GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 23/372
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
domicilie kiezend in [plaats 1] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 15 februari 2023, nummer BRE 19/6000, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.
en
de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid),
hierna: de minister.
1. Ontstaan en loop van het geding
De inspecteur heeft de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) 2015 en de aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) opgelegd. Tevens is bij beschikkingen belastingrente in rekening gebracht.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraken op bezwaar gedaan en de bezwaren ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep met nummer BRE 19/6000, betreffende de aanslag IB/PVV 2015, ongegrond verklaard en het beroep met nummer BRE 19/6001 gegrond verklaard en de uitspraak op bezwaar met betrekking tot de aanslag Zvw 2015 en de aanslag Zvw 2015 vernietigd. Tevens heeft de rechtbank nevenbeslissingen gegeven met betrekking tot de vergoeding van immateriële schade, de proceskostenvergoeding en het griffierecht.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof, bij het hof bekend onder nummers 23/372, betreffende de aanslag IB/PVV 2015, en 23/373, betreffende de aanslag Zvw 2015. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
De inspecteur heeft stukken ingezonden en daarbij een beroep gedaan op artikel 8:29 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).
Het hof heeft de zaken 23/372 en 23/373 in handen gesteld van de geheimhoudingskamer van het hof.
De geheimhoudingskamer heeft tussenuitspraak gedaan op 18 december 2024. De geheimhoudingskamer verstaat dat de door de inspecteur aangevoerde redenen voor geheimhouding van delen van de aan de geheimhoudingskamer overgelegde stukken gerechtvaardigd is en heeft de zaken verwezen naar de kamer die de hoofdzaak behandelt.
Partijen hebben vóór de regiezitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de andere partij.
De regiezitting heeft plaatsgevonden op 4 april 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] (hierna: [gemachtigde] ), als gemachtigde van belanghebbende, tot bijstand vergezeld van [naam 1] (hierna: [naam 1] ), en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] , [inspecteur 2] en [inspecteur 3] . Op deze zitting zijn gelijktijdig behandeld de onderhavige zaken en de zaken met nummers 23/370, 23/371, 23/374 tot en met 23/384 en 23/398.
Belanghebbende heeft tijdens de regiezitting twee pleitnota’s voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij.
Tijdens de regiezitting heeft belanghebbende het hoger beroep met nummer 23/373 ingetrokken.
Het hof heeft het onderzoek op de zitting geschorst en daarbij bepaald dat het vooronderzoek wordt hervat. Vervolgens heeft het hof partijen verzocht schriftelijk inlichtingen te geven en/of stukken in te zenden. Partijen hebben stukken ingezonden.
Van de regiezitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan partijen is verzonden.
De inspecteur heeft wederom stukken ingezonden en daarbij een beroep gedaan op artikel 8:29 Awb.
Het hof heeft de onderhavige zaak in handen gesteld van de geheimhoudingskamer van het hof.
De geheimhoudingskamer heeft tussenuitspraak gedaan op 30 juli 2025. De geheimhoudingskamer verstaat dat de door de inspecteur aangevoerde redenen voor geheimhouding van delen van de aan de geheimhoudingskamer overgelegde stukken gerechtvaardigd is en heeft de zaak verwezen naar de kamer die de hoofdzaak behandelt.
Partijen hebben vóór de zitting van 25 september 2025 nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de andere partij.
Belanghebbende heeft voor de zitting een pleitnota toegezonden aan het hof. De griffier heeft deze pleitnota doorgestuurd naar de inspecteur. Deze pleitnota wordt met instemming van partijen geacht ter zitting te zijn voorgelezen.
De zitting heeft plaatsgevonden op 25 september 2025 in ’sHertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende, zijn gemachtigde [gemachtigde] , tot bijstand vergezeld van [naam 1] , en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] , [inspecteur 2] , [inspecteur 3] en [inspecteur 4] . Op deze zitting zijn gelijktijdig behandeld de onderhavige zaak en de zaken met nummers 23/370, 23/374 tot en met 23/384 en 23/398.
Op de in 1.19 bedoelde zitting zijn achtereenvolgens als getuigen gehoord [getuige 1] (hierna: [getuige 1] ) en [getuige 2] . De ondertekende getuigenverklaringen zijn aan partijen verzonden.
De inspecteur heeft tijdens de in 1.19 bedoelde zitting, onder bezwaar van de andere partij, een kopie overgelegd van e-mailverkeer tussen [gemachtigde] en de inspecteur.
De in 1.19 bedoelde zitting is voortgezet op 26 september 2025 in ’sHertogenbosch. Toen zijn verschenen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, tot bijstand vergezeld van [naam 1] , en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] , [inspecteur 2] , [inspecteur 3] en [inspecteur 4] . Op deze zitting zijn gelijktijdig behandeld de onderhavige zaak en de zaken met nummers 23/370, 23/374 tot en met 23/384 en 23/398.
Op de in 1.22 bedoelde zitting zijn achtereenvolgens als getuige gehoord [getuige 3] , [getuige 4] (hierna: [getuige 4] ), [getuige 5] (hierna: [getuige 5] ) en [getuige 6] . De ondertekende getuigenverklaringen zijn aan partijen verzonden.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
Van de in 1.19 en 1.22 bedoelde zittingen is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen wordt verzonden.
2. Feiten
Belanghebbende (hierna tevens: [belanghebbende] ) is geboren op [datum 1] 1936 en heeft de Nederlandse nationaliteit. Hij heeft drie kinderen en is gehuwd geweest met [naam 3] . Belanghebbende heeft over dit huwelijk verklaard dat hij in Duitsland formeel van haar is gescheiden.
Belanghebbende was tot 1979 in Nederland ingeschreven in de Basisregistratie Personen (hierna: BRP). Daarna is belanghebbende niet meer in Nederland ingeschreven in de BRP. Belanghebbende heeft zich in 1979 laten inschrijven in de Filipijnen.
Belanghebbende handelt al vele jaren in onder andere oud legermaterieel en reist daartoe veel over de wereld. Hij is onder andere werkzaam in Nederland, Duitsland, Griekenland en Azië.
Belanghebbende heeft in of omstreeks 1975 [naam 1] voor het eerst ontmoet en is vanaf 1989 zaken met haar gaan doen.
[naam 1] is geboren op [datum 2] 1956 in [plaats 2] in Taiwan. Zij heeft zowel de Taiwanese als de Nederlandse nationaliteit. Zij is in Nederland niet ingeschreven in de BRP. In Taiwan heeft [naam 1] drie appartementen in eigendom en houdt ze een woonadres aan.
Belanghebbende en [naam 1] zijn op 29 februari in 1992 in [plaats 4] ( [Staat] , Verenigde Staten) met elkaar getrouwd. Het huwelijk is in 2007 ontbonden.
Belanghebbende houdt vanaf 22 januari 2013 middellijk alle aandelen in [bedrijf 4] B.V. (hierna: [bedrijf 4] ). [bedrijf 4] is op [datum 3] 1989 opgericht naar Nederlands recht, is statutair gevestigd in [plaats 5] en is in 2015 feitelijk gevestigd aan de [adres 2] in [plaats 1] (hierna: het bedrijfspand of het bedrijfsadres). [bedrijf 4] exploiteert een handelsonderneming die met name actief is op het terrein van handel in - vooral militaire - voertuigen en onderdelen daarvan. [naam 1] is vanaf de oprichting van [bedrijf 4] enig directeur en hield tot 22 januari 2013 aandelen in [bedrijf 4] .
Belanghebbende houdt sinds 19 augustus 2008 middellijk alle aandelen in [bedrijf 5] B.V. (hierna: [bedrijf 5] ). [naam 1] is in 2015 directeur van [bedrijf 5] .
De eigendom van het bedrijfspand berust sinds 30 augustus 2001 bij [bedrijf 5] . Op het bedrijfsadres zijn naast [bedrijf 4] ook [bedrijf 5] en [bedrijf 6] gevestigd. Het bedrijfspand bestaat uit een kantoor en een loods ter grootte van 14.020 m2. In het bedrijfspand bevindt zich een verblijfsruimte met een zit-, slaap- en badkamer; deze verblijfsruimte was al als zodanig aanwezig toen [bedrijf 5] het bedrijfspand op 30 augustus 2001 verwierf. Belanghebbende en [naam 1] verblijven jaarlijks gedurende de periode van maart/april tot augustus/september één of meerdere werkdagen in het bedrijfspand; belanghebbende heeft verklaard (zie 2.25) dat hij ongeveer 30 dagen per jaar in Nederland verbleef en dat hij dan vier à vijf nachten overnachtte in [plaats 1] .
Belanghebbende heeft sinds 2009 een appartement op de Filipijnen. Daarnaast heeft hij samen met [naam 1] in februari 2014 gezamenlijk de eigendom van twee appartementen op de Filipijnen gekocht. Deze appartementen zijn aan belanghebbende en [naam 1] geleverd op 10 december 2014. De appartementen zijn verbouwd van mei 2015 tot januari 2016, in die zin dat zij zijn samengevoegd tot één appartement. In april 2016 is het samengevoegde appartement opgeleverd aan belanghebbende en [naam 1] . Ter zake van deze appartementen voldoet belanghebbende alle eigenaars- en gebruikerskosten. Verder heeft belanghebbende op de Filipijnen een bankrekening bij de Bank of Commerce, een telefoon- en internetabonnement en een auto en maakt hij aldaar gebruik van de gezondheidszorg.
[naam 1] is sinds 1998 eigenaar van een Duitse vakantiewoning, gelegen aan de [adres 1] in [plaats 6] , bestaande uit een benedenwoning en een bovenwoning. Belanghebbende en [naam 1] verblijven, indien zij niet in het bedrijfspand verblijven, jaarlijks in deze vakantiewoning in de periode van maart/april tot augustus/september van donderdag tot maandag. [naam 1] verblijft dan in de benedenwoning en belanghebbende in de bovenwoning. Verder heeft belanghebbende in Duitsland een ziektekostenverzekering en een begrafenisverzekering en maakt hij aldaar gebruik van de gezondheidszorg.
Belanghebbende heeft op 12 april 1994 in Hong Kong een onderneming - zijnde een eenmanszaak - opgericht onder de naam [bedrijf 7] (hierna: [bedrijf 7] ). [bedrijf 7] is op dezelfde datum ingeschreven in de ‘Business Registration Office’ van Hong Kong. [bedrijf 7] is gevestigd op het kantooradres van [kantoor] , een accountantskantoor in Hong Kong, en is actief op het gebied van de in- en verkoop van met name gebruikte legergoederen. [bedrijf 7] heeft geen personeel of opslagruimte.
[bedrijf 7] beschikte tot medio 2014 over twee bankrekeningen bij de Standard Chartered Bank in Hong Kong; belanghebbende had [naam 1] gemachtigd voor beide bankrekeningen. Nadat de Standard Chartered Bank belanghebbende had bericht dat beide bankrekeningen zouden worden opgezegd, hebben belanghebbende en [naam 1] een gezamenlijke bankrekening geopend bij de HSBC Bank in Hong Kong; belanghebbende en [naam 1] hebben beiden bedragen opgenomen van deze bankrekening.
Belanghebbende was in 2015, al dan niet met [naam 1] , bestuurder van [bedrijf 8] (hierna: [bedrijf 8] ). [bedrijf 8] is opgericht op [datum 4] 1997 en statutair gevestigd in Hong Kong. [bedrijf 8] leent grote geldbedragen tegen relatief hoge rentevergoeding en op onderpand van hypotheek uit aan (rechts)personen in met name Nederland die lastig of niet aan reguliere bancaire leningen kunnen komen.
De Belastingdienst/Central Liaison Office heeft op grond van artikel 25 belastingverdrag Nederland-Filipijnen op 18 maart 2024 de autoriteiten van de Filipijnen verzocht om uitwisseling van informatie. Het Bureau of Immigration van de Filipijnen heeft op 16 oktober 2024 het volgende verklaard:
“This refers to your letter dated 11 July 2024 requesting to verify the dual citizenship or any recognition records of [ [belanghebbende] ] for investigative purposes.
Please be informed that upon verification with our Records Section, a thorough search was done and it was found out that the above mentioned subjects have no dual citizenship and recognition records.”.
Op 21 november 2024 heeft het Bureau of Internal Revenue van de Filipijnen de volgende informatie verstrekt:
“Based on the information provided by the Philippine Bureau or Immigration (Annex “A”), [ [belanghebbende] ] has no dual citizenship and recognition records in the Philippines.
In this regard, [ [belanghebbende] ] was never considered a resident of the Philippines within the meaning of Article 4(1) of the Convention between the Kingdom of the Netherlands and the Republic of the Philippines for the Avoidance of Double Taxation and the Prevention of Fiscal Evasion with Respect to Taxes on Income.
Under the Philippine laws, only resident citizens and domestic corporations are considered residents for treaty purposes in the Philippines because only them are subject to tax on their worldwide income. Resident aliens and resident foreign corporations are regarded as residents for domestic tax purposes but not for treaty purposes as they are only taxed on their income from Philippine sources.”.
Aangifte en aanslagen
De inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 5 april 2018 uitgenodigd om aangifte IB/PVV en Zvw 2015 te doen. De inspecteur heeft een aangiftebiljet voor een binnenlandse belastingplichtige uitgereikt.
Belanghebbende heeft op 18 september 2018 aangifte IB/PVV 2015 gedaan en een verzamelinkomen van nihil aangegeven.
