Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 22 januari 2024, in de strafzaak met parketnummer 82-275102-22 tegen:
[verdachte] ,
statutair gevestigd te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank:
- Ten aanzien van feit 1
o de verdachte vrijgesproken van mensensmokkel van [betrokkene 1] en van het bestanddeel inhoudende dat de verdachte van de tenlastegelegde mensensmokkel haar beroep en/of een gewoonte zou hebben gemaakt;
o het onder 1 tenlastegelegde voor het overige bewezenverklaard (het medeplegen van het uit winstbejag behulpzaam zijn van [betrokkene 2] en [betrokkene 3] bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland, terwijl de verdachte en haar mededaders wisten of ernstige reden hadden te vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk was).
- Ten aanzien van feit 2
o de verdachte vrijgesproken van het onder 2 primair tenlastegelegde;
o de verdachte vrijgesproken van de onder 2 subsidiair tenlastegelegde tewerkstelling van een illegale vreemdeling [betrokkene 1] ;
o het onder 2 subsidiair tenlastegelegde voor het overige bewezenverklaard (het medeplegen van de tewerkstelling van de illegale vreemdelingen [betrokkene 2] en [betrokkene 3] ).
De rechtbank heeft vervolgens het onder 1 bewezenverklaarde niet strafbaar verklaard en de verdachte ter zake ontslagen van alle rechtsvervolging.
De rechtbank heeft het onder 2 subsidiair bewezenverklaarde gekwalificeerd als ‘medeplegen van: een ander, die zich wederrechtelijk toegang tot of verblijf in
Nederland heeft verschaft, krachtens overeenkomst of aanstelling arbeid doen
verrichten, terwijl zij weet of ernstige redenen heeft om te vermoeden dat die
toegang of dat verblijf wederrechtelijk is’, de verdachte deswege strafbaar verklaard en haar ter zake veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 10.000,00, waarvan € 5.000,00 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep – zo begrijpt het hof – zal bevestigen met uitzondering de beslissing tot ontslag van alle rechtsvervolging ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde en de beslissing omtrent de opgelegde straf en dat het hof, in zoverre opnieuw rechtdoende, alle bewezenverklaarde feiten (in eendaadse samenloop begaan) strafbaar zal verklaren en de verdachte ter zake daarvan zal veroordelen tot een geldboete ter hoogte van € 20.000,00, waarvan € 10.000,00 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het hof voor wat betreft de bewezenverklaring en strafbaarheid.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust, behalve voor wat betreft de beslissing omtrent de strafbaarheid van het onder 1 bewezenverklaarde en de opgelegde straf. Het hof zal daarom het vonnis waarvan beroep in zoverre vernietigen en opnieuw rechtdoen.
Omwille van de leesbaarheid zal het hof ook de beslissing omtrent de strafbaarheid van het onder 2 subsidiair bewezenverklaarde en de strafbaarheid van de verdachte vernietigen.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 en 2 (subsidiair) bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
de eendaadse samenloop van:
medeplegen van een ander uit winstbejag behulpzaam zijn bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland, terwijl zij weet of ernstige redenen heeft te vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk is, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd
en
medeplegen van een ander, die zich wederrechtelijk toegang tot of verblijf in Nederland heeft verschaft, krachtens overeenkomst of aanstelling arbeid doen verrichten, terwijl zij weet dat de toegang of dat verblijf wederrechtelijk is, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen straf
Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de aard en de hoedanigheid van de verdachte als rechtspersoon en haar draagkracht, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan het – kort gezegd – het in eendaadse samenloop begaan van het medeplegen van het meermalen uit winstbejag een ander behulpzaam zijn bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland, terwijl de verdachte en haar mededaders wisten of ernstige reden hadden te vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk was (feit 1) en het medeplegen van het meermalen tewerkstellen van een illegale vreemdeling (feit 2 subsidiair).
Dergelijke feiten zijn strafbaar gesteld omdat daarmee het overheidsbeleid om illegaal verblijf in Nederland tegen te gaan wordt gefrustreerd. Bovendien leveren dergelijke feiten een acute gevaarzetting op voor de publieke kas. De gesmokkelden en tewerkgestelden draaien immers niet mee in het stelsel van sociale verzekeringen en genieten niet de sociale rechten die een persoon (al dan niet werknemer) met rechtmatig verblijf heeft. Daar komt voor wat betreft illegaal tewerkgestelden bij dat zij zich inherent in een onwenselijk afhankelijke positie bevinden ten opzichte van hun werkgever.
In deze zaak heeft de verdachte twee mensen illegaal tewerkgesteld.
[betrokkene 3]
Voor [betrokkene 3] geldt dat zij via een bemiddelingsbureau naar Nederland is gekomen en aanvankelijk in [verdachte] in Valkenburg is gaan werken. Pas toen kwam de verdachte erachter dat zij niet de kwalificaties bezat die haar verblijfstitel vergde. Namens de verdachte is ter zitting in eerste aanleg verklaard dat zij, nadat zij ontdekte dat [betrokkene 3] geen specialiteitenkok was, [betrokkene 3] een kans heeft willen geven om zich die kookvaardigheden eigen te maken. Verdachte deed dit in plaats van dat zij bij de betrokken instanties melding maakte dat de vergunning op basis van onjuiste gegevens was verstrekt.
