ECLI:NL:GHSHE:2025:3539

ECLI:NL:GHSHE:2025:3539, Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 10-12-2025, 24/420 en 24/421

Instantie Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak 10-12-2025
Datum publicatie 21-01-2026
Zaaknummer 24/420 en 24/421
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Belanghebbende woonde in 2017 en 2018 in België. Hij bezit het recht van vruchtgebruik van een in Nederland gelegen woning. Deze woning werd in 2017 en 2081 niet verhuurd. In 2017 is het vruchtgebruik in waarde gestegen en in 2018 gedaald. In geschil is de hoogte van het inkomen uit sparen en beleggen. Het hof oordeelt dat de rechtbank voor 2017 ten onrechte van een nihil inkomen uit sparen en beleggen is uitgegaan. Voor 2018 is de woning niet in waarde gestegen en is het inkomen nihil.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Nummers: 24/420 en 24/421

Uitspraak op het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de inspecteur,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 6 maart 2024, nummers BRE 22/1752 en BRE 22/1753 in het geding tussen

[belanghebbende] ,

wonend in [woonplaats] (België),

hierna: belanghebbende,

en

de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

De inspecteur heeft navorderingsaanslagen inkomstenbelasting (hierna: IB) over 2017 en 2018 opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard.

De inspecteur heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de andere partij.

Het hof heeft bepaald dat de zitting achterwege kan blijven. Geen van partijen heeft – na navraag door het hof – verklaard gebruik te willen maken van hun recht om op een zitting te worden gehoord. Het hof heeft partijen schriftelijk meegedeeld dat het onderzoek is gesloten.

2. Feiten

Belanghebbende woonde in 2017 en 2018 in België.

Belanghebbende bezit het recht van vruchtgebruik van een in Nederland gelegen woning (de woning). De woning staat belanghebbende voor eigen gebruik ter beschikking en werd in 2017 en 2018 niet verhuurd. De waarde van het vruchtgebruik van de woning bedroeg op 1 januari 2017 € 181.440, op 1 januari 2018 € 182.160, en op 1 januari 2019 € 164.480.

De navorderingsaanslagen IB 2017 en 2018 zijn opgelegd naar belastbare inkomens uit werk en woning en uit sparen en beleggen van:

2017

2018

Belastbaar inkomen uit werk en woning

€ 45.171

€ 45.170

Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen

€ 4.749

€ 3.646

Verschuldigde IB

€ 9.566

€ 9.164

Berekende belastingrente

€ 993

€ 662

De inspecteur heeft de navorderingsaanslagen en de rentebeschikkingen bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd. De rechtbank heeft de navorderingsaanslagen IB 2017 en IB 2018 verminderd naar belastbaar inkomens uit werk en woning van € 45.171 (2017) en € 45.170 (2018) en voor beide jaren een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van nihil en de rentebeschikkingen evenredig verminderd.

3. Geschil en conclusies van partijen

In geschil is of de rechtbank terecht het inkomen uit sparen en beleggen over 2017 op nihil heeft vastgesteld.

Gelet op het gedurende het hoger beroep (als gevolg van een na het instellen ervan, door de Hoge Raad gedane uitspraak) nader door de inspecteur ingenomen standpunt, is er ten aanzien van het jaar 2018 geen geschil meer.

Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank. De inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en tot vaststelling van het inkomen uit sparen en beleggen over 2017 op een bedrag van € 720.

4. Gronden

Ten aanzien van het geschil

In zijn arrest van 20 december 2024 (hierna: het arrest van 20 december 2024) heeft de Hoge Raad als volgt geoordeeld:

“5.2.1. Positieve en negatieve waardeveranderingen van vermogensbestanddelen in box 3 behoren, gelet op het arrest van 6 juni 2024, tot het werkelijke rendement, ook indien de belastingplichtige die waardeveranderingen nog niet heeft gerealiseerd. Bij vermogensbestanddelen die het gehele jaar tot het vermogen van de belastingplichtige behoren, geldt daarbij als uitgangspunt dat het gaat om het verschil tussen de waarde daarvan aan het begin en aan het eind van het jaar.