De inspecteur heeft bij brief van 2 april 2019 aangekondigd af te wijken van de ingediende aangifte. In de brief is onder meer het volgende vermeld:
“Uit gegevens die ik onder meer heb gekregen uit het strafrechtelijk onderzoek dat jegens u en anderen werd ingesteld, en de mede namens u door [ [naam 1] ] persoonlijk aangeleverde gegevens tijdens de bezwaarbehandeling van de aanslagen vennootschapsbelasting 2005-2015 ten name van [bedrijf 4] BV, heb ik de voorlopige conclusie getrokken dat aan u een aanslag inkomstenbelasting/premieheffing volksverzekeringen 2015 moet worden opgelegd. Het betreft een zogenaamde aanslag “ter behoud van rechten”, omdat de bevoegdheid voor het opleggen van een aanslag over 2015 op korte termijn verloopt. In een later stadium kan de aanslag worden aangepast indien nieuwe feiten naar voren komen.
Toelichting
In het bedrijfspand te [plaats 1] is bij strafrechtelijk onderzoek een volledig ingerichte woonruimte aangetroffen met slaapkamer, badkamer en zit/woonkamer. Op 2 augustus 2018 heb ik mij er ook persoonlijk van mogen overtuigen dat u aldaar adequate woon en slaapgelegenheid hebt. Tevens is door de FIOD vastgesteld dat u ook zeer regelmatig aldaar verblijft, ook tijdens de nachtelijke uren. Daarnaast hebt u vele zakelijke en persoonlijke banden met Nederland, en hebt u de Nederlandse nationaliteit. Deze feiten deden zich ook in 2015 voor.
Ik ga er daarom voorlopig van uit dat de banden met Nederland dermate sterk zijn dat uw fiscale woonplaats op grond van artikel 4 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen in Nederland ligt. Dat houdt in dat u onder de Nederlandse inkomstenbelasting valt.
U bent in 2015 100% aandeelhouder en bestuurder van de in Nederland gevestigde [bedrijf 6] LTD, 100% aandeelhouder en directeur van [bedrijf 1] Ltd (BVI), 100% aandeelhouder en directeur van [bedrijf 13] Ltd welke op haar beurt een 100% belang houdt in [bedrijf 5] BV. Daarnaast bent u middellijk, via [bedrijf 6] , 100% aandeelhouder van [bedrijf 4] BV. Tenslotte bent u sinds 2012 100% gerechtigd in de [foundation] Private Foundation te Panama.
Uit uw Nederlandse en/of in Nederland gevestigde vennootschappen wordt u in ieder geval geacht Nederlands inkomen te genieten. Of dit als loon of anderszins is geformaliseerd doet niet ter zake. Uw beloning kan ook op andere wijze verkregen worden.
Daarnaast was u in 2015 100% aandeelhouder in [bedrijf 10] te Frankrijk en directeur/bestuurder tot en met maart 2017 van [bedrijf 8] Ltd. te Hong Kong.
Vastgesteld is inmiddels via strafrechtelijk onderzoek dat [bedrijf 8] Ltd geen énkele materiele bedrijfsuitoefening in Hong Kong verricht. Ook is er in Hong Kong geen personeel in dienst, noch worden er anderszins ondernemingsactiviteiten verricht. Er is slechts een inschrijving bij een accountantsfirma. Vanuit Nederland daarentegen werden onder uw directeurschap in 2015 activiteiten verricht op het gebied van het verstrekken van financieringen aan Nederlandse zakenrelaties.
In het kader van de aanslag ter behoud van rechten reken ik daarom voorlopig aan u toe een inkomen van € 50.000 Box 1 en een BOX 3 vermogen van €12.000.000.”.
De aanslag IB/PVV 2015 is met dagtekening 15 april 2019 vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 50.000 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 480.000; tevens is bij beschikking € 16.082 belastingrente in rekening gebracht. De inspecteur heeft de aanslag en de rentebeschikking bij uitspraken op bezwaar gehandhaafd.
Strafrechtelijk onderzoek en strafrechtelijke procedure
Eind november 2015 is een strafrechtelijk onderzoek gestart onder de naam [onderzoek] (hierna: het strafrechtelijk onderzoek). In het aanvangsproces-verbaal zijn belanghebbende, [naam 1] en [bedrijf 8] als verdachten aangemerkt. In dit proces-verbaal is vermeld dat het redelijk vermoeden is ontstaan dat belanghebbende, [naam 1] en [bedrijf 8] “zich vermoedelijk schuldig hebben gemaakt aan het witwassen c.q. gewoonte witwassen van crimineel verkregen gelden”. In het aanvangsproces-verbaal is onder meer het volgende vermeld:
“Nader onderzoek naar de personen [ [belanghebbende] ] en [ [naam 1] ]
[ [belanghebbende] ] en [ [naam 1] ] zijn beide al tientallen jaren geleden uitgeschreven uit de GBA in Nederland. In de bestanden van de Belastingdienst zijn ook weinig gegevens bekend. Wat wel bekend is (…) van de betreffende personen is het volgende:
(…)
1. [ [belanghebbende] ] (…)
In september 2011 heeft [belanghebbende] aan de belastingdienst een tweetal certificaten afgegeven, gedateerd op resp 10 en 11 augustus 2011 waaruit blijkt dat hij ingeschreven staat in [plaats 7] op de Filipijnen en dat hij vrij mag in -en uitreizen. Voorts is een kopie van zijn paspoort gemaakt dat in 2007 is afgegeven door de Nederlandse Ambassadeur in [plaats 7] .
(…)
Ten aanzien van zijn vestigingsadres op de Filippijnen verklaart [belanghebbende] in een gesprek op 6 september 2011 met de Belastingdienst [plaats 8] het volgende: “ca. 30 a 40 dagen verblijft hij in Nederland; hij overnacht dan niet in Nederland, maar net over grens in een hotel in [plaats 11] in Duitsland. Hij verblijft naar schatting per saldo een half jaar op de Filippijnen. Hij heeft geen woning in Nederland.
In Duitsland verblijft hij in totaal ongeveer 70 a 80 dagen, dit is inclusief de nachten tijdens het juist genoemde verblijf in Nederland. Hij verblijft naar schatting 3 a 4 maanden in Europa.”
(…)
2. [ [naam 1] ] (…)
[ [naam 1] ] verklaart bij het bezoek van de controlerende ambtenaren van de Belastingdienst [plaats 8] op 6 september 2011 onder andere het volgende: “Zij is ca. 2 dagen per week op de zaak in [plaats 1] , slaapt op de bank, de resterende dagen zit zij in Duitsland waar zij een vakantiewoning heeft.
In juli 2011 is zij ca één maand op Taiwan geweest bij haar familie. Ook gaat zij binnenkort weer 1,5 maand naar Taiwan. Zij zegt geen sociale contacten te hebben.”.
(…)
Resumé redelijk vermoeden [bedrijf 8] , [belanghebbende] en [naam 1]
Uit het voorgaande komt het volgende naar voren:
[bedrijf 8] is niet terug te vinden (behoudens Kamer van Koophandel in Hong Kong) in openbare bronnen als zijnde een investeerder en financier van onroerend goed;
Het bedrijf heeft geen website en maakt geen reclame voor haar activiteiten;
Het vestigingsadres van [bedrijf 8] is een Secretary (Trustkantoor) in een bedrijfsverzamelgebouw in Hong Kong;
alle ‘Annual return’ formulieren zijn gedagtekend op de datum ‘16 april’ van alle betreffende jaren dit doet vermoeden dat er in Hong Kong alleen sprake is van beheersactiviteiten;
[bedrijf 8] is een offshore company uit Hong Kong, waar de jaarstukken niet hoeven te worden gedeponeerd;
[bedrijf 8] dient, gezien de uitstaande financieringen, een goede administratie te voeren. Gezien het voorgaande punt is er geen duidelijkheid waar de daadwerkelijke administratie gevoerd wordt van [bedrijf 8] en/of de andere aan [belanghebbende] en [naam 1] gelieerde buitenlandse ondernemingen;
[belanghebbende] en [naam 1] zijn betrokken bij een groot aantal buitenlandse rechtspersonen, met name off shore companies;
[belanghebbende] en [naam 1] zijn beide al jaren geleden uitgeschreven uit Nederland. Het is onbekend wat zij sinds dat moment hebben gedaan c.q. wat de herkomst van hun vermogen is;
Op een drietal facturen van [bedrijf 8] (…) is een Nederlands mobiel telefoonnummer vermeld als contact, er is geen telefoonnummer van [bedrijf 8] in Hong Kong vermeld. Wel is de naam en het telefoonnummer vermeld van de accountant in Hong Kong;
Op deze facturen van [bedrijf 8] is als contact email adres vermeld: [email adres 1] , dit bedrijf heeft zichtbaar geen enkele relatie met [bedrijf 8] . Kennelijk beschikt [bedrijf 8] niet over een eigen e-mailadres en/of internetdomein;
Op deze drie facturen van [bedrijf 8] is een postadres vermeld in [plaats 1] Nederland. Dit adres in [plaats 1] is tevens het vestigingsadres van een drietal ondernemingen, die direct of indirect zijn gelieerd aan [belanghebbende] en [naam 1] ;
In [plaats 1] is o.a. [bedrijf 4] gevestigd, dit is een onderneming in tweede hands legermaterialen. Mw. [naam 1] runt deze onderneming;
De website van [bedrijf 4] linkt door naar een website met Chinese kunst;
[ [naam 1] ] verklaard tegen de Belastingdienst dat zij twee dagen per week op deze zaak in [plaats 1] is en dan slaapt op de bank. De resterende dagen zou zij verblijven in Duitsland in een vakantiewoning;
[ [belanghebbende] ] verklaard tegen de Belastingdienst dat hij 30 tot 40 dagen per jaar in Nederland verblijft en dan slaapt in een hotel in Duitsland, een halfjaar op de Filippijnen en 3 tot 4 maanden in Europa;
Bij het passeren van een hypotheek akte rijden [belanghebbende] en [naam 1] in een BMW met Duits kenteken op naam van de Duitse mevrouw [naam 5] ;
Zowel [naam 1] als [belanghebbende] verklaren aan de Belastingdienst niet over verblijf/aanwezigheid in Hong Kong;
[ [belanghebbende] ] verklaard aan de Belastingdienst dat hij gebruik maakt van zowel een Nederlands als een Hong Kongs mobiel telefoonnummer;
[ [belanghebbende] ] verklaard voorts aan de Belastingdienst dat hij gebruik maakt van de emailadressen: [email adres 2] , [email adres 3] en [email adres 4] . Opmerkelijk hierbij is dat geen van deze ondernemingen kennelijk beschikt over een eigen domeinnaam, maar gebruik maakt van een algemeen e-mailadres;
[ [naam 1] ] maakt gebruik van e-mailadressen van [bedrijf 4] en derhalve niet van [bedrijf 8] ;
[ [naam 1] ] maakt gebruik van een Nederlands mobiel telefoonnummer;
De leningen worden verstrekt aan ondernemingen/personen die op een reguliere wijze (in Nederland geregistreerde financiers) geen dan wel zeer moeilijk financieringen kunnen verkrijgen omdat zij reeds in een niet rooskleurige financiële positie verkeren en/of in onderzoek zijn bij de justitiële autoriteiten;
De overeengekomen rentepercentages liggen tussen de 7% en 10%. Dit is opmerkelijk hoger dan het reguliere percentage dat Nederlandse financiële instellingen rekenen;
Een van deze personen is [naam 6] . [naam 6] zegt in een tapgesprek uit 2014 dat hij besprekingen over de financiering door [bedrijf 8] heeft gevoerd met [belanghebbende] en [naam 1] in [plaats 1] , dat er een fonds zou zijn van 180 miljoen dat beschikbaar is om risicovol uitgeleend te worden;
Bij de financiering genoemd onder de nummers 1, 2, 6, 9 en 10 bestaan directe en/of indirecte relaties met de personen [naam 7] en/of [naam 8] , terwijl deze personen zichtbaar geen enkele relatie hebben met de financier [bedrijf 8] of het gefinancierde onroerend goed.”.
Tijdens het strafrechtelijk onderzoek naar de drie in het aanvangsproces-verbaal vermelde verdachten is informatie naar voren gekomen die leidde tot een vermoeden van fiscale fraude met betrekking tot de aangiften vennootschapsbelasting over de jaren 2007 tot en met 2015 van [bedrijf 4] . In het “PROCES-VERBAAL VAN VERDENKING FISCALE FRAUDE EN VALSHEID IN GESCHRIFT DOOR [bedrijf 4] B.V.” (hierna: proces-verbaal [nummer 6] ) is [bedrijf 4] voor het eerst als verdachte aangemerkt.
Op 19 maart 2017 heeft een heimelijke doorzoeking plaatsgehad van het bedrijfspand. Tijdens de doorzoeking zijn onder andere foto’s en scans gemaakt van in het bedrijfspand aangetroffen administratieve bescheiden.
Op 10 oktober 2017 heeft een inval van de FIOD plaatsgevonden in het bedrijfspand. Tijdens de inval is een verblijfsruimte in het bedrijfspand aangetroffen. Belanghebbende en [naam 1] zijn die dag aldaar aangehouden op verdenking van onder meer witwassen, valsheid in geschrift en fiscale fraude. Op die datum heeft de FIOD onder meer de administratie van [bedrijf 4] in beslag genomen. Verder is in het bedrijfspand de handtas van [naam 1] aangetroffen, met daarin haar laptop en telefoon en de bedrijfsstempels van [bedrijf 7] en [bedrijf 8] . In het kader van het strafrechtelijk onderzoek is beslag gelegd op het vermogen van belanghebbende en [naam 1] en de met hen verbonden vennootschappen.
Belanghebbende heeft tijdens zijn verhoren onder meer het volgende verklaard, waarbij in elk “PROCES-VERBAAL VAN VERHOOR” “V” staat voor vraag verbalisanten, “A” voor antwoord van de verdachte of de getuige, “O” voor opmerking en “N” voor noot verbalisanten:
“V: Waar staat u momenteel ingeschreven?
A: Ik sta ingeschreven op de Filipijnen, ik woon daar al 30 jaar.
V: Waar bent u tegenwoordig woonachtig?
