Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 19 juli 2024 in de strafzaak met parketnummer 96-006772-24, tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1986,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van ‘overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994’ (feit 1) en ‘overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994’ (feit 2) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 weken, waarvan 3 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Ter zake van het onder feit 2 bewezenverklaarde heeft de politierechter de verdachte tevens een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen opgelegd voor de duur van 9 maanden.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft primair gevorderd dat het hof de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in het ingestelde hoger beroep. Subsidiair heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en dat het hof, opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis, een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 weken met een proeftijd van 2 jaren, en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 9 maanden.
De verdediging heeft bepleit dat de verdachte ontvankelijk zal worden verklaard in het namens de verdachte ingestelde hoger beroep. Bij die stand van zaken heeft de raadsman een staftoemetingsverweer gevoerd.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Het hof is uit de processtukken gebleken:
Het hof stelt voorop dat de wet bepaalt in welke gevallen tegen een rechterlijke uitspraak een rechtsmiddel kan worden ingesteld en binnen welke termijn dit kan geschieden; die termijnen zijn van openbare orde.
Artikel 408, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) luidt:
“Het hoger beroep moet binnen veertien dagen na de einduitspraak worden ingesteld indien:
Artikel 408, tweede lid, Sv luidt:
“In andere gevallen dan de in het eerste lid genoemde moet het hoger beroep worden ingesteld binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is.”
Op grond van deze bepalingen kon in deze zaak onder de gegeven omstandigheden gedurende veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend was, hoger beroep worden ingesteld.
Door het Openbaar Ministerie is op 26 november 2024 tevergeefs getracht om de ‘Mededeling Uitspraak’ uit te reiken op het voornoemde adres in [stad] . Op de betreffende akte staat aangekruist ‘Geadresseerde woont niet (meer) op het vermelde adres’. Het hof heeft geconstateerd dat de verdachte op dat moment reeds (namelijk sinds 12 november 2024) in de Basisregistratie Personen stond ingeschreven op het adres waar hij ook thans nog staat ingeschreven, te weten [adres 1] .
Uit de stukken blijkt voorts dat op 30 juli 2024 een ‘Mededeling Uitspraak’ behorende bij parketnummer 96-00772-24 in de Berichtenbox van de verdachte op MijnOverheid is geplaatst en dat de verdachte op 4 december 2024 om 12:28 uur heeft ingelogd op MijnOverheid (hof: met zijn DigiD), hetgeen is vastgelegd in een zogeheten ‘Vastlegging van elektronische overdracht’ van het Parket Centrale Verwerking Openbaar Ministerie. Na het inloggen in MijnOverheid op basis van tweefactorauthenticatie is een bevestiging verzonden aan de verdachte waarin hij is geïnformeerd over de elektronische overdracht van de gerechtelijke mededeling. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij de enige is die kan inloggen op MijnOverheid.
In artikel 36f, tweede lid, Sv is bepaald dat als degene voor wie de gerechtelijke mededeling is bestemd zich toegang verschaft tot de elektronische voorziening (hof: oftewel inlogt), dit geldt als een betekening in persoon. Het hof merkt deze betekening d.d. 4 december 2024 daarom aan als een omstandigheid waaruit voortvloeit dat de einduitspraak bij de verdachte bekend was. De verdachte heeft echter pas na het verstrijken van de termijn voor het instellen van hoger beroep, te weten binnen veertien dagen na 4 december 2024 overeenkomstig het bepaalde in artikel 408, tweede lid, Sv bij akte van 9 januari 2025 - en daarmee te laat - hoger beroep ingesteld.
Overschrijding van de termijn voor hoger beroep door de verdachte, zoals in het onderhavige geval, betekent in de regel dat hij niet in dat hoger beroep kan worden ontvangen. Dit gevolg kan daaraan uitsluitend niet worden verbonden, indien sprake is van bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen, omstandigheden welke de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn. Van dergelijke omstandigheden is het hof niet gebleken. Dat de verdachte zich niet lijkt te kunnen herinneren dat hij heeft ingelogd op MijnOverheid, is niet een dergelijke omstandigheid.
Het hof merkt nog op dat het ter terechtzitting van 22 juli 2025 door de verdediging overgelegde stuk d.d. 24 december 2024 een ‘Mededeling Voorwaardelijke Veroordeling’ betreft. Deze mededeling wordt gewoonlijk aan een veroordeelde toegezonden na het onherroepelijk worden van een vonnis. Dit stuk doet derhalve aan het voorgaande niets af en leidt het hof dus niet tot een ander oordeel dan dat de termijn voor het instellen van hoger beroep is overschreden.
Dit heeft tot gevolg dat de verdachte in het hoger beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Aldus gewezen door:
mr. J.J. Peters, voorzitter,
mr. N.I.B.M. Buljevic en mr. M.C.C. van de Schepop, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. A.M.M.F. van de Ven, griffier,
en op 5 augustus 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. J.J. Peters is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.