Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, van 25 november 2024, parketnummer 02-281878-24 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf, parketnummer 02-206174-21, in de strafzaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1990,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van verduistering veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden, waarvan 1 maand voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.
De vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf is door de politierechter afgewezen.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte ter zake daarvan zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden, waarvan 1 maand voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.
Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden wordt bevolen.
De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft zij een strafmaatverweer gevoerd. De vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf moet naar haar mening worden afgewezen, dan wel worden omgezet in een taakstraf.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij in of omstreeks de periode van 15 januari 2024 tot en met 18 januari 2024 te Waalwijk, althans in Nederland, opzettelijk een diesel-heater en/of een elektro-heater en/of een
stof-/waterzuiger, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, en welk goed hij, verdachte, anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als huurder, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij in de periode van 15 januari 2024 tot en met 18 januari 2024 te Waalwijk, opzettelijk een diesel-heater en een elektro-heater en een stof-/waterzuiger, toebehorende aan [bedrijf 1] , en welk goed hij, verdachte, anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als huurder, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.
Bewijsoverwegingen
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de
feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
De raadsman van de verdachte heeft (primair) vrijspraak bepleit. Hij heeft daartoe
– samengevat – het volgende aangevoerd. De verdachte heeft de in de tenlastelegging genoemde goederen uitgeleend aan een Poolse man met wie hij samen een klus zou doen. Het was de bedoeling van de verdachte dat die goederen daarna zouden worden teruggegeven aan [bedrijf 1] Dat dat niet is gebeurd, maakt wellicht dat de verdachte naar civiel recht aansprakelijk is voor de schade, maar levert geen verduistering op. De verdachte heeft niet als heer en meester over die goederen beschikt. Ook was zijn opzet niet gericht op de wederrechtelijke toe-eigening daarvan.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Op grond van de gebruikte bewijsmiddelen stelt het hof vast dat de verdachte op 15 januari 2024 op naam van zijn eenmanszaak, [bedrijf 2] , een huurovereenkomst heeft gesloten met [bedrijf 1] voor de huur van een dieselheater en een elektroheater voor de periode van 15 januari 2024 te 15.39 uur tot 18 januari 2024 te 17.00 uur.
Op 16 januari 2024 heeft de verdachte, wederom op naam van zijn eenmanszaak [bedrijf 2] , een huurovereenkomst gesloten met [bedrijf 1] voor de huur van een stof-/waterzuiger voor de periode van 16 januari 2024 te 15.07 uur tot 17 januari 2024 te 15.07 uur.
Na afloop van de huurtermijnen heeft de verdachte de gehuurde goederen niet geretourneerd. Ook reageerde hij niet op aanmaningsbrieven van [bedrijf 1] en heeft hij niet uit eigen beweging contact opgenomen met [bedrijf 1]
Bij de politie heeft de verdachte – zakelijk weergegeven – verklaard dat hij de gehuurde goederen heeft gehuurd ten behoeve van en vervolgens ook heeft uitgeleend aan een Poolse meneer, van wie hij alleen weet dat hij [betrokkene] heet (zonder te weten hoe dat moet worden geschreven). De verdachte zou die [betrokkene] gaan helpen bij een klus, maar hij weet niet wat voor klus. Hij neemt aan dat er ergens een kelder onder zou zijn gelopen, maar de klus is er nooit van gekomen. Hij heeft geen contact meer met die Poolse meneer.
Uitgaande van de juistheid van deze verklaring van de verdachte, heeft hij, door de gehuurde goederen uit te lenen aan een man, van wie hij niet méér weet dan dat deze [betrokkene] heet, zonder bovendien voor zichzelf enige vorm van zekerheid te creëren dat hij de goederen terugkrijgt en tijdig vóór het aflopen van de huurtermijnen kan inleveren bij [bedrijf 1] , zonder daartoe gerechtigd te zijn als heer en meester beschikt over goederen die aan een ander toebehoren en heeft hij willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij door aldus te handelen de goederen die hij anders dan door misdrijf onder zich had zich wederrechtelijk zou toe-eigenen. Het hof ziet zich in dit oordeel gesterkt door het feit dat de verdachte er geen enkele blijk van heeft gegeven dat hij zich ook maar enige moeite heeft getroost om de goederen tijdig terug te krijgen en door het feit dat hij niet uit eigen beweging contact heeft opgenomen met [bedrijf 1] om uit te leggen wat er was gebeurd.
Het verweer wordt daarom verworpen.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als:
verduistering.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
De raadsman van de verdachte heeft (subsidiair) een strafmaatverweer gevoerd. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de geldwaarde van de verduisterde goederen niet hoog is en dat de verdachte weliswaar een uitgebreid strafblad heeft, maar dat dat oude feiten zijn. De raadsman heeft daarom primair verzocht een geldboete op te leggen, subsidiair een taakstraf.
Met betrekking tot de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf heeft de raadsman gevraagd deze af te wijzen dan wel om de straf om te zetten in een taakstraf.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verduistering van gereedschappen die hij van [bedrijf 1] had gehuurd. De verdachte heeft er aldus blijk van gegeven dat hij geen enkel respect heeft voor andermans eigendommen.
Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft het hof acht geslagen op het uittreksel van de Justitiële Informatiedienst d.d. 20 maart 2025, de verdachte betreffend. Hieruit blijkt dat de verdachte diverse malen onherroepelijk is veroordeeld, onder meer voor vermogensdelicten, hetgeen de verdachte er kennelijk niet van heeft weerhouden om opnieuw een dergelijk feit te begaan.
Gelet op de relatief beperkte waarde van de verduisterde goederen ziet het hof, anders dan de politierechter, aanleiding om aan de verdachte een geldboete op te leggen van na te melden hoogte en tevens, gelet op het forse strafblad van de verdachte, een voorwaardelijke gevangenisstraf van na melden duur. Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboete heeft het hof rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.
Met oplegging daarnaast van een voorwaardelijke gevangenisstraf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Vordering tenuitvoerlegging
De officier van justitie in het arrondissement Zeeland-West-Brabant heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden, opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 19 november 2021 onder parketnummer 02-206174-21. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
Het hof is met betrekking tot deze vordering – anders dan de politierechter – van oordeel dat, nu gebleken is dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt en geen bijzondere omstandigheden aannemelijk zijn geworden die aan toewijzing van de vordering in de weg staan, de tenuitvoerlegging van de gehele voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf dient te worden gelast.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 63 en 321 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 2.000,00 (tweeduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis.
Beveelt de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 19 november 2021, parketnummer 02-206174-21, te weten van: een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.
Aldus gewezen door:
mr. L. Feraaune, voorzitter,
mr. A.M.G. Smit en mr. T. van de Woestijne, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. I. Kroes, griffier,
en op 16 juni 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.