Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 24 november 2023, in de strafzaak met parketnummer 02-216708-23 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1992,
door de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep opgegeven adres:
[adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter het primair tenlastegelegde bewezenverklaard, dit gekwalificeerd als ‘diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen’ en de verdachte daarvoor veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden. Voorts heeft de politierechter een beslissing genomen op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] als nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.
De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft de verdediging een straftoemetingsverweer gevoerd. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] heeft de verdediging zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij – gelet op de bepleite vrijspraak – niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Subsidiair heeft de verdediging verzocht de vordering te matigen.
Vonnis waarvan beroep
Het hof kan zich op onderdelen niet met het beroepen vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 2 mei 2023 te Oosterhout tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een portemonnee en/of passenhouder en/of een of meerdere bedragen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander dan aan hem, verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door die [slachtoffer] - vast te pakken en/of vast te houden en/of
- tegen de grond te trekken en/of te duwen en/of
- tegen het hoofd te schoppen en/of
- tegen zijn mond, althans tegen het gezicht met gebalde vuist te stompen;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 2 mei 2023 te Oosterhout tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer]
- vast te pakken en/of vast te houden en/of
- tegen de grond te trekken en/of te duwen en/of
- tegen het hoofd te schoppen en/of
- tegen zijn mond, althans tegen het gezicht met gebalde vuist te stompen.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 2 mei 2023 te Oosterhout tezamen en in vereniging met een ander een passenhouder en een bedrag die aan [slachtoffer] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd vergezeld van geweld tegen [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, door die [slachtoffer]
- vast te pakken en
- tegen de grond te trekken en te duwen en
- tegen het hoofd te schoppen en
- tegen zijn mond met gebalde vuist te stompen.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
1. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 10 mei 2023 (p. 5-9), voor zover inhoudende als verklaring van aangever [slachtoffer] :
Plaats delict: [straat] Oosterhout
Pleegdatum/tijd: 2 mei 2023 tussen 18:33 uur en 18:46 uur
Op 2 mei 2023 stuurde ik [verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte) een bericht via WhatsApp op telefoonnummer [telefoonnummer] of hij voor de middag langs wilde komen om het geld te brengen. Hij stuurde mij een WhatsApp bericht terug: "Kom [straat] . zeistraat van Willemse". Ik ben lopend naar de [straat] gegaan. Ik zag dat [verdachte] tegen een beige kleurige [auto] auto aan stond. Ik liep naar [verdachte] toe, ik vroeg of hij mijn geld bij zich had. Ik hoorde dat hij zei: "nee". Ik zag vanuit mijn ooghoek dat er een man (het hof begrijpt: de medeverdachte [medeverdachte] ) aan kwam lopen. Ik voelde ineens dat ik werd vastgegrepen bij mijn armen. Ik hoorde dat de man zei in het Turks: "haal je geld tevoorschijn". Ik voelde dat de man mijn jas over mijn hoofd probeerde te trekken. Er werd aan mij getrokken en geduwd waardoor ik op de grond belandde. Terwijl ik op de grond lag hield de man mij vast. Ik hoorde dat de man tegen [verdachte] zei dat hij mij moest schoppen. Ik zag dat [verdachte] aarzelde, waardoor ik de tijd had om mijn hoofd te beschermen. Gelukkig maar, want op dat moment zag ik dat [verdachte] uithaalde met zijn been richting mijn hoofd. Ik voelde dat zijn geschoeide voet de achterkant van mijn hoofd schampte. Ik zag dat de man mijn pasjeshouder uit de binnenzak van mijn jas pakte, snel de [auto] in ging en op de bestuurderstoel ging zitten. Ik zag dat [verdachte] op de passagiersstoel ging zitten. Ik zag dat de man mijn pasjeshouder openmaakte en er zeshonderd euro uitpakte. Ik zag dat de man (het hof begrijpt: de medeverdachte [medeverdachte]) met gebalde hand uithaalde. Ik voelde dat hij mij vol raakte op mijn mond. Ik zag dat de [auto] wegreed.
Op 3 mei 2023 ging ik naar de tandartsenpost. De tandarts plaatste een spalk aan de voorzijde van mijn boventanden, dit om mijn losse tand vast te zetten. Mijn kleding heeft schade opgelopen waardoor ik het nu niet meer kan dragen. Het gaat
om de volgende kleding:
- North face jas, zwartkleurig;
- Ralph Lauren polo, groenkleurig.