A: Ik ben maar 30 dagen per jaar in Nederland, ik ben veel onderweg in Europa en verblijf dan meestal in hotels. Meestal verblijf ik als ik in Nederland ben in een hotel in [plaats 11] in Duitsland.
(…)
V: U bent vanochtend aangetroffen in [plaats 1] op de [adres 2] (…)
Is daar een ruimte waar u kunt slapen dan?
A: Ja daar is een ruimte waar ik kan slapen, mevrouw [naam 1] maakt daar ook gebruik van, het is niet comfortabel. Ik overnacht daar maar zelden.
V: Hoe vaak overnacht u in [plaats 1] ?
A: Misschien 4 a 5 keer per jaar.
(…)
V: (…) Welke verblijfsadressen heeft u momenteel?
A: Ik ben in de winter weg naar de Filipijnen en dan ben ik in de zomer in Europa. Waar ik zin heb om heen te gaan, ga ik heen. Ik ga vaak helemaal ongepland. Ik rijd meestal zelf in de auto in Europa. Ik neem daar de tijd voor.
V: Gaat mevrouw [naam 1] dan ook altijd mee?
A: Dat hangt ervan af, zoals de wind waait.
V: Wanneer bent u uit Nederland vertrokken?
A: In 1979.
V: Waar bent u gaan wonen nadat u uit Nederland bent vertrokken?
A: Naar het adres [adres 3] in [plaats 9] , Filipijnen.
(…)
V: Uw verblijf op de Randweg in [plaats 1] . Is er woonruimte ingericht op het adres [adres 2] te [plaats 1] , het bedrijfspand van [bedrijf 4] ?
A: In een gedeelte van het pand zit een woonruimte. Het is te vergelijken met een klein appartement.
V: Hoeveel vierkante meter is het? Kunt u het appartement beschrijven?
A: Ik weet het niet zo. Het is een kleine woonkamer, verder een badkamer en een slaapkamer. Het zijn drie aparte ruimtes.
(…)
V: Ok, dus mevrouw [naam 1] heeft een huis in Duitsland?
A: Ja, daar zijn we gisteren nog geweest, het is een weekendhuis.
(…)
V: Heeft u een auto in uw bezit?
A: Ja.
V: In welke auto rijdt u momenteel?
A: Een BMW, een 740 Diesel. Ik weet niet welk kenteken, maar het is een Duits kenteken.”
en
“V: Met welke familieleden heeft u (nog) contact? En waaruit bestaat dit contact?
A: Ik heb nog 1 zuster.”.
[naam 1] heeft tijdens haar verhoren onder meer het volgende verklaard:
“V: Bij meerdere bedrijven waarbij u betrokken bent is ook [ [belanghebbende] ] betrokken. (…) Wat is uw relatie met hem?
A: [ [belanghebbende] ] is een zakelijke partner en een goede vriend. Ik ken hem al veertig jaar. Ik was 19 jaar oud toen ik hem leerde kennen. Ik heb hem leren kennen vanuit de dumphandel. Hij was een legend in de handel. Iedereen kende hem in deze handel. Iedereen wilde met hem zaken doen. Hij had een goede naam.
(…)
V: Wanneer bent u zijn zakenpartner geworden?
A: Hij [hof: [belanghebbende] ] kwam bij mij op bezoek in Taiwan om naar een oude jeep te kijken. Hij is daarna een aantal keer naar Taiwan gekomen. Een jaar later ben ik naar [plaats 5] gegaan en heb ik het bedrijf [bedrijf 4] daar opgericht. [ [belanghebbende] ] had daar al zijn eigen bedrijf, [bedrijf 14] . [ [belanghebbende] ] is heel goed in zaken doen. Hij weet alles uit zijn hoofd en kent heel veel mensen. Hij bepaalt de inkoop en verkoopprijs altijd zelf in onze branche. [ [belanghebbende] ] deed soms de inkoop voor [bedrijf 4] . Daarnaast deed ik zelf ook de inkoop voor [bedrijf 4] . Indien [ [belanghebbende] ] een klant had voor goederen van [bedrijf 4] , dan kocht hij die van [bedrijf 4] . Vervolgens verkocht hij dat vanuit zijn bedrijf in Hong Kong aan de klant. De goederen gingen rechtstreeks van [bedrijf 4] naar de klant. Ik handelde alle zaken in [plaats 5] af zoals het laden en lossen, administratieve taken, enzovoorts. Ik zorg graag voor efficiëntie en voor een goede service.
Dit is dus ongeveer 35 jaar geleden geweest, vanaf de oprichting van [bedrijf 4] . Toen wij het onroerend goed in [plaats 5] wilden gaan kopen, is ook de firma [bedrijf 5] opgericht.”.
[getuige 1] heeft tijdens zijn verhoor als getuige onder meer het volgende verklaard:
“V: Wie is uw leidinggevende binnen [bedrijf 4] ?
A. [ [naam 1] ], ze is alleen heerser, ze regelt alles. (…)
V: Wie was uw leidinggevende binnen de vennootschappen van [ [belanghebbende] ]?
A. In de jaren 70 was [belanghebbende] mijn leidinggevende, sinds de komst van [ [naam 1] ] is [ [naam 1] ] de leidinggevende geworden. Ze heeft letterlijk gezegd: Ik ben de baas.
(…)
V: Waar verblijven [ [naam 1] ] en [ [belanghebbende] ] gedurende het gehele jaar? (Azië, Duitsland, Nederland)
A: Ze wonen in Duitsland, daar wonen ze in het weekend van donderdag tot maandag en van maandag tot en met donderdag zijn ze in [plaats 1] . Dit is al jaren zo, zolang we in [plaats 1] zitten. Ze gaan in de winter vier maanden naar Azië toe, volgens mij om te overwinteren. Ze hebben verschillende plekken in Azië waar ze naartoe gaan. Hun basis is volgens mij in Taiwan. Ze vertellen hier weinig over.
(…)
[ [bedrijf 8] ]
V. Wat kunt u verklaren over [ [bedrijf 8] ]? (wie is [bedrijf 8] , wat waren de bedrijfsactiviteiten, vestigingsplaats)
A: Is het zelfde als [bedrijf 11] een financieringsfirma uit Hong Kong. Zij hebben de leningen van [bedrijf 11] overgenomen van [bedrijf 4] en van [bedrijf 5] . Ze maken renterekeningen op aan [bedrijf 4] en [bedrijf 5] . Omdat er wat verschillen in de leningsbedragen zaten tussen de boekhouding van [bedrijf 8] en [bedrijf 4] is door [ [naam 1] ] besloten dat [bedrijf 4] zelf de renterekeningen opmaakt namens [bedrijf 8] aan [bedrijf 4] . Aan het einde van de periode gaf ik of iemand anders van de boekhouding aan dat er een bedrag aan rente opstond welke [bedrijf 4] moest voldoen aan [bedrijf 8] en dan maakte of [ [naam 1] ] of iemand van de boekhouding een rekening op voor dit rentebedrag. Dit waren geen dagrentes maar een gemiddelde van de maand, dit veroorzaakte vaak die eerdergenoemde verschillen. Deze rekeningen worden nu per drie maanden opgemaakt.
V: Wat waren uw werkzaamheden binnen [bedrijf 8] Holding?
A: in 2012 begon mevrouw [naam 1] grote bedragen uit te lenen. Dit deed ze helemaal zelf. In 2014 werd het haar iets te veel en vroeg ze aan mij of ik dit wilde bijhouden in een kladboekhouding maar dit heb ik in het Minox boekhoudprogramma bijgehouden omdat ik dat beheers. Vanaf medio 2014 ben ik dit gaan doen in Minox. In eerste instantie regelde [ [naam 1] ] alles via haar eigen bankrekening, het was een onderneming zonder bankrekening. Volgens mij ergens medio 2014 was er ook een bankrekening bij HSBC en die kon ik dan ook bijhouden in Minox. Alle andere betalingen waarvan [ [naam 1] ] zei dat gedaan waren, werden in rekeningcourant verhouding met [ [naam 1] ] verrekent. Twee weken geleden vertelde zij mij dat ze in Hong Kong ook een belastingaangifte moest indienen en dat ze hiervoor een jaarrekening moest hebben. Ik ben toen aan de slag gegaan om de jaarstukken op te maken. Ik heb de jaarstukken van [bedrijf 8] opgemaakt voor de jaren 2013, 2014, 2015, 2016 en 2017, die zitten in de computer.
V: Wie geeft leiding binnen [ [bedrijf 8] ]?
A: Alles wat betrekking heeft op [bedrijf 8] hoor ik via [ [naam 1] ].”.
In een proces-verbaal met nummer [nummer 1] , opgemaakt op 19 december 2018, betreffende “PV fiscaal delict (art. 69 lid 2 AWR) en valsheid in geschrift (art. 225 lid 1 WvSr)” (hierna: proces-verbaal [nummer 1] ) is onder meer het volgende vermeld:
“Levensloop [ [belanghebbende] ] en [ [naam 1] ] samen
De levensloop van [ [belanghebbende] ] en [ [naam 1] ] samen start rond 1989. [ [belanghebbende] ] en [ [naam 1] ] leerden elkaar eerder kennen. Dat was in 1975, vermoedelijk tijdens een zakenreis van [ [belanghebbende] ] in Taiwan.
[hof: passage zwart gelakt]
[ [belanghebbende] ] verklaarde in zijn zevende verhoor dat hij in 1990 slechts enkele maanden getrouwd is geweest met [ [naam 1] ].
Zoals eerder vermeld beschikt het onderzoeksteam over een uittreksel van het Taiwanees bevolkingsregister waarop een huwelijk staat vermeld tussen 1992 en 2007.
De Taiwanese autoriteiten hebben dit huwelijk bevestigd in een informatieverstrekking en gesteld dat de echtscheiding tussen [ [belanghebbende] ] en [ [naam 1] ] vermoedelijk vals (“fake”) is.
[hof: passage zwart gelakt] nemen zij hun intrek in de in opdracht van [ [belanghebbende] ] gebouwde woning op het adres [adres 1] te [plaats 6] , Duitsland.
Op 30 augustus 2001 wordt er een bedrijfspand gekocht op de [adres 2] te [plaats 1] voor de vestiging van [ [bedrijf 4] ].
Uit het onderzoek is gebleken dat er een woonruimte is gecreëerd in dit pand waar [ [naam 1] ] en [ [belanghebbende] ] gebruik van maken als zij in Nederland verblijven. Tijdens hun aanhouding was deze woonruimte door hen als zodanig in gebruik. Het gebruik van dergelijke woonruimte is overigens in strijd met het aldaar geldende bestemmingsplan. (…)
Er is vastgesteld dat [ [belanghebbende] ] en [ [naam 1] ] de afgelopen jaren afwisselend in Nederland en Duitsland verblijven en dat hierin een patroon valt vast te stellen. Daarnaast is gebleken dat zij enkele maanden per jaar (wintermaanden) in Azië verblijven.
[hof: passage zwart gelakt]
[ [naam 1] ] en [ [belanghebbende] ] verklaren dat ze gezamenlijk eigendom hebben van 2 samengevoegde appartementen op de Filipijnen en daar periodiek (gezamenlijk) verblijven. [ [belanghebbende] ] verklaarde dat hij sinds 1979 op de Filipijnen woonachtig is en daar ook zijn belastingaangifte doet. [ [belanghebbende] ] verklaarde dat hij echter over zijn verdienstens buiten de Filipijnen geen belasting hoeft te betalen en dus geen belasting betaalt op de Filipijnen. Tot slot verklaarde [ [belanghebbende] ] hierover dat hij in de winter op de Filipijnen is en in de zomer in Europa.”.
Bij vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 23 december 2021 is belanghebbende strafrechtelijk veroordeeld voor onder meer het feitelijk leiding geven aan het (mede)plegen van witwassen van grote geldbedragen door [bedrijf 8] en [bedrijf 5] en het feitelijk leiding geven aan het onjuist en/of onvolledig doen van aangiften vennootschapsbelasting van [bedrijf 4] over de jaren 2010 tot en met 2013 en 2015. In het vonnis is onder meer het volgende overwogen (de voetnoten zijn weggelaten):
“Bij de stukken bevinden zich twee sets facturen die zien op het jaar 2015:
Set 7 € 23.149
Er zijn twee facturen van 12 augustus 2015 van [bedrijf 4] aan [bedrijf 7] :
- ten bedrage van $ 45.600,-:
We have sold to you and shipped to [bedrijf 15] . Ltd.
(…) per vessel “Shanghai Express” voy. [nummer 2] , sailing from [plaats 10] to Bangkok , for final destination [X] o.a. 16 Aug. 2015, en
- ten bedrage van $ 10.650,-:
We have sold to you and shipped to [bedrijf 15] . Ltd.
(…) per vessel “Shanghai Express” voy. [nummer 2] , sailing from [plaats 10] to Bangkok , for final destination [X] o.a.16 Aug. 2015.
Daarnaast is er een factuur van [bedrijf 7] aan [bedrijf 15] . Ltd . d.d. 16 augustus 2015 ten bedrage van 84.240,-:
We have sold and shipped to you per vessel “Shanghai Express” voy. [nummer 2] , sailing from [plaats 10] to Bangkok, for final destination [X] o.a. 16 Aug. 2015.
Deze laatste factuur moet voldaan worden op een bankrekening bij de HSBC Hong Kong met [factuurnummer] en op naam van [ [belanghebbende] ].
Op 16 september 2015 wordt een bedrag van $ 84.213,- ontvangen op die betreffende rekening, zijnde de rekening van [naam 1] en [ [belanghebbende] ] privé in Hong Kong, die gebruikt wordt door [bedrijf 7] .
