Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 17 mei 2024, parketnummer 03-147917-24 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf, parketnummer 03-137420-20, in de strafzaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1984,
thans uit anderen hoofde verblijvende in [detentieadres] .
Hoger beroep
Bij voormeld vonnis is de verdachte ter zake van ‘Doxing, terwijl het feit wordt gepleegd tegen een persoon in diens hoedanigheid van ambtenaar van politie’, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.
Daarnaast heeft de eerste rechter:
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende:
De verdediging heeft:
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat de eerste rechter heeft volstaan met aantekening van de uitspraak op een aan het dubbel van de dagvaarding gehecht stuk, maar het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 van het Wetboek van Strafvordering.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 18 april 2024 te Maastricht, althans in Nederland, een of meer persoonsgegevens van een ander/of een derde, te weten een persoon (bekend in dossier onder nummer [codenaam] ) zich heeft verschaft, heeft verspreid en/of anderszins ter beschikking heeft gesteld, met het oogmerk om die persoon [codenaam]
- vrees aan te (laten) jagen;
- ernstige overlast aan te (laten) doen en/of
- in de uitoefening van zijn ambt of beroep ernstig te (laten) hinderen,
terwijl dit feit werd gepleegd tegen een persoon in diens hoedanigheid van een politieagent.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 18 april 2024 te Maastricht, een of meer persoonsgegevens van een ander, te weten een persoon, bekend in dossier onder nummer [codenaam] , zich heeft verschaft en heeft verspreid, met het oogmerk om die persoon [codenaam]
- vrees aan te (laten) jagen;
- ernstige overlast aan te (laten) doen en
- in de uitoefening van zijn ambt of beroep ernstig te (laten) hinderen,
terwijl dit feit werd gepleegd tegen een persoon in diens hoedanigheid van een politieagent.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.
Bewijsoverwegingen
De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de
feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
Zich persoonsgegevens van een ander verschaffen en deze gegevens verspreiden met het oogmerk om die ander vrees aan te jagen dan wel aan te laten jagen, ernstige overlast aan te doen dan wel aan te laten doen en hem in de uitoefening van zijn ambt ernstig te hinderen dan wel te doen hinderen, terwijl het feit wordt gepleegd tegen een persoon in diens hoedanigheid van ambtenaar van politie.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.
Op te leggen straf
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
Ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde heeft het hof in het bijzonder gelet op het navolgende.
De verdachte heeft zich ten aanzien van het slachtoffer, een ambtenaar van politie, schuldig gemaakt aan ‘doxing’, door tweemaal op Facebook een voor het slachtoffer kwetsende, beledigende en bedreigende tekst te plaatsen met daarbij een foto van het slachtoffer gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn politietaak, te weten: een verkeerscontrole aan de personenauto van de verdachte op de openbare weg. In de tekst roept de verdachte lezers van de berichten onder meer op om de naam en het adres van het slachtoffer aan hem bekend te maken, looft hij voor informatie over het slachtoffer een beloning uit, geeft hij aan dat hij inmiddels weet in welke wijk het slachtoffer woont en wekt hij daarmee de suggestie dat hij het slachtoffer thuis wil gaan opzoeken.
Deze door de verdachte geplaatste berichten waren, in het bijzonder vanwege de daarbij geplaatste foto, telkens herleidbaar naar het desbetreffende slachtoffer.
Door het handelen van de verdachte had het slachtoffer geen controle over het beeldmateriaal en de informatie die over hem werd gedeeld en heeft hij gevreesd dat de verdachte hem thuis zou komen opzoeken. Als gevolg daarvan heeft het slachtoffer op last van zijn werkgever tijdelijk in een beveiligd onderkomen moeten verblijven. Het bewezen verklaarde feit heeft bij het slachtoffer overlast en angstgevoelens veroorzaakt, zoals mede blijkt uit de toelichting op de vordering van de benadeelde partij.
