ECLI:NL:GHSHE:2025:3787

ECLI:NL:GHSHE:2025:3787

Instantie Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak 07-07-2025
Datum publicatie 02-02-2026
Zaaknummer 20-001558-23
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod. Eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening. Wederspannigheid.

Uitspraak

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

’s-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 1 juni 2023, in de strafzaak met parketnummer 02-192056-20 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1988,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter het tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als

de verdachte deswege strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden met een proeftijd van twee jaren, alsmede een taakstraf voor de duur van 220 uren subsidiair 110 dagen hechtenis, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag. Tot slot zijn de onder de verdachte inbeslaggenomen lamp en muts onttrokken aan het verkeer.

Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd, zo begrijpt het hof, dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen ten aanzien van de opgelegde straffen en maatregel en, opnieuw rechtdoende, ter zake van het bewezenverklaarde de verdachte zal veroordelen tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden met een proeftijd van twee jaren, alsmede een taakstraf voor de duur van 220 uren met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Ten aanzien van de inbeslaggenomen lamp en muts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat deze worden verbeurdverklaard.

De raadsman van de verdachte heeft primair bepleit dat de verdachte wordt vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde feit. Ten aanzien van de onder 2 en 3 tenlastegelegde feiten is een straftoemetingsverweer gevoerd.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat hij:

1. op of omstreeks 26 januari 2020 te Heikant, in elk geval in de gemeente Terneuzen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van ongeveer 104 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram, hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2. op of omstreeks 26 januari 2020 te Ritthem, in elk geval in de gemeente Vlissingen, opzettelijk een ambtenaar, te weten [verbalisant 1] , gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening, in zijn/haar tegenwoordigheid mondeling heeft beledigd door die [verbalisant 1] meermalen, althans eenmaal, de woorden toe te voegen: “kankermongool” en/of “hoerenzoon” en/of “kankerflikker” en/of “kankerlijer”, althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking, en/of door die [verbalisant 1] in het gezicht te spugen en/of in de richting van het gezicht van die [verbalisant 1] te spugen;

3. op of omstreeks 26 januari 2020 te Ritthem, in elk geval in de gemeente Vlissingen, zich met geweld en/of bedreiging met geweld heeft verzet tegen één of meer ambtena(a)r(en), te weten [verbalisant 2] , hoofdagent van politie Eenheid Zeeland-West-Brabant, en/of [verbalisant 1] , brigadier van politie Eenheid Zeeland-West-Brabant, (beiden) werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn/hun bediening, te weten terwijl die [verbalisant 2] en/of die [verbalisant 1] doende was/waren verdachte op bevel van de officier van justitie buiten heterdaad aan te houden op verdenking van vervoeren van hennep in vereniging, althans op verdenking van overtreding van de Opiumwet, door zijn arm(en) telkens in een andere richting te bewegen dan waarin die [verbalisant 2] en/of die [verbalisant 1] deze probeerde(n) te brengen en/of - terwijl hij was vastgepakt - zijn spieren aan te spannen en zijn arm(en) los te trekken, althans los proberen te trekken, in elk geval door te rukken en/of te trekken in een andere richting dan waarin die [verbalisant 2] en/of die [verbalisant 1] hem probeerde(n) te bewegen.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat hij:

1. op 26 januari 2020 te Heikant tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk heeft vervoerd een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

2. op 26 januari 2020 te Ritthem opzettelijk een ambtenaar, te weten [verbalisant 1] , gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid mondeling heeft beledigd door die [verbalisant 1] de woorden toe te voegen: “kankermongool” en “hoerenzoon” en “kankerflikker”, en door die [verbalisant 1] in het gezicht te spugen;

3. op 26 januari 2020 te Ritthem zich met geweld heeft verzet tegen ambtenaren, te weten [verbalisant 2] , hoofdagent van politie Eenheid Zeeland-West-Brabant, en [verbalisant 1] , brigadier van politie Eenheid Zeeland-West-Brabant, (beiden) werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, te weten, terwijl die [verbalisant 2] en die [verbalisant 1] doende waren verdachte op bevel van de officier van justitie buiten heterdaad aan te houden op verdenking van vervoeren van hennep in vereniging, door zijn armen telkens in een andere richting te bewegen dan waarin die [verbalisant 2] en die [verbalisant 1] deze probeerden te brengen en - terwijl hij was vastgepakt - zijn spieren aan te spannen en zijn armen los te trekken.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.

