ECLI:NL:GHSHE:2025:3824

ECLI:NL:GHSHE:2025:3824

Instantie Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak 23-12-2025
Datum publicatie 27-02-2026
Zaaknummer 20-000679-23
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden. Poging tot zware mishandeling.

Uitspraak

9. Proces-verbaal vooronderzoek lab d.d. 10 februari 2021, dossierpagina’s 147-149

Wij, verbalisanten, [verbalisant 7] , en [verbalisant 8] , verklaren het volgende:

In verband met een gijzeling te Kerkrade werd door ons op 9 februari 2021 als forensisch onderzoekers een forensisch onderzoek verricht naar sporen aan onderstaande sporendragers.

Goednummer: PL2300-2021003548-1384276

SIN: AANT6897NL

Object: eetlepel

Ik, verbalisant [verbalisant 8] , heb de gehele steel van de eetlepel met behulp van een wattenstaafje bemonsterd op mogelijke aanwezigheid van humane biologische sporen, wij hebben het spoor gewaarmerkt met SIN AAOJ8082NL.

10. De deskundigenrapportage forensisch DNA-onderzoek van Dr. M. Moorlag, Forensisch DNA-deskundige in opleiding en Dr. M. Hidding, NRGD-geregistreerd forensisch DNA-deskundige, d.d. 1 februari 2021, dossierpagina’s 173-177, voor zover inhoudende:

De resultaten van het vergelijkend DNA-onderzoek zijn weergegeven in tabel 1.

Tabel 1 - Resultaat van het DNA-onderzoek_

11. Deskundigenrapportage forensisch DNA-onderzoek d.d. 11 februari 2021 van Dr. M. Moorlag, Forensisch DNA deskundige in opleiding en Dr. M. Hidding, NRGD-geregistreed forensisch DNA-deskundige, pagina 180 en 181

12. De deskundigenrapportage Forensisch DNA-onderzoek d.d. 13 maart 2023, Dr. M. Hidding, NRGD-geregistreerd forensisch DNA-deskundige (los opgenomen)

Berekening van de bewijswaarde

Hypothese 1: de bemonstering van het spoor bevat DNA van [verdachte] en twee onbekende niet verwante personen

Hypothese 2: de bemonstering van het spoor bevat DNA van drie, onbekende, niet verwante personen

AANV1603NL: buitenzijde grijze deel handgreep combinatietang

De resultaten van het onderzoek zijn zeer veel waarschijnlijker wanneer hypothese 1 juist is dan wanneer hypothese 2 juist is.

AANV1608NL: gehele steel van de hamer

De resultaten van het onderzoek zijn extreem veel waarschijnlijker wanneer hypothese 1 juist is dan wanneer hypothese 2 juist is

AAOJ8082NL: hele steel lepel

De resultaten van het onderzoek zijn extreem veel waarschijnlijker wanneer hypothese 1 juist is dan wanneer hypothese 2 juist is.

13. De deskundigenrapportage forensisch DNA-onderzoek van Dr. M. Moorlag, Forensisch DNA-deskundige in opleiding en Dr. M. Hidding, NRGD-geregistreerd forensisch DNA-deskundige d.d. 14 januari 2021, dossierpagina’s 150-153, voor zover inhoudende:

2. Bevindingen

De resultaten van het vergelijkend DNA-onderzoek zijn weergegeven in tabel 1.

Tabel 1 - Resultaat van het DNA-onderzoek

14. Proces-verbaal individualisatie dactyloscopisch spoor, blz 191a

Uit een door mij ontvangen rapport Dactyloscopisch Onderzoek van de Landelijke Eenheid Dactyloscopie, blijkt dat een vergelijkend onderzoek met een dactyloscopisch spoor heeft geleid tot individualisatie van het spoor op een persoon, geregistreerd in de landelijke vinger- en handpalmafdrukken verzameling Havank onder de volgende personalia:

[medeverdachte 1] , geboren [geboortedag 3] 1990.