Het is een feit van algemene bekendheid dat het delen van gegevens in een online omgeving het risico met zich brengt dat informatie gedurende lange tijd beschikbaar blijft of zelfs nooit wordt verwijderd.
Het hof rekent het de verdachte zeer aan dat hij vanuit zijn woede jegens het slachtoffer heeft gehandeld met de bedoeling om hem te schaden en niet heeft nagedacht over de gevolgen daarvan. De verdachte heeft met zijn handelen immers ook een podium gecreëerd voor andere kwaadwillenden, die zich (vaak anoniem) op het internet uiten. Dergelijke (oproepen tot) inbreuken op de persoonlijke levenssfeer kunnen dan ook leiden tot ander delictgedrag.
Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof in het bijzonder gelet op de inhoud van het hem betreffend:
Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. De verdachte zou een trauma voortkomend uit ernstige gebeurtenissen uit het verleden hebben, waarvoor hij buiten de gevangenis EMDR zou kunnen krijgen.
Op grond daarvan acht het hof – met de advocaat-generaal en de verdediging – oplegging van een (onvoorwaardelijke) gevangenisstraf passend, noch geboden, en zal in plaats daarvan een taakstraf voor het hierna te vermelden aantal uren worden opgelegd.
Voor het geval de verdachte de taakstraf niet naar behoren vervult, zal het hof bevelen dat aan hem vervangende hechtenis zal worden opgelegd voor de hierna te vermelden duur.
Vordering van de benadeelde partij (met de codenaam) [codenaam]
De benadeelde partij heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot vergoeding van geleden immateriële schade tot een bedrag van € 1.150,00. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep geheel toegewezen, zodat de voeging van rechtswege voortduurt in hoger beroep.
De vordering is betwist. Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde rechtstreeks nadeel is toegebracht dat niet in vermogensschade bestaat. Dit is aan de verdachte toe te rekenen. Aan de wettelijke vereisten, waaronder artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek, is voldaan.
Naar maatstaven van billijkheid wordt deze schade begroot op € 750,- en zal het meer of anders gevorderde worden afgewezen. De proceskosten van de benadeelde partij worden ten laste van de verdachte gebracht, doch tot op heden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer, bekend onder de codenaam [codenaam] , is toegebracht tot een bedrag van € 750,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling van maximaal na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Vordering tot tenuitvoerlegging
Het hof is ten aanzien van de vordering van de officier van justitie bij het arrondissementsparket Limburg van 3 mei 2024, tot tenuitvoerlegging van de bij arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 27 december 2022 in de zaak met parketnummer 20-002218-21 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van 130 dagen, van oordeel, dat - nu gebleken is dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt - de vordering in beginsel voor toewijzing gereed ligt. Op grond van hetgeen omtrent de persoon van de verdachte uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen, ziet het hof echter reden om, overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal, niet de gehele vordering toe te wijzen, maar om slechts de gedeeltelijke tenuitvoerlegging van voormelde voorwaardelijke straf te gelasten, te weten: tot een gevangenisstraf voor de duur van 80 dagen, met aftrek van de tijd dat deze voorwaardelijke straf reeds ten uitvoer is gelegd.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f en 285d van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 160 (honderdzestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 80 (tachtig) dagen hechtenis.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [codenaam] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [codenaam] , ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt dat ten hoogste 15 (vijftien) dagen gijzeling kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 18 april 2024.
Beveelt de tenuitvoerlegging van een gedeelte van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 27 december 2022 in de zaak met parketnummer 20-002218-21, te weten van:
een gevangenisstraf voor de duur van 80 (tachtig) dagen, met aftrek van de tijd dat deze voorwaardelijke straf al ten uitvoer is gelegd.
Aldus gewezen door:
mr. dr. M.M. Koevoets, voorzitter,
mr. W.F. Koolen en mr. T. van de Woestijne, raadsheren,
in tegenwoordigheid van R.H. Boekelman, griffier,
en op 6 juni 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. Koolen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.