in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.
Wettelijke rente
Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente. Ten aanzien van de immateriële schade vanaf 10 maart 2024, zijnde de pleegdatum van het feit en het moment waarop de schade is ontstaan, tot aan de dag der algehele voldoening. Ten aanzien van de materiële schade vanaf 21 mei 2024, zijnde het laatste moment waarop de toegewezen materiële schade is ontstaan, tot aan de dag der algehele voldoening.
Proceskosten
Een redelijke uitleg van artikel 532 (voorheen artikel 592a) Wetboek van Strafvordering brengt mee dat bij de begroting van de daar bedoelde kosten dezelfde maatstaf wordt gehanteerd als in civiele procedures (vgl. HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, rechtsoverweging 2.7.3). Op grond van artikel 238 Rv komen reis- en verblijfkosten slechts voor vergoeding in aanmerking voor zover in persoon - dat wil zeggen: zonder gemachtigde (advocaat) - wordt geprocedeerd. Procedeert de benadeelde partij met een gemachtigde, dan komen slechts de kosten voor salaris en noodzakelijke verschotten van de gemachtigde voor vergoeding in aanmerking, en dus niet ook de in artikel 238 lid 1 Rv bedoelde kosten van de benadeelde partij. De benadeelde partij heeft niet in persoon geprocedeerd, maar met een gemachtigde. Dit betekent dat de reiskosten naar de advocaat ook niet voor vergoeding als proceskosten in aanmerking komen.
Het hof zal de verdachte, die als de deels in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, tevens veroordelen in de proceskosten aan de zijde van de benadeelde partij. In beginsel worden die kosten begroot conform het liquidatietarief, echter kan het hof daar gemotiveerd van afwijken. Het hof begroot de gemaakte proceskosten op € 250,00, nu dit bedrag gelijk is aan de eigen bijdrage aan de rechtsbijstandverzekering. Voorts zal de verdachte worden veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging van dit arrest door de benadeelde partij nog te maken kosten.
Schadevergoedingsmaatregel
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer] is toegebracht tot een bedrag van € 4.110,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen tot een bedrag van € 4.110,00, te vermeerderen met de wettelijke rente op de wijze zoals hiervoor is vermeld, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 50 dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen: 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 38v, 38w en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (een) maand.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich niet zal ophouden aan de [straatnaam] te Tilburg.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
Wijst gedeeltelijk toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 4.110,00 (vierduizend honderdtien euro), bestaande uit € 1.110,00 (duizend honderdtien euro) materiële schade en € 3.000,00 (drieduizend euro) immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdata tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van
€ 3.000,00 (drieduizend euro) immateriële schade af.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 250,00 (tweehonderdvijftig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat der Nederlanden, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen € 4.110,00 (vierduizend honderdtien euro), bestaande uit € 1.110,00 (duizend honderdtien euro) materiële schade en € 3.000,00 (drieduizend euro) immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdata tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 50 (vijftig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiele schade op 21 mei 2024 en van de immateriële schade op 10 maart 2024.
Dit arrest is gewezen door:
mr. S.C. van Duijn, voorzitter,
mr. N.J.L.M. Tuijn en mr. P. van Etteger, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. S.H.M. van Gennip en mr. D.S. Yap, griffiers,
en op 15 augustus 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. N.J.L.M. Tuijn en mr. P. van Etteger zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.