2. Het proces-verbaal van getuigenverhoor van de getuige [slachtoffer] door de raadsheer-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in dit gerechtshof, d.d. 15 oktober 2024 (bron II), voor zover inhoudende als verklaring van de getuige:
U houdt mij voor dat [verdachte] ervan wordt verdacht dat hij, samen met iemand
anders, op 2 mei 2023 in Oosterhout een diefstal met geweld tegen mij heeft gepleegd.
U zegt mij dat u heeft gelezen dat na het incident bij mij een paar tanden los zaten en dat de tandarts die tanden heeft vastgezet met een noodspalk. Er zaten twee tanden los aan mijn bovengebit. Ze hebben daar, aan de voorkant van mijn gebit, over vier tanden een noodspalk gezet.
Op 2 mei (het hof begrijpt: 2 mei 2023) zei hij: kom naar de [straat] en toen is het gebeurd. Ik zag [verdachte] . Hij leunde tegen een [auto] . Toen zei ik iets van: wat was dat nou. Toen zag ik uit mijn andere ooghoek iemand aankomen, dat was die [medeverdachte] . Ze praatten met elkaar. Ze hebben mij samen gepakt. U vraagt mij of er op het moment dat ik de man van links aan zag komen lopen er ook contact was tussen hem en [verdachte] . Ja, overleg over wat ze zouden doen. Die man zei in het Turks: haal je zakken leeg. Toen begon de worsteling. Mijn jas ging over mijn hoofd heen, die hebben ze daarover heen getrokken. Vanaf toen ging het heel snel. U zegt mij dat ik het heb over ‘ze’ en u vraagt mij of ze mijn jas met z’n tweeën over mijn hoofd trokken. Ja, samen of om de beurt. Het kunnen drie of vier handen zijn geweest die mij hebben vastgepakt. Het waren [medeverdachte] en [verdachte] . Ik herinner mij dat ik op een gegeven moment op de grond lag en dat [medeverdachte] in het Turks zei: schoppen, schoppen. Ik merkte dat [verdachte] aarzelde, ik kon toen een beweging maken waardoor ik probeerde te ontwijken dat ik zou worden geraakt. [verdachte] heeft toen wel proberen te schoppen maar dat schaafde achter mijn hoofd langs omdat ik op de grond lag met mijn buik omhoog en daardoor heb ik de schop voor een groot deel kunnen ontwijken.
Uiteindelijk zijn ze met mijn pashouder uit mijn zak vertrokken, ze zijn met een auto vertrokken. [medeverdachte] zat aan de bestuurderskant, [verdachte] zat op de passagiersstoel. Toen maakten ze mijn pashouder open. Aan de achterkant van een vakje van de pashouder daar zat 600 euro. Mijn pashouder hebben ze tijdens de worsteling uit mijn jas gepakt. Ik wilde die terug hebben. Toen kreeg ik met [medeverdachte] voor de tweede keer een worsteling. Die worsteling was bij de autodeur. [medeverdachte] heeft toen, terwijl hij in de auto zat en het raam open was, mij op mijn gezicht geslagen. [medeverdachte] heeft nog Whatsappberichten naar mij gestuurd.