De goederen op de facturen van [bedrijf 4] aan [bedrijf 7] komen overeen met de goederen op de factuur van [bedrijf 7] aan [bedrijf 15] . Het prijsverschil in dollar betreft $ 84.240,- minus $ 45.600,- en $ 10.650,-. Dat is een bedrag van $ 27.990,-. Op de facturen staan ook handgeschreven bedragen in euro’s. Het prijsverschil tussen die bedragen is € 69.667,- minus € 46.519,- is € 23.148,-.
Ook hier kan worden vastgesteld dat het prijsverschil in elk geval niet ten goede is gekomen aan [bedrijf 4] .
Set 8 € 34.975
Er zijn twee facturen van respectievelijk 14 en 21 januari 2015 van [bedrijf 4] aan [bedrijf 7] :
- ten bedrage van $ 28.490,-:
We have sold to you and shipped to [bedrijf 16] in [plaats 7] per vessel “NEW YORK EXPRESS” sailing from [plaats 10] to [plaats 7] South Port o.a. 24 Jan. 2015, en
- ten bedrage van $ 14.100,-:
We have sold and shipped to [bedrijf 16] in [plaats 7] per vessel “APL CHONGQING” sailing from [plaats 10] to [plaats 7] South Port o.a. 30 Jan. 2015.
Daarnaast is er een overzicht met een betaalinstructie ten bedrage van $ 84.881,25.
Dit bedrag moet uiterlijk op 30 april 2015 zijn voldaan op een bankrekening bij de HSBC Hong Kong met nummer [factuurnummer] en op naam van [ [belanghebbende] ].
Op 24 april 2015 wordt een bedrag van $ 84.856,25 overgemaakt op die betreffende rekening, zijnde de rekening van [naam 1] en [ [belanghebbende] ] privé in Hong Kong, die gebruikt wordt door [bedrijf 7] .
De goederen op de facturen van [bedrijf 4] aan [bedrijf 7] komen overeen met de goederen op voormeld overzicht. Het prijsverschil in dollar betreft $ 84.881,25 minus $ 28.490,- en $ 14.100,-. Dat is een bedrag van $ 42.291,25.
Ook van dit bedrag kan worden vastgesteld dat het niet ten goede is gekomen aan [bedrijf 4] . Opmerkelijk is dat de betreffende klant ( [bedrijf 16] in [plaats 7] ) een relatie is die [bedrijf 4] in 1989 al van GAT heeft overgenomen. Ook om die reden is niet begrijpelijk dat [bedrijf 7] een groot deel van de winst moest ontvangen.”.
Tegen dit vonnis is hoger beroep ingesteld.
In het kader van de strafprocedure heeft [naam 1] [adviseur] (hierna: [adviseur] ), een Duitse adviseur verbonden aan [adviseur] Consulting UG, opdracht gegeven een reconstructie te maken van het door haar gegenereerde vermogen in de periode 1975 tot en met 2017. [adviseur] heeft van het onderzoek een notitie opgemaakt “interne uiteenzetting” met dagtekening 11 juni 2018 en een rapport met dagtekening 13 augustus 2018 (hierna tezamen: het rapport Reiser). Uit het rapport Reiser blijkt een door [naam 1] gegenereerd vermogen van € 35.041.929 en een door belanghebbende gegenereerd vermogen van € 12.948.446.
Getuigenverklaringen
[getuige 1] , thans gepensioneerd en voorheen boekhouder en administrateur bij [bedrijf 4] , heeft als getuige ter zitting van het hof van 25 september 2025 onder meer het volgende verklaard:
“Op de vraag van de gemachtigde wie de leidinggevende van [bedrijf 4] was, antwoord ik:
Dat was mevrouw [naam 1] .
(…)
Op de vraag van de gemachtigde of ik de bedrijfsadministratie van [bedrijf 8] wel eens heb gezien in het kantoorpand in [plaats 1] , antwoord ik:
Nee, die administratie heb ik nooit gezien. Ook niet van andere firma’s.
(…)
Op de vraag van de voorzitter wat er gebeurde binnen [bedrijf 4] als mevrouw [naam 1] er niet was, antwoord ik: Ik kan het me niet meer goed herinneren. Maar ik had telefonisch contact en per mail en fax. Alles wat gebeurde was in opdracht van [ [naam 1] ].
Op de vraag van de voorzitter of, in de maanden dat [ [naam 1] ] en [ [belanghebbende] ] bij [bedrijf 4] waren, zij er dan samen waren, antwoord ik:
Ik kan niet zeggen dat ze altijd samen waren, omdat [ [belanghebbende] ] periodes niet aanwezig was. Ik weet niet waar hij dan was. Ik denk op verschillende plaatsen in Europa. Thuis noem ik het huis in [plaats 6] .
Ik weet niet meer exact gedurende welke periodes dat was. Ik had geen contact met [ [belanghebbende] ]. Wat ik hoorde was via [ [naam 1] ].”.
[getuige 4] , voormalig inspecteur bij de Belastingdienst, heeft als getuige ter zitting van het hof van 26 september 2025 onder meer het volgende verklaard:
“Op de vraag van de gemachtigde of ik in 2011 aan mevrouw [naam 1] heb gevraagd of in [plaats 1] een slaapgelegenheid was, antwoord ik:
Dat heb ik op dat moment niet gevraagd.
Op de vraag van de gemachtigde of ik kan aangeven hoe ik in augustus 2018 toegang heb gekregen tot de ovenachtingsfaciliteit in het bedrijfspand in [plaats 1] , antwoord ik:
Ik heb aan mevrouw [naam 1] , die werd vergezeld door advocaat [naam 10] , gevraagd of wij de bedrijfsruimte mochten zien. Dat was akkoord. Ik heb gebruik gemaakt van de mogelijkheden die de wet mij geeft en ik heb gezien dat zich er een slaapkamer, badkamer en woonkamer en gang bevond. Die was gestoffeerd. Er lagen badjassen en ik kon zien dat er iemand woonde.
Op de vraag van de gemachtigde of ik toestemming heb gevraagd om die ruimte te mogen betreden en toestemming heb gekregen, antwoord ik:
Ja. Er was geen discussie. Het was duidelijk bij mij en mijn collega dat ik dat mocht zien.
Op de vraag van de gemachtigde of ik daarbij ben begeleid door mevrouw [naam 1] en/of haar advocaat, antwoord ik:
Dat weet ik niet meer.
Ter verduidelijk van het antwoord op deze vraag, antwoord ik:
Uitdrukkelijk heb ik toestemming gekregen. Mevrouw [naam 1] en/of advocaat [naam 10] zijn mee gegaan. Want wij wisten de weg niet. Wij hebben ons niet eigenmachtig de toegang verschaft.
Na diverse opmerkingen vul ik mijn antwoord als volgt aan:
Er is mij de weg gewezen naar de privévertrekken in het pand. Ik weet niet meer of mevrouw [naam 1] dan wel advocaat [naam 10] mij daarbij hebben vergezeld.
(…)
Op de vraag van de oudste raadsheer of, toen ik stopte met mijn werkzaamheden, ik alle op de zaak betrekking hebbende stukken heb overgedragen aan mijn opvolger, antwoord ik:
Ja.
Op de vraag van de gemachtigde of ik een selectie heb gemaakt van de over te dragen stukken, antwoord ik:
Nee.”.
[getuige 5] , ten tijde van het strafrechtelijk onderzoek opsporingsambtenaar bij de FIOD en thans werkzaam bij de Belastingdienst, heeft als getuige ter zitting van het hof van 26 september 2025 onder meer het volgende verklaard:
“De gemachtigde houdt mij voor dat in proces-verbaal [nummer 6] document [nummer 7] (‘ [naam 9] ’) wordt gebruikt in het kader van de verdenking van belastingfraude.
Op de vraag van de gemachtigde of ik heb geconstateerd dat document [nummer 7] niet is voorzien van een briefhoofd, een naam of een handtekening, en heb geconstateerd dat de herkomst van het document daarom niet verifieerbaar is, antwoord ik:
ik kan mij niet herinneren of ik het geverifieerd heb.
(…)
De gemachtigde houdt mij voor dat, nadat ik negen sets facturen had samengesteld, ik de heer [getuige 3] op 18 december 2017 wederom heb gesproken. Uit het verslag van deze bespreking (document [nummer 8] ) volgt dat volgens de heer [getuige 3] ‘er duidelijke aanwijzingen zijn voor het afromen van winst en dus het ontduiken van vennootschapsbelasting’, namelijk:
het langdurig gebruiken van deze vormen van transacties (‘6 varianten’);
het structureel verliesgevend zijn van [bedrijf 4] ;
een nauwe zakelijke relatie tussen [belanghebbende] en [naam 1] en de bedrijven waarvan zij eigenaar en bestuurder zijn, waardoor deze in feite als één geheel functioneren;
een relatief groot aandeel van de verkopen aan [bedrijf 7] in de totale omzet van [bedrijf 4] , zowel in aantal transacties als in omzetbedragen;
wetenschap bij zowel [naam 1] als [belanghebbende] over de winsten die aan [bedrijf 4] en [bedrijf 7] zijn toegekomen;
afhankelijkheid bij [bedrijf 4] van de financiering door [bedrijf 8] als [bedrijf 8] een rechtspersoon is die door [naam 1] en/of [belanghebbende] beheerst wordt;
een significant lagere bruto-winst voor [bedrijf 7] bij de transacties zonder [bedrijf 4] (inkoop van derden) ten opzichte van transacties met inkoop bij [bedrijf 4] ;
het realiteitsgehalte van [bedrijf 7] : wat voegt deze eenmanszaak toe en waarom koopt [bedrijf 4] in voor [bedrijf 7] ?
De gemachtigde houdt mij voor dat het verslag afsluit met de mededeling: ‘Deze aanwijzingen kunnen nader worden beoordeeld aan de hand van de resultaten van het strafrechtelijk onderzoek. Vanuit de Belastingdienst kan een ambtsedige verklaring worden opgesteld of aan een getuigenverhoor (deskundige) worden meegewerkt.’
Op de vraag van de gemachtigde hoe ik heb vastgesteld dat [bedrijf 4] structureel verliesgevend is, antwoord ik:
Dat zal uit de aangifte vennootschapsbelasting zijn gebleken.
Op de vraag van de gemachtigde of ik het van belang acht dat [bedrijf 4] structureel verliesgevend is voor het vermoeden van winstafroming, antwoord ik:
Ja, dat is een element.
Op de vraag van de gemachtigde hoe ik heb vastgesteld dat sprake is van een relatief groot aandeel van de verkopen aan [bedrijf 7] in de totale omzet van [bedrijf 4] , zowel in aantal transacties als in omzetbedragen, antwoord ik:
Dat kan ik mij niet meer herinneren.
Op de vraag van de gemachtigde of ik voor het vermoeden van winstafroming van belang achtte dat de handel met [bedrijf 7] voor een relatief groot aandeel uitmaakt van de totale handel van [bedrijf 4] , stelt het hof een vervolgvraag:
Op de vraag van de jongste raadsheer wie de afweging heeft gemaakt dat er aanwijzingen zijn voor het afromen van winst, antwoord ik:
Dat was de heer [getuige 3] .
De jongste raadsheer concludeert dat dergelijke vragen daarom niet beantwoord kunnen worden door de getuige.
Op de vraag van de gemachtigde hoe ik heb vastgesteld dat sprake is van een significant lagere brutowinst voor [bedrijf 7] bij de transacties zonder [bedrijf 4] (inkoop van derden) ten opzichte van transacties met inkoop bij [bedrijf 4] , antwoord ik:
Dat weet ik niet.”.
3. Geschil en conclusies van partijen
Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:
Is de rechtbank vooringenomen?
Heeft de inspecteur gehandeld in strijd met het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer?
Heeft de inspecteur alle op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd?
Is sprake van onrechtmatig verkregen bewijs en, zo ja, moet dat bewijs in de onderhavige zaak worden uitgesloten?
Is belanghebbende in 2015 woonachtig in Nederland in de zin van artikel 4, lid 1, Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR)?
Is belanghebbende in 2015 op grond van verdragstoepassing inwoner van Nederland?
Indien vraag e ontkennend wordt beantwoord: moet belanghebbende in 2015 worden aangemerkt als buitenlands belastingplichtige?
Dient de bewijslast te worden omgekeerd en verzwaard, omdat belanghebbende niet de vereiste aangifte heeft gedaan?
Heeft de inspecteur de aanslag gebaseerd op een redelijke schatting?
Heeft belanghebbende overtuigend aangetoond dat en in hoeverre de aanslag tot een te hoog bedrag is vastgesteld?
Is de aanslag tot een te hoog bedrag vastgesteld omdat deze op grond van het vertrouwensbeginsel moet worden vernietigd dan wel verminderd?
Kan de inspecteur zich met succes beroepen op interne compensatie?
Heeft belanghebbende recht op vergoeding van immateriële schade?
Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken en hetgeen zij hieraan ter zittingen hebben toegevoegd. Tijdens de regiezitting hebben partijen verklaard dat stukken en standpunten die in één of meer van de in 1.19 en 1.22 genoemde zaken zijn ingebracht geacht worden ook onderdeel uit te maken van de dossiers in die andere zaken. Een uitzondering heeft te gelden voor het bericht van 1 mei 2025 en de daarbij gevoegde bijlagen; deze stukken zijn uitsluitend ingediend in de zaken 23/374 tot en met 23/384.
In hoger beroep is niet langer in geschil dat de inspecteur uitsluitend beschikt over proces-verbaal [nummer 1] zoals dat in geschoonde vorm - namelijk met een groot aantal zwart gelakte passages - tot de gedingstukken behoort. De inspecteur beschikt dus niet over een ongeschoonde versie van proces-verbaal [nummer 1] .
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de aanslag. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.
4. Gronden
Vooraf en ambtshalve
Aanbod van stukken
De inspecteur heeft tijdens de zitting van 25 september 2025 een kopie overgelegd van e-mailverkeer tussen, onder meer, [gemachtigde] en de inspecteur (zie 1.21). Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt en daartoe aangevoerd dat de inspecteur die e-mails te laat heeft ingebracht.
