ECLI:NL:GHSHE:2025:476

ECLI:NL:GHSHE:2025:476, Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 20-02-2025, 20-000487-20

Instantie Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak 20-02-2025
Datum publicatie 16-12-2025
Zaaknummer 20-000487-20
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd. Medeplegen van: een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden of bevorderen, door - zich of een ander gelegenheid middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit te verschaffen en - voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden te hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dit delict. Medeplegen van: een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden of bevorderen, door - een ander trachten te bewegen dat feit te plegen, te doen plegen of uit te lokken, daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid middelen of inlichtingen te verschaffen en - zich of een ander gelegenheid middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit te verschaffen en - voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden te hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dit delict. Medeplegen van: van het plegen van witwassen een gewoonte maken. Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, vijfde lid, van de Opiumwet en deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. Handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd.

Uitspraak

Parketnummer : 20-000487-20

Uitspraak : 20 februari 2025

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 13 februari 2020, in de strafzaak met parketnummer 01-990002-15 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1961,

wonende te [adres 1] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de verdachte vrijgesproken van het onder 5 primair tenlastegelegde en de verdachte ter zake van:

1. primair: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

2. primair: poging tot medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod;

3. medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden of bevorderen, door

- een ander trachten te bewegen dat feit te plegen, te doen plegen of uit te lokken, daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen en

- zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit te verschaffen en

- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dit delict;

4. medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, eerste lid aanhef en onder A, van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel;

5 subsidiair: medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden of bevorderen, door

- een ander trachten te bewegen dat feit te plegen, te doen plegen of uit te lokken, daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen en

- zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit te verschaffen en

- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dit delict;

6: medeplegen van een feit, bedoeld in het vierde of vijfde artikel van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden of bevorderen, door

- een ander trachten te bewegen dat feit te plegen, te doen plegen of uit te lokken, daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen en

- zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit te verschaffen en

- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dit delict;

7: medeplegen van een feit, bedoeld in het vierde of vijfde artikel van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden of bevorderen, door

- een ander trachten te bewegen dat feit te plegen, te doen plegen of uit te lokken, daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen en

- zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit te verschaffen en

- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dit delict;

8: medeplegen van: van het plegen van witwassen een gewoonte maken;

9: deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;

10: medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

11: handelen in strijd met artikel 13, eerste lid Wet wapens en munitie en artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd,

veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaar, met aftrek van voorarrest.

Daarnaast heeft de rechtbank van een inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven geldbedrag de teruggave aan de verdachte gelast.

Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Ontvankelijkheid en omvang van het hoger beroep

Feit 8

Met betrekking tot het onder 8 tenlastegelegde medeplegen van gewoontewitwassen heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de geldbedragen waarvan de rechtbank de verdachte heeft vrijgesproken in hoger beroep niet meer aan de orde zijn, nu het Openbaar Ministerie in die vrijspraken berust.

Het hof volgt dit standpunt van de verdediging niet. Onder 8 is aan de verdachte – kort gezegd – het medeplegen van gewoontewitwassen tenlastegelegd. In de feitelijke uitwerking is door middel van een opsomming geconcretiseerd uit welke witwashandelingen de gewoonte volgens het Openbaar Ministerie heeft bestaan.

Uit de aard van het strafbare feit gewoontewitwassen volgt dat sprake moet zijn van meerdere witwashandelingen die samen de (strafverzwarende omstandigheid van de) gewoonte vormen. Dat betekent dat het onder 8 tenlastegelegde in het geheel aan de orde is in hoger beroep.

Feit 11

De verdachte is door rechtbank Oost-Brabant vrijgesproken van hetgeen aan hem onder

11 is tenlastegelegd, voor zover dat ziet op een gaspistool en een stroomstootwapen (goednummer: PL2600-2015034992-684044). Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissingen tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissingen geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven deelvrijspraken.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen, de tenlastegelegde feiten bewezen zal verklaren conform de bewezenverklaring van de rechtbank, met toevoeging van het gedachtestreepje inhoudende het zoeken naar een loods ter zake feit 5, en aan de verdachte zal opleggen een gevangenisstraf voor de duur van

8 jaren, met aftrek van voorarrest en voorts dat het inbeslaggenomen geldbedrag van

€ 5.200,00 zal worden teruggegeven aan de verdachte.

Door en namens de verdachte is primair vrijspraak bepleit ten aanzien van het onder 1 tot en met 9 tenlastegelegde. Ten aanzien van het onder 10 tenlastegelegde heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. Ten aanzien van het onder 11 tenlastegelegde is een partiële vrijspraak bepleit voor de namaak speelgoedwapens en voor het overige heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. Voorts is teruggave van het inbeslaggenomen geldbedrag bepleit.

Subsidiair is een strafmaatverweer gevoerd.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, worden vernietigd, omdat in hoger beroep de tenlastelegging – en aldus de grondslag van het onderzoek – is gewijzigd.

Verweer ex artikel 314a Sv

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep het verweer gevoerd dat er zich in het dossier geen gewaarmerkt afschrift van de (concept) 314a Sv-vordering bevindt en dat het hof daarom de tenlastelegging moet verstaan overeenkomstig de inleidende dagvaarding van 4 augustus 2016 en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep op die grondslag moet laten plaatsvinden. Hetgeen de raadsman ter nadere adstructie van het verweer heeft aangevoerd, staat verwoord in de door hem overgelegde schriftelijke stuk, dat aan het proces-verbaal van de terechtzitting is gehecht en als hier herhaald en ingelast wordt beschouwd.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het systeem van de wet is zo ingericht dat het Openbaar Ministerie, wanneer de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt krachtens een bevel tot gevangenneming of gevangenhouding waarvan de geldigheidsduur niet meer kan worden verlengd op grond van artikel 66, derde lid, Sv, de zaak ter terechtzitting dient aan te brengen bij de strafrechter. In zo’n geval kan, indien de definitieve beschuldiging nog niet geformuleerd kan worden omdat bijvoorbeeld het strafrechtelijk opsporingsonderzoek nog niet is afgerond, voor de opgave van het feit worden volstaan met de omschrijving die in dat bevel tot voorlopige hechtenis is gegeven. Dit volgt uit artikel 261, derde lid, Sv. De tenlastelegging wordt in zo’n geval doorgaans aangeduid als een ‘voorlopige tenlastelegging’ in de zin van art. 314a Sv. Op enig moment moet de tenlastelegging wel in overeenstemming met artikel 261, eerste lid, Sv worden gebracht, zodat duidelijk is waartegen de verdachte zich moet verdedigen. Dit wordt voorgeschreven door artikel 314a Sv. De officier van justitie zal in dat geval een vordering nadere omschrijving van de tenlastelegging moeten doen waarop de rechtbank een beslissing dient te nemen. Als de rechtbank die vordering toewijst, dan is sprake van een dagvaarding die de grondslag zal vormen voor de uiteindelijke beraadslagingen op de voet van art. 348 en 350 Sv. Een dergelijke tenlastelegging kan alleen op de voet van art. 313 Sv gewijzigd worden met inachtneming van de in de wet en jurisprudentie neergelegde beoordelingskaders.

Het hof stelt de volgende feiten vast.

Vóór de terechtzitting in eerste aanleg is aan de verdachte een zogenoemde voorlopige dagvaarding uitgereikt, waarin met betrekking tot de tenlastegelegde feiten is volstaan met een omschrijving van het feit zoals dit in het bevel gevangenhouding c.q. bewaring is opgenomen.

Uit de stukken van de rechtbank, te weten de processen-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting, kan niet worden afgeleid dat eerder dan op de zitting van 20 februari 2027 een vordering ex artikel 314a Sv is gedaan. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 20 februari 2017 – hetgeen de kenbron is van hetgeen daar is voorgevallen – kan worden afgeleid dat toen door het Openbaar Ministerie een vordering tot wijziging van de tenlastelegging is gedaan. De grondslag – artikel 313 of 314a Sv – is niet vermeld, maar een en ander kan niet anders worden uitgelegd dan dat toen en daar een vordering als bedoeld in artikel 314a Sv is gedaan. Uit het proces-verbaal van die zitting blijkt ook dat die vordering is toegewezen en dat aan de verdediging een gewaarmerkt afschrift is verstrekt.

Het hof stelt verder vast dat het door de advocaat-generaal aan het hof overgelegde exemplaar van de vordering ex artikel 314a Sv uit eerste aanleg dezelfde tekst heeft en dus gelijkluidend is aan de in het vonnis opgenomen tenlastelegging. Het hof concludeert aldus dat de tekst van de in die vordering opgenomen tenlastelegging de grondslag heeft gevormd voor het onderzoek ter terechtzitting en de beraadslaging ex artikel 348/350 Sr door de rechtbank. Uit het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg blijkt niet van enige onduidelijkheid aan de zijde van de verdediging omtrent de inhoud van de tenlastelegging. Dat in het proces-verbaal de inhoud van de vordering niet is opgenomen en het gewaarmerkte afschrift zich niet in het dossier bevindt en kennelijk in het ongerede is geraakt, leidt – gelet op het feit dat nietigheid noch substantiële nietigheid hierop gesteld is – niet tot het gevolg dat de verdediging nastreeft.

Het verweer wordt mitsdien verworpen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep – tenlastegelegd dat:

1.

(zaaksdossier Bananen)

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 juli 2015 tot en met 14 juli 2015 te [woonplaats 2] en/of [woonplaats 1] en/of Amersfoort en/of Heemstede en/of Geleen, in elk geval op een of meer plaats(en) in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen

opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, althans opzettelijk heeft afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,

(ongeveer) 3.150 kilogram en/of (ongeveer) 628 kilogram, in elk geval (een) grote hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 november 2014 tot en met 14 juli 2015 te [woonplaats 2] en/of [woonplaats 1] en/of Amersfoort en/of Heemstede en/of Geleen, in elk geval op een of meer plaats(en) in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

om een feit of feiten, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het meermalen opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van (ongeveer) 3.150 kilogram en/of (ongeveer) 628 kilogram, in elk geval een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,

voor te bereiden en/of te bevorderen,

- een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, en/of

- zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen, en/of

- voorwerpen en/of vervoersmiddelen en/of stoffen en/of gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en),

immers heeft hij/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) tezamen en in vereniging met elkaar, toen en daar opzettelijk:

- een of meer telefoongesprek(ken) (in versluierd taalgebruik) gevoerd en/of een of meer sms-bericht(en) en/of mailberichten verstuurd met betrekking tot het verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van genoemde hoeveelheid verdovende middelen (cocaïne) en/of

- met een of meer perso(o)n(en) contact opgenomen en/of ontmoeting(en) gehad met betrekking tot het verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van genoemde hoeveelheid verdovende middelen (cocaïne) en/of

- een of meer betaling(en) (laten) verricht(en) ten behoeve van het verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van genoemde hoeveelheid verdovende middelen (cocaïne) en/of

- een of meer perso(o)n(en) een of meer bedrijf/bedrijven en/of bankrekening(en) laten oprichten/openen en/of op naam laten zetten en/of

- ( een) deklading(en) (bananen) geregeld/laten regelen en/of

- een ruimte geregeld voor de aflevering en/of opslag van (de) container(s) met daarin de deklading(en) en de genoemde hoeveelheden cocaïne;

2.