3. Een geschrift, te weten een screenshot van Whatsapp-berichten tussen [slachtoffer] en de verdachte (p. 39-40), voor zover inhoudende:
A: aangever [slachtoffer]
T: verdachte [verdachte]
30 april 2023
A: Hé maat (21:51)
A: Kom je nog ff langs voor die 2 tientjes af te geven aub? (21:52)
1 mei 2023
A: Denk je nog even aan me maat (16:00)
2 mei 2023
A: Kom je even voor de middag langs? Anders kom ik langs jou (07:47)
T: Kom [straat] (18:33)
T: Zeistraat van willemse (18:33)
A: Kom eraan (18:33)
4. Een geschrift, te weten een screenshot van Whatsapp-berichten tussen [slachtoffer] en de medeverdachte en de vertaling daarvan (p. 74-79), voor zover inhoudende:
A: aangever [slachtoffer]
E: medeverdachte [medeverdachte]
2 mei 2023
E: Broer, de jongen gaat jouw geld gelijk brengen (20:38)
E: Ik heb respect voor je vader (20:39)
A: Als je respect voor mijn vader had gehad, dan had je niet zo gedaan (20:43)
A: Je gaat het geld voor mijn tand betalen en je gaat mijn geld teruggeven (20:43)
E: Ik? (20:43)
E: Je hebt niks bij mij (20:44)
A: We gaan het zien (20:44)
E: Verwijder dit F oké (10:37)
E: Ik bied je mijn excuses aan, ik heb mij laten opfokken door [verdachte] (10:40)
E: Ik ben schuldig (10:40)
5. De eigen waarneming van het hof ten aanzien van de afbeeldingen van aangever [slachtoffer] (p. 10-28) waarop het hof waarneemt: verschillende (schaaf)wonden in het gezicht, op de schouders, armen, buik en rug, alsmede een kapotte mouw van een groenkleurig poloshirt en een kapotte jas.
Bewijsoverwegingen
Algemene overweging
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de
feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Verweer van de verdediging
De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep – op gronden zoals opgenomen in de overgelegde pleitnota – bepleit dat de verdachte van het primair en subsidiair tenlastegelegde integraal dient te worden vrijgesproken. Daartoe is – kort gezegd – aangevoerd dat de verdachte een alternatieve lezing heeft geschetst over hetgeen heeft plaatsgehad, namelijk dat hij met aangever [slachtoffer] heeft afgesproken in verband met het betalen van een eerder geleend geldbedrag, dat de verdachte geen geld of andere goederen heeft gestolen en dat hij evenmin geweldshandelingen heeft verricht. De inhoud van het dossier kan volgens de verdediging dan ook geen bewezenverklaring dragen.
Voorts heeft de verdediging betoogd dat aangever pas acht dagen na 2 mei 2023 aangifte heeft gedaan en dat hij in zijn verschillende verklaringen tegenstrijdig heeft verklaard.
Ook is niet dan wel onvoldoende duidelijk wanneer de foto’s van het letsel zijn gemaakt en wanneer het letsel dat op de foto’s is te zien is ontstaan.
Ten slotte kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat sprake is van medeplegen van diefstal met geweld. De enkele aanwezigheid van de verdachte en het mogelijk niet distantiëren is onvoldoende om tot een bewezenverklaring van medeplegen te komen, aldus de verdediging.
Oordeel van het hof
Het hof acht op grond van de inhoud van het dossier het niet aannemelijk geworden dat de verdachte op 2 mei 2023 enkel aanwezig was in de [straat] in Oosterhout. Aangever heeft verklaard dat hij door de verdachte was gevraagd naar de [straat] te komen, waar hij bij aankomst door de verdachte en de medeverdachte werd vastgepakt en gesommeerd zijn zakken leeg te halen. Daarna ontstond een worsteling, waarbij met geweld door de verdachte en zijn medeverdachte een passenhouder met daarin een geldbedrag van aangever werd ontnomen en nadien ook nog geweld jegens hem is gebruikt. De verklaringen van aangever hierover zijn niet alleen gedetailleerd en consistent, maar vinden ook steun in de overige inhoud van het dossier.
In de omstandigheid dat [slachtoffer] pas op 10 mei 2023 aangifte heeft gedaan ziet het hof geen reden om te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van hetgeen hij heeft verklaard. Ook in de door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep genoemde verschillen in de verklaringen van [slachtoffer] ziet het hof geen reden om daaraan te twijfelen. De afgelegde verklaringen zijn naar het oordeel van het hof niet alleen gedetailleerd en consistent, maar vinden ook steun in de overige inhoud van het dossier. In dit verband wijst het hof op de berichten die zowel voorafgaand aan het feit als daarna door [slachtoffer] , de verdachte en de medeverdachte zijn verstuurd. Voorts vinden de verklaringen van aangever steun in de foto’s waarop het toegebrachte letsel en de schade aan de kleding is vastgelegd. De betreffende foto’s zijn als bijlage achter de aangifte in het dossier opgenomen en aangeduid als ‘fotobijlage aangifte’. Gelet hierop kan naar het oordeel van het hof genoegzaam worden vastgesteld dat de foto’s zijn gemaakt bij de gelegenheid van het kunnen doen van de aangifte. Hetgeen op de foto’s is waar te nemen dient bovendien te worden bezien in onderling verband en samenhang met de overige bewijsmiddelen in het dossier. Naar het oordeel van het hof vinden de verklaringen van aangeversteun in hetgeen op de foto’s is waar te nemen. In dit verband wijst het hof in het bijzonder op de diverse (schaaf)wonden op het lichaam van [slachtoffer] , hetgeen aansluit bij de omstandigheid dat hij tegen de grond is getrokken en geduwd. Ook de waar te nemen schade aan de kleding van [slachtoffer] sluit aan bij hetgeen hij daaromtrent heeft verklaard.