Spoor:

AANA3353NL

Vingerafdruk

Buitenzijde blikje boven ‘s’ van Sprite

15. Rapport Dactyloscopisch onderzoek, blz 191b

Kenmerk spoor: AANA3353NL

Dit onderzoek heeft tot individualisatie van het spoor op een persoon geregistreerd in Havank onder biometrienummer 310001128082

Achtenaam: [medeverdachte 1]

Voornaam: [medeverdachte 1]

Geboortedatum: [geboortedag 3] 1990

Geboorteplaats: [geboorteplaats 2]

Linker ringvinger

Bewijsoverwegingen

Algemene bewijsoverweging

De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Bijzondere bewijsoverweging

De raadsvrouw van de verdachte heeft bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde wegens een gebrek aan bewijs. Het vonnis dient te worden bevestigd. Zij heeft aangegeven dat niet ter discussie staat dat [slachtoffer] vastgebonden is aangetroffen in zijn woning en daar is mishandeld. De vraag is echter of de verdachte de tenlastegelegde gedragingen heeft gepleegd. Verdachte stelt dat hij op 6 en 7 januari 2021 niet in Kerkrade was, maar in Rotterdam en later naar Maastricht is gegaan.

De verklaringen van aangever zijn wisselend van aard nu hij in de eerste verklaring heeft gesteld dat hij de binnengekomen mannen niet kende. Drie weken later komt hij daarop terug.

Bij de rechter-commissaris heeft [slachtoffer] verklaard dat de verdachte het niet gedaan heeft, evenmin als de medeverdachte [medeverdachte 1] en dat hij de naam van de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] heeft genoemd omdat die hem een streek hadden geleverd en hij hen wilde terugpakken. Bij de raadsheer-commissaris bevestigt hij dit. De verklaringen van [slachtoffer] worden voorts niet in voldoende mate ondersteund door ander bewijsmateriaal.

Het forensisch bewijs is onvoldoende als steunbewijs omdat het alledaagse voorwerpen betreft waarop het DNA van de verdachte is aangetroffen en de verdachte in de woning heeft gewoond. Ook liet hij de hond uit waarbij hij het touw gebruikte. Het kan zijn dat de blikjes en peuken er al lagen voor 6 en 7 januari 2021 nu de woning erg rommelig was en niet opgeruimd werd. Ook de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] kwamen in de woning en zullen daar sporen hebben achtergelaten.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Uit het dossier blijkt dat op 7 januari 2021 verbalisanten, na een melding van een omwonende, het slachtoffer [slachtoffer] hebben aangetroffen in zijn woning op [adres 2] . Slachtoffer [slachtoffer] werd aangetroffen in de hal van zijn woning en was met touwen vastgebonden aan een bureaustoel. Het slachtoffer had diverse verwondingen aan zijn gezicht en op zijn benen en zijn kleding was bevlekt met bloed. De verbalisanten hebben de touwen waarmee het slachtoffer was vastgebonden, met een mes doorgesneden en het slachtoffer bevrijd.

Slachtoffer [slachtoffer] verklaarde dat twee mannen zijn woning binnen waren gelopen via de voordeur. De twee mannen bedreigden het slachtoffer en wilden zijn woning overnemen. Toen [slachtoffer] dit weigerde, werd hij door de verdachte vastgebonden aan een stoel. De twee mannen hebben het slachtoffer mishandeld terwijl hij vastgebonden op de stoel zat. De mishandelingen vonden plaats in de woonkamer en in de slaapkamer.

Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat het slachtoffer [slachtoffer] niet gevolgd kan worden in zijn verklaring dat het de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] zijn geweest die de ten laste gelegde handelingen hebben gepleegd, immers heeft aangever aanvankelijk gezegd de mannen niet te kennen, noemt hij vervolgens drie weken later wel de namen en komt hij daar weer op terug bij de rechter-commissaris. Ook in het verhoor bij de raadsheer-commissaris blijft hij daar bij.

Het hof stelt vast dat aangever aanvankelijk, volgens de verbalisanten, zegt de mannen niet te kennen, doch wel een omschrijving geeft van de mannen, welke, in ieder geval qua uiterlijk en afkomst (Rotterdam) past bij de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] . In zijn aangifte blijft hij bij de omschrijving van de signalementen en noemt ook de bijnaam [verdachte] die, naar de verdachte zelf heeft verklaard, bij de verdachte hoort. Ook vertelt hij dat medeverdachte [medeverdachte 2] langs kwam om wapens op te halen. In zijn nadere verhoor herkent hij de drie personen op de foto’s die worden getoond.