(zaaksdossier [betrokkene 17])

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 september 2015 tot en met 7 juni 2016 te [woonplaats 2] en/of [woonplaats 1] en/of Amersfoort en/of Heemstede, in elk geval op een of meer plaats(en) in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

ter uitvoering van het door hem, verdachte, tezamen met een ander of anderen, althans alleen, voorgenomen misdrijf om opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland te brengen, althans opzettelijk te verkopen en/of af te leveren en/of te verstrekken aan en/of te vervoeren, in elk geval opzettelijk aanwezig te hebben,

(ongeveer) 76 kilogram, in elk geval een grote hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,

opzettelijk

- een of meer telefoongesprek(ken) (in versluierd taalgebruik) heeft gevoerd en/of een of meer sms-bericht(en) en/of mailberichten heeft verstuurd met betrekking tot het verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van genoemde hoeveelheid verdovende middelen (cocaïne) en/of

- met een of meer perso(o)n(en) contact heeft opgenomen en/of ontmoeting(en) gehad met betrekking tot het verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van genoemde hoeveelheid verdovende middelen (cocaïne) en/of

- een of meer betaling(en) heeft (laten) verricht(en) ten behoeve van het verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van genoemde hoeveelheid verdovende middelen (cocaïne) en/of

- [bedrijf 1] als ontvanger van te importeren meubels uit Colombia heeft laten oprichten en/of

- een of meer telefoon(s) en/of geldbedrag(en) in ontvangst heeft genomen en/of heeft laten nemen en/of

- ( een) deklading(en) (meubels) heeft geregeld/laten regelen en/of -(een) ruimte(n) heeft geregeld voor de aflevering en/of opslag van (de) container(s) met daarin de deklading(en) en/of

- naar voeten/poten voor onder containers heeft gezocht,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 september 2015 tot en met 7 juni 2016 te [woonplaats 2] en/of [woonplaats 1] en/of Amersfoort en/of Heemstede, in elk geval op een of meer plaats(en) in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van (ongeveer) 76 kilogram, in elk geval een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet

behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,

voor te bereiden en/of te bevorderen,

- een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, en/of

- zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen, en/of

- voorwerpen en/of vervoersmiddelen en/of stoffen en/of gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en),

immers heeft hij/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) tezamen en in vereniging met elkaar, toen en daar opzettelijk:

- een of meer telefoongesprek(ken) (in versluierd taalgebruik) gevoerd en/of een of meer sms-bericht(en) en/of mailberichten verstuurd met betrekking tot het verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van genoemde hoeveelheid verdovende middelen (cocaïne) en/of

- met een of meer perso(o)n(en) contact opgenomen en/of ontmoeting(en) gehad met betrekking tot het verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van genoemde hoeveelheid verdovende middelen (cocaïne) en/of

- een of meer betaling(en) (laten) verricht(en) ten behoeve van het verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van genoemde hoeveelheid verdovende middelen (cocaïne) en/of

- [bedrijf 1] als ontvanger van te importeren meubels uit Colombia laten oprichten en/of

- een of meer telefoon(s) en/of geldbedrag(en) in ontvangst genomen en/of laten nemen en/of

- ( een) deklading(en) (meubels) geregeld/laten regelen en/of

- een ruimte geregeld voor de aflevering en/of opslag van (de) container(s) met daarin de deklading(en) en/of

- naar voeten/poten voor onder containers gezocht;

3.

(zaaksdossier Glycerine)

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 november 2015 tot en met 7 juni 2016 te [woonplaats 2] en/of [woonplaats 1] en/of Amersfoort en/of Heemstede, in elk geval op een of meer plaats(en) in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,

voor te bereiden en/of te bevorderen,

- een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, en/of

- zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen, en/of

- voorwerpen en/of vervoersmiddelen en/of stoffen en/of gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en),

immers heeft hij/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) tezamen en in vereniging met elkaar, toen en daar opzettelijk:

- een of meer telefoongesprek(ken) (in versluierd taalgebruik) gevoerd en/of een of meer sms-bericht(en) en/of mailberichten verstuurd met betrekking tot het verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van genoemde hoeveelheid verdovende middelen (cocaïne) en/of

- met een of meer perso(o)n(en) contact opgenomen en/of ontmoeting(en) gehad met betrekking tot het verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van genoemde hoeveelheid verdovende middelen (cocaïne) en/of

- een of meer betaling(en) (laten) verricht(en) ten behoeve van het verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van genoemde hoeveelheid verdovende middelen (cocaïne) en/of een of meer (grote) hoeveelheden glycerine en/of

- een of meer (grote) hoeveelheden glycerine heeft ingevoerd;

4.

(zaaksdossier Kerstpakketten)

hij op of omstreeks 23 december 2015 te Venlo en/of Duisburg en/of Brussel, in elk geval op een of meer plaats(en) in Nederland en/of Duitsland en/of België,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk

buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, althans opzettelijk heeft afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd,

in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,

een grote hoeveelheid, althans een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel

aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

5.

(zaaksdossier Raamsdonksveer)

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 20 december 2015 tot en met 21 december 2015 te Raamsdonksveer en/of Amsterdam en/of Harderwijk en/of Breda, in elk geval (op een of meer plaats(en)) in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, althans opzettelijk heeft afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd,

in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,

(ongeveer) 1015,46 kilogram, in elk geval een grote hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 december 2015 tot en met 21 december 2015 te Raamsdonksveer en/of Amsterdam, in elk geval op een of meer plaats(en) in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van 1015 kilogram, in elk geval een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die

wet,

voor te bereiden en/of te bevorderen,

- een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, en/of

- zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen, en/of

- voorwerpen en/of vervoersmiddelen en/of stoffen en/of gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en),

immers heeft hij/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) tezamen en in vereniging met elkaar, toen en daar opzettelijk:

- een of meer telefoongesprek(ken) gevoerd en/of een of meer sms-bericht(en) verstuurd met betrekking tot het verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid verdovende middelen (cocaïne) en/of

- met een of meer perso(o)n(en) contact opgenomen en/of ontmoeting(en) gehad met betrekking tot het verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid verdovende middelen (cocaïne) en/of

- een of meer betaling(en) (laten) verricht(en) ten behoeve van het verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid verdovende middelen (cocaïne) en/of

- met een of meer perso(o)n(en) op internet gezocht naar (een) (opslag)loods(en) ten behoeve van het verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid verdovende middelen (cocaïne);

6.

(zaaksdossier Ananassen)

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 oktober 2015 tot en met 30 april 2016 te Heemstede en/of Amsterdam, in elk geval op een of meer plaats(en) in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,

voor te bereiden en/of te bevorderen,

- een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, en/of

- zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen, en/of

- voorwerpen en/of vervoersmiddelen en/of stoffen en/of gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en),

immers heeft hij/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) tezamen en in vereniging met elkaar, toen en daar opzettelijk:

- een of meer telefoongesprek(ken) (in versluierd taalgebruik) gevoerd en/of een of meer sms-bericht(en) verstuurd met betrekking tot het verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid verdovende middelen (cocaïne) en/of

- met een of meer perso(o)n(en) contact opgenomen en/of ontmoeting(en) gehad met betrekking tot het verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid verdovende middelen (cocaïne) en/of

- een of meer betaling(en) (laten) verricht(en) ten behoeve van het verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid verdovende middelen (cocaïne) en/of

- het bedrijf [bedrijf 2] als ontvanger van te importeren ananassen uit Panama opgericht en/of laten oprichten en/of bij dit bedrijf een rekening geopend en/of laten openen en/of

- het bedrijf [bedrijf 3] opgericht en/of laten oprichten en/of

- ( een) deklading(en) (ananassen) geregeld/laten regelen en/of

- ( een) ruimte(n) geregeld voor de aflevering en/of opslag van (de)

container(s) met daarin de deklading(en);

7.

(zaaksdossier [betrokkene 25])

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 augustus 2015 tot en met 31 januari 2016 te [woonplaats 2] en/of [woonplaats 1] en/of Bilthoven en/of Amersfoort en/of Heemstede, in elk geval op een of meer plaats(en) in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

om een feit of feiten, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het meermalen opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,

voor te bereiden en/of te bevorderen,

- een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, en/of

- zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen, en/of

- voorwerpen en/of vervoersmiddelen en/of stoffen en/of gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en),

immers heeft hij/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) tezamen en in vereniging met elkaar, toen en daar opzettelijk:

- een of meer telefoongesprek(ken) (in versluierd taalgebruik) gevoerd en/of een of meer sms-bericht(en) en/of mailberichten verstuurd met betrekking tot het verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van genoemde hoeveelheid verdovende middelen (cocaïne) en/of

- met een of meer perso(o)n(en) contact opgenomen en/of ontmoeting(en) gehad met betrekking tot het verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van genoemde hoeveelheid verdovende middelen (cocaïne) en/of

- een of meer betaling(en) (laten) verricht(en) ten behoeve van het verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van genoemde hoeveelheid verdovende middelen (cocaïne) en/of

- ( een) deklading(en) (hout) geregeld/laten regelen en/of

- een ruimte geregeld voor de aflevering en/of opslag van (de) container(s) met daarin de deklading(en) en/of

- bepaald dat het hout op naam van bedrijf [bedrijf 1] moet worden

geïmporteerd;

8.