Ten aanzien van de vraag of wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich samen met een ander schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde overweegt het hof als volgt.
Het hof stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.
Uit de inhoud van het dossier leidt het hof met betrekking tot de betrokkenheid van de verdachte af dat hij aangever heeft gevraagd naar de [straat] te Oosterhout te komen. De medeverdachte [medeverdachte] kwam eveneens op verzoek van de verdachte naar de [straat] . Uit de door aangever ten overstaan van de raadsheer-commissaris op 15 oktober 2024 afgelegde verklaring blijkt dat de verdachte en de medeverdachte met elkaar spraken en dat zij beiden aangever ‘hebben gepakt’. Aangever heeft gevoeld dat de verdachte en de medeverdachte samen of om de beurt zijn jas over zijn hoofd hebben getrokken. Volgens aangever waren het drie of vier handen die hem daarbij hebben vastgepakt. Op enig moment heeft de medeverdachte gezegd ‘schoppen, schoppen’. De verdachte heeft toen geschopt en heeft daarbij de achterkant van het hoofd van [slachtoffer] geschampt. Daarna werd [slachtoffer] ook door de medeverdachte op zijn mond geslagen. Uiteindelijk zijn de verdachte en de medeverdachte gezamenlijk met de pashouder en een geldbedrag van aangever vertrokken.
Op grond van het voorgaande oordeelt het hof dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachte die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht het hof het tenlastegelegde medeplegen bewezen.
De verweren strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt in al hun onderdelen dan ook verworpen.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het primair bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging bepleit dat – indien en voor zover tot een bewezenverklaring zou worden gekomen – aan de verdachte een taakstraf dient te worden opgelegd.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich op 2 mei 2023 samen met ander schuldig heeft gemaakt aan diefstal, waarbij door de verdachte en zijn medeverdachte ook geweld is toegepast. Het slachtoffer werd onder andere vastgepakt en tegen zijn hoofd geschopt. Door aldus te handelen heeft de verdachte op een zeer ernstige wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Verdachtes handelen getuigt bovendien van een gebrek aan respect voor het eigendomsrecht van een ander. Het bewezenverklaarde handelen heeft niet alleen ingrijpende gevolgen voor het slachtoffer, maar brengt ook gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving teweeg. Het hof rekent dit de verdachte dan ook zwaar aan. Voorts merkt het hof de verdachte aan als initiator van het geweldsincident. Dit weegt ten nadele van de verdachte mee bij de op te leggen sanctie.
Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof rekening gehouden met de inhoud van een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 31 januari 2025.
Uit dit uittreksel blijkt dat de verdachte voorafgaand aan het bewezenverklaarde handelen in 2019 onherroepelijk is veroordeeld wegens mishandeling. Deze eerdere veroordeling heeft de verdachte er kennelijk niet van weerhouden zich schuldig te maken aan het bewezenverklaarde handelen.
Gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde handelen kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Oplegging van een taakstraf – zoals door de verdediging is bepleit – doet naar het oordeel van het hof onvoldoende recht aan de aard en ernst van het feit en acht het hof derhalve niet passend.
Alle omstandigheden afwegende acht het hof het passend en geboden de verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 5.341,71, bestaande uit € 2,841,71 aan materiële schade en € 2.500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.
De gevorderde materiële schade bestaat – volgens uit schade-onderbouwingsformulier – uit de volgende posten:
Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de vordering gedeeltelijk toegewezen, te weten tot een bedrag van € 2.339,62, bestaande uit € 589,62 aan materiële schade en
€ 1.750,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 mei 2023 tot aan de dag der algehele voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht. De politierechter heeft bepaald dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is en dat de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat de vordering overeenkomstig de beslissing van de politierechter voor toewijzing in aanmerking komt.