Voor [betrokkene 3] zijn sociale premies en belastingen afgedragen. Zij kreeg huisvesting verzorgd en haar salarisbetaling waren in lijn met de daarvoor geldende regels.
Het hof rekent het de verdachte desondanks aan dat zij welbewust het Nederlandse beleid rondom arbeidsmigratie heeft doorkruist. Zij wist dat haar aanwezigheid in Nederland uitsluitend werd gerechtvaardigd door bijzondere vaardigheden waarover zij niet beschikte.
[betrokkene 2]
Voor [betrokkene 2] geldt dat hij door een bevriende Franse restauranthouder is uitgeleend aan de onderneming van de verdachte om enige tijd hand- en spandiensten te verrichten. De verrichte werkzaamheden waren niet specialistisch van aard. De verdachte had ook op andere wijze kunnen en moeten voorzien in een helpende hand.
De verdachte heeft [betrokkene 2] vanuit Frankrijk laten overkomen terwijl zij wist dat zij daarmee iemand zich wederrechtelijk verblijf in Nederland zou verschaffen. Daarmee heeft zij niet alleen het Nederlandse migratiebeleid doorkruist, maar heeft zij ook een bijdrage geleverd aan een vreemdelingenrechtelijk onrechtmatige toestand in Frankrijk. [betrokkene 2] draaide bovendien vanwege zijn illegale verblijfsstatus, anders dan [betrokkene 3] , niet mee in het stelsel van sociale zekerheid. Verdachte heeft zich bovendien niet vergewist van de voorwaarden waaronder [betrokkene 2] te werk was gesteld.
Al deze omstandigheden maken het tewerkstellen van [betrokkene 2] door de verdachte zeer laakbaar. Hoewel het hof begrijpt dat de verdachte alles in het werk stelde om haar bedrijf overeind te houden, heeft zij door het laten overkomen van [betrokkene 2] de grenzen van het betamelijke ernstig overschreden. De verdachte lijkt zich bij [betrokkene 2] uitsluitend te hebben laten leiden door het feit dat [betrokkene 2] zonder tegenprestatie werd aangeboden. Dat alleen al had reden genoeg voor de verdachte moeten zijn om hieraan geen medewerking te verlenen.
Gelet op het vorenstaande rekent het hof de verdachte dan ook aan dat zij heeft gehandeld zoals is bewezenverklaard.
De verdachte beging het bewezenverklaarde in een periode waarin de onderneming van de verdachte vanwege de coronacrisis een zeer hectisch en onzeker bestaan doormaakte. De verdachte heeft, zoals vrijwel alle horecaondernemers in die periode, alle zeilen moeten bijzetten om haar onderneming overeind te houden. Het hof weegt deze context in strafmatigende zin mee bij het bepalen van de op te leggen straf.
Ook zal het hof in strafmatigende zin rekening houden met het feit dat verdachte al is beboet op grond van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav).
Eveneens houdt het hof in strafmatigende zin rekening met het feit dat de bewezenverklaarde gedragingen inmiddels meer dan vier jaar geleden hebben plaatsgevonden.
Ook weegt het hof in strafmatigende zin mee dat de vertegenwoordigers van de verdachte een open proceshouding hebben, zich meewerkend hebben opgesteld en rekenschap hebben gegeven van wat zij en de verdachte verkeerd hebben gedaan en zich daarin ook schuldbewust tonen.
Het hof heeft bij de strafoplegging verder gelet op de inhoud van het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 8 september 2025, betreffende het justitiële verleden van de verdachte. Hieruit blijkt dat zij niet eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van een strafbaar feit.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte nog steeds een stabiele onderneming voert en het verloop van (met name het keuken)personeel momenteel beperkt is. Verder blijkt dat de verdachte financieel gezond is.
Het hof ziet – mede gelet op het extra tijdsverloop sinds de behandeling bij de rechtbank en gelet op het feit dat de bewezenverklaarde feiten in eendaadse samenloop zijn begaan – geen aanleiding om aan de verdachte een hogere straf op te leggen dan de rechtbank heeft opgelegd.
Het hof is dan ook van oordeel dat – alles afwegende – oplegging van een geldboete ter hoogte van € 10.000,00, waarvan € 5.000,00 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden is.
Met oplegging van een deels voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 47, 51, 55, 57, 197a en 197b van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de beslissingen omtrent de strafbaarheid van het onder 1 en 2 (subsidiair) bewezenverklaarde, de strafbaarheid van de dader, en de opgelegde straf, en doet in zoverre opnieuw recht:
verklaart het onder 1 en 2 subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 10.000,00 (tienduizend euro);
bepaalt dat een gedeelte van de geldboete, groot € 5.000,00 (vijfduizend euro), niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Aldus gewezen door:
mr. A.C. Bosch, voorzitter,
mr. R.G.A. Beaujean en mr. H.A.T.G. Koning, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. Vulto, griffier,
en op 5 december 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.