GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Raadkamer
Afdeling strafrecht
Raadkamernummer: 000881-25
Parketnummers: 20-003277-24
Beschikking op het verzoekschrift ex artikel 85 van het Wetboek van Strafvordering
Beschikking op het op 22 september 2025 ter griffie van het gerechtshof ingekomen verzoekschrift van:
[Verzoeker 1] ,
geboren op [datum] te [plaats] ,
wonende te [adres] ,
te dezer zake woonplaats kiezende ten kantore van
mr. Th. Boumans, Welterlaan 42, 6411 EB Heerlen
En
[Verzoeker 2] ,
geboren op [datum] te [plaats] ,
wonende te [adres] ,
te dezer zake woonplaats kiezende ten kantore van
mr. Th. Boumans, Welterlaan 42, 6411 EB Heerlen
Het verzoekschrift strekt tot teruggave van de door verzoekers gestorte waarborgsom ad
€ 100.000,- ter fine van de schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte:
[naam verdachte]
geboren [datum] te [plaats]
wonende te [adres]
thans verblijvende in P.I. [plaats]
Het onderzoek van de zaak
Op 23 oktober 2025 is het verzoekschrift door de raadkamer van dit hof in het openbaar behandeld.
De raadsman van verzoekers is ter zitting in raadkamer verschenen.
Het hof heeft kennisgenomen van de schriftelijke conclusie van de advocaat-generaal
d.d. 22 oktober 2025 en van hetgeen ter zitting in raadkamer naar voren is gebracht door de raadsman van verzoekers en de advocaat-generaal.
De schriftelijke conclusie van de advocaat-generaal strekt tot afwijzing van het verzoek. Ter zitting in raadkamer heeft de advocaat-generaal het voormeld standpunt gehandhaafd.
De beoordeling
De zoon van verzoekers, [verdachte] , is bij vonnis van 29 november 2024 door de rechtbank Limburg, locatie Roermond, veroordeeld voor overtreding van de Opiumwet, tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht en een geldboete ter hoogte van € 80.000,-, subsidiair 365 dagen hechtenis.
Tegen voornoemd vonnis is door verdachte hoger beroep ingesteld. Het hoger beroep is bij het hof bekend onder bovengenoemd parketnummer. Het hof is derhalve bij uitsluiting bevoegd om van het verzoekschrift kennis te nemen.
In het verzoekschrift wordt namens verzoekers verzocht tot teruggave van de door klager gestorte zekerheidsstelling ad € 100.000,- op rekening van het CJIB.
Namens verzoekers is aangevoerd dat zij eerder een geldbedrag van
€ 100.000,- hebben overgemaakt aan het CJIB vanwege een opgelegde schorsingsvoorwaarde aan de zoon van verzoekers. Echter, de schorsing van de voorlopige hechtenis is niet langer aan de orde nu de rechtbank de schorsing bij vonnis d.d. 29 november 2024 heeft opgeheven. De raadsman van de zoon van klager is hierop in overleg gegaan met de officier van justitie, bij welke gelegenheid is overeengekomen dat de zoon van verzoekers zich diezelfde dag zou melden. Die afspraak werd nagekomen, mede om te voorkomen dat het gestorte geldbedrag niet definitief aan de Staat zou toevallen. Voor alle duidelijkheid wordt namens verzoekers naar voren gebracht dat het geldbedrag is gestort door beide verzoekers en niet door hun zoon. De verzoekers zijn van mening dat de grondslag voor de waarborgsom niet langer aan de orde is, aangezien de schorsing van de voorlopige hechtenis van de zoon van verzoekers is opgeheven.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek tot teruggave van de waarborgsom. Ter zitting in raadkamer heeft de advocaat-generaal onder meer aangevoerd dat de storting van het geldbedrag immers een vrijwillige handeling van verzoekers betreft, hetgeen verzoekers voor eigen rekening en risico hebben gedaan. Voorts heeft de advocaat-generaal aangevoerd dat het recht tot teruggave van de waarborgsom is komen te vervallen nu verdachte [naam verdachte] tijdens de schorsing een nieuw druggerelateerd strafbaar feit zou hebben gepleegd. Het onderzoek naar het nieuwe strafbare feit loopt op dit moment nog in eerste aanleg onder parketnummer 03-106057-23 met als pleegperiode 19 april 2023 t/m 21 april 2023. De advocaat-generaal is van mening dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit gedurende de schorsing van de voorlopige hechtenis en hiermee de algemene schorsingsvoorwaarde heeft overtreden. Concluderend heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat, aangezien verdachte ten tijde van zijn schorsing een nieuw strafbaar feit heeft gepleegd en de strafzaak onder parketnummer 03-106057-23 nog niet onherroepelijk is, het verzoek tot teruggave van de waarborgsom dient te worden afgewezen.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof stelt allereerst vast dat, gelet op de zich thans in het dossier bevindende stukken en het verhandelde in raadkamer, verzoekers de zekerheidsstelling hebben overgemaakt naar de rekening van het CJIB in verband met een voorwaarde die was verbonden aan de schorsing van de voorlopige hechtenis van de zoon van verzoekers.