Belanghebbende heeft tijdens de zitting van 26 september 2025 verzocht om document [nummer 8] , althans gedeelten daarvan, over te mogen leggen. Het hof heeft dat verzoek tijdens die zitting voorlopig afgewezen.
Bij de beslissing of een partij de gelegenheid moet krijgen bewijsstukken tijdens de zitting alsnog over te leggen, moet een afweging plaatsvinden. Enerzijds is er het belang dat die partij heeft bij het overleggen van die stukken en de redenen waarom hij dit niet in een eerdere fase van de procedure heeft gedaan, en anderzijds het algemeen belang van een doelmatige procesgang.
Met betrekking tot het door de inspecteur overgelegde stuk (zie 4.0.1) overweegt het hof als volgt. Het hof constateert dat het e-mailverkeer berichten tussen [gemachtigde] , de gemachtigde van belanghebbende, en de inspecteur betreft. De inhoud van de betreffende emails mogen bij [gemachtigde] en (via toerekening aan) belanghebbende derhalve als bekend worden verondersteld. Verder neemt het hof in aanmerking dat de inspecteur het emailverkeer heeft ingebracht ter betwisting van een door belanghebbende in de op 22 september 2025 ingezonden pleitnota nieuw ingenomen stelling, namelijk dat het rapport Reiser niet door belanghebbende maar door de FIOD is verstrekt. Er was voor de inspecteur derhalve geen aanleiding het stuk eerder in het geding te brengen. Gelet op deze gang van zaken is het hof van oordeel dat de inspecteur een belang heeft bij het overleggen van de stukken en dat belanghebbende voldoende gelegenheid heeft gehad op de stukken te reageren, nu deze stukken bij belanghebbende bekend mogen worden verondersteld. Het hof is dan ook van oordeel dat het belang van een goede procesorde zich niet verzet tegen overlegging van het emailverkeer door de inspecteur.
Met betrekking tot het verzoek van belanghebbende (zie 4.0.2) overweegt het hof als volgt. Belanghebbende heeft tijdens de zitting een voor hem relevante passage uit document [nummer 8] aangehaald (zie 2.33). De inspecteur heeft ter zitting verklaard dat hij het document niet kent, maar dat hij de door belanghebbende aangehaalde inhoud van het document niet in twijfel trekt indien het hof dat ook niet doet. Het hof heeft geen reden om aan de door belanghebbende geschetste inhoud van het document te twijfelen. Belanghebbende heeft er in zoverre geen belang bij het document alsnog over te leggen. Omdat belanghebbende slechts een passage uit document [nummer 8] heeft aangehaald, kan het alsnog overleggen van het integrale document, waarvan niet duidelijk is gemaakt welk doel dit in deze procedure zou dienen, leiden tot een vertraging in de behandeling van de zaak. Er zijn geen aanwijzingen dat belanghebbende niet in een eerder stadium van de procedure in staat was document [nummer 8] over te leggen. Het hof is van oordeel dat het belang van een doelmatige procesgang in dit geval zwaarder weegt dan het alsnog overleggen van het integrale document [nummer 8] . Het bewijsaanbod van belanghebbende is derhalve tardief. Het hof heeft derhalve geen reden om op het voorlopig oordeel terug te komen.
Getuigen
Belanghebbende heeft vóór de regiezitting een getuigenaanbod gedaan. Hij heeft bij bericht van 28 februari 2025 aangekondigd 27 personen als getuige en drie personen als deskundige op te roepen. Het hof heeft vervolgens op 6 juni 2025 in de uitnodiging voor de zittingen van 25 en 26 september 2025 meegedeeld dat het gelegenheid biedt tot uitvoering van dat aanbod.
Belanghebbende heeft [getuige 7] , werkzaam bij de FIOD, als getuige opgeroepen voor de zittingen van 25 en 26 september 2025. Het hof constateert dat belanghebbende daarbij heeft voldaan aan de voorschriften van artikel 8:60, lid 4, Awb. In het deurwaardersexploot en in de aangetekende brief is vermeld dat [getuige 7] wordt opgeroepen om een getuigenis af te leggen over de tijdens de doorzoeking op 10 oktober 2017 in het bedrijfspand aangetroffen digitale en fysieke administratie van [bedrijf 7] en de stempel en administratie van [bedrijf 8] . De advocaat van [getuige 7] heeft op 17 september 2025 aan het hof en belanghebbende bericht dat [getuige 7] op beide zittingsdagen is verhinderd. [getuige 7] is op beide zittingen niet verschenen. Ter zitting van 25 september 2025 heeft belanghebbende het hof verzocht [getuige 7] als getuige op te roepen.
Het hof wijst het verzoek tot het horen van [getuige 7] als getuige af, omdat het horen van deze persoon in het kader van de op het hof rustende taak niet zinvol voorkomt. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de feiten en omstandigheden ten aanzien waarvan [getuige 7] zal worden bevraagd (zie 4.0.7) niet bijdragen aan de beslissing van de zaak. De inspecteur heeft immers ter zitting van 25 september 2025 verklaard dat niet langer in geschil is dat de stempel van [bedrijf 8] en die van [bedrijf 7] op 10 oktober 2017 zijn aangetroffen in de handtas van belanghebbende (zie 2.24). Wat betreft de administratie van [bedrijf 7] en [bedrijf 8] heeft het hof om tot zijn beslissing te komen, zoals hierna zal blijken, niet meegewogen of er administratie van [bedrijf 7] en [bedrijf 8] in het bedrijfspand is aangetroffen, of die digitaal of fysiek was en in hoeverre die administratie volledig was.
Ter zitting van 25 september 2025 zijn twee personen als getuige gehoord en ter zitting van 26 september 2025 zijn vier personen als getuige gehoord (zie 1.20 respectievelijk 1.23). Voor zover belanghebbende het verzoek tot het horen van de overige 22 personen als getuige en drie personen als deskundige gestand doet, wijst het hof dat verzoek af. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat belanghebbende bij het oproepen van deze getuigen en deskundigen zelf niet heeft voldaan aan de voorschriften van artikel 8:60, lid 4, Awb. Hij heeft deze personen immers niet bij aangetekende brief of deurwaardersexploit opgeroepen danwel meegebracht. Bovendien heeft belanghebbende op de regiezitting verklaard dat het horen van [naam 11] als getuige niet (meer) nodig is. Ook ziet het hof ambtshalve geen aanleiding deze personen als getuigen op te roepen.
Tussenbeslissingen
Belanghebbende verzoekt om tussenbeslissingen met betrekking tot de omvang van het dossier, meer in het bijzonder ten aanzien van het uitsluiten van een aantal stukken. Dit verzoek wordt afgewezen. Het strookt niet met het stelsel van de Awb de bestuursrechter gehouden te achten een tussenbeslissing te geven omtrent de bewijslastverdeling, of omtrent de waardering van het tot dan toe bijgebrachte bewijs.
Ten aanzien van het geschil
a. Vooringenomenheid van de rechtbank
Belanghebbende stelt dat de rechtbank de uitspraak heeft gebaseerd op de strafzaak en de zaak niet op haar eigen fiscale merites heeft beoordeeld, waardoor diens onafhankelijkheid in het gedrang is gekomen. Belanghebbende verbindt hieraan de conclusie dat de uitspraak van de rechtbank om die reden moet worden vernietigd.
Het is het hof niet gebleken dat de rechtbank partijdig is geweest. Het dossier, noch het proces-verbaal van de zitting of de uitspraak van de rechtbank geven daarvan blijk. De omstandigheid dat de rechtbank, al dan niet in lijn met het vonnis van de strafrechter, (bewijs)oordelen heeft gegeven en procesbeslissingen heeft genomen die niet in het voordeel van belanghebbende zijn, leidt niet tot de conclusie dat de rechtbank vooringenomen is geweest. Het is het hof ook niet gebleken dat de rechtbank beginselen van goede procesorde heeft geschonden.
b. Recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer
Belanghebbende stelt dat de inspecteur heeft gehandeld in strijd met het recht op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer. In proces-verbaal [nummer 1] (zie 2.28) is informatie over de levensloop van belanghebbende en [naam 1] en hun persoonlijke verwevenheid vermeld. Volgens belanghebbende is noch zijn persoonlijke leven noch de vermeende persoonlijke verwevenheid van belang voor een juiste en doelmatige uitvoering van de belastingwet en dus ook niet voor de onderhavige zaak. Belanghebbende verbindt hieraan de conclusie dat proces-verbaal [nummer 1] deels buiten beschouwing moet blijven.
De inspecteur betwist dat hij de persoonlijke levenssfeer van belanghebbende heeft geschonden en stelt bovendien dat de betreffende informatie juist van belang is voor de beantwoording van de onderhavige geschilpunten.
Artikel 8 Europees Verdrag inzake de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) bepaalt dat geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van het recht van eenieder op respect voor zijn privéleven, dan voor zover bij wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.
Aan belanghebbende kan worden toegegeven dat het onderzoek naar zijn woonplaats en zijn economische betrekkingen in beginsel een inmenging in het recht van belanghebbende op respect voor zijn privéleven als bedoeld in artikel 8 EVRM oplevert. Een woonplaatsonderzoek brengt immers per definitie een veelal diepgaand onderzoek naar persoonlijke omstandigheden met zich, waarbij ook het persoonlijke leven van een belastingplichtige wordt onderzocht. Om te beoordelen of deze inmenging aan het gebruik van deze informatie in de weg staat, moet worden onderzocht of is voldaan aan de voorwaarden van artikel 8 EVRM die een inmenging kunnen rechtvaardigen. De eerste voorwaarde die artikel 8 EVRM stelt is dat de inmenging bij wet is voorzien. De inspecteur mag op grond van artikel 55 AWR het Openbaar Ministerie verzoeken om kopieën van de stukken en bevindingen uit het strafrechtelijk onderzoeksdossier, omdat deze van belang zouden kunnen zijn voor de belastingheffing. De wettelijke grondslag van de inmenging is derhalve gelegen in artikel 55 AWR. Daarnaast is er sprake van een legitiem doel als bedoeld in artikel 8, lid 2, EVRM; een maatregel waarmee wordt gewaarborgd dat belasting wordt betaald, is namelijk in de regel noodzakelijk in het belang van het economisch welzijn van het land. Hier doet zich geen uitzondering op de regel voor. Bovendien is het opvragen van de stukken en bevindingen uit het strafrechtelijk onderzoeksdossier proportioneel.
Gelet op het vorenstaande is er in de gegeven omstandigheden van een ongerechtvaardigde inbreuk op artikel 8 EVRM geen sprake.
c. Op de zaak betrekking hebbende stukken
Belanghebbende stelt dat de inspecteur niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd. Hij stelt dat hij de inspecteur meermaals heeft gevraagd om toezending van de door hem - in de persoon van [getuige 4] - geselecteerde posten (mutaties) ter zake van de rekening-courant tussen [bedrijf 4] en [bedrijf 7] in de jaren 2006 tot en met 2015 en dat hij deze gegevens nooit heeft verstrekt. Verder heeft belanghebbende ter zitting van 25 september 2025 gesteld dat hij niet weet welke op de zaak betrekking hebbende stukken verder ontbreken, omdat hij niet weet welke stukken de inspecteur van het Openbaar Ministerie heeft gekregen. Desgevraagd heeft hij ter zitting verklaard dat hij een aanknopingspunt voor zijn opvatting dat de inspecteur artikel 8:42 Awb heeft geschonden, ontleent aan het ontbreken van ontlastende stukken in het dossier.
De inspecteur heeft met betrekking tot de stukken betreffende de rekening-courant tussen [bedrijf 4] en [bedrijf 7] verwezen naar door hem in eerste aanleg overgelegde stukken en heeft in hoger beroep nog bijlage 68 overgelegd. Verder heeft de inspecteur verklaard dat hij niet over het integrale strafdossier beschikt, in ieder geval niet over de stukken die van buitenlandse autoriteiten zijn verkregen naar aanleiding van rechtshulpverzoeken, en dat hij enkel over de stukken uit het strafdossier beschikt die hem door het Openbaar Ministerie ter beschikking zijn gesteld. Desgevraagd heeft de inspecteur verklaard dat hij niet kan garanderen dat hij alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd, ondanks het feit dat hij tijdens enkele “veegrondes” heeft geverifieerd of hij alle stukken uit het strafdossier, voor zover hem dat ter beschikking staat, heeft overgelegd. De inspecteur heeft desgevraagd verklaard dat hij in ieder geval niet heeft geselecteerd uit een stuk en dat de stukken die zijn overgelegd, integraal zijn overgelegd.