Bewijsoverwegingen

Ten aanzien van feit 1

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte wordt vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde feit. Daartoe is in de kern naar voren gebracht dat er onvoldoende rechtstreekse bewijsmiddelen zijn die op betrokkenheid van de verdachte bij het onder 1 tenlastegelegde feit duiden. Er zijn geen getuigen of medeverdachten die hebben verklaard dat de verdachte betrokken was bij het vervoeren van de hennep en er is geen belastend bewijs gevonden in de telefoons van de verdachte en de medeverdachten. Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard over zijn eigen betrokkenheid bij het feit, maar heeft niet verklaard dat er ook andere personen betrokken waren. Bovendien zijn er geen DNA- of dactyloscopische sporen op de hennep gevonden. Weliswaar lagen in de bus met hennep een muts en een lamp waarop het DNA van de verdachte is aangetroffen, maar dat kan volgens de raadsman worden verklaard doordat die bus de dag voorafgaand aan het tenlastegelegde door de verdachte is gebruikt om te klussen. Tot slot heeft de raadsman naar voren gebracht dat het door de verbalisanten beschreven rijden in colonne, hetgeen de verdediging overigens niet als zodanig heeft herkend, niet als een vorm van medeplegen kan worden aangemerkt en dat de verdachte niet de bestuurder was van het voertuig waarin hij is aangetroffen. De verdachte zat voorafgaand aan de aanhouding achterin de auto te blowen, hetgeen tevens de hennepgeur in de auto zou verklaren. Alle medeverdachten die niet in de bus met hennep zaten, zijn in hun eigen strafzaken integraal vrijgesproken, aldus de verdediging. Gelet op het voorgaande stelt de verdediging zich op het standpunt dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is om te komen tot een bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde feit.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Op grond van het procesdossier stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast.

Verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] zagen, blijkens het proces-verbaal van bevindingen op pagina’s 19 en 20 van het procesdossier, in de nacht van 26 januari 2020 omstreeks 03.30 uur ter hoogte van de rotonde N258/Kinderdijk/Drieschouwen dat vier voertuigen hen tegemoet kwamen rijden. Deze voertuigen reden kort achter elkaar, waardoor bij de verbalisanten het vermoeden rees dat de voertuigen bij elkaar hoorden. Het voorste voertuig betrof, naar later bleek, een witte Peugeot 206, voorzien van het kenteken [kenteken 1] . Achter de Peugeot reed een tweede (onbekend gebleven) personenauto. Daarachter reed een grijze bus van het merk Opel, type Vivaro, voorzien van het kenteken [kenteken 2] . Achter de bus reed een zilveren Volkswagen Golf, voorzien van het kenteken [kenteken 3] . Toen de voertuigen voorbijreden, roken de verbalisanten een sterke hennepgeur. De verbalisanten zijn gekeerd en achter deze voertuigen aangereden, waarna de afstand tussen de bus en het laatste voertuig groter werd doordat het laatste voertuig snelheid verminderde. De verbalisanten roken weer een zeer sterke hennepgeur toen zij de voertuigen naderden. Toen de bus rechtsaf sloeg en de overige voertuigen rechtdoor reden, besloten de verbalisanten om de achtervolging in te zetten van de bus. Uiteindelijk is de bus in Heikant tot stilstand gebracht, waarop de drie inzittenden van de bus de benen namen. Blijkens het proces-verbaal van bevindingen op pagina’s 34 en 35 van het procesdossier werden in de bus, aan de achterzijde van de Opel Vivaro, dertien vuilniszakken, twee boodschappentassen en twee kratten vol met hennepplanten aangetroffen. Korte tijd later zijn in de nabije omgeving twee mannen door de politie als verdachten ingerekend. Bij de woning van een van beiden (in [plaatsnaam] ) werd nog een derde man aangehouden en in die woning werd de tenaamgestelde van de witte Peugeot 206 aangetroffen. Terwijl de bus inmiddels tot stilstand was gebracht, speurde de politie in de omgeving verder naar de overige voertuigen. Even later in diezelfde nacht van 26 januari 2020 zagen verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 2] de hiervoor bedoelde Volkswagen Golf met kenteken [kenteken 3] rijden. Nadat de verbalisanten dit voertuig omstreeks 04.30 uur een stopteken hebben gegeven en de Volkswagen tot stilstand kwam, zijn de vier inzittenden aangehouden. De verdachte [verdachte] was één van de aangehouden inzittenden van de Volkswagen (dossierpagina’s 54-55). De politie rook een penetrante hennepgeur in deze Volkswagen.