In het verhoor bij de rechter-commissaris op 23 november 2022 verklaart aangever dat hij de hele aangifte heeft verzonnen. Hij verklaart ook dat hij samen met verdachte na de pleegdatum gedetineerd heeft gezeten. Dat verdachte en [medeverdachte 1] hem een streek hadden geflikt en hij ze wilde terugpakken. Hij kan zich niet herinneren welke streek ze hem hebben geflikt.

Bij nadere bevraging door de raadsheer-commissaris op 23 september 2024 verklaart aangever dat hij zich bezig hield met verdovende middelen, zowel handel als gebruik. Desgevraagd verklaart hij dat hij angst heeft dat als hij de namen van de daders noemt hem iets wordt aangedaan dat erger is dan wat hem nu reeds is overkomen. Hij kan geen antwoord geven op de vraag waarom hij bij de politie de namen van verdachte en [medeverdachte 1] heeft genoemd. Hij kan geen antwoord geven op de vraag welke streek hem is geleverd en ook niet op de vraag waarom hij ook [medeverdachte 2] heeft genoemd, terwijl deze hem geen streek had geleverd. Hij wil het achter zich laten en vindt het goed zo.

Het hof concludeert hieruit dat hetgeen de aangever bij de rechter-commissaris heeft verklaard, dat de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] het ten laste gelegde niet hebben gepleegd ingegeven is uit angst en derhalve niet geloofwaardig is. Het hof zal aan die verklaring voorbij gaan. Het hof zal voor de bewijsvoering derhalve uitgaan van de juistheid van de verklaringen van aangever in zijn aangifte op 27 januari 2021en nader verhoor op 6 februari 2021.

Naar het oordeel van het hof worden die verklaringen ondersteund door de uitkomsten van het sporenonderzoek in de woning van de aangever en de opgemaakte letselrapportage. De aangetroffen verwondingen passen bij de verklaringen van aangever. In de woning zijn op blikjes, op peuken en gereedschappen sporen aangetroffen van de verdachte alsmede van de andere door de aangever genoemde verdachten.

Van die sporen kan worden gezegd dat zij te linken zijn aan de verklaringen van de verdachte met betrekking tot de attributen waarmee hij is vastgebonden en mishandeld. Op de steel van de hamer, de lepel en tang zijn sporen van de verdachte aangetroffen met een hoge bewijswaarde.

Bij het sporenonderzoek werd (onder meer) de binnenkant van een knoop van het touw waarmee aangever was vastgeknoopt, bemonsterd. Aan de binnenkant van de knoop werd het DNA van de verdachte aangetroffen. Dit spoor bevindt zich niet op de plaats waar het touw aan de ring van de halsband is vastgemaakt maar op een andere knoop in het touw. Het hof acht de verklaring van de verdachte dat het spoor op het touw is gekomen doordat hij de hond uitliet niet aannemelijk geworden. Temeer omdat de aangever bij de raadsheer-commissaris heeft verklaard dat hij nooit heeft gezien dat de verdachte de hond uitliet en de hond ook niet met een touw werd uitgelaten.

Ook werden zes sigarettenpeuken bemonsterd welke DNA-materiaal van de verdachte bevatten, waaronder een sigarettenpeuk die in de slaapkamer werd aangetroffen. Deze sigarettenpeuk werd aangetroffen op de vloer in de buurt van de fragmenten van de met bloed van slachtoffer [slachtoffer] gezette schoenzoolafdrukken (foto’s 67, 69 en 70, dossierpagina’s 100 en 101). Ook op deze sigarettenpeuk werd het DNA van de verdachte aangetroffen. Dit spoor past in de verklaring van aangever dat de verdachte in de slaapkamer (de achterste kamer) een sigarettenpeuk in zijn gezicht uitdrukte. Op de peuk zit zowel DNA van de verdachte als van aangever.

Het hof is van oordeel dat deze sporen zijn aan te merken als een daderspoor en niet enkel als sporen die door dagelijks gebruik daar terecht zijn gekomen.

Het hof komt aldus tot bewezenverklaring dat het de verdachte, tezamen met een ander, is geweest die de wederrechtelijke vrijheidsberoving en de poging tot zware mishandeling heeft gepleegd.