(zaaksdossier Deklading)

hij in of omstreeks de periode van 1 november 2014 tot en met 7 juni 2016 te [woonplaats 2] en/of Amersfoort en/of Heemstede en/of [woonplaats 1] , in elk geval op een of meer plaats(en) in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen

(van) een of meer geldbedrag(en), althans een of meer voorwerp(en), te weten

- 256.950 euro en/of

- 213.050 euro en/of

- 141.550 euro en/of

- 30.900 euro en/of

- 141.900 euro

- de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding, de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbenden op die voorwerpen waren en/of heeft verborgen en/of verhuld wie die voorwerpen voorhanden hebben gehad

en/of

- heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet en/of gebruikt heeft gemaakt,

terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) dat die voorwerpen geheel of gedeeltelijk – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf,

en hij, verdachte en/of zijn mededader(s), van het plegen van dit feit een gewoonte heeft gemaakt;

9.

(zaaksdossier Samen)

hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 november 2014 tot en met 7 juni 2016 te [woonplaats 2] en/of [woonplaats 1] en/of Amsterdam en/of Bilthoven en/of Amersfoort en/of Heemstede en/of Geleen en/of Maarssen, in elk geval op een of meer plaats(en) in Nederland,

heeft deelgenomen aan een organisatie, die bestond uit een samenwerkingsverband van verdachte en een of meer andere natuurlijke personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk

- het binnen het grondgebied van Nederland brengen en/of het verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of het opzettelijk aanwezig hebben van een of meer middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I

en/of

- het voorbereiden en/of bevorderen van een feit of feiten, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet

en/of

- het (gewoonte)witwassen van een of meer voorwerp(en);

10.

(zaaksdossier Sigarenknipper)

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 31 augustus 2015 tot en met 17 september 2015 te [woonplaats 2] en/of [woonplaats 1] en/of Amersfoort en/of Heemstede, in elk geval op een of meer plaats(en) in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

[benadeelde] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) die [benadeelde] opzettelijk dreigend (telefonisch) (in de Engelse taal) de volgende woorden toegevoegd:

-‘luister [benadeelde] , je zult alles regelen wat [medeverdachte 1] met jou heeft afgesproken, dat zul je vanavond doen, je zult die 15 vanavond brengen en die andere 15 zul je uiterlijk op donderdag brengen anders zal ik je klote kop eraf schieten, oke? Ik weet verdorie waar je woont en het is geen grap’ en/of (op zeer luide toon) ‘dus neem dit heel serieus, neem dit heel serieus mijn vriend, ja?’, althans woorden van gelijke (dreigende) aard of strekking;

11.

(zaaksdossier [woonplaats 1] )

hij op of omstreeks 7 juni 2016 te [woonplaats 1]

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

- een (vuur)wapen van categorie III, te weten een gaspistool en/of

- vier, althans een of meer wapen(s) van categorie I onder 7°, te weten een of meer imitatievuurwapen(s) en/of

- drie, althans een of meer wapens van categorie II, te weten een of meer stroomstootwapen(s) en/of

- drie, althans een of meer spuitbus(sen) pepperspray, zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen met (een) giftige en/of verstikkende en/of weerloosmakende en/of traanverwekkende stof(fen) van de categorie II, onder 6°

voorhanden heeft gehad.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 3, 4, 6 en 7 tenlastegelegde heeft begaan, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Met betrekking tot het onder 3 (zaaksdossier Glycerine), 6 (zaaksdossier Ananassen) en 7 (zaaksdossier [betrokkene 25]) tenlastegelegde overweegt het hof dat in die betreffende zaaksdossiers bij controles van de door de verdachten in Nederland ingevoerde ladingen glycerine (feit 3), ananassen (feit 6) en hout (feit 7) geen cocaïne is aangetroffen.

De advocaat-generaal is met de rechtbank van mening dat in deze zaaksdossiers de feitelijke gang van zaken op essentiële punten sterke overeenkomsten vertoont met de gang van zaken in de zaaksdossiers waarin wel cocaïne is aangetroffen. Die punten zijn onder meer, aldus de rechtbank, dat:

De advocaat-generaal vindt met de rechtbank dat het niet anders kan zijn dan dat [medeverdachte 1] en [verdachte] telkens actief betrokken waren bij het regelen van een deklading om een transport van cocaïne te verbergen en dat dit via een zogenoemde schakelbewijsconstructie ook geldt voor de vrachten glycerine, ananassen en hout, die dan eveneens dekladingen waren voor transporten van cocaïne.

Het hof deelt dit standpunt van de advocaat-generaal niet. Anders dan de advocaat-generaal en de rechtbank is het hof van oordeel dat de hiervóór geschetste punten niet zodanig specifiek en/of onderscheidend zijn dat van een patroon of dezelfde modus operandi kan worden gesproken op grond waarvan buiten redelijke twijfel is komen vast te staan dat ook in de genoemde zaaksdossiers Glycerine, Ananassen en [betrokkene 25] telkens sprake moet zijn geweest van de invoer van cocaïne, dan wel het opzetten van een lijn voor de invoer van cocaïne. Het hof neemt daarbij mede in ogenschouw, dat er transporten zijn gecontroleerd waarbij in het geheel geen cocaïne is aangetroffen, hetgeen erop duidt dat de verdachten ook andere zaken importeerden dan alleen vrachten die contrabande bevatten. Het hof zal de verdachte dan ook vrijspreken van het onder 3, 6 en 7 tenlastegelegde.

Ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde overweegt het hof dat op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet onomstotelijk kan worden vastgesteld dat in de dozen die mede door de verdachte buiten het grondgebied van Nederland zijn gebracht, dan wel opzettelijk zijn afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig zijn gehad, hennep zat en zo ja, hoeveel hennep er dan in zat.

Het hof zal de verdachte dan ook vrijspreken van het onder 4 tenlastegelegde.

Voor wat betreft de motivering van de deelvrijspraken per feit verwijst het hof naar de verderop in dit arrest opgenomen bewijsoverwegingen per feit.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 subsidiair, 5 subsidiair, 9, 10 en 11 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat hij:

1.

(zaakdossier Bananen)

hij op tijdstippen in de periode van 1 juli 2015 tot en met 14 juli 2015 op plaatsen in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 3.150 kilogram en ongeveer 628 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

2.

(zaaksdossier [betrokkene 17])

hij in de periode van 1 september 2015 tot en met 7 juni 2016 in Nederland

tezamen en in vereniging met anderen,

om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van (ongeveer) 76 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet

behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,

voor te bereiden,

- zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen, en

- voorwerpen en/of vervoersmiddelen en/of stoffen en/of gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat feit,

immers hebben hij, verdachte, en zijn mededaders tezamen en in vereniging met elkaar, toen en daar opzettelijk:

- telefoongesprekken (in versluierd taalgebruik) gevoerd en telefonische berichten en mailberichten verstuurd met betrekking tot het vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van genoemde hoeveelheid verdovende middelen (cocaïne)

en

- met personen contact opgenomen en ontmoetingen gehad met betrekking tot het vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van genoemde hoeveelheid verdovende middelen (cocaïne) en

- betalingen (laten) verricht(en) ten behoeve van het vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van genoemde hoeveelheid verdovende middelen (cocaïne) en

- [bedrijf 1] als ontvanger van te importeren meubels uit Colombia laten oprichten en

- telefoon(s) en geldbedragen in ontvangst genomen en/of laten nemen en

- een deklading meubels geregeld/laten regelen en

- een ruimte geregeld voor de aflevering en/of opslag van de container met daarin de deklading en

- naar voeten/poten voor onder containers gezocht.

5.

(zaaksdossier Raamsdonksveer)

hij in de periode van 1 december 2015 tot en met 21 december 2015 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen,

om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van (ongeveer) 1015 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen,

- een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, en/of

- zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen, en/of

- voorwerpen en/of vervoersmiddelen en/of stoffen en/of gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en),

immers heeft hij/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededaders tezamen en in vereniging met elkaar, toen en daar opzettelijk:

- telefoongesprekken gevoerd en/of een of meer telefonische berichten verstuurd met betrekking tot het binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid verdovende middelen (cocaïne) en

- met een of meer personen contact opgenomen en/of ontmoeting(en) gehad met betrekking tot het binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid verdovende middelen (cocaïne) en

- een of meer betaling(en) (laten) verricht(en) ten behoeve van het binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid verdovende middelen (cocaïne) en

- met personen op internet gezocht naar een opslagloods ten behoeve van het verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid verdovende middelen (cocaïne).

8.

(zaaksdossier Deklading)

hij in of omstreeks de periode van 1 november 2014 tot en met 3 juni 2016 in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander en/of anderen,

geldbedragen, te weten

- 120.550 euro en

- 24.000 euro

heeft omgezet terwijl hij, verdachte en zijn mededader(s) wisten dat die voorwerpen

geheel of gedeeltelijk – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig

misdrijf,

en hij, verdachte en zijn mededader(s), van het plegen van dit feit een gewoonte hebben gemaakt.

9.

(zaaksdossier Samen)

hij in de periode van 1 november 2014 tot en met 7 juni 2016 in Nederland,

heeft deelgenomen aan een organisatie, die bestond uit een samenwerkingsverband van verdachte en een of meer andere natuurlijke personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk

- het binnen het grondgebied van Nederland brengen van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I

en

- het gewoontewitwassen van voorwerpen.

10.

(zaaksdossier Sigarenknipper)

hij in de periode van 31 augustus 2015 tot en met 17 september 2015 in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander,

[benadeelde] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte die [benadeelde] opzettelijk dreigend (telefonisch) (in de Engelse taal) de volgende woorden toegevoegd:

-‘luister [benadeelde] , je zult alles regelen wat [medeverdachte 1] met jou heeft afgesproken, dat zul je vanavond doen, je zult die 15 vanavond brengen en die andere 15 zul je uiterlijk op donderdag brengen anders zal ik je klote kop eraf schieten, oke? Ik weet verdorie waar je woont en het is geen grap’ en (op zeer luide toon) ‘dus neem dit heel serieus, neem dit heel serieus mijn vriend, ja?’, althans woorden van gelijke (dreigende) aard of strekking.

11.

(zaaksdossier [woonplaats 1] )

hij op 7 juni 2016 te [woonplaats 1]

- vier wapens van categorie I onder 7°, te weten imitatievuurwapens en

- twee wapens van categorie II, te weten stroomstootwapens en

- drie spuitbussen pepperspray, zijnde voorwerpen bestemd voor het treffen van personen met een giftige en/of verstikkende en/of weerloosmakende en/of traanverwekkende stof van de categorie II, onder 6°,

voorhanden heeft gehad.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

De door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring zijn voor zover het betreft verklaringen, uitgewerkte taps en chats opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling is aan dit arrest gehecht. Voor zover de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring bestaan uit

documenten, waaronder facturen, transportdocumenten, e-mails, overeenkomsten en bevindingen van verbalisanten, heeft het hof volstaan met een verwijzing naar die bewijsmiddelen in de voetnoten bij de navolgende bewijsoverwegingen.

Bewijsoverwegingen

Algemene bewijsoverwegingen

Het strafdossier

Het dossier Gadolinium beslaat een groot aantal ordners en bevat onder meer diverse zaaksdossiers. Het hof is van oordeel dat het dossier in zijn geheel moet worden beschouwd en dat de tenlastegelegde feiten niet los van elkaar, maar in onderling verband en samenhang moeten worden bezien. Dit betekent onder meer dat bij feiten in het kader van een bepaald zaaksdossier ook stukken uit andere zaakdossiers kunnen worden betrokken. Dit neemt echter niet weg dat voor ieder tenlastegelegd feit afzonderlijk moet worden beoordeeld of sprake is van voldoende wettig en overtuigend bewijs.

Aanpak van het hof

De vraag of er voldoende wettig en overtuigend bewijs is, zal per zaaksdossier worden besproken.

Voor zover het hof tot het oordeel komt dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust deze beslissing op de feiten en omstandigheden als vervat in de bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang en verband beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Bewijsoverwegingen per feit

1. Feit 1 (zaaksdossier Bananen)

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal acht, anders dan de officier van justitie in eerste aanleg maar in navolging van de rechtbank, het onder 1 primair tenlastegelegde, kort gezegd het meermalen medeplegen van het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne, wettig en overtuigend bewezen.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft op de gronden als verwoord in de pleitnota vrijspraak bepleit van het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde. Deze gronden komen – samengevat – op het volgende neer.

[verdachte] is op geen enkele wijze betrokken geweest bij de invoer van cocaïne op 6 en 13 juli 2015, noch bij de voorbereiding daarvan. [verdachte] heeft geen bemoeienis gehad met het bedrijf [bedrijf 4] . [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] waren de personen achter de katvangers [betrokkene 3] en [getuige 1] en hadden de zeggenschap over [bedrijf 4] . [verdachte] had ook geen toegang tot de bankgegevens van [bedrijf 4] , heeft geen contante stortingen gedaan voor [bedrijf 4] , heeft geen bestellingen gedaan voor of namens [bedrijf 4] , heeft geen deklading of opslagruimte geregeld en heeft geen contact gehad met transportbedrijven in verband met het afhandelen van het transport van de bananen.

De enige bemoeienis die [verdachte] heeft gehad met betrekking tot een partij bananen van [bedrijf 5] aan [bedrijf 7] betreft de levering van januari 2015 (via [betrokkene 5] ) en de levering van een partij bananen op 28 mei 2015. Daaruit kan echter niet worden afgeleid dat [verdachte] verder enige betrokkenheid heeft gehad bij [bedrijf 4] , laat staan in verband met de twee in de tenlastelegging bedoelde transporten.

De belastende verklaringen van [getuige 1] bij de politie en de rechter-commissaris mogen niet voor het bewijs worden gebruikt, omdat hij, hoewel het hof het verzoek om hem te horen als getuige had toegewezen, uiteindelijk niet als getuige is gehoord, aldus de verdediging.

Oordeel hof

Gebruik verklaringen [getuige 1] voor het bewijs?

Het hof stelt allereerst vast, dat [getuige 1] door de politie als verdachte is gehoord en door de rechter-commissaris als getuige en dat hij bij die gelegenheden belastend voor de verdachte heeft verklaard. Het hof heeft de belastende verklaringen die [getuige 1] bij de politie heeft afgelegd voor het bewijs tegen de verdachte gebruikt.

Op de regiezitting van het hof op 19 april 2021 heeft de verdediging onder meer verzocht om [getuige 1] als getuige te horen. Blijkens het van die zitting opgemaakte proces-verbaal, heeft de verdediging in de toelichting op dat verzoek – kort gezegd – aangevoerd dat zij de getuige wil horen naar aanleiding van de verklaring die hij als verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg in zijn eigen strafzaak heeft afgelegd.

Het hof heeft dit verzoek op de zitting van 10 mei 2021 toegewezen en heeft daartoe de zaak verwezen naar de raadsheer-commissaris.

In het proces-verbaal van bevindingen van de raadsheer-commissaris d.d. 30 juni 2022 is het volgende gerelateerd:

‘Op 10 mei 2021 heeft het Hof het verzoek van de verdediging om het horen van [getuige 1] als getuige (tevens medeverdachte) toegewezen.

Uit de aan de raadsheer-commissaris beschikbaar gestelde informatie blijkt dat de getuige verbleef in Zuid-Afrika. Daarom is op 1juli 2021 een adresverificatie voor de getuige uitgezet naar Zuid-Afrika. Op 29 juli 2021 heeft het kabinet een mail ontvangen van het IRC dat de adresverificatie is uitgezet naar Zuid-Afrika.

Op 5 januari 2022 heeft het kabinet een mail ontvangen van IRC dat Zuid-Afrika de betreffende getuige niet kent en het opgegeven adres geen woonadres blijkt te zijn. Ook heeft het IRC om een paspoortnummer van de getuige verzocht, zodat Zuid-Afrika dan een nieuw aanknopingspunt zou hebben om verder te zoeken. Op dit verzoek is door het kabinet een SKDB-uitdraai met paspoortnummer van de getuige doorgestuurd naar IRC.

Op 11 maart 2022 heeft het kabinet IRC gemaild met een vraag of er inmiddels al meer bekend is over de getuige in Zuid-Afrika. Ook heeft het kabinet op 17 maart 2022 een GBA en SKDB verificatie gedaan van de getuige, maar er waren geen veranderingen. Op 17 maart 2022 heeft het kabinet een mail ontvangen van het IRC dat het opgegeven adres geen woonadres is, maar een industrieterrein en dat zij verder geen andere informatie over de getuige in bezit hebben.

Op 25 mei heeft kabinet nogmaals een mail gestuurd naar IRC met de vraag of er nog nieuws is vanuit Zuid-Afrika. Het IRC heeft vervolgens een mail gestuurd naar het kabinet waarin wordt gerefereerd naar de laatste informatie die is ontvangen vanuit Zuid-Afrika op 17 maart 2022, inhoudende dat het opgegeven adres geen woonadres is.

Op 16 juni 2022 heeft het kabinet voor de laatste keer een mail gestuurd naar IRC met de vraag of er nog iets duidelijk is over de verblijfplaats van de getuige. IRC heeft daarop laten weten dat er nog steeds niks duidelijk is over de verblijfplaats van de getuige.

Omdat de woon- of verblijfplaats van de getuige via de aan de raadsheer-commissaris ten dienste staande systemen niet kan worden achterhaald en onderzoek door het IRC en Zuid-Afrika niet hebben geleid tot een actuele verblijfplaats van de getuige, acht de raadsheer-commissaris het niet aannemelijk dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn kan worden opgeroepen ten einde als getuige te worden gehoord. De zaak zal op het kabinet worden afgesloten en zal voor planning van de inhoudelijke behandeling (intern) worden doorgestuurd.’

Ondanks de ondernomen pogingen daartoe, is [getuige 1] dus niet als getuige in hoger beroep gehoord. De verdediging heeft geen afstand gedaan van het ondervragingsrecht.

Uit het daarvan opgemaakte proces-verbaal verhoor van getuigen blijkt echter dat [getuige 1] tijdens de strafprocedure in eerste aanleg, op 7 juni 2018, door de rechter-commissaris als getuige is gehoord in het bijzijn van onder meer de raadsman van de verdachte, mr. Korvinus , dat de raadsman van de verdachte de getuige bij die gelegenheid heeft ondervraagd en dat de getuige op al diens vragen antwoord heeft gegeven (voormeld proces-verbaal is opgenomen in de map ‘RC-stukken deel 1’).

De verdediging heeft [getuige 1] dus kunnen bevragen omtrent zijn eerder bij de politie afgelegde, voor de verdachte belastende verklaringen. Voor de verdediging heeft daarom een behoorlijke en effectieve ondervragingsmogelijkheid van [getuige 1] bestaan. Daaraan doet naar het oordeel van het hof niet af dat de verdediging [getuige 1] niet heeft kunnen ondervragen omtrent diens verklaring als verdachte ter terechtzitting in zijn eigen strafzaak omdat die terechtzitting ten tijde van het getuigenverhoor door de rechter-commissaris nog niet had plaatsgevonden. De verklaring die [getuige 1] als verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg heeft afgelegd, heeft hij alleen in zijn eigen strafzaak afgelegd en niet in de strafzaak tegen de verdachte. Het hof gebruikt die verklaring van [getuige 1] dan ook niet voor het bewijs.

De verklaringen die [getuige 1] bij de politie en de rechter-commissaris heeft afgelegd kunnen en zullen door het hof wel voor het bewijs worden gebezigd. Het verweer dat die verklaringen van het bewijs moeten worden uitgesloten wordt bijgevolg verworpen.

Beoordeling feit 1

Het hof volgt hierna grotendeels de overwegingen van de rechtbank. Waar nodig heeft het hof die overwegingen verbeterd en/of aangevuld.

Feitelijke invoer

Op 7 juli 2015 is door de Belgische douane in de haven van Antwerpen in een container geladen met bananen een hoeveelheid van 3.597,08 kilo cocaïne aangetroffen. De container was afkomstig van het motorschip [scheepsnaam 1] , dat vanuit Turbo (Colombia) via Portsmouth (VK) op 6 juli 2015 in Antwerpen was aangekomen. De container met bananen was bestemd voor [bedrijf 4] , contactpersoon [betrokkene 3] .