Indien het, zoals in dit geval, gaat om het werkelijke rendement van een woning die het gehele jaar tot het vermogen van de belastingplichtige heeft behoord, moet daartoe de waarde van die woning aan het begin en aan het eind van het jaar worden bepaald op basis van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ), naar analogie met het bepaalde in artikel 5.20 Wet IB 2001.6 Die analogie brengt mee dat voor de waarde van de woning aan het begin van het jaar moet worden uitgegaan van de waarde die de heffingsambtenaar voor dat jaar bij een beschikking op grond van de Wet WOZ heeft vastgesteld. Gelet op het bepaalde in artikel 18, leden 1 en 2, Wet WOZ is dat de waarde die de woning had op de waardepeildatum, dat wil zeggen één jaar voor het begin van het kalenderjaar waarvoor die waarde wordt vastgesteld. Voor de waarde van de woning aan het einde van het jaar dient, met het oog op een zinvolle vaststelling van de waardeverandering in de loop van het kalenderjaar, te worden aangesloten bij de waarde van de woning die op grond van de Wet WOZ is vastgesteld voor het volgende kalenderjaar, en waarvoor de waardepeildatum eveneens een jaar tevoren is gelegen. De Hoge Raad volgt dus de wijze van berekening die de Advocaat-Generaal in onderdeel 4.9 van zijn conclusie heeft omschreven als “de t-1-berekening. (…)

Bij de vaststelling van het werkelijke rendement van belanghebbende en haar echtgenoot houdt de Hoge Raad geen rekening met een voordeel wegens eigen gebruik van de tweede woning. Het voordeel wegens eigen gebruik van een onroerende zaak behoort weliswaar tot het rendementsbegrip dat de wetgever voor ogen heeft gestaan bij de vormgeving van het forfaitaire stelsel in box 38, maar om de omvang daarvan vast te kunnen stellen moeten diverse keuzes worden gemaakt. (…) Het maken van dergelijke keuzes ligt meer op de weg van de wetgever dan op die van de rechter. Bij gebreke van een hiervoor in box 3 toepasbare wettelijke regeling zal de Hoge Raad aannemen dat het voordeel wegens eigen gebruik van een onroerende zaak niet te kwantificeren is, en daarom voor de vaststelling van het werkelijke rendement op nihil moet worden gesteld.Voetnoten:6 HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:857.8 Vlg. HR 10 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1129, rechtsoverweging 2.5.2, en HR 27 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:771, rechtsoverweging 2.4.3.”.

De inspecteur betoogt dat gelet op het arrest van 20 december 2024 het inkomen uit sparen en beleggen voor 2017 € 720 bedraagt en voor 2018 nihil. Het eigen gebruik leidt niet tot inkomen uit sparen en beleggen, wel moet rekening worden gehouden met eventuele waardestijgingen van het vruchtgebruik. De waarde van het vruchtgebruik bedroeg namelijk op 1 januari 2017 € 181.440 en op 1 januari 2018 € 182.160, dat is een waardestijging van € 720. In 2018 is het vruchtgebruik in waarde gedaald. Belanghebbende bestrijdt dat sprake is van inkomen uit sparen en beleggen over beide jaren.

Uit de arresten van 20 december 2024 van 6 juni 2024 volgt dat (positieve en negatieve) waardeveranderingen van vermogensbestanddelen in box 3 tot het werkelijke rendement behoren, ook als die waardeveranderingen niet zijn gerealiseerd. Verder volgt uit deze rechtspraak dat voor het eigen gebruik van een woning het werkelijke rendement op nihil moet worden gesteld. Dit alles betekent dat in dit geval, zoals de inspecteur terecht betoogt, het inkomen uit sparen en beleggen over 2017 € 720 bedraagt en het inkomen uit sparen en beleggen over 2018 nihil. Terecht is niet in geschil dat in dit geval de belastingheffing aan Nederland is toegewezen.

Tussenconclusie

De slotsom is dat het hoger beroep met betrekking tot 2017 (nr. 24/420) gegrond is en met betrekking tot 2018 (nr. 24/421) ongegrond.

Ten aanzien van het griffierecht

Alhoewel de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd, is het hof van oordeel dat voor het door de inspecteur ingestelde hoger beroep een griffierecht wordt geheven van € 559 omdat het hoger beroep ten aanzien van nr. 24/421 ongegrond is.

Ten aanzien van de proceskosten

Het hof veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het hof, omdat het door de inspecteur ingestelde hoger beroep gedeeltelijk ongegrond is.

Het hof stelt deze tegemoetkoming op 1 (punt) x € 907 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 907.

Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.

5. Beslissing

Het hof:

De uitspraak is gedaan door J.M. van der Vegt, voorzitter, A.J. Kromhout en A.M. van Amsterdam, in tegenwoordigheid van R. Camps, als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 december 2025 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. Aan de partij die niet digitaal procedeert, is een afschrift op die datum aangetekend per post verzonden.

De griffier, De voorzitter,

R. Camps J.M. van der Vegt

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026012112
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?