Met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat in het geval dat, zoals hier, sprake is van een geschorst bevel tot voorlopige hechtenis waarbij zekerheid is gesteld en een waarborgsom is gestort, de enkele omstandigheid dat de schorsing is opgeheven, niet meebrengt dat de waarborgsom dient te worden teruggegeven. Immers ook dan kan, indien een vrijheidsstraf is opgelegd die de duur van de ondergane voorlopige hechtenis overtreft, het voortduren van de zekerheid onder meer noodzakelijk zijn met het oog op de in artikel 80, tweede lid, onder 1°., van het Wetboek van Strafvordering bedoelde 'voorwaarde', te weten dat de verdachte, indien de opheffing der schorsing mocht worden bevolen, zich aan de tenuitvoerlegging van het bevel tot voorlopige hechtenis niet zal onttrekken.
Bij einduitspraak op 29 november 2024 heeft de rechtbank Limburg de schorsing van de voorlopige hechtenis opgeheven. De motivering voor de opheffing van de schorsing luidt als volgt:
“De voorlopige hechtenis van de verdachte is geschorst. De tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, moet worden afgetrokken van de straf die wordt opgelegd. Dat betekent dat hij nog geruime tijd terug zal moeten naar de gevangenis. Gelet op de ernst van de feiten, de hoogte van het strafrestant en het signaal dat van deze straf uit moet gaan, is de rechtbank van oordeel dat het onaanvaardbaar is dat de verdachte een eventueel hoger beroep in vrijheid zou mogen afwachten. De rechtbank zal daarom de schorsing van de voorlopige hechtenis opheffen met ingang van heden.”
Het hof stelt vast dat de schorsing van de voorlopige hechtenis niet is opgeheven in relatie tot het al dan niet hebben overtreden van de voorwaarden die aan de schorsing waren verbonden, maar om andere redenen. Derhalve acht het hof het bepaalde in artikel 83, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, niet van toepassing.
Derhalve is het hof van oordeel dat het bepaalde in artikel 85 van het Wetboek van Strafvordering aan de orde is. In artikel 85 Sv staat immers de verplichting geformuleerd tot teruggave indien het voortduren van de zekerheid niet langer noodzakelijk is. Nu verdachte zich in deze zaak in voorlopige hechtenis bevindt, is het voortduren van de zekerheidstelling niet langer noodzakelijk.
Het hof ziet, gelet op de dwingende formulering van artikel 85 van het Wetboek van Strafvordering geen ruimte voor een andersluidende beslissing en beslist dan ook tot teruggave van de waarborgsom aan de verzoekers.
BESLISSING:
Het hof:
Gelast de teruggave van de zekerheidsstelling ten bedrage van € 100.000,00 aan de verzoekers.
Aldus gedaan op 11 november 2025
door mr. O.M.J.J. van de Loo, voorzitter, mr. A.M.G. Smit en mr. Y. van Setten, raadsheren,
in tegenwoordigheid van B. Yazi, griffier,
De voorzitter beveelt de tenuitvoerlegging van deze beslissing en gelast de griffier van dit hof binnen zes weken na heden aan verzoekers te betalen een bedrag € 100.000,00
(zegge: honderdduizend euro) door overmaking daarvan op derdenrekeningnummer, te weten Stichting Beheer Derdengelden advocaten Boumans & Partners [nummer] ten name van Boumans & Partners Advocaten te Heerlen, onder vermelding van ‘ [kenmerk] / Waarborgsom’.