Het hof acht aannemelijk dat de inspecteur alle stukken betreffende de rekening-courant tussen [bedrijf 4] en [bedrijf 7] heeft overgelegd. Met betrekking tot de stukken uit het strafdossier heeft het volgende te gelden. [getuige 4] heeft desgevraagd als getuige verklaard dat hij vlak voor zijn pensionering alle stukken heeft overgedragen aan zijn collega-inspecteur (zie 2.32), maar die collega heeft ter zitting verklaard dat hij niet kan garanderen dat alle stukken uit het strafdossier zijn overgelegd. Stukken die de inspecteur mogelijkerwijs niet heeft overgelegd, betreffen uitsluitend stukken uit het strafdossier. Belanghebbende heeft desgevraagd niet concreet aangegeven welke stukken uit het strafdossier ontbreken. Het hof acht van belang dat het gaat om stukken waarover belanghebbende zelf (ook) de beschikking heeft. Weliswaar ontslaat die omstandigheid de inspecteur er niet van de stukken zelf in te brengen. Maar indien het gaat om stukken die ontlastend zijn voor belanghebbende, mag ervan worden uitgegaan dat belanghebbende die stukken zelf zou hebben ingebracht. Belanghebbende heeft dergelijke stukken niet ingebracht. Het hof acht dus aannemelijk dat het strafdossier geen ontlastende stukken bevat. Daarvan uitgaande acht het hof aannemelijk dat alle op de zaak betrekking hebbende stukken zijn overgelegd.
d. Onrechtmatig verkregen bewijs
Belanghebbende stelt dat de inspecteur bewijs heeft ingebracht dat onrechtmatig is verkregen. In dat kader stelt hij (i) dat sprake is van strafrechtelijk onrechtmatig verkregen bewijs, (ii) dat het (indirecte) gebruik door de inspecteur van informatie en stukken die de Nederlandse autoriteiten hebben ontvangen van buitenlandse autoriteiten onrechtmatig is en (iii) dat het Openbaar Ministerie ten onrechte medewerking heeft verleend aan de verzoeken van de inspecteur op grond van artikel 55 AWR. Belanghebbende verbindt hieraan het rechtsgevolg dat het gebruik van de betreffende stukken in de onderhavige zaak niet is toegestaan.
i. Strafrechtelijk onrechtmatig verkregen bewijs
De stelling dat sprake is van strafrechtelijk onrechtmatig verkregen bewijs, is volgens belanghebbende meerderlei. Ten eerste was het Openbaar Ministerie niet bevoegd om vervolgingsmaatregelen in te stellen, omdat er geen redelijk vermoeden kan zijn ontstaan dat belanghebbende, [naam 1] , [bedrijf 8] en [bedrijf 4] zich vermoedelijk schuldig hebben gemaakt aan het begaan van strafbare feiten. Ten tweede zijn ten onrechte bepaalde opsporingsbevoegdheden jegens belanghebbende, [naam 1] , [bedrijf 8] en [bedrijf 4] gebruikt. Ten derde zijn opsporingsbevoegdheden jegens belanghebbende [naam 1] , [bedrijf 8] en [bedrijf 4] gebruikt, voordat zij als verdachten zijn aangemerkt. Ten vierde is de inval op 10 oktober 2017 verricht zonder dat daaraan voorafgaand een daartoe strekkend bevel is aangevraagd, laat staan dat een dergelijk bevel voorafgaand aan de inval is verkregen. Ten slotte heeft de inspecteur noch het Openbaar Ministerie de informatiebron van document [nummer 7] “ [naam 9] ” vastgesteld; omdat het document is gedrukt op blanco papier en geen naam of titel van de opsteller van het document bevat, is het stuk vals, aldus belanghebbende.
De Hoge Raad heeft een beoordelingskader gegeven voor het gebruik van strafrechtelijk onrechtmatig verkregen bewijsmiddelen in een belastingzaak:
“4.3.2 In het arrest van 1 juli 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC5028 (hierna: het arrest van 1 juli 1992), heeft de Hoge Raad, voor het geval sprake is van bewijsmiddelen die jegens de belanghebbende op strafrechtelijk onrechtmatige wijze zijn verkregen, als regel vooropgesteld dat die omstandigheid voor de inspecteur geen beletsel behoeft te zijn om van die bewijsmiddelen gebruik te maken. In een dergelijk geval zal met inachtneming van alle ter zake dienende omstandigheden nader moeten worden beoordeeld of de inspecteur handelt in strijd met enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, en meer in het bijzonder met het zorgvuldigheidsbeginsel, door ter vaststelling of ter ondersteuning van een belastingaanslag van dit strafrechtelijk onrechtmatig verkregen bewijsmateriaal gebruik te maken. Van strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur kan in het algemeen niet worden gesproken indien de inspecteur gebruik maakt van strafrechtelijk onrechtmatig verkregen bewijsmiddelen waarvan hij zonder wettelijke belemmering kennis had kunnen nemen, ook indien de onrechtmatige handelingen van de betrokken strafrechtelijke instantie(s) niet hadden plaatsgevonden. Het gebruik van zodanige bewijsmiddelen door de inspecteur is volgens het arrest van 1 juli 1992 slechts dan niet toegestaan indien zij zijn verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht.
In het arrest van 20 maart 2015 heeft de Hoge Raad, afgezien van gevallen waarin het recht van de belanghebbende op een behoorlijk proces op grond van artikel 6 EVRM noodzaakt tot bewijsuitsluiting, slechts in uitzonderlijke gevallen de mogelijkheid aanvaard dat in belastingzaken uitsluiting van strafrechtelijk onrechtmatig verkregen bewijs is geboden als rechtsstatelijke waarborg. Daarvoor geldt volgens dit arrest als maatstaf dat een belangrijk (strafvorderlijk) voorschrift of rechtsbeginsel in zo aanzienlijke mate is geschonden, dat de uitkomst van dat onderzoek ook in een belastingzaak van het bewijs dient te worden uitgesloten. Met betrekking tot deze maatstaf heeft de Hoge Raad in het arrest van 20 maart 2015 niet de formulering herhaald over ‘bewijsmiddelen waarvan de inspecteur zonder wettelijke belemmering kennis kan nemen’. De Hoge Raad heeft in dit arrest verder overwogen dat deze zeer terughoudende uitsluiting van strafrechtelijk onrechtmatig verkregen bewijs in belastingzaken, in gevallen waarin artikel 6 EVRM daartoe niet dwingt, op een adequate wijze tot uitdrukking komt in het zozeer-indruistcriterium uit het arrest van 1 juli 1992.
Gelet op het arrest van 20 maart 2015 is de Hoge Raad van oordeel dat bij de toepasselijkheid van het zozeer-indruistcriterium niet van belang is of het gaat om bewijsmiddelen waarvan de inspecteur zonder wettelijke belemmering kennis had kunnen nemen. Dat betekent dat in alle gevallen waarin de inspecteur gebruik wil maken van bewijsmiddelen die jegens de belanghebbende op strafrechtelijk onrechtmatige wijze zijn verkregen, het gebruik daarvan slechts dan niet is toegestaan indien (i) artikel 6 EVRM daartoe dwingt, of (ii) die bewijsmiddelen zijn verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht.”.
Naar het oordeel van het hof bieden de stukken van het geding, in het bijzonder de stukken van het strafdossier en het vonnis van de strafrechter, geen aanknopingspunten voor het oordeel dat sprake is van strafrechtelijk onrechtmatig verkregen bewijs en - zo ja - dat sprake is van bewijsmiddelen die zijn verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht. Met dat wat belanghebbende stelt (zie 4.4.2) heeft hij in dat verband geen, althans onvoldoende, twijfel gezaaid over de juistheid van het vonnis van de strafrechter, waardoor aan dat vonnis - in zoverre - zou moeten worden getwijfeld.
Met betrekking tot document [nummer 7] “ [naam 9] ” constateert het hof dat de inspecteur, in tegenstelling tot belanghebbende, dat document niet in het geding heeft gebracht. Wel heeft de inspecteur proces-verbaal [nummer 6] overgelegd en wordt in dat proces-verbaal verwezen naar en geciteerd uit document [nummer 7] “ [naam 9] ”. [getuige 5] , die proces-verbaal [nummer 6] heeft opgemaakt, heeft ter zitting van het hof van 26 september 2025 als getuige verklaard dat hij zich niet kan herinneren of hij heeft geverifieerd of de herkomst van document [nummer 7] “ [naam 9] ” verifieerbaar is (zie 2.33) Het hof constateert dat de herkomst van het document niet kan worden vastgesteld. Het hof gaat er met betrekking tot dit document daarom veronderstellenderwijs van uit dat sprake is van strafrechtelijk onrechtmatig verkregen bewijs. Het hof is echter van oordeel dat geen sprake is van een bewijsmiddel dat is verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht.
Belanghebbende betoogt in zijn pleitnota dat de inspecteur het rapport Reiser op onrechtmatige wijze van het OM zou hebben verkregen. Het hof verwerpt dit betoog. Uit de door de inspecteur ter zitting overgelegde e-mails volgt namelijk dat de gemachtigde van belanghebbende dit rapport in de bezwaarfase aan de inspecteur heeft toegezonden. Verder duidt ook het uiterlijk van het rapport, te weten stempels van de FIOD ontbreken, niet erop dat dit door het OM aan de inspecteur zou zijn verstrekt.
ii. Gebruik van informatie en stukken naar aanleiding van rechtshulpverzoeken
Belanghebbende stelt dat de Nederlandse opsporingsautoriteiten naar aanleiding van een rechtshulpverzoek informatie dan wel stukken hebben verkregen van de autoriteiten van Hong Kong, Taiwan, de Filipijnen en Duitsland (hierna: de buitenlandse autoriteiten) en dat deze buitenlandse autoriteiten het voorbehoud hebben gemaakt dat de informatie en stukken uitsluitend worden verstrekt voor strafvorderlijke doeleinden. Belanghebbende stelt dat de inspecteur van die informatie op indirecte wijze kennis heeft gekregen door dat wat in het vonnis van de strafrechter en in processen-verbaal in het strafdossier is vermeld. Volgens belanghebbende heeft de inspecteur van die informatie gebruik gemaakt in de onderhavige belastingzaak en is dat gebruik onrechtmatig.
Niet in geschil is dat de buitenlandse autoriteiten informatie dan wel stukken hebben verstrekt aan de Nederlandse opsporingsautoriteiten en dat zij daarbij het voorbehoud hebben gemaakt dat die informatie dan wel stukken uitsluitend mogen worden gebruikt voor het strafrechtelijk onderzoek. Niet in geschil is dat de inspecteur niet beschikt over die stukken en dat de inspecteur die stukken dus ook niet in het geding heeft gebracht. Niettemin heeft de inspecteur wel informatie uit die stukken kunnen herleiden uit processen-verbaal uit het strafdossier en uit het vonnis van de strafrechter. De inspecteur heeft die informatie in de onderhavige belastingzaak gebruikt ter onderbouwing van zijn standpunten. De inspecteur heeft aldus op indirecte wijze gebruik gemaakt van de door de Nederlandse opsporingsautoriteiten van de buitenlandse autoriteiten verkregen informatie en stukken. Het hof is van oordeel dat het door de inspecteur op indirecte wijze gebruik maken van die informatie niet in strijd is met de goede verdragstrouw, een goede procesorde en wat van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht. Het is de inspecteur dus toegestaan op voormelde indirecte wijze gebruik te maken van de door de Nederlandse opsporingsautoriteiten van de buitenlandse autoriteiten verkregen informatie en stukken.
Ten aanzien van het document [nummer 7] “ [naam 9] ” herhaalt het hof dat de herkomst ervan niet is komen vast te staan (zie 4.4.5). Voor zover dit document door buitenlandse autoriteiten is verstrekt onder het voorbehoud dat het uitsluitend mag worden gebruikt voor het strafrechtelijk onderzoek, heeft het volgende te gelden. Geen rechtsregel verhindert het hof kennis te nemen van dat document dat door belanghebbende zelf aan het hof is toegezonden. Overigens heeft het hof aan dat document geen belang toegekend.
iii. Artikel 55 AWR
Belanghebbende stelt dat het Openbaar Ministerie ten onrechte medewerking heeft verleend aan de verzoeken van de inspecteur op grond van artikel 55 AWR, omdat belanghebbende op dat moment nog geen verdachte was. Belanghebbende verliest daarbij uit het oog dat voor toepassing van deze bepaling niet relevant is of de belastingplichtige al dan niet verdachte is. Voorwaarde voor toepassing van artikel 55 AWR is dat de gegevens en inlichtingen worden verschaft ter uitvoering van de belastingwet. Daarvan is in het onderhavige geval sprake.
e. Binnenlandse belastingplicht
De inspecteur stelt dat belanghebbende in 2015 in Nederland woonde en heeft belanghebbende daarom uitgenodigd om als binnenlands belastingplichtige aangifte IB/PVV 2015 te doen (zie 2.17). Belanghebbende betwist dat hij in 2015 in Nederland woonde en in Nederland binnenlands belastingplicht is.
Binnenlands belastingplichtige voor de IB zijn de natuurlijke personen die in Nederland wonen. Waar iemand woont, wordt naar de omstandigheden beoordeeld. Hierbij moet acht worden geslagen op alle in aanmerking komende omstandigheden van het geval en komt het erop aan of deze omstandigheden van dien aard zijn dat een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen belanghebbende en Nederland. Die duurzame band met Nederland hoeft niet sterker te zijn dan de band met enig ander land, zodat voor een woonplaats hier te lande niet noodzakelijk is dat het middelpunt van iemands maatschappelijk leven zich in Nederland bevindt.
De bewijslast dat belanghebbende in 2015 in Nederland woonde, rust op de inspecteur. Het is immers de inspecteur die stelt dat het inkomen van belanghebbende, vanwege zijn woonplaats in Nederland, en dus ongeacht de hoedanigheid waarin dat inkomen is genoten, volledig belastbaar is in Nederland.