Nader onderzoek wees uit dat zich tussen al die zakken hennep in de bus een muts bevond met daarop hennepgruis. Deze muts is inbeslaggenomen ten behoeve van DNA-onderzoek (dossierpagina 34). Onderzoek van het NFI (dossierpagina’s 38-44) wees uit dat ten aanzien van het verkregen DNA-mengprofiel AANT0621NL#01, betreffende de tussen de zakken hennep aangetroffen muts, de conclusie luidt dat het meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker is wanneer de bemonstering DNA bevat van de verdachte [verdachte] en drie andere willekeurige onbekende personen dan wanneer de bemonstering DNA bevat van vier willekeurige onbekende personen.

Voorts verklaarde de vaste gebruiker van de bus, te weten medeverdachte [medeverdachte 2] (dossierpagina’s 370-373), dat er op 25 januari 2020, de dag voorafgaand aan het tenlastegelegde, twee mannen voor zijn deur stonden die hij omschreef als een lange Nederlandse jongen en een kleine Libanese man. De kleine man deed het woord en vroeg of hij de bus van [medeverdachte 2] , de betreffende Opel Vivaro met kenteken [kenteken 2] , mocht lenen. [medeverdachte 2] ging daarmee akkoord. [medeverdachte 2] heeft, blijkens het proces-verbaal van bevindingen op pagina 376 van het procesdossier, medeverdachte [medeverdachte 1] herkend als de lange Nederlandse man die aan zijn deur kwam. Ook de verdachte [verdachte] werd door [medeverdachte 2] herkend als de kleine Libanese man die aan zijn deur kwam. Medeverdachte [medeverdachte 1] verklaarde op zijn beurt ten overstaan van de politie dat hij ten tijde van het tenlastegelegde de bestuurder was van de Opel Vivaro bus en onderweg was naar zijn woning, alwaar hij de in de bus aangetroffen hennepplanten zou knippen en drogen (dossierpagina’s 261-268).

Naar het oordeel van het hof bevat het procesdossier voldoende bewijs waaruit volgt dat de verdachte betrokken was bij het vervoeren van de aangetroffen hennep in de bus. Immers, uit de gebezigde bewijsmiddelen leidt het hof het volgende af.

In ieder geval drie van de vier betrokken voertuigen die volgens de politie in kolonne reden, te weten de Peugeot 206, de Opel Vivaro bus en de Volkswagen Golf, stonden in nauwe relatie tot elkaar. Niet alleen reden deze vier voertuigen in de bewuste nacht kort achter elkaar, maar ook stond de voorop rijdende Peugeot 206 op naam van de op 26 januari 2020 in de woning van medeverdachte [medeverdachte 1] aangetroffen [betrokkene] (dossierpagina 91). Diezelfde [medeverdachte 1] was op zijn beurt de bestuurder van de met hennep gevulde Opel Vivaro bus (dossierpagina 263). En in die Opel Vivaro bus – nota bene tussen de zakken hennep – werd een muts aangetroffen en inbeslaggenomen met een DNA-match met de verdachte [verdachte] . Daar komt bij dat de verdachte ten tijde van het tenlastegelegde inzittende was van de Volkswagen Golf die direct achter de Opel Vivaro bus reed en waarmee werd getracht de verbalisanten die de achtervolging hadden ingezet op afstand van de bus met hennep te brengen.

Blijkens het procesdossier werd louter in de bus hennep aangetroffen, terwijl zowel de Volkwagen Golf evenals alle inzittenden van die Volkswagen Golf naar de (kenmerkende) geur van verse hennep (dossierpagina 45) roken. Geen van de inzittenden van de Volkswagen Golf heeft voor die waarneming een verklaring willen of kunnen geven. De verdachte [verdachte] heeft weliswaar verklaard dat hij achterin de Volkswagen Golf zat, maar op de vraag wat hij kon vertellen over het vervoer van hennep was zijn antwoord “niks”, “daar weet ik niets van” en “ik weet niet waar het over gaat” (dossierpagina 317), terwijl de inzittende medeverdachten alle drie ontkennen dat er hennep in de auto lag of was geweest. Zo verklaarde [medeverdachte 3] , eigenaar en bestuurder van de Volkswagen Golf, dat in zijn auto “niks heeft gelegen” en “dat kan niet”, “ik heb niet geknipt, niet geblowd in mijn auto, niets” toen hem werd voorgehouden dat de politie een sterke henneplucht bij zijn aanhouding rook (dossierpagina 332). Medeverdachte [medeverdachte 4] , bijrijder in de Volkswagen Golf, verklaarde: “in het voertuig is er geen weed gerookt, alleen sigaretten” en “we hadden niet eens weed bij” (dossierpagina 350). Tot slot verklaarde ook medeverdachte [medeverdachte 5] , passagier achterin de Volkswagen Golf, in die trant, namelijk dat geen van de vier jongens hennep heeft gerookt in de Volkswagen Golf, want “ik rook alleen sigaretten” en “de andere hebben ook geen hennep gerookt in de auto” (dossierpagina 284). Het hof heeft geen enkele aanleiding om te twijfelen aan de verklaringen van de medeverdachten die er allemaal op neerkomen dat in de Volkswagen Golf geen hennep is gerookt of zou zijn vervoerd. Dat maakt wel dat geen van hen mitsdien een verklaring heeft gegeven voor de waarneming van de politie dat alle vier de inzittenden inclusief de auto sterk naar hennep roken terwijl met die auto kort tevoren was getracht de politie op afstand te krijgen van het vóór hen rijdende volgeladen busje met de hennep.