Op 14 juli 2015 is door de Belgische douane in de haven van Antwerpen in een container geladen met bananen een hoeveelheid van 627,65 kilo cocaïne aangetroffen. De container was afkomstig van het motorschip [scheepsnaam 2] , dat vanuit Turbo (Colombia) via Portsmouth (VK) op 13 juli 2015 in Antwerpen was aangekomen. De container met bananen was bestemd voor [bedrijf 4] , contactpersoon [betrokkene 3] .

Feit van algemene bekendheid is dat de haven van Antwerpen voor zeeschepen uitsluitend te bereiken is via het Nederlandse gedeelte van de Westerschelde. Het kan daarom niet anders dan dat de voornoemde twee hoeveelheden cocaïne eerst per schip binnen het grondgebied van Nederland zijn gebracht alvorens het schip met de cocaïne is doorgevaren naar de haven van Antwerpen. Het hof is daarom met de advocaat-generaal en in navolging van de rechtbank van oordeel dat het onder 1 primair tenlastegelegde bestanddeel ‘binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht’ bewezen kan worden verklaard. Dat de cocaïne vervolgens Nederland weer heeft verlaten, de vracht in Antwerpen in beslag is genomen en dus daarna niet (opnieuw) binnen het grondgebied van Nederland is gebracht, doet hieraan niet af. Het feit was toen immers al gepleegd.

Betrokkenheid en wetenschap verdachten

Het hof zal schetsen of en op welke wijze de verdachten [medeverdachte 1] en [verdachte] en hun medeverdachten betrokken zijn bij de invoer van de hierboven genoemde cocaïne. Daar waar de verdachten betrokken waren bij de invoer van deze ladingen is hun handelen slechts als misdrijf te bewijzen als zij het opzet hadden op het invoeren van de hoeveelheid cocaïne. Daarvoor is onder meer vereist dat zij moeten hebben geweten van de in de containers aanwezige hoeveelheden cocaïne. Het hof zal hieronder dan ook nader ingaan op de vraag of de verdachten die wetenschap hadden. Zowel de verdachte [medeverdachte 1] als de verdachte [verdachte] heeft als verweer gevoerd dat bij hem die wetenschap ontbrak.

Het hof zal in navolging van de rechtbank hieronder benoemen wat het heeft aangetroffen in het dossier en daarbij telkens tussentijds zijn conclusies bespreken.

Begin samenwerking [medeverdachte 1] en [verdachte]

Op 12 november 2014 is [bedrijf 5] (hierna ook: [bedrijf 5] of [bedrijf 5] ) opgericht, op naam van [betrokkene 4] .

Op 1 november 2014 werd een bankrekening ( [rekeningnummer] ) op naam van [bedrijf 5] geopend bij de ABN AMRO bank.

In de Medion laptop die is aangetroffen bij een zoeking op 7 juni 2016 op de [adres 2] te Heemstede (kantoorpand [bedrijf 5] waar [verdachte] werkte) werden Spaanstalige facturen van een Colombiaans bedrijf aangetroffen die zagen op ‘boxes fresh green cavendish banana’. Deze facturen dateerden van respectievelijk 15 november 2014, 4 en 12 december 2014 en waren gericht aan [medeverdachte 1] . De bestemming leek – vrij vertaald – de haven van Antwerpen te zijn.

Passend bij de aantallen zoals genoemd in de facturen van december 2014 zijn er een tweetal Sea Way Bills aangetroffen van [bedrijf 6] , een bedrijf in Medellín, Colombia, waarin staat vermeld dat er 960 boxes verzonden worden aan [bedrijf 5] [adres 3] , met daarbij als contactgegevens: [telefoonnummer] [e-mailadres 1] en [bedrijf 5] .eu.

Passend bij het aantal boxes vermeld op de factuur van 15 november is een certificaat aangetroffen van [bedrijf 6] waarop eveneens [bedrijf 5] staat vermeld.

In dezelfde periode werden er door het bedrijf [bedrijf 4] (waarvoor in oktober en november 2014 nieuwe bankrekeningen en een nieuwe directeur werden geregistreerd) eveneens bananen ontvangen met als afzender [bedrijf 6] . Uit een aantal Sea Way Bills blijkt dat zeker twee van de bovengenoemde vrachten bananen voor [bedrijf 5] het schip ( [scheepsnaam 2] en [scheepsnaam 1] ) gedeeld hebben met de bananen voor [bedrijf 4] .

In [woonplaats 2] zijn op respectievelijk 4 december 2014, 24 december 2014 en 2 januari 2015 contante geldbedragen (€ 3.000,00, € 3.000,00 en € 15.000,00) gestort op de bankrekening van [bedrijf 5] .

Er zijn op 6 januari 2015 bananen aangekomen in Amersfoort op het adres van [bedrijf 5]

Op 12 januari 2015 heeft [verdachte] een bedrag overgemaakt naar de bankrekening van [bedrijf 5] inzake vrachtkosten bananen.

Het hof constateert met de rechtbank dat [medeverdachte 1] vanaf november 2014 bezig is met de aankoop en import van bananen uit Colombia en dat [verdachte] hier sinds in elk geval januari 2015 bij betrokken is. Het hof constateert eveneens dat er een verband bestaat tussen de bananen voor [bedrijf 4] en de bananen voor [bedrijf 5] : ze worden op hetzelfde moment door dezelfde afzender met hetzelfde schip verzonden.

Vanaf het moment dat [verdachte] de betaling heeft verricht is in het dossier zichtbaar dat er naar afnemers van de bananen gezocht wordt. Er lijken zelfs advertenties van bananen op marktplaats gezet te worden. Op 15 januari 2015 stuurt [verdachte] een mail aan [bedrijf 8] over de vraag wat het kost om de bananen vanuit Turbo in Colombia naar Rotterdam te laten vervoeren. Hij vraagt daarna om input aan [medeverdachte 1] : ‘daar jij de verkoper kent.’

Op 10 februari 2015 mailt [verdachte] naar [medeverdachte 1] een interne berekening die niet per ongeluk door gemaild mag worden. Hierin staan kort gezegd de te verwachten opbrengsten en de afsluiting:

‘Niet slecht voor 2 boerenlullen zonder de ballen verstand van Bananen.. die pas 2 maanden bezig zijn.

En dat is nog maar het begin..!!!!!!!!!!!!!!’

Op 16 februari 2015 stuurt [medeverdachte 1] een voorstel naar afnemer [bedrijf 7] waarin hij aankondigt de maanden april, mei en juni drie vrachten bananen per week te kunnen gaan leveren die aankomen in de haven in Antwerpen. Op diezelfde dag accepteert [medewerker bedrijf 7] van [bedrijf 7] het aanbod en worden verdere afspraken gemaakt.

Op 17 februari 2015 wordt door [verdachte] een berekening aan [medeverdachte 1] gestuurd met daarin vermeld de kosten van [getuige 1] . Beoogd wordt om hem aan te nemen per 1 mei 2015 met een proefperiode van 6 maanden voor een brutosalaris van 3.500 euro per maand.

Een andere importeur

Het hof constateert dat [medeverdachte 1] en [verdachte] op dat moment (dus half februari 2015) zeer concrete plannen lijken te hebben voor de invoer van bananen via de haven in Antwerpen en dat ze daarvoor een werknemer ( [getuige 1] ) nodig hebben. [verdachte] heeft verklaard dat de enige bananen die [bedrijf 5] zelf ingevoerd heeft de drie vrachten in december 2014 en januari 2015 betreffen. Uit de verklaring van [medeverdachte 1] blijkt ook dat het qua invoer door [bedrijf 5] daar bij gebleven is. Hij verklaarde dat ze de samenwerking met [betrokkene 6] beëindigden. Dit betekent dat [medeverdachte 1] en [verdachte] in februari 2015 concrete voorstellen deden over bananen die zij niet zelf in Nederland zouden invoeren. Uit niets blijkt dat zij op dat moment zelf bezig waren met contacten in Zuid-Amerika om zelf transporten naar Nederland te organiseren. Desalniettemin achtten zij zichzelf in staat bananen te verkopen en verwachtten zij wel de aankomst van bananen in Antwerpen in de maanden april, mei en juni 2015.

Met ingang van 23 februari 2015 worden zowel [medeverdachte 1] als [verdachte] bij de Kamer van Koophandel geregistreerd als bestuurder met de titel algemeen directeur van [bedrijf 5]

[getuige 1] heeft nog geen rol bij [bedrijf 5] of één van de andere bedrijven als de eerste bananen binnen moeten komen voor [bedrijf 5]

Op 31 maart 2015 en 1 april 2015 zijn de heer [betrokkene 3] , de heer [getuige 1] en de heer [betrokkene 7] ( [telefoonnummer 2] ) bij de Kamer van Koophandel te Eindhoven geweest. Medewerkers van de Kamer van Koophandel hebben hun bevindingen van deze bezoeken op 31 maart 2015 en die van de volgende dag in een document weergegeven. In dit document staat dat [betrokkene 3] op 31 maart 2015 een bestuurswisseling door wilde geven, maar niet goed genoeg wist waar het over ging en dus weggestuurd werd. In de middag kwam hij terug met [getuige 1] en [betrokkene 7] . Het ging om een directiewisseling van [bedrijf 9] (die een onderneming heeft: [bedrijf 10] ). [getuige 1] vroeg of hij nou directeur werd van [bedrijf 10] of van [bedrijf 9] Hij gaf niet blijk van enige kennis op dit punt en ook niet dat hij werkelijk wist waarvoor hij nou tekende, want toen het was uitgelegd moest hij nog een keer naar de hal om met [betrokkene 7] te overleggen. Het is uiteindelijk niet doorgegaan omdat [getuige 1] geen adres in Nederland had.

Op 1 april 2015 kwamen ze weer terug voor een bestuurswisseling van [bedrijf 4] en [bedrijf 11] . Men liep tegen hetzelfde probleem met het adres aan. Inmiddels was [getuige 1] wel naar de gemeente Heemstede geweest om zich in te schrijven, hiervan werd een uittreksel getoond door [betrokkene 7] . Dit was geen uittreksel van een woonadres. Verder speelde met betrekking tot [bedrijf 4] dat zij bestuurder was van een failliete onderneming en dat daardoor de curator groen licht zou moeten geven voor de wijziging.

Op de middag van 31 maart 2015 zijn zoekslagen gedaan op een computer die is aangetroffen op het woonadres van [verdachte] . Het Export Summary Rapport bevat de volgende zoektermen:

- dinsdag 31 maart 2015 14:16: 30: [bedrijf 4] faillissement;

- dinsdag 31 maart 2015 14:19:46: [betrokkene 3] oplichting;

- Last visit: 2015-03-31 T12:16:30 – [bedrijf 9] faillissement.

Op 1 april 2015 om 12.02 uur mailt [medewerker bedrijf 7] van [bedrijf 7] aan [medeverdachte 1] op [e-mailadres 2] en in cc [verdachte] de vraag of volgende week inderdaad de eerste bananen binnen komen.

Om 12.03 uur antwoordt [verdachte] aan [bedrijf 7] (met in cc [e-mailadres 1] ):

‘Nee, door omstandigheden zouden ze pas volgende week vertrekken. Dit zal dan een miscommunicatie zijn geweest.’

Het bovenstaande betekent dat [verdachte] en [medeverdachte 1] kennelijk een leverancier van bananen hadden waardoor zij op de hoogte gehouden werden, terwijl [getuige 1] nog geen rol had bij [bedrijf 5] of enig ander bedrijf.

Ook blijkt uit het bovenstaande dat [verdachte] op 31 maart 2015 op een nauwe manier betrokken was bij de plannen waarin [getuige 1] op de voorgrond werd geplaatst, hij voerde op de middag van de bezoeken van [getuige 1] aan de KvK achter de computer onderzoek uit naar de informatie die daaruit naar voren kwam.

[medeverdachte 1] heeft verklaard dat [bedrijf 5] in april of mei benaderd is door [bedrijf 4] om bananen af te nemen. [verdachte] heeft verklaard dat hij [bedrijf 4] alleen via [betrokkene 8] kende.

Deze verklaringen passen niet bij de handel in bananen in de periode kort na januari 2015. Toen verkocht [bedrijf 5] bananen die zij zelf niet importeerde, en die naar later bleek door [bedrijf 4] werden ingevoerd. Op dat moment speelde [getuige 1] nog geen rol en was dus het plan dat [bedrijf 5] zelf de bananen van [bedrijf 4] zou verkopen. Zowel [medeverdachte 1] als [verdachte] hielden zich hier intensief mee bezig.

Inzet [getuige 1]

In februari 2015 kwam [getuige 1] als oude bekende weer in contact met [verdachte] . Meteen werden plannen gemaakt om [getuige 1] ook aan het werk te zetten.

Duidelijk is dat [medeverdachte 1] en [verdachte] [getuige 1] op het spoor van [bedrijf 4] hebben gezet. [bedrijf 4] was op dat moment al in beeld als leverancier van de bananen die [bedrijf 5] wilde verkopen.

Op 11 mei 2015 wordt [getuige 1] algemeen directeur van [bedrijf 4] , [betrokkene 3] is dan al sinds 25 november 2014 enig aandeelhouder en bestuurder.

Op 28 mei 2015 arriveren uiteindelijk de eerste door [bedrijf 5] aan [bedrijf 7] verkochte bananen bij [bedrijf 7] . Er ontstaat op 29 mei 2015 bij [bedrijf 7] verwarring over de afzender die op de vrachtbrief (CMR) staat: [bedrijf 4] uit Geleen. [verdachte] reageert diezelfde ochtend geruststellend: ‘Wij hebben met [bedrijf 4] een overeenkomst dat we alle vrachten van hun overnemen. Je zult conform afspraak een factuur ontvangen van [bedrijf 5] Heemstede. Groeten [verdachte] .’

In het eerste verhoor van [getuige 1] , de dag dat hij door de politie was opgehaald van het vliegveld toen hij terugkwam uit Zuid-Afrika, dus zonder dat hij eerst het dossier had gelezen, verklaarde hij dat [bedrijf 4] van [medeverdachte 1] was en dat ze ( [medeverdachte 1] en [verdachte] ) hem er director van maakten. Het was een Belg die het verkocht, een klein vies ventje. [medeverdachte 1] had toegang tot [bedrijf 4] .

In zijn tweede verhoor een dag later verklaarde hij dat [medeverdachte 1] en [verdachte] samen de partijen in Geleen afhandelden. Hij is nooit in Geleen geweest. Hij kent een [betrokkene 9] die alles zou regelen met betrekking tot het overzetten van [bedrijf 4] .

Bovendien zijn in de laptop van [medeverdachte 1] de mailgegevens met inlogcodes van [bedrijf 4] en een aantal andere bedrijven aangetroffen. Ook de inloggegevens van beide bankrekeningen van [bedrijf 4] stonden in de laptop van [medeverdachte 1] .

[medewerker bedrijf 7] , werkzaam bij [bedrijf 7] , heeft verklaard dat zij nooit zaken hebben gedaan met [bedrijf 4] , maar dat hij die naam wel heeft zien staan op CMR-formulieren.

In mei 2015 bood [verdachte] [het hof begrijpt: [verdachte] ] van [bedrijf 5] hem bananen aan. Hij heeft die afgenomen, maar het viel hem op dat op de CMR-formulieren [bedrijf 4] stond. Omdat hij geen problemen wilde, heeft hij [verdachte] meteen een mail gestuurd. [verdachte] heeft hem in reactie daarop gemaild dat zij (het hof begrijpt: [bedrijf 5] ) een overeenkomst hadden met [bedrijf 4] om alle vrachten van hen over te nemen en dat de factuur betaald kon worden aan [bedrijf 5] . Dat heeft [bedrijf 7] vervolgens ook gedaan.

[verdachte] doet het voorkomen of de bananen werden ingevoerd door [bedrijf 4] en vervolgens werden overgenomen door [bedrijf 5] . Uit de bewijsmiddelen blijkt echter dat [verdachte] en [medeverdachte 1] [bedrijf 4] aanstuurden. Daar komt bij dat uit de stukken, de aangetroffen administratie en overige bescheiden niet naar voren komt dat [bedrijf 4] de bananen heeft geïmporteerd en vervolgens heeft verkocht aan [bedrijf 5] . Er zijn geen koopovereenkomsten of betalingen aangetroffen tussen [bedrijf 4] en [bedrijf 5] . Feit is dat [verdachte] rechtstreeks zaken deed met [bedrijf 7] om de bananen te verkopen nadat ze waren ingevoerd.

De eerste lading bananen die aan [bedrijf 7] was beloofd arriveerde op 28 mei 2015 bij [bedrijf 7] . Deze lading was afkomstig van [bedrijf 4] en kwam vanuit Geleen.

Uit de historische gegevens van het telefoonnummer van [medeverdachte 1] ( [telefoonnummer 3] ) blijkt dat het telefoonnummer zich op 28 mei 2015 tussen 10:15 en 10:56 uur in Geleen bevond, het heeft masten aangestraald binnen het bereik van de [adres 4] aldaar.

Op 28 mei 2015 om 10:41 uur mailt [verdachte] ( [e-mailadres 3] ) aan [medewerker bedrijf 7]:

‘Onderwerp: FWD: Foto 1

Beste [medewerker bedrijf 7] .

Zoals afgesproken de fotos (4 totaal).

De vrachten, totaal 64 Pallets worden vandaag bij jullie aangeleverd door de [bedrijf 12] .

Met vriendelijke groet

[verdachte] .

Ps factuur zorgt [medeverdachte 1] voor namens [bedrijf 5] Heemstede.’

Het hof constateert dat [verdachte] een foto doormailt (FWD) aan de klant op het moment dat de telefoon van [medeverdachte 1] in Geleen is. Deze bevindingen onderstrepen dat [medeverdachte 1] en [verdachte] de beschikking hebben over de bananen van [bedrijf 4] in Geleen.

De verklaringen van [medeverdachte 1] en [verdachte] over de rol van [getuige 1] bij [bedrijf 4] en hun betrokkenheid daarbij acht het hof, evenals de rechtbank, gelet op het bovenstaande ongeloofwaardig. De verklaringen van [getuige 1] , die worden ondersteund door die van [medewerker bedrijf 7] , passen daarentegen wel bij bovenstaande bevindingen.

Op basis van het bovenstaande concludeert het hof met de rechtbank dat [medeverdachte 1] en [verdachte] [getuige 1] [bedrijf 4] doelbewust hebben laten overnemen en hem verder buiten alles hebben gehouden. [getuige 1] werd slechts op papier bestuurder van [bedrijf 4] maar had er feitelijk niets mee te maken. [medeverdachte 1] daarentegen had toegang tot de mail en bankzaken van [bedrijf 4] .

Tussenconclusie

Het hof stelt vast dat [medeverdachte 1] en [verdachte] in het voorjaar van 2015 samen een constructie met [bedrijf 4] B.V. hebben opgezet. Hiervoor hebben ze [getuige 1] gebruikt, die feitelijk als katvanger fungeerde voor [bedrijf 4] .

Eenmanszaak [bedrijf 1]

Hoewel de beide vrachten met bananen waarin de cocaïne werd gevonden volgens de vrachtbrieven bestemd waren voor [bedrijf 4] , is er een rol voor [bedrijf 1] weggelegd bij het transport van deze bananen met cocaïne. Het hof zal daarom hierna [bedrijf 1] bespreken.

Op 1 juni 2015 wordt [bedrijf 1] gevestigd, dit is op 2 juni 2015 geregistreerd.

In zijn eerste verhoor op 8 juni 2016 heeft [getuige 1] verklaard dat hij [bedrijf 1] moest vestigen. Hij moest transacties doen namens [bedrijf 5] en die kocht van [bedrijf 1] . [bedrijf 1] kocht van de leverancier. Volgens [getuige 1] ging het om papieren transacties.

In het dossier bevinden zich verschillende versies van een factuur van [bedrijf 1] aan [bedrijf 5] van 8 juni 2015. Deze versies zijn op 7 juni 2016 digitaal aangetroffen op de Medion laptop aan de [adres 2] in Heemstede en op de laptop van [medeverdachte 1] . Verder zijn drie versies van die factuur op papier (waarvan één met opvolgend factuurnummer) aangetroffen in het kantoorpand aan de [adres 5] in Amersfoort. De facturen zaten in een grijze ordner met op de ordnerrug: ‘ [bedrijf 5] ( [bedrijf 4] doorgestreept) Betaal Fact 2015’. Deze factuur betreft in alle versies 960 en 2112 ‘boxes Cavendisch (hof: met ‘sch’ op het eind) CAT 2’ en heeft telkens als totaalbedrag € 19.880,88.