Resumerend acht het hof, op grond van het vorenoverwogene en de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1 en feit 2 primair tenlastegelegde heeft begaan op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden.

Het onder 2 primair bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

poging tot zware mishandeling.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

Op te leggen sanctie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 45 maanden, met aftrek van het voorarrest.

Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij slachtoffer [slachtoffer] in diens eigen woning, tezamen met een ander, wederrechtelijk van zijn vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden. Tijdens deze wederrechtelijke vrijheidsberoving werd het slachtoffer langdurig vastgebonden op een stoel en werd hij mishandeld. Hij is geslagen met een hamer, geprikt met een schroevendraaier, er is geknipt in zijn vinger en met een verhitte lepel zijn brandwonden toegebracht op zijn lichaam. Slachtoffer [slachtoffer] heeft hier blijvende lichamelijke letsels, zoals littekens, aan overgehouden en heeft therapie gehad.

Door de bewezenverklaarde handelingen heeft het slachtoffer zeer angstige momenten beleefd en heeft de verdachte een grote inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer en de vrijheid van het slachtoffer. Ook heeft de verdachte een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.

Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie, d.d. 14 oktober 2025, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte waaruit volgt dat hij niet eerder hier te lande onherroepelijk is veroordeeld ter zake van soortgelijke delicten.

Verder heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden, voor zover daarvan ter terechtzitting gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de raadsvrouw naar voren gebracht dat de verdachte geen vaste woonplaats heeft, dat hij zijn levensstijl wenst te veranderen en dat hij daarvoor in gesprek is met een dokter en een praktijkondersteuner. Zijn vriend en medeverdachte [medeverdachte 1] is enkele maanden geleden bij een ongeluk in Marokko overleden.

Het hof heeft zich voorts rekenschap gegeven van de redelijke termijn.

Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 EVRM. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven.

De redelijke termijn is aangevangen op 9 oktober 2021, de dag waarop de verdachte voor het eerst werd verhoord en op deze dag werd de verdachte in verzekering gesteld. Aan die handelingen kon de verdachte immers in redelijkheid de verwachting ontlenen dat tegen hem door het openbaar ministerie een strafvervolging zou worden ingesteld. De rechtbank heeft op 21 februari 2023 vonnis gewezen. Gelet hierop is er in de fase van eerste aanleg geen sprake van een overschrijding van de redelijke termijn.

Van de zijde van het openbaar ministerie is op 7 maart 2023 hoger beroep ingesteld. Het hof wijst het onderhavige arrest op 23 december 2025. In hoger beroep is de redelijke termijn met een periode van ongeveer 10 maanden overschreden.

Tijdens de behandeling van de zaak in eerste aanleg en ook in hoger beroep heeft nog aanvullend onderzoek plaatsgehad. In hoger beroep is een tussenarrest gewezen en is besloten om de aangever als getuige door de raadsheer-commissaris te laten horen. Deze omstandigheid vormt naar het oordeel van het hof evenwel geen rechtvaardiging voor voornoemde overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. Naar het oordeel van het hof is het recht op een behandeling binnen een redelijke termijn dan ook geschonden. Het hof is van oordeel dat de schending van de redelijke termijn dient te leiden tot strafvermindering.

Zonder schending van de redelijke termijn zou een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden met aftrek van voorarrest naar het oordeel van het hof passend en geboden zijn geweest, vanwege de bijzondere ernst van deze feiten en de blijvende littekens bij het slachtoffer. Nu de redelijke termijn is geschonden, zal het hof volstaan met het opleggen van een gevangenisstraf voor de duur van 43 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

Het hof is aldus van oordeel dat, in het bijzonder gelet op de ernst van het bewezenverklaarde, de straffen die in soortgelijke gevallen door dit hof worden opgelegd en uit het oogpunt van vergelding, niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

Alles afwegende acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van 43 maanden, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 45, 57, 63, 282 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 primair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 43 (drieënveertig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Aldus gewezen door:

mr. J. Platschorre, voorzitter,

mr. S. Riemens en mr. K.J. van Dijk, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. H. Smits, griffier,

en op 23 december 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. J. Platschorre
  • mr. S. Riemens
  • mr. K.J. van Dijk

Griffier

  • mr. H. Smits

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand