Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 16 oktober 2024 in de strafzaak met parketnummer 03-311040-24 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1980,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter het tenlastegelegde feit bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als ‘diefstal’, de verdachte deswege strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 dagen met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep integraal zal bevestigen.
De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit en subsidiair een straftoemetingsverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met aanvulling van de gronden waarop dit berust.
De politierechter heeft in het vonnis waarvan beroep volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, zonder de inhoud daarvan weer te geven. Het hof is echter gebonden aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359, lid 3, eerste volzin, van het Wetboek van Strafvordering en zal daarom – indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld – de inhoud van de door de politierechter opgesomde bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring uitwerken in een aanvulling op dit verkorte arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.
Aanvulling van de bewijsoverweging
De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep integrale vrijspraak bepleit. Daartoe is – op de gronden zoals verwoord in de pleitnota – in de kern aangevoerd dat er in de onderhavige zaak geen sprake is van een voltooide diefstal, nu de wegeneming van het muntgeld nog niet was voltooid. Volgens de verdediging kan wellicht een poging tot diefstal bewezen worden verklaard. Dat is echter niet tenlastegelegd.
Het hof overweegt als volgt.
In deze zaak is de verdachte op 30 september 2024, omstreeks 01:00 uur, door middel van het openen van de bijrijdersportier, in het voertuig van aangever gaan zitten, waar hij vervolgens het in het voertuig aanwezige muntgeld ad € 1,20 (2x € 0,50 en 1x € 0,20), zijnde voorwerpen van betrekkelijke geringe omvang en bovendien door de rechthebbende eigenaar niet eenvoudig kenbaar als zijn eigendom, heeft gepakt met het – door de verdediging niet betwiste – oogmerk van wederechtelijke toe-eigening. De verdachte bevond zich nog in het voertuig van aangever toen getuige [getuige] naar het voertuig van aangever rende en de verdachte vastpakte. De verdachte heeft vervolgens het uit het voertuig weggenomen muntgeld desgevraagd teruggegeven aan aangever, die kort na getuige [getuige] ter plaatse kwam.
Naar het oordeel van het hof zou de verdachte – als hij niet door getuige [getuige] was betrapt – eenvoudig hebben kunnen weglopen met het muntgeld en zou hij op zijn weg geen hindernissen meer zijn tegengekomen. Derhalve komt het hof tot het oordeel dat de verdachte het muntgeld zodanig aan de feitelijke heerschappij van de rechthebbende heeft onttrokken, dat daarmee de wegneming als voltooid kan worden beschouwd. De enkele omstandigheid dat de verdachte het muntgeld maar een korte tijd heeft vastgehad (en aldus als heer en meester over het geld heeft kunnen beschikken, doordat aangever kort daarna het muntgeld desgevraagd van de verdachte heeft teruggekregen), doet daar niet aan af.
Het verweer van de verdediging wordt verworpen.
BESLISSING
Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door:
mr. A.J.M. van Gink, voorzitter,
mr A.M.G. Smit en mr. C.A. van Roosmalen, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. N. Koop, griffier,
en op 19 augustus 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mrs. Smit, Van Roosmalen en Koop zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.