Per saldo komt het hof in het dossier vier verschillende versies van dezelfde factuur met dezelfde bijzondere schrijfwijze van ‘Cavendish’ tegen in de stukken.

In voornoemde ordner zat ook een factuur van 10 juni 2015 met betrekking tot 2784 ‘boxes Cavendisch CAT 2’. Deze factuur heeft hetzelfde factuurnummer als die met het afwijkende nummer d.d. 8 juni 2015.

Verder zaten er in de ordner twee facturen d.d. 19 juni 2015 en twee d.d. 26 juni 2015. Alle facturen betreffen Cavendisch/Cavendish bananen in verschillende hoeveelheden. De factuurnummers lijken niet helemaal te kloppen en op de facturen d.d. 26 juni 2015 is ook handgeschreven dat de factuur niet correct is in verband met de BTW over de commissie.

De facturen van 19 juni 2015 zijn eveneens aangetroffen in de Medion laptop op de [adres 2] . Onder de facturen staat: ‘Met vriendelijke groeten, [betrokkene 10] .’

Uit onderzoek naar de bankrekening van [bedrijf 1] bij de ING

( [rekeningnummer 3] ) blijkt dat deze rekening op 15 april 2015 geopend is door [getuige 1] . De betaalpas is aangevraagd op 4 juni 2015.

Op 8 juni 2015 werd door [bedrijf 5] onder vermelding van ‘factuur HMG201501’ een bedrag van € 19.880,88 overgemaakt aan [bedrijf 1] .

Op 9 juni 2015 werd een bedrag van € 1,00 overgeschreven naar de bankrekening [rekeningnummer 4] met als omschrijving: ‘test’.

Op 9 juni 2015 werd ook een bedrag van € 19.113,88 (factuur 2015101) en een bedrag van € 17,00 (restant overbetaling) overgeschreven naar de bankrekening van [bedrijf 4] , [rekeningnummer 1] .

Uit dit onderzoek blijkt verder dat er ook op 22 juni 2015 en 26 juni 2015 substantiële bedragen zijn ontvangen door [bedrijf 1] van [bedrijf 5] en zijn doorbetaald door [bedrijf 1] aan [bedrijf 4] .

Het hof constateert dat de betalingen van [bedrijf 5] aan [bedrijf 1] min of meer overeenkomen met de hierboven vermelde aangetroffen facturen. Er is niets aangetroffen dat wijst op de aankoop van de bananen door [bedrijf 1] . [bedrijf 1] komt niet voor als geadresseerde of afzender op transportdocumenten, er zijn geen facturen aan [bedrijf 1] en er zijn geen overeenkomsten gevonden tussen [bedrijf 1] en haar leverancier(s) van de bananen.

Op 6 juli 2015, wanneer met [bedrijf 14] wordt gemaild over het inklaren van de door [bedrijf 4] aangekochte en aangeleverde vracht, wordt door een [betrokkene 8] (die daarvoor voor zover bekend niet eerder onder die naam gemaild had vanaf het e-mailadres [e-mailadres 4] ) toestemming gegeven om die vracht te laten inklaren voor de firma [bedrijf 1] uit Heemstede.

Deze mail ziet op de vracht die uiteindelijk op 9 juli 2015 in Geleen aan moest komen en waarin in de haven van Antwerpen 3.597,08 kilogram cocaïne is aangetroffen.

De mailsessie vanaf 6 juli 2015 met [bedrijf 14] begint met de volgende tekst:

‘Hierbij geef ik u bij deze formeel toestemming om de door [bedrijf 4] aangekochte en aangeleverde vracht, te laten inklaren voor de firma [bedrijf 1] uit Heemstede Nederland, met BTW nr. [BTW-nummer 1] .

Eea als gevolg van het tijdelijk niet actief zijn van ons eigen BTW nr. buiten onze schuld.

Wij verontschuldigen ons bij u voor de overlast, en vertrouwen erop dat eea op deze wijze is verholpen, en streven ernaar om alles voor volgende week opgelost en geheractiveerd te hebben.

Graag ontvang ik van u een bevestiging dat alles zo in orde is.

Met vriendelijke groet,

[betrokkene 8] .

[bedrijf 4]

(…)’

Dit is een reactie op een e-mail van [bedrijf 14] waarin [bedrijf 14] aangeeft dat ‘dit geen simpel dossier meer is’ vanwege het inklaren op een ander bedrijf. [bedrijf 14] zal de goederen pas vrijgeven wanneer de betalingen effectief op de rekening van [bedrijf 14] staan.

In telefoongesprekken van 12 augustus 2015 tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] wordt gesproken over deze mailsessie. In het antwoord van [bedrijf 14] wordt gevraagd om een factuur waaruit zou kunnen blijken dat [bedrijf 4] de goederen heeft verkocht aan [bedrijf 1] .

Het hof maakt hieruit op dat [medeverdachte 1] en [verdachte] kennis hebben van het feit dat er in juli 2015 gemaild is door [bedrijf 14] aan [bedrijf 4] over een factuur waaruit kan blijken dat de bananen zijn verkocht door [bedrijf 4] aan [bedrijf 1] . De factuur heeft het hof niet aangetroffen.

Op 10 juli 2015 wordt de loods aan de [adres 4] in Geleen (waar de bananen voor [bedrijf 4] afgeleverd moesten worden) doorzocht. In een ruimte die kennelijk als kantoor was ingericht werd in een kast administratieve bescheiden aangetroffen (transportformulieren) en een visitekaartje van een fruitbedrijf. In een vuilcontainer werden snippers van een verscheurd transportformulier en stickers van vermoedelijk andere zendingen goederen aangetroffen. Dit werd inbeslaggenomen. Er werden 36 vrachtbrieven aangetroffen. Op deze vrachtbrieven staat voor de zendingen die vertrokken vanaf de loods in Geleen telkens vermeld als afzender [bedrijf 4] , al dan niet met daarbij handgeschreven [bedrijf 5] Geleen.

Het hof maakt hieruit op dat ook in de loods aan de [adres 4] niets op papier is aangetroffen dat duidt op de betrokkenheid van [bedrijf 1] bij de vracht bananen die op 9 juli 2015 moest aankomen in Geleen.

Uit het dossier blijkt niet van enige betrokkenheid van [bedrijf 1] bij bananen, anders dan de bovengenoemde mail van 6 juli 2015 en de daarop volgende mails met [bedrijf 14] . Daar waar de namen [betrokkene 8] en [betrokkene 10] worden genoemd als contactpersonen voor transporteurs of derden zoals [betrokkene 11] , is dat steeds namens [bedrijf 4] of [bedrijf 5] .

Met de rechtbank overweegt het hof dat het bovenstaande erop wijst dat [medeverdachte 1] en [verdachte] , die betrokken waren bij [bedrijf 4] , ook betrokken waren bij [bedrijf 1] . Zij beschikten ook over de inloggegevens van de mail van [bedrijf 1] . Dit past bij de verklaringen van [getuige 1] . Het hof hecht gelet hierop meer waarde aan de verklaringen van [getuige 1] dan aan die van [medeverdachte 1] en [verdachte] . Het hof gaat er dan ook van uit dat [medeverdachte 1] en [verdachte] [getuige 1] [bedrijf 1] hebben laten oprichten teneinde zelf uit beeld te blijven. Dit past ook bij de eerdere constatering dat [getuige 1] bij [bedrijf 4] naar voren is geschoven door [medeverdachte 1] en [verdachte] . Het feit dat [bedrijf 1] naar voren werd geschoven bij juist de lading die cocaïne bevatte, is voor het hof een redengevende omstandigheid voor de uiteindelijke conclusie dat [medeverdachte 1] en [verdachte] daar wel degelijk wetenschap van hadden.

Stortingen [bedrijf 4]

had in 2014-2015 twee bankrekeningen:

- [rekeningnummer 1] , geopend op 1 oktober 2014, zakelijk vertegenwoordiger [betrokkene 3] , pasnummer-volgnummer: [pasnummer 1] ;

- [rekeningnummer 2] , geopend op 13 november 2014, gemachtigde [gemachtigde 1] .

Op beide bankrekeningen zijn contante geldbedragen gestort en daarvan werd onder meer betaald aan [bedrijf 13] te Colombia (leverancier van de bananen) en aan [bedrijf 14] (inklaarder van de bananen).

Vanaf 3 juni 2015 lijkt er het een en ander veranderd te zijn:

Op 3 juni 2015 worden de laatste stortingen bij de Kreissparkasse in Erkelenz gedaan (totaal € 20.000,00), en op 3 juni 2015 wordt datzelfde bedrag overgemaakt naar de ING rekening van [bedrijf 4] .

Op 3, 4 en 5 juni 2015 worden er ook bedragen gestort op de ING rekening van [bedrijf 4] , maar niet meer zoals eerder in het zuiden van het land. Nijkerk, Heemstede, Baarn en [woonplaats 2] zijn de locaties van de stortingen die dagen.

Daarna volgen geen stortingen meer op de Kreissparkasse rekening van [bedrijf 4] , maar wel de volgende stortingen op de ING-rekening van [bedrijf 4] :

3 juni 2015: € 10.000,00 om 13.30 uur in Nijkerk

4 juni 2015: € 10.000,00 om 10.22 uur in Heemstede

€ 5.000,00 om 13.26 uur in Baarn

5 juni 2015: € 4.950,00 om 09.06 uur in [woonplaats 2]

en dan op 5 juni 2015 een betaling van € 40.265,28 aan [bedrijf 13]

11 juni 2015: € 15.000,00 om 10.49 uur in [woonplaats 2]

12 juni 2015: € 15.000,00 om 14.14 uur in [woonplaats 2]

15 juni 2015: € 15.000,00 om 11:07 uur in [woonplaats 2]

en dan op 15 juni 2015 een betaling van € 33.711,65 aan [bedrijf 13]

26 juni 2015: € 15.000,00 om 19.21 uur in [woonplaats 2]

27 juni 2015: € 3.000,00 om 10.14 uur zonder locatie (locatie blijkt Baarn te zijn)

€ 4.000,00 om 10.09 uur idem

€ 4.000,00 om 10.07 uur idem

€ 4.000,00 om 10.03 uur idem

29 juni 2015: € 15.000,00 om 11:12 uur in Heemstede

en dan op 29 juni 2015 een betaling van € 40.651,47 aan [bedrijf 13]

3 juli 2015: € 15.000,00 om 14.54 uur in Heemstede

en dan op dezelfde dag een bedrag van in totaal € 6.167,27 in twee deelbetalingen aan [bedrijf 14] en op 7 juli 2015 een betaling van € 34.364,39 en € 2.379,07 aan [bedrijf 13]

Op 7 juli 2015 werd de eerste lading cocaïne bestemd voor [bedrijf 4] inbeslaggenomen in Antwerpen. Na 7 juli 2015 vinden er alleen nog maar automatische afschrijvingen plaats op de Nederlandse bankrekening en op de Duitse bankrekening vinden alleen nog maar renteafschrijvingen plaats.

