GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer, optredend als voorzieningenrechter
Nummer: 25/1782
Uitspraak van de voorzieningenrechter als bedoeld in artikel 8:84, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het verzoek als bedoeld in artikel 8:81 Awb in het geding tussen
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: verzoeker,
en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur,
betreffende de voor het jaar 2015 aan verzoeker opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV).
1. Ontstaan en loop van het geding
De inspecteur heeft de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2015 (hierna: IB/PVV 2015) opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
Verzoeker heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard.
Verzoeker heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. Deze procedure is bij het hof bekend onder zaaknummer 24/1592.
Verzoeker heeft vervolgens een verzoek ingediend voor het treffen van een voorlopige voorziening.
2. Feiten
De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en de aanslag IB/PVV 2015 verminderd.
Verzoeker heeft op 12 oktober 2025 een schriftelijk wrakingsverzoek ingediend. De wrakingskamer van het hof heeft dit wrakingsverzoek bij beslissing van 16 oktober 2025 niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat een volgend wrakingsverzoek van verzoeker niet in behandeling wordt genomen.
3. Gronden
Ten aanzien van het geschil
Ingevolge het bepaalde in artikel 8:81, lid 1, Awb in verbinding met het bepaalde in artikel 8:108 Awb, kan de voorzieningenrechter van het hof dat bevoegd is (of kan worden) in de hoofdzaak (vereiste van connexiteit) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Op grond van artikel 8:83, lid 3, Awb kan de voorzieningenrechter uitspraak doen zonder partijen uit te nodigen voor een zitting, indien de voorzieningenrechter kennelijk onbevoegd is of het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is.
De voorzieningenrechter stelt vast dat belanghebbende bij brief van 7 mei 2025 is meegedeeld dat het verzoek om voorlopige voorziening tegelijk met de hoofdzaak in oktober 2025 zal worden behandeld. De voorzieningenrechter stelt voorts vast dat in de voorlopige voorzieningenprocedure - bij omissie - geen uitnodiging voor de zitting op 23 oktober 2025 is gestuurd. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding deze omissie te herstellen door belanghebbende alsnog uit te nodigen voor een zitting in deze procedure, omdat, zoals uit het hierna volgende blijkt, is voldaan aan het bepaalde in artikel 8:83, lid 3, Awb.
Ten tijde van het indienen van het in 1.5. vermelde verzoek om een voorlopige voorziening in verband met de in 1.1. vermelde aanslag was het hoger beroep van verzoeker aanhangig, zodat ter zake van deze aanslag aan de eis van connexiteit is voldaan.
De voorzieningenrechter kan een aanslag schorsen indien de aanslag evident onrechtmatig is opgelegd, wat gevolgen heeft voor de invordering.
Voor zover het verzoek van verzoeker zo moet worden begrepen dat de aanslag, zoals verminderd door de rechtbank, moet worden geschorst is het verzoek kennelijk ongegrond. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is van evidente onrechtmatigheid geen sprake, reeds omdat het hof bij uitspraak van heden het hoger beroep ongegrond heeft verklaard.
De verzoeken van verzoeker zien verder op het opheffen van de gevolgen van de vastgestelde aanslag IB/PVV 2015 door het schorsen van de door de ontvanger ingezette invorderingsmaatregelen.
Aangezien van een lopend (hoger) beroep tegen een invorderingszaak waarin de belastingrechter bevoegd is niet is gebleken, wordt niet voldaan aan de eis van connexiteit en dient het verzoek in zoverre kennelijk niet-ontvankelijk te worden verklaard.
Ten aanzien van het griffierecht
De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
De voorzieningenrechter oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb.
4. Beslissing
De voorzieningenrechter:
- verklaart het verzoek ten aanzien van de aanslag IB/PVV 2015 kennelijk ongegrond;
- verklaart het verzoek voor het overige kennelijk niet-ontvankelijk.
De uitspraak is gedaan door L.B.M. Klein Tank, voorzitter, C.W.M.M. Verkoijen en W.A. Sijberden, optredend als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van R. Camps, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 december 2025 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De voorzitter,
R. Camps L.B.M. Klein Tank
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staan geen rechtsmiddelen open.