Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
’s-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 12 november 2024, in de strafzaak met parketnummer 02-260838-24 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1989,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter het onder 1 en 2 tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als ‘belaging’ (feit 1) en ‘in het besloten erf en in de woning bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen’ (feit 2), de verdachte deswege strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand, met een proeftijd van twee jaren, waarbij de politierechter – samengevat – de volgende bijzondere voorwaarden heeft gesteld:
Voornoemde bijzondere voorwaarden en het reclasseringstoezicht zijn dadelijk uitvoerbaar verklaard. Tot slot heeft de politierechter de verdachte veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep integraal zal bevestigen.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep, met verbetering van de gronden waarop dit berust en met uitzondering van de opgelegde straf. In zoverre zal het vonnis waarvan beroep worden vernietigd.
Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie
Het hof vervangt de overwegingen van de politierechter in het vonnis waarvan beroep met betrekking tot de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de strafvervolging van de verdachte door het navolgende.
Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdediging zich, op gronden zoals nader in de pleitnota verwoord, op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu uit de aangifte niet van indiening van een klacht betreffende belaging zou blijken. Het dossier zou voorts geen klachtformulier dan wel een proces-verbaal bevatten waarin een klacht is opgenomen. Gelet op het voorgaande zou niet voldaan zijn aan artikel 66 van het Wetboek van Strafrecht in combinatie met artikel 164 van het Wetboek van Strafvordering.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Ingevolge artikel 285b, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht is het onder 1 tenlastegelegde feit enkel vervolgbaar op klacht van degene tegen wie het misdrijf is begaan. Dit klachtvereiste strekt ertoe dat het persoonlijk belang van het slachtoffer om niet te worden geconfronteerd met eventuele negatieve gevolgen van een strafvervolging, de voorrang heeft boven het algemene belang van strafvervolging.
Artikel 164 van het Wetboek van Strafvordering strekt ertoe te doen vaststaan dat de tot klacht gerechtigde persoon zelf wenst dat een strafvervolging wordt ingesteld. Ingevolge voormeld artikel wordt de klacht, bestaande uit een aangifte met een verzoek tot vervolging, mondeling of schriftelijk gedaan bij de bevoegde ambtenaar, hetzij door de klachtgerechtigde in persoon, hetzij door een ander, daartoe door hem van een bijzondere schriftelijke volmacht voorzien.
Op grond van het proces-verbaal van aangifte op pagina’s 15 tot en met 19 van het procesdossier stelt het hof vast dat aangeefster [benadeelde] uitdrukkelijk heeft verklaard: “Ik wil strafvervolging tegen [verdachte] ”. Uit voormeld proces-verbaal leidt het hof tevens af dat aangeefster [benadeelde] haar schade binnen het strafproces op de verdachte wil verhalen en op de hoogte wil worden gehouden van de voortgang van het opsporingsonderzoek. Daarnaast blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 november 2024 van verbalisant [verbalisant] , werkzaam als brigadier bij de Eenheid Zeeland-West-Brabant, dat aangeefster op 2 november 2024 heeft aangegeven dat ze strafvervolging wil tegen de verdachte, ook als dit een klachtdelict betreft. Indien bij het doen van de aangifte direct het klachtformulier zou zijn opgemaakt, zou aangeefster volgens eigen zeggen hebben getekend.
Anders dan de verdediging is het hof van oordeel dat de aangifte van [benadeelde] een uitdrukkelijk verzoek tot vervolging van de verdachte [verdachte] betreft, reden waarom het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de strafvervolging.
Het tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie strekkende verweer van de verdediging wordt verworpen in al zijn onderdelen. Ook overigens zijn geen beletselen voor de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie aannemelijk geworden.
Op te leggen sanctie
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Meer in het bijzonder overweegt het hof het navolgende.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan belaging van zijn ex-partner [benadeelde] door haar veelvuldig te bellen en berichten te sturen, haar met een auto klem te rijden, langs te gaan in de straat waar [benadeelde] woonachtig was en meermalen contact te zoeken met bekenden van die [benadeelde] (feit 1). Tevens is bewezenverklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het wederrechtelijk binnendringen in de woning en het besloten erf van [benadeelde] (feit 2). Hoewel aangeefster de verdachte duidelijk had gemaakt dat zij geen contact meer met hem wenste, is de verdachte aangeefster gedurende een periode van bijna vier maanden op indringende wijze blijven belagen. Door aldus te handelen heeft de verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster. Bovendien heeft de verdachte, zowel bij aangeefster als de kinderen van aangeefster en de verdachte, gevoelens van angst en onrust veroorzaakt, hetgeen onder meer blijkt uit de in het dossier aanwezige videobeelden waarop is te zien dat aangeefster door de verdachte op 26 juli 2024 wordt klemgereden. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.
Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 17 april 2024, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat de verdachte niet recent is veroordeeld ter zake van soortgelijke strafbare feiten.
Het hof heeft tevens acht geslagen op het reclasseringsadvies d.d. 1 november 2024, waarin diverse probleemgebieden in het leven van de verdachte zijn geconstateerd. De reclassering ziet aanwijzingen voor impulscontrole- en emotie-regulatieproblemen en de verdachte zou kampen met psychische klachten sinds de relatiebreuk met aangeefster. Als positieve factoren worden de stabiele leefomgeving en bereidheid tot het accepteren van hulpverlening beschreven. Bij een veroordeling acht de reclassering forensische interventies noodzakelijk, waarbij een intensieve samenwerking tussen hulpverlening en reclassering noodzakelijk is. Uit het (nadere) reclasseringsadvies d.d. 11 februari 2025 volgt voorts dat de risico’s op recidive, letsel en onttrekking aan voorwaarden op dat moment worden ingeschat als hoog.
Gelet op het vorenoverwogene ziet het hof, met de politierechter, reden om bijzondere voorwaarden te stellen in het kader van een voorwaardelijke gevangenisstraf. Met de politierechter is het hof van oordeel dat een voorwaardelijke taakstraf niet volstaat, gelet op de aard en ernst van de delicten en het feit dat de verdachte nog altijd geen inzicht heeft in de ernst en verwijtbaarheid van zijn handelen. Anders dan de politierechter ziet het hof evenwel geen reden (meer) om als bijzondere voorwaarde op te nemen dat de verdachte zich niet in [adres 2] en in een straal van 200 meter rond de woning van aangeefster [benadeelde] ( [adres 2] ) zal bevinden, nu aangeefster blijkens het e-mailbericht d.d. 4 juli 2025 van mr. [advocaat] , advocaat van [benadeelde] , tegenwoordig in [woonplaats] woonachtig is.
Alles afwegende acht het hof een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand, waarbij de na te noemen bijzondere voorwaarden worden gesteld, alsmede een taakstraf voor de duur van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden. Met oplegging van deze gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
BESLISSING
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand;
bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;
stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 150 (honderdvijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 75 (vijfenzeventig) dagen hechtenis;
beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Aldus gewezen door:
mr. T. van de Woestijne, voorzitter,
mr. A. Muller en mr. C.M.A. Ellens - Veenhof, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. A. Burgmeijer, griffier,
en op 18 juli 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. Ellens - Veenhof is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.