De verdediging heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij – gelet op de bepleite vrijspraak – niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Subsidiair heeft de verdediging verzocht de vordering te matigen, waarbij aansluiting kan worden gezocht bij het oordeel van de politierechter, aldus de verdediging.
Het hof overweegt als volgt.
Materiële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer] als gevolg van verdachtes bewezenverklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 589,62 aan materiële schade. Het gaat hierbij om de posten geld (€ 50,00), jas (€ 137,97), spoedtandarts (€ 251,75), T-shirt (€ 119,00) en pasjeshouder, met dien verstande dat het hof de schade van deze laatste post vaststelt op een bedrag van
€ 30,90. Ten aanzien van de post toekomstige tandartskosten is het hof van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat deze kosten rechtstreeks voortvloeien uit het bewezenverklaarde handelen. Tijdens de procedure in hoger beroep is deze post door of namens de benadeelde partij ook niet nader toegelicht en/of van een (nadere) onderbouwing voorzien. Indien de benadeelde partij in de gelegenheid zou worden gesteld om de vordering nader toe te lichten, zou dat een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. Het hof zal de ook bepalen dat de vordering in zoverre niet-ontvankelijk is en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Immateriële schade
Artikel 6:95 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat schade die bestaat in ander nadeel dan vermogensschade, zoals immateriële schade, slechts kan worden vergoed voor zover de wet op vergoeding daarvan recht geeft. Artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek geeft hiervoor een nadere regeling. Deze regeling houdt – voor zover van belang – het volgende in:
‘1. Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde onder meer recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding (…)
b. indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.’
Uit het dossier blijkt dat de verdachte zich samen met een ander schuldig heeft gemaakt aan diefstal waarbij jegens de benadeelde partij geweld is toegepast. Gelet op de foto’s die zich in het dossier bevinden, stelt het hof vast dat de benadeelde partij ten gevolge van het bewezenverklaarde handelen lichamelijk letsel heeft opgelopen, zodat reeds op grond hiervan een vergoeding wegens immateriële schade kan worden toegekend. Voorts brengen de aard en de ernst van de normschending naar het oordeel van het hof met zich dat de in dit verband nadelige gevolgen van het bewezenverklaarde handelen voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon op andere wijze kan worden aangenomen. Ook op die grond bestaat aldus ruimte voor het toekennen van een schadevergoeding wegens immateriële schade. Het hof zal de omvang van de immateriële schade naar maatstaven van billijkheid vaststellen op € 1.750,00. Het hof is van oordeel dat voor het overige de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. De vordering zal derhalve voor de meergevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk worden verklaard. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Totale schade en wettelijke rente
Het hof zal de hiervoor genoemde schade vaststellen op een bedrag van € 2.339,62. De verdachte is naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk voor deze schade. Het hof zal de verdachte veroordelen tot betaling van dit bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 mei 2023 tot aan de dag der algehele voldoening.
Proceskosten
Het hof zal de verdachte, die als de in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, tevens veroordelen in de kosten en de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer] is toegebracht tot een bedrag van € 2.339,62. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 mei 2023 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 63 en 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) maanden.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 2.339,62 (tweeduizend driehonderdnegenendertig euro en tweeënzestig cent), bestaande uit € 589,62 (vijfhonderdnegenentachtig euro en tweeënzestig cent) materiële schade en € 1.750,00 (duizend zevenhonderdvijftig euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van
€ 2.339,62 (tweeduizend driehonderdnegenendertig euro en tweeënzestig cent), bestaande uit € 589,62 (vijfhonderdnegenentachtig euro en tweeënzestig cent) materiële schade en
€ 1.750,00 (duizend zevenhonderdvijftig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 33 (drieëndertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 2 mei 2023.
Aldus gewezen door:
mr. T. van de Woestijne, voorzitter,
mr. R.A.T.M. Dekkers en mr. C.M.A. Ellens-Veenhof, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. T.H.J. Menting, griffier,
en op 12 mei 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. R.A.T.M. Dekkers en mr. C.M.A. Ellens-Veenhof zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.