Het hof acht aannemelijk dat belanghebbende in 2015 een duurzame band van persoonlijke aard had met Nederland. Het hof acht daarbij van belang dat belanghebbende de Nederlandse nationaliteit heeft (zie 2.1), dat hij contact heeft met één zus die in Nederland woont en die hij één à twee keer per jaar bezoekt (zie 2.25) en dat één van zijn kinderen in Nederland woont, zoals belanghebbende tijdens de zitting van 25 september 2025 heeft verklaard. Verder is van belang dat belanghebbende zelf heeft verklaard dat hij rond de zomermaanden 30 dagen in Nederland verbleef en dat hij vier à vijf nachten in [plaats 1] overnachtte (zie 2.25); het hof heeft geen reden om aan te nemen dat deze verklaring niet voor 2015 te gelden zou hebben. Verder heeft [getuige 1] in 2017 verklaard dat belanghebbende en [naam 1] , met uitzondering van de wintermaanden, van maandag tot en met donderdag in [plaats 1] zijn (zie 2.27). Weliswaar heeft [getuige 1] ter zitting van het hof verklaard dat belanghebbende en [naam 1] niet altijd samen waren (zie 2.27), maar het hof acht vanwege het tijdsverloop de in 2017 afgelegde verklaring betrouwbaarder. Bovendien acht het hof van belang dat [naam 1] heeft verklaard dat de zich in het bedrijfspand bevindende verblijfsruimte met een zit-, slaap- en badkamer, al door de vorige eigenaar als zodanig was ingericht (zie 2.9). De inspecteur stelt dat uit een factuur van 19 november 2014 van [bedrijf 12] bv aan [bedrijf 4] volgt dat in 2014 ruim € 33.000 is gespendeerd aan de badkamer en sanitaire voorzieningen in het bedrijfspand en dat [bedrijf 4] deze factuur zakelijk heeft geboekt. Belanghebbende heeft hiertegen ingebracht dat de op de factuur vermelde producten zijn aangekocht ten behoeve van de verbouw van de twee appartementen op de Filipijnen (zie 2.10) en dat deze in verband daarmee zijn verscheept van [plaats 10] naar [plaats 7] ; belanghebbende heeft ter onderbouwing een aan hem gerichte factuur van 11 augustus 2015 van [bedrijf 4] overgelegd. Het hof heeft geen aansluiting kunnen vinden tussen beide facturen. Het hof acht daarom aannemelijk dat in 2014 of begin 2015 is geïnvesteerd in de badkamer in het bedrijfspand. Gelet op het voorgaande acht het hof aannemelijk dat belanghebbende, in 2015 houder van alle aandelen in [bedrijf 5] (eigenaar van het bedrijfspand; zie 2.8 en 2.9) en in [bedrijf 4] (gebruiker van het bedrijfspand; zie 2.7 en 2.9) in 2015 in Nederland duurzaam een woning ter beschikking had in het bedrijfspand en aldaar gedurende enkele dagen in de maanden maart/april tot en met augustus/september verbleef.
Aan het voorgaande doet niet af dat belanghebbende in 2015 ook gebruik maakte van een woning in Duitsland (zie 2.11) en een appartement op de Filipijnen (zie 2.10) en dat hij daar ook regelmatig verbleef. Zelfs indien het hof er veronderstellenderwijs van zou uitgaan dat belanghebbende in 2015 langer in Duitsland of op de Filipijnen zou verblijven dan in Nederland, leidt dat op zichzelf niet tot de conclusie dat hij in 2015 niet naar nationaal recht in Nederland woonde. De duurzame band met Nederland hoeft immers niet sterker te zijn dan de band met een ander land, zodat voor een woonplaats in Nederland niet noodzakelijk is dat het middelpunt van belanghebbendes maatschappelijk leven zich in Nederland bevindt (zie 4.5.2).
Naast het duurzaam in Nederland een woning ter beschikking hebben en het aldaar ook in niet geringe mate verblijven wordt de duurzame band van persoonlijke aard met Nederland ook gevormd door andere feiten en omstandigheden. Het hof verwijst in dit verband naar onderdeel 4.6.5. Hetgeen belanghebbende hiertegen heeft ingebracht acht het hof onvoldoende voor een ander oordeel.
Nu het hof van oordeel is dat belanghebbende in 2015 een duurzame band van persoonlijke aard had met Nederland, moet worden geoordeeld dat belanghebbende in 2015 naar nationaal recht in Nederland woonde. Op basis van nationaal recht is belanghebbende dus binnenlands belastingplichtig. Uit dien hoofde is hij belastbaar naar het wereldinkomen.
f. Verdragstoepassing
Vervolgens moet worden beoordeeld of belanghebbende ook op grond van door Nederland gesloten belastingverdragen als inwoner van Nederland dient te worden aangemerkt. Belanghebbende stelt in dat kader inwoner te zijn van de Filipijnen of anders Duitsland.
Belastingverdrag Nederland-Filipijnen
In het belastingverdrag Nederland-Filipijnen is in artikel 4 het volgende overeengekomen:
“1. Voor de toepassing van deze Overeenkomst betekent de uitdrukking „inwoner van een van de Staten” iedere persoon die, ingevolge de wetgeving van die Staat, aldaar aan belasting is onderworpen op grond van zijn woonplaats, verblijf, plaats van leiding of enige andere soortgelijke omstandigheid.
2. Voor de toepassing van deze Overeenkomst wordt een natuurlijke persoon die deel uitmaakt van een diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging van een van de Staten in de andere Staat of in een derde Staat en die onderdaan is van de zendstaat, geacht inwoner van de zendstaat te zijn.
3. Indien een natuurlijke persoon ingevolge de bepalingen van het eerste lid inwoner van beide Staten is, gelden voor een zodanig geval de volgende regels:
a) hij wordt geacht inwoner te zijn van de Staat waarin hij een duurzaam tehuis tot zijn beschikking heeft. Indien hij in beide Staten een duurzaam tehuis tot zijn beschikking heeft, wordt hij geacht inwoner te zijn van de Staat waarmede de persoonlijke en economische betrekkingen het nauwst zijn (middelpunt van de levensbelangen);
b) indien niet kan worden bepaald in welke Staat hij het middelpunt van zijn levensbelangen heeft, of indien hij in geen van de Staten een duurzaam tehuis tot zijn beschikking heeft, wordt hij geacht inwoner te zijn van de Staat waarin hij gewoonlijk verblijft;
c) indien hij in beide Staten of in geen van beide gewoonlijk verblijft, wordt hij geacht inwoner te zijn van de Staat waarvan hij onderdaan is;
d) indien hij onderdaan is van beide Staten of van geen van beide, regelen de bevoegde autoriteiten van de Staten de aangelegenheid in onderlinge overeenstemming.
3. Indien een andere dan een natuurlijke persoon ingevolge de bepalingen van het eerste lid inwoner van beide Staten is, stellen de bevoegde autoriteiten in onderling overleg vast van welke Staat die persoon geacht wordt inwoner te zijn.”.
Het hof gaat er veronderstellenderwijs van uit dat belanghebbende door de Filipijnen wordt aangemerkt als inwoner van de Filipijnen en dat hij op de Filipijnen als zodanig is onderworpen aan een belasting naar het inkomen. In dat geval is belanghebbende voor de toepassing van het belastingverdrag Nederland-Filipijnen inwoner van zowel Nederland als de Filipijnen.
Belanghebbende heeft in 2015 zowel in Nederland als op de Filipijnen een duurzaam tehuis tot zijn beschikking (zie 4.5.4 respectievelijk 2.10), zodat het hebben van een tehuis in één van de staten niet de doorslag kan geven. Het hof dient dan te toetsen met welke staat belanghebbende in 2015 nauwere persoonlijke en economische betrekkingen heeft en in welke staat het middelpunt van zijn levensbelangen is gelegen.
Het hof stelt vast dat belanghebbende uitsluitend de Nederlandse nationaliteit heeft (zie 2.1). Belanghebbende heeft ter zitting van het hof van 25 september 2025 verklaard dat één kind in Nederland woont en dat er geen kinderen op de Filipijnen wonen en dat hij een zus in Nederland heeft die hij één à twee keer per jaar bezoekt (zie 4.5.4).
Het hof stelt vast dat belanghebbende in 2015 middellijk houder was van alle aandelen [bedrijf 4] en [bedrijf 5] , dat beide vennootschappen in Nederland zijn gevestigd en dat de vennootschappen gebruiker respectievelijk eigenaar zijn van het bedrijfspand waarin belanghebbende in 2015 enkele dagen per jaar verbleef (zie 2.7, 2.8 en 2.9). Verder was belanghebbende in 2015, al dan niet met [naam 1] , bestuurder van [bedrijf 8] , die weliswaar statutair in Hong Kong was gevestigd, maar die in Nederland grote geldbedragen uitleent aan (rechts)personen in met name Nederland (zie 2.14).
Het hof acht ook van belang dat belanghebbende - waar dan ook ter wereld - werkzaamheden heeft verricht voor de in Nederland gevestigde [bedrijf 4] en neemt daarbij het volgende in aanmerking. [naam 1] heeft verklaard dat in de administratie van [bedrijf 4] in de jaren 2005 tot en met 2015 107 transacties met [bedrijf 7] zijn verwerkt. Deze transacties betreffen ABC-transacties, waarbij A staat voor [bedrijf 4] , B voor [bedrijf 7] en C voor de uiteindelijke afnemers. Niet in geschil is dat [bedrijf 4] in de jaren 2005 tot en met 2015 geen goederen rechtstreeks fysiek aan [bedrijf 7] heeft verzonden en dat [bedrijf 4] de goederen betreffende die 107 transacties rechtstreeks fysiek naar de uiteindelijke afnemers heeft verzonden. [naam 1] heeft ter zitting van het hof van 25 september 2025 verklaard dat de uiteindelijke afnemers meestal klanten van belanghebbende waren. De inspecteur heeft aannemelijk gemaakt dat belanghebbende, gelet op de specifieke handel, naar buiten toe “het gezicht” van [bedrijf 4] is (zie 2.26). De uiteindelijke afnemers verrichten (economisch) derhalve een transactie met belanghebbende, als vertegenwoordiger van [bedrijf 4] . De door de uiteindelijke afnemers ter zake van die transacties verrichte betalingen aan [bedrijf 7] komen economisch bezien derhalve toe aan de in Nederland gevestigde [bedrijf 4] . Het dossier biedt geen enkel aanknopingspunt voor de veronderstelling dat deze handelwijze in 2015 anders was. De stelling van belanghebbende en [naam 1] ter zitting van het hof, dat [bedrijf 4] en [bedrijf 7] twee afzonderlijke entiteiten zijn die at arm’s length zaken met elkaar doen, acht het hof niet aannemelijk.
Dat belanghebbende in 2015 op de Filipijnen niet alleen beschikte over drie appartementen, maar ook over een auto, een bankrekening en een telefoon- en internetabonnement en dat hij aldaar gebruik maakte van de gezondheidszorg (zie 2.10), acht het hof van ondergeschikt belang ten opzichte van de betrekkingen die belanghebbende met Nederland had.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is het hof van oordeel dat het middelpunt van de levensbelangen van belanghebbende in 2015 niet op de Filipijnen maar in Nederland is gelegen. Belanghebbende is dus in 2015 op grond van de belastingverdrag Nederland-Filipijnen alleen inwoner van Nederland.
Belastingverdrag Nederland-Duitsland
Voor het geval het hof van oordeel is dat belanghebbende geen inwoner is van de Filipijnen, stelt belanghebbende dat hij inwoner is van Duitsland.
Het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen van 12 april 2012 is in werking getreden op 1 december 2015 en is ingevolge artikel 33, lid 2, van dat verdrag in Nederland van toepassing voor belastingjaren en -tijdvakken beginnend op of na 1 januari van het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarin het verdrag in werking is getreden. Dit belastingverdrag is dus voor de beoordeling van de aanslag IB/PVV 2015 niet van toepassing.
In het belastingverdrag Nederland-Duitsland (oud) is in artikel 3 het volgende bepaald:
“1. Voor de toepassing van deze Overeenkomst heeft een natuurlijk persoon een woonplaats in die Staat, waar hij een woning heeft onder omstandigheden, waaruit valt af te leiden, dat hij de woning zal blijven houden en gebruiken.
2. Indien een natuurlijk persoon in geen van de Staten een woning onder de in het eerste lid bedoelde omstandigheden heeft, maar in een van de Staten gewoonlijk verblijft, wordt voor de toepassing van deze Overeenkomst het gewoonlijk verblijven als woonplaats beschouwd. Iemand verblijft gewoonlijk in een Staat, indien hij daar verblijft onder omstandigheden, waaruit valt af te leiden, dat hij in deze Staat niet slechts tijdelijk vertoeft.
3. Indien een natuurlijk persoon volgens de voorgaande leden zijn woonplaats in beide Staten heeft, heeft hij voor de toepassing van de artikelen 4 tot en met 19 van deze Overeenkomst zijn woonplaats in die Staat, waarmede de persoonlijke en economische betrekkingen het sterkst zijn (middelpunt van de levensbelangen). Indien het niet mogelijk is het middelpunt van de levensbelangen vast te stellen, zullen de hoogste belastingautoriteiten van de Staten overeenkomstig artikel 25 in onderlinge overeenstemming een regeling treffen.”.
Belanghebbende heeft in 2015 zowel in Nederland als in Duitsland een woning ter beschikking (zie 4.5.4 respectievelijk 2.11), zodat het hebben van een woning in één van de staten niet de doorslag kan geven. Het hof dient dan te toetsen met welke staat belanghebbende in 2015 nauwere persoonlijke en economische betrekkingen heeft.
Het hof stelt vast dat belanghebbende uitsluitend de Nederlandse nationaliteit heeft (zie 2.1). Belanghebbende heeft ter zitting van het hof van 25 september 2025 verklaard dat één kind in Nederland woont en één kind in Duitsland. Voor wat betreft de betrekkingen die belanghebbende in 2015 met Nederland onderhield, verwijst het hof naar 4.6.5. De omstandigheid dat belanghebbende in Duitsland een ziektekosten- en begrafenis verzekering had en aldaar gebruik maakte van gezondheidszorg acht het hof van ondergeschikt belang ten opzichte van de betrekkingen die belanghebbende met Nederland had.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is het hof van oordeel dat het middelpunt van de levensbelangen van belanghebbende in 2015 niet in Duitsland maar in Nederland is gelegen. Belanghebbende is dus in 2015 op grond van het belastingverdrag Nederland-Duitsland (oud) alleen inwoner van Nederland.