Naar het oordeel van het hof zijn de hiervoor bedoelde feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, redengevend voor het bewijs van het onder 1 tenlastegelegde medeplegen van het vervoeren van een hoeveelheid hennep. De verdachte heeft geen redelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring gegeven, terwijl een dergelijke verklaring, gezien de omstandigheden, naar het oordeel van het hof wel van hem mocht worden verwacht. Ten overstaan van de politie wilde de verdachte niets verklaren, ter zake van het onder 1 tenlastegelegde feit van niets te weten en zowel ter terechtzitting in eerste aanleg als in hoger beroep is de verdachte niet verschenen om enige verklaring te geven voor zijn rol bij het gebruik van de betreffende bus een dag tevoren, zijn aanwezigheid in de Volkswagen Golf die nacht achter de bus met een grote lading hennep, de aanwezigheid van een met hennepgruis bedekte muts met aan hem te relateren DNA tussen die hennep in die bus en de geur van hennep die hij net als de overige inzittenden van de Volkswagen Golf met zich droeg. Feiten en omstandigheden die naar hun uiterlijke verschijningsvorm minst genomen duiden op een actieve betrokkenheid bij het vervoer van de hennep. Dat hij van niets zou weten, acht het hof aldus alles behalve geloofwaardig of aannemelijk geworden. Het hof is van oordeel dat, mede in aanmerking nemende het uitblijven van een redengevende verklaring, het niet anders kan zijn dan dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het opzettelijk vervoeren van hennep.

Het hof acht niet bewezen dat er 104 kilogram hennep is vervoerd, nu niet kan worden vastgesteld wat er precies is gewogen door de politie. De indruk ontstaat dat dit het brutogewicht is inclusief de zakken, de potten en de kluiten/wortels.

Het hof verwerpt het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging mitsdien in al zijn onderdelen.

Ten aanzien van feit 2 en feit 3

De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden zoals weergegeven in de bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

Het onder 2 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

Het onder 3 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

wederspannigheid.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

Op te leggen sanctie

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Meer in het bijzonder overweegt het hof het navolgende.

De verdachte treft het verwijt dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het vervoeren van een grote hoeveelheid hennep (feit 1). Door aldus te handelen heeft de verdachte een bijdrage geleverd aan het in stand houden van illegale handel in hennep en aan het criminele circuit dat zich doorgaans rondom illegale hennepteelt ontvouwt. Bovendien kan het frequent gebruik van softdrugs schadelijk zijn voor de gezondheid van de gebruikers van die middelen. Voorts heeft de verdachte een politieambtenaar tijdens zijn werk beledigd door hem de woorden “kankermongool”, “hoerenzoon” en “kankerflikker” toe te voegen en hem in het gezicht te spugen (feit 2) en heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan wederspannigheid tijdens zijn aanhouding (feit 3). De verdachte heeft met dit gedrag blijk gegeven van een gebrek aan respect voor het openbaar gezag. Politieambtenaren moeten in het belang van de openbare orde en de veiligheid hun werkzaamheden kunnen uitvoeren zonder met beledigingen geconfronteerd te worden en dienen niet gehinderd te worden in de rechtmatige uitoefening van hun bediening. Bovendien neemt het hof in aanmerking dat het spugen in andermans gezicht zeer onsmakelijk en afkeurenswaardig is. Het hof rekent de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.

Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 31 maart 2025, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat de verdachte eerder – zij het al langer geleden – onherroepelijk is veroordeeld ter zake van belediging van een ambtenaar in functie en Opiumwetdelicten. Uit voormeld uittreksel volgt tevens dat het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.

Het hof heeft tevens acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Hoewel de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan ernstige strafbare feiten, zal het hof bij de op te leggen straf in het voordeel van de verdachte meewegen dat niet met zekerheid kan worden vastgesteld welke hoeveelheid hennep daadwerkelijk is vervoerd. De gemeten hoeveelheid van 104 kilogram hennep beslaat immers mede het gewicht van dertien vuilniszakken en twee boodschappentassen, terwijl de henneptakken in de twee kratten niet zouden zijn meegewogen. Bovendien volgt uit het procesdossier dat in de bus volledige hennepplanten én henneptakken zijn aangetroffen, waarbij het voor het hof niet duidelijk is geworden of deze planten bijvoorbeeld nog een kluit en/of wortels bevatten. Voorts heeft het hof zich bij het bepalen van de op te leggen straf rekenschap gegeven van de omstandigheid dat sprake is van een ruim tijdsverloop sinds de bewezenverklaarde feiten en de verdachte zich blijkens het uittreksel uit de Justitiële Documentatie nadien niet meer schuldig heeft gemaakt aan soortgelijke strafbare feiten. Het hof ziet, gelet op de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten, evenwel geen aanleiding om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, zoals door de raadsman is bepleit.

Gelet op het vorenoverwogene zou het hof in beginsel oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden met een proeftijd van twee jaren, alsmede een taakstraf voor de duur van 220 uren subsidiair 110 dagen hechtenis, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden achten.

Met betrekking tot het procesverloop overweegt het hof in deze zaak evenwel nog het volgende.

Het hof heeft in aanmerking genomen dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling en afdoening van zijn strafzaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM). Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven.

Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting in eerste aanleg dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaren nadat vanwege de Staat der Nederlanden jegens de verdachte een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie strafvervolging zal worden ingesteld. Voorts heeft als uitgangspunt te gelden dat de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep wordt afgerond met een eindarrest binnen twee jaren nadat het hoger beroep is ingesteld.

Het hof stelt vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM in eerste aanleg met ruim vier maanden is overschreden, nu de verdachte op 26 januari 2020 in verzekering is gesteld en het vonnis in eerste aanleg is gewezen op 1 juni 2023. Het hof stelt tevens vast dat de redelijke termijn in hoger beroep met circa een maand is overschreden, nu bij akte van 5 juni 2023 namens de verdachte hoger beroep is ingesteld en het hof bij arrest van heden, te weten 7 juli 2025, einduitspraak doet. Van bijzondere omstandigheden die de overschrijding van de redelijke termijn rechtvaardigen, is het hof niet gebleken.

Gelet op het vorenoverwogene zal het hof de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg en in hoger beroep in het voordeel van verdachte verdisconteren in de straftoemeting, in die zin dat het hof de aan de verdachte op te leggen taakstraf zal matigen met veertig uren.

Alles afwegende acht het hof oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden met een proeftijd van twee jaren, alsmede een taakstraf voor de duur van 180 uren subsidiair 90 dagen hechtenis met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, passend en geboden. Met oplegging van deze gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Beslag

Bij gelegenheid van het onderzoek zijn een muts (omschrijving: G2150023, zwart) en een lamp (omschrijving: G2150025) inbeslaggenomen.

Hoewel deze voorwerpen door middel van een DNA-match aan de verdachte zijn te linken, heeft de verdachte hierover niet verklaard. Desalniettemin gaat het hof ervan uit dat deze voorwerpen, gelet op die DNA-matches als vermeld in het dossier, aan de verdachte toebehoren. Deze inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen zijn vatbaar voor verbeurdverklaring, nu uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende naar voren is gekomen dat het voorwerpen betreft die gebruikt zijn bij enige uitvoering van het bewezenverklaarde feit onder 1. Mitsdien zal het hof daartoe overgaan.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33, 33a, 47, 57, 63, 180, 266 en 267 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht;

verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden;

bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 90 (negentig) dagen hechtenis;

beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- 1 STK Muts (Omschrijving: G2150023, zwart) en

- 1 STK Lamp (Omschrijving: G2150025).

Aldus gewezen door:

mr. L. Feraaune, voorzitter,

mr. A.M.G. Smit en mr. N.I.B.M. Buljevic, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. A. Burgmeijer, griffier,

en op 7 juli 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. Smit is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?