ECLI:NL:GHSHE:2025:3784

ECLI:NL:GHSHE:2025:3784

Instantie Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak 22-07-2025
Datum publicatie 30-01-2026
Zaaknummer 20-003054-24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Mishandeling. Eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

Uitspraak

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 29 oktober 2024 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken met parketnummers 03-271621-21 en 03-346556-21, tegen:

[verdachte] (eerder opgegeven te zijn genaamd [verdachte] , met

geboortedatum [geboortedag 1] 1984 en geboorteplaats [geboorteplaats 1] ),

geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 1981,

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte vrijgesproken van de in de zaak met parketnummer 03-271621-21 tenlastegelegde mishandeling. De politierechter heeft de

in de zaak met parketnummer 03-346556-21 tenlastegelegde feiten bewezenverklaard, deze gekwalificeerd als ‘mishandeling’ (feit 1) en ‘eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening’, de verdachte deswege strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand met een proeftijd van 2 jaren.

De politierechter heeft de benadeelde partij [benadeelde 1] (parketnummer 03-271621-21) niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding.

De vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] (parketnummer 03-346556-21 feit 2) is toegewezen tot een bedrag van € 300,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 december 2021 en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

Tenslotte heeft de politierechter beslist op de proceskosten.

Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] is in eerste aanleg toegewezen tot een bedrag van € 300,00 aan immateriële schade. De benadeelde partij heeft echter in het wensenformulier d.d. 12 februari 2025 te kennen gegeven dat de vordering wordt verlaagd tot nihil, nu de gevorderde schade reeds op andere wijze is vergoed. Het hof is van oordeel dat deze vordering derhalve niet meer aan de orde is.

Al hetgeen hierna wordt overwogen heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, zal vernietigen en dat het hof, opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand met een proeftijd van 2 jaren.

De verdediging heeft een strafmaatverweer gevoerd.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

De verdachte is door politierechter in de rechtbank Limburg vrijgesproken van hetgeen aan hem in de zaak met parketnummer 03-271621-21 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Het voorgaande brengt met zich mee dat ook de aan de zaak met parketnummer 03-271621-21 verbonden vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] (reeds om die reden) niet aan het oordeel van het hof onderworpen is.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd omdat de politierechter heeft volstaan met aantekening van de uitspraak op een aan het dubbel van de dagvaarding gehecht stuk, maar het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 van het Wetboek van Strafvordering.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – voor zover thans nog aan de orde – in de zaak met parketnummer 03-34556-24 tenlastegelegd dat:

1.hij op of omstreeks 29 december 2021 te Baexem, gemeente Leudal, [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] te slaan en/of schoppen tegen zijn hoofd en/of lichaam;

2.hij op of omstreeks 29 december 2021 te Baexem, gemeente Leudal, opzettelijk een ambtenaar, te weten [benadeelde 2] (brigadier bij Eenheid Limburg), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, mondeling en/of door feitelijkheden heeft beledigd, door hem het/de woord(en) toe te voegen: 'racist', althans (een) woord(en) van gelijke beledigende aard en/of strekking en/of door die [benadeelde 2] één of meerdere keren in zijn gezicht te spugen.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 03-346556-21 onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.hij op of omstreeks 29 december 2021 te Baexem, gemeente Leudal, [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] te slaan tegen zijn hoofd;

2.hij op 29 december 2021 te Baexem, gemeente Leudal, opzettelijk een ambtenaar, te weten [benadeelde 2] (brigadier bij Eenheid Limburg), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, mondeling en door feitelijkheden heeft beledigd, door hem het woord toe te voegen: 'racist', en door die [benadeelde 2] meerdere keren in zijn gezicht te spugen.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.

Bewijsoverwegingen

De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het in de zaak met parketnummer 03-346556-21 onder 1 bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als:

mishandeling.

Het in de zaak met parketnummer 03-346556-21 onder 2 bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als:

eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

Op te leggen straf

De verdediging heeft bepleit om aan de verdachte – in overeenstemming met de LOVS-oriëntatiepunten – een straf in de vorm van een geldboete op te leggen, dan wel is verzocht om, in het geval het hof tot oplegging van een vrijheidsbenemende straf komt, te volstaan met oplegging van een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 week.

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Het hof overweegt in het bijzonder als volgt.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich op 29 december 2021 schuldig heeft gemaakt aan mishandeling. Dit handelen getuigt van een gebrek aan respect voor het de lichamelijke integriteit van die ander. Daarnaast is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het beledigen van een ambtenaar in functie. Daarmee heeft de verdachte ervan blijk gegeven geen respect te hebben voor openbaar gezag. Het hof rekent de verdachte aan dat hij heeft gehandeld zoals is bewezenverklaard.

Het hof heeft acht geslagen op de de verdachte betreffende uittreksels uit de Justitiële Documentatie d.d. 9 mei 2022 en d.d. 4 april 2025. Blijkens het uittreksel d.d. 9 mei 2022 vindt artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht toepassing.

Het hof heeft voorts gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.

Naar het oordeel van het hof kan – in het bijzonder gelet op de aard en ernst van de feiten – niet worden volstaan met een straf in de vorm van een geldboete. Het hof is alles afwegende van oordeel dat aan de verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken met een proeftijd van 2 jaren dient te worden opgelegd, met aftrek van voorarrest.

Met oplegging van een voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Bij de strafvervolging van de verdachte is de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid van het EVRM, in hoger beroep geschonden. De redelijke termijn vangt in eerste aanleg aan met het moment waarop de verdachte (in de zaak met parketnummer 03-271621-21) is aangehouden en vervolgens in verzekering is gesteld, namelijk op 29 december 2021. Nu de rechtbank eerst op 29 oktober 2024 vonnis heeft gewezen, heeft de termijn van berechting in eerste aanleg in de onderhavige strafzaak ruim 2 jaar en 10 maanden geduurd. De redelijke termijn is daardoor in die fase met 10 maanden overschreden. Gelet op de aard van de (geheel voorwaardelijk) op te leggen straf volstaat het hof met deze constatering van de schending van de redelijke termijn.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57, 63, 266, 267 en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het in de zaak met parketnummer 03-271621-21 tenlastegelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet opnieuw recht:

verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 03-346556-21 onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het in de zaak met parketnummer 03-346556-21 onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken;

bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Aldus gewezen door:

mr. L. Feraaune, voorzitter,

mr. M.A.M. Wagemakers en mr. Y. van Setten, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. A.M.M.F. van de Ven, griffier,

en op 22 juli 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?