Gelet op het vorenstaande is belanghebbende in 2015 naar nationaal recht binnenlands belastingplichtig in Nederland en staan het belastingverdrag Nederland-Filipijnen en het belastingverdrag Nederland-Duitsland (oud) daaraan niet in de weg. De inspecteur heeft belanghebbende derhalve terecht uitgenodigd om aangifte IB/PVV 2015 te doen als binnenlands belastingplichtige (zie 2.17).
g. Buitenlandse belastingplicht
Gelet op de bevestigende beantwoording van vraag e behoeft vraag g geen beantwoording.
h. Vereiste aangifte, omkering en verzwaring van de bewijslast
De inspecteur stelt dat belanghebbende niet de vereiste aangifte heeft gedaan.
Volgens vaste jurisprudentie geldt dat bij inhoudelijke gebreken in een aangifte slechts dan kan worden aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan, indien aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Tevens is vereist dat het bedrag van de belasting dat als gevolg van de hiervoor bedoelde gebreken in de aangifte niet zou zijn geheven, op zichzelf beschouwd aanzienlijk is. Inhoudelijke gebreken in de aangifte worden slechts in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan belasting niet zou worden geheven.
Vaststaat dat belanghebbende een nihilaangifte heeft ingediend. De inspecteur stelt dat de werkelijk verschuldigde belasting aanzienlijk is. Verder stelt de inspecteur dat belanghebbende actief bezig was met de vraag of hij ergens (geen) belasting hoefde te betalen en aldus over voldoende fiscaal bewustzijn beschikte.
Naar het oordeel van het hof heeft de inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat belanghebbende, uitgenodigd tot het doen van aangifte IB/PVV 2015 als binnenlands belastingplichtige, ten tijde van het doen van die aangifte, wist of zich ervan bewust moest zijn dat een (aanzienlijk) bedrag aan belasting niet zou worden geheven. Belanghebbende verbleef in 2015 niet alleen in Nederland, maar ook onder meer op de Filipijnen en in Duitsland. Gelet op het overnachtingspatroon, waarbij belanghebbende in grote lijnen in de periode van maart/april tot augustus/september in zowel Nederland als Duitsland verbleef en in de periode van augustus/september tot maart/april op de Filipijnen, is de fysieke aanwezigheid van belanghebbende in Nederland in 2015 niet prominenter dan in de andere landen. Daarom kon belanghebbende, die op fiscaal gebied een leek is, naar het oordeel van het hof menen dat hij niet in Nederland binnenlands belastingplichtig was en dat hij in Nederland niet zijn wereldinkomen hoefde aan te geven. Dat met name economische banden met Nederland de doorslag geven dat belanghebbende zowel naar nationaal recht als in het kader van verdragstoepassing in Nederland woont, kan belanghebbende niet worden tegengeworpen bij de beoordeling van de vraag of belanghebbende al dan niet de vereiste aangifte heeft gedaan.
Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat de inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende niet de vereiste aangifte heeft gedaan. De inspecteur dient aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast aannemelijk te maken dat de aanslag niet tot een te hoog bedrag is vastgesteld.
i en j. De hoogte van de aanslag
De inspecteur heeft de aanslag IB/PVV 2015 vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 50.000 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 480.000 (zie 2.20). Wat betreft het inkomen uit werk en woning is hij er daarbij van uitgegaan dat een loon uit dienstbetrekking bij, onder meer, [bedrijf 4] (zie 2.19) in aanmerking dient te worden genomen. Wat betreft de hoogte van het inkomen uit sparen en beleggen heeft hij zich gebaseerd op het rapport Reiser (zie 2.25).
Wat betreft het inkomen uit werk en woning stelt de inspecteur in hoger beroep dat belanghebbende werkzaamheden heeft verricht voor [bedrijf 4] en dat hij voor die werkzaamheden door [bedrijf 4] is beloond. Voor wat betreft de hoogte van die beloning heeft de inspecteur aansluiting gezocht bij twee in 2015 gedane stortingen op de gezamenlijke bankrekening van belanghebbende en [naam 1] in Hong Kong, te weten $ 84.856,25 (€ 78.025) op 24 april 2015 en $ 84.213 (€ 74.570) op 16 september 2015. Volgens de inspecteur zijn deze bedragen onttrokken aan [bedrijf 4] en is het aan belanghebbende toerekenbare gedeelte van die bedragen (de helft) aan belanghebbende ten goede gekomen. Aldus heeft belanghebbende een beloning ontvangen voor werkzaamheden die hij heeft verricht voor [bedrijf 4] ten bedrage van de helft van € 152.595, ofwel € 76.297. Primair stelt de inspecteur dat sprake is van loon uit dienstbetrekking en subsidiair dat sprake is van resultaat uit overige werkzaamheden.
Het hof is van oordeel dat de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende werkzaamheden heeft verricht voor [bedrijf 4] (zie 2.26 en 4.6.5). Belanghebbende bepaalde voor [bedrijf 4] immers de in- en verkoopprijs en deed soms de inkoop voor [bedrijf 4] (zie 2.26). Verder verwijst het hof naar dat wat belanghebbende ter zitting van de strafrechter heeft verklaard, namelijk dat er feitelijk niets in zijn werkzaamheden veranderde na de oprichting van [bedrijf 7] . Hij bleef actief in de surplushandel, de handel in legeronderdelen, zoals hij dat ook al deed vóór de oprichting van [bedrijf 7] , samen met [naam 1] vanuit [bedrijf 4] . Het hof acht niet aannemelijk dat belanghebbende in een dienstbetrekking tot [bedrijf 4] stond, omdat niet aannemelijk is dat sprake is van een gezagsverhouding tussen belanghebbende enerzijds en [bedrijf 4] en [naam 1] anderzijds. Het hof acht aannemelijk dat sprake is van resultaat uit overige werkzaamheden en dat dat resultaat € 76.297 bedraagt (zie 2.29).
Gelet op het vorenstaande is het in de aanslag begrepen belastbare inkomen uit werk en woning van € 50.000 te laag vastgesteld.
Wat betref het in de aanslag begrepen belastbare inkomen uit sparen en beleggen heeft de inspecteur zich gebaseerd op het rapport Reiser. Uit dat rapport volgt een door belanghebbende gegenereerd vermogen van € 12.948.446. Dit bedrag is door Reiser, in opdracht van [naam 1] , berekend door een startkapitaal van € 1.600.000 in 1978 op te renten. Deze berekeningen en de uitkomsten van het rapport zijn echter met veel onduidelijkheden en onzekerheden omgeven. Het hof is van oordeel dat de inspecteur, op basis van alleen dit rapport, niet aannemelijk heeft gemaakt dat het inkomen uit sparen en beleggen € 480.000 bedraagt. De inspecteur heeft geen subsidiair standpunt ingenomen met betrekking tot het belastbare inkomen uit sparen en beleggen.
Belanghebbende heeft in eerste aanleg zelf verklaard dat het vermogen van [naam 1] in 2015 wordt geschat op € 18.000.000 en dat daarvan € 6.000.000 dient te worden toegerekend aan belanghebbende, zodat het vermogen van belanghebbende in 2015 zou kunnen worden vastgesteld op maximaal € 6.000.000. Het hof stelt de bezittingen op basis van deze door hem zelf gegeven verklaring vast op € 6.000.000. De rendementsgrondslag bedraagt dan, rekening houdend met een heffingvrij vermogen van € 21.330, € 5.978.670. Het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen bedraagt daarmee € 239.146.
Het in de aanslag begrepen belastbare inkomen uit sparen en beleggen is in zoverre tot een te hoog bedrag vastgesteld.
k. Vertrouwensbeginsel
Belanghebbende stelt dat de inspecteur al in 2011 wist dat hij gedurende enkele nachten per week in het bedrijfspand overnachtte. Belanghebbende stelt dat de feiten en omstandigheden in 2015 niet, althans niet op relevante punten, anders waren dan in 2011. Naar het hof belanghebbende begrijpt, ontleent hij aan de omstandigheid dat de inspecteur hem niet heeft uitgenodigd tot het doen van aangifte IB/PVV 2011 tot en met 2014 het vertrouwen dat hij ook voor 2015 niet in Nederland woonde en dat hij alhier niet belastingplichtig zou zijn.
De inspecteur stelt dat belanghebbende zich niet in rechte kan beroepen op het vertrouwensbeginsel.
Niet in geschil is dat de inspecteur in 2011 wist dat belanghebbende 30 à 40 dagen per jaar in Nederland verbleef en dat hij dan niet in Nederland overnachtte (zie 2.21). Het hof acht echter niet aannemelijk dat de inspecteur in 2011 wist dat zich in het bedrijfspand een verblijfsruimte met een zit-, slaap- en badkamer in het bedrijfspand bevond (zie 2.9) waar belanghebbende ook verbleef. [getuige 4] heeft ter zitting van 26 september 2026 immers als getuige verklaard dat hij in 2011 niet heeft gevraagd of zich in het bedrijfspand een slaapgelegenheid bevond (zie 2.32). Het hof acht niet aannemelijk dat [getuige 4] in strijd met de waarheid heeft verklaard, zoals belanghebbende ter zitting van 26 september 2025 stelt. Daarvoor is in het dossier immers geen enkel aanknopingspunt te vinden. Integendeel, die verklaring is in lijn met het consistente betoog van de inspecteur. Voor een succesvol beroep op het vertrouwensbeginsel is niet van belang of het de inspecteur verweten moet worden dat hij in 2011 heeft verzuimd door te vragen naar de overnachtingsmogelijkheden in het bedrijfspand. Belanghebbende wist zelf dat zich in het bedrijfspand een verblijfsruimte met een zit-, slaap- en badkamer bevond (zie 2.9) en dat hij daar ook verbleef. Onder deze omstandigheden kan belanghebbende zich niet met succes beroepen op het vertrouwensbeginsel.
l. Interne compensatie
De aanslag IB/PVV 2015 is vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 50.000 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 480.000 (zie 2.20 en 4.9.1). Het hof heeft in 4.9.4 overwogen dat het vastgestelde inkomen uit werk en woning van € 50.000 te laag is, gelet op het in aanmerking te nemen resultaat uit overige werkzaamheden van € 76.297 (zie 4.9.3). Verder heeft het hof in 4.9.6 geoordeeld dat het vastgestelde inkomen uit sparen en beleggen van € 480.000 te hoog is en dat dit moet worden vastgesteld op € 239.146.
De inspecteur beroept zich in dit kader op interne compensatie. Een vermindering van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen dient volgens de inspecteur te worden gecompenseerd met een verhoging van het belastbare inkomen uit werk en woning tot € 76.297.
Door een aanslag naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 76.297 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 239.146 te bepleiten, verlaat de inspecteur niet de “grondslag” van het bezwaar. Interne compensatie leidt in het onderhavige geval niet tot een verhoging van de aanslag (reformatio in peius). Gesteld noch gebleken is dat de inspecteur in dit kader de algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft geschonden.
Gelet op het vorenstaande zal het hof de aanslag verminderen tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 76.297 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 239.146.
m. Vergoeding van immateriële schade
Belanghebbende verzoekt om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank heeft geoordeeld dat belanghebbende recht heeft op een vergoeding van € 2.000 in verband met de lange duur van de beroepsprocedure. Tegen dit oordeel heeft belanghebbende niets ingebracht. Derhalve beoordeelt het hof uitsluitend of de berechting van de zaak in hoger beroep binnen de redelijke termijn is geschied. Voor de berechting van de zaak in hoger beroep heeft als uitgangspunt - en ook in dit geval - te gelden dat het hof uitspraak doet binnen twee jaar nadat hoger beroep is ingesteld. Indien de redelijke termijn is overschreden, dient voor de schadevergoeding als uitgangspunt een tarief te worden gehanteerd van € 500 per half jaar waarmee die termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. Met inachtneming van deze uitgangspunten en uitgaande van het feit dat belanghebbende hoger beroep heeft ingesteld op 27 maart 2023, stelt het hof de vergoeding van immateriële schade vast op € 1.000.
Tussenconclusie
De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht
De inspecteur dient aan belanghebbende het bij het hof betaalde griffierecht van € 136 te vergoeden, omdat de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en het beroep gegrond had moeten worden verklaard.
Ten aanzien van de proceskosten
Het hof veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het hof, omdat het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is.
Het hof stelt de tegemoetkoming in de kosten van het hoger beroep op 3 (punten) x € 907 (waarde per punt) x 1,5 (factor gewicht van de zaak) is € 4.081,50.
Ten aanzien van de kosten van de behandeling van het bezwaar en het beroep bij de rechtbank heeft het volgende te gelden. De rechtbank heeft de inspecteur veroordeeld in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar en beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Daarbij heeft de rechtbank de zaken BRE 19/6000, betreffende de aanslag IB/PVV 2015, en BRE 19/6001, betreffende de aanslag Zvw 2015, aangemerkt als met elkaar samenhangende zaken. De rechtbank heeft de kosten voor beide zaken tezamen vastgesteld op € 1.970. Het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank met nummer BRE 19/6001 is ingetrokken; die uitspraak staat dus onherroepelijk vast. Belanghebbende heeft in het onderhavige hoger beroep tegen de door de rechtbank vastgestelde kostenvergoeding als zodanig geen hoger beroep ingesteld. Het hof ziet hierin aanleiding om met toepassing van artikel 2, lid 3, Besluit proceskosten bestuursrecht de door de rechtbank vastgestelde kostenvergoeding, die mede betrekking heeft op de zaak BRE 19/6000, in stand te laten en de vergoeding van de kosten van de behandeling van het bezwaar en het beroep niet opnieuw vast te stellen.
5. Beslissing
Het hof:
De uitspraak is gedaan door J.M. van der Vegt, voorzitter, A.J. Kromhout en B.J. Rubbens, in tegenwoordigheid van M.M. Stassen-Kanters, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 december 2025 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. Aan de partij die niet digitaal procedeert, is een afschrift op die datum aangetekend per post verzonden.
De griffier, De voorzitter,
M.M. Stassen-Kanters J.M. van der Vegt
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.