Vanaf begin mei 2015 houdt [verdachte] met [bedrijf 5] kantoor aan de [adres 2] te Heemstede . [medeverdachte 1] houdt met [bedrijf 5] al langer kantoor aan [adres 3] . [verdachte] woont in [woonplaats 1] en [medeverdachte 1] in [woonplaats 2] . Nijkerk en Baarn liggen dichtbij [woonplaats 2] .

Het hof volgt de rechtbank in haar overweging dat het opvalt dat deze stortingen passen bij een ander ‘stortingspatroon’, te vinden in deeldossier Ananassen in samenhang met Deklading. Kort gezegd komen de bevindingen in die dossiers met betrekking tot deze periode (vanaf mei 2015) op het volgende neer.

Stortingen Duitsland

In mei 2015 heeft [medeverdachte 1] met een relatie van hem in Duitsland, medeverdachte [benadeelde] (hierna: [benadeelde] ) via Whatsapp contact over een plan waarvan niet zeker is of het doorgaat. Het heeft iets te maken met fruit kopen en dat ze moeten afwachten. Op 4 juni 2015 meldt [medeverdachte 1] aan [benadeelde] dat hij heeft gezegd ‘ieder 30 K moeten die 2000 betalen’ en dat ‘die 60 of 90 per week willen doen’. [medeverdachte 1] zegt tegen [benadeelde] : ‘Jij krijgt cash en overmaken naar België’ en ‘Kan over drie dagen kan iedere dag zonder problemen in bank storten 30000’.

[benadeelde] stelt allerlei vragen en ook: ‘Oke wanneer moet dat dan van start gaan. Want ik moet er immers ook zijn dan’.

[medeverdachte 1] reageert met: ‘WEET NIET!!! Wachten en maak geen enkele fout met overmaken omdat die mensen zoeken ons op’.

[benadeelde] lijkt niet te kunnen wachten, maar [medeverdachte 1] bericht pas op 11 juni 2015 dat die 90 willen doen vandaag. Ze spreken af voor morgen, dus 12 juni 2015, om 10.00 uur net over de grens bij Groningen.

De Whatsappsessie is integraal opgenomen in het dossier Ananassen. Daaruit volgt dat in de zomer van 2015 [medeverdachte 1] regelmatig grote geldbedragen voor een opdrachtgever aan [benadeelde] heeft overhandigd en dat [benadeelde] deze bedragen heeft gestort en overgemaakt naar een Belgisch bedrijf, [bedrijf 15] .

Er ontstond regelmatig stress over het tempo waarmee het geld op de Belgische rekening belandde. Uiteindelijk ging het mis met de stortingen van 19-21 augustus 2015 waarvan € 40.000,00 wel in België terecht kwam, maar € 52.000,00 niet. Dit leidde tot een ontmoeting op 11 september 2015 waarbij [benadeelde] € 30.000,00 terug betaalde aan degene van wie het geld kwam: verdachte [medeverdachte 2] . Deze ontmoeting is geobserveerd. [verdachte] was van deze situatie op de hoogte.

De resterende € 22.000,00 heeft [medeverdachte 1] via [bedrijf 5] (in overleg met [verdachte] ) aan [benadeelde] geleend en aan [medeverdachte 2] overhandigd op 14 september 2015.

Het hof concludeert dat [medeverdachte 1] eind mei 2015 met [benadeelde] al communiceerde over geld dat gestort moest worden in opdracht van [medeverdachte 2] . Verder constateert het hof dat de stortingen die op de ING-rekening van [bedrijf 4] werden gedaan volledig passen in het stortingspatroon van [benadeelde] in Duitsland. De Whatsappberichten sluiten ook aan bij die bevindingen, die geven immers aan wanneer [medeverdachte 1] contact heeft gehad met [medeverdachte 2] (berichten dan wel ontmoetingen).

Wanneer de gegevens naast elkaar gelegd worden leidt dit tot de volgende constateringen:

Uit de apps van 4 juni 2015 blijkt dat [medeverdachte 1] contact gehad heeft met [medeverdachte 2] . In die periode (3, 4 en 5 juni 2015) is er geld gestort op de ING-rekening van [bedrijf 4] in [woonplaats 2] (woonplaats [medeverdachte 1] ) en omgeving en in Heemstede (kantoor [verdachte] ).

Vervolgens heeft [medeverdachte 1] op 11 juni 2015 weer contact met [medeverdachte 2] . Op 11, 12 en 15 juni volgens er stortingen van telkens € 15.000,00 in [woonplaats 2] op de rekening van [bedrijf 4] (zie boven). Daarnaast brengt [medeverdachte 1] op 12 juni 2015 contanten naar [benadeelde] , die die ochtend € 28.400,00 stort. Op diezelfde dag wordt een bedrag van € 27.500 overgeboekt naar [bedrijf 15] met als vermelding CONSULTING INVOICE [invoice-nummer 1] . Het rekeningnummer van [bedrijf 15] is volgens het bankafschrift van [benadeelde] [rekeningnummer 5] .

Een en ander betekent dat er van 11 tot en met 15 juni 2015 herleidbaar € 73.400 is gestort. Op 11 juni appte [medeverdachte 1] aan [benadeelde] dat die 90 willen doen en dat [benadeelde] 30 moet storten.

[benadeelde] vraagt [medeverdachte 1] om rekeningen. In de laptop van [medeverdachte 1] zijn drie facturen aangetroffen van [bedrijf 15] aan [bedrijf 16] op het adres van [benadeelde] . Deze dateren echter van 25 juni, 26 juni (consulting Invoice) en van 16 juli 2015 en hebben een ander rekening(factuur)nummer dan de hierboven genoemde factuur.

In de laptop van [medeverdachte 1] is in de verwijderde items een notitie aangetroffen die volgens de metagegevens opgemaakt is op 20 juni 2015 te 16:08. Bovenaan deze notitie staat:

‘Dingen voor volgende week die geregeld moeten worden.’

Op de tweede helft van het blad staat:

‘ [bedrijf 4]

bij storten nieuwe betaling overkant

Duitsland storting met overboeking

Facturen in orde maken

En eventueel nieuwe boeking organiseren’.

Op 23 juni 2015 laat [medeverdachte 1] aan [benadeelde] weten dat hij ‘die’ een bericht gestuurd heeft en dat hij op antwoord wacht.

Op 26 juni 2015 laat [medeverdachte 1] weten aan [benadeelde] dat hij vandaag een afspraak heeft en dat hij misschien geld krijgt. Het is dan al te laat om [benadeelde] nog te zien die dag. Op 26 juni 2016 om 19.21 uur wordt er wel weer € 15.000,00 gestort op de ING rekening van [bedrijf 4] in [woonplaats 2] . Op 27 juni 2015 laat [medeverdachte 1] [benadeelde] weten dat hij nu 50K heeft. In de ochtend van 27 juni 2015 wordt er ook in vier delen € 15.000,00 gestort in Baarn op de ING-rekening. [medeverdachte 1] laat aan [benadeelde] weten dat ze elkaar treffen in Amersfoort en dat hij vanuit Antwerpen komt. Op 28 juni 2015 wordt er op de rekening van [benadeelde] € 22.300,00 en op 29 juni 2015 € 22.725,00 gestort. Op diezelfde dag wordt er € 32.300,00 overgemaakt aan [bedrijf 15] onder vermelding van [rekeningnummer 6] De factuur in de laptop van [medeverdachte 1] komt hiermee overeen qua bedrag en factuurnummer.

Op 29 juni 2015 heeft [medeverdachte 1] contact met [benadeelde] en zegt hij dat hij morgen weer bij die mensen is. [benadeelde] vraagt of ze in Holland zijn en [medeverdachte 1] bevestigt dit. Op de rekening van [bedrijf 4] wordt die dag € 15.000,00 gestort in Heemstede. Op 3 juli wordt er ook nog € 15.000,00 gestort in Heemstede.

Op zondag 19 juli 2015 vraagt [medeverdachte 1] aan [benadeelde] of hij kan storten. [medeverdachte 1] is nu in Antwerpen. Ze spreken af elkaar morgen te ontmoeten, [medeverdachte 1] vertrekt om 8 uur vanaf Antwerpen. Ze overleggen over hoeveel mogelijk is en [medeverdachte 1] sluit af met dat hij 100 brengt en dat [benadeelde] dat in twee dagen doet. Daar verdienen ze samen 5000 aan. Op 21 juli 2015 wordt op de rekening van [benadeelde] € 42.700,00 en € 20.000,00 gestort. Op die dag wordt ook € 41.200,00 overgemaakt aan [bedrijf 15] onder vermelding van [rekeningnummer 7]

Opvallend is dat er in de laptop van [medeverdachte 1] een factuur van 16 juli 2015 zit met nummer 16072015103 voor ‘mediation export/sales food products 3 cargo’ voor een bedrag van € 41.200,00. Deze komt qua bedrag en datum overeen, maar niet qua factuurnummer.

Op 22 juli 2015 bericht [medeverdachte 1] [benadeelde] dat hij foto’s moet sturen omdat hij pas geld krijgt als [benadeelde] foto’s van de overboeking stuurt. [medeverdachte 1] geeft aan dat hij vanaf Maastricht komt en ze spreken af in Emmerich.

Op 22 juli 2015 wordt een bedrag van € 27.400,00 gestort en op 23 juli 2015 wordt een bedrag van € 46.200,00 overgemaakt naar [bedrijf 15] onder vermelding van [rekeningnummer 8] . [benadeelde] vraagt [medeverdachte 1] dan ook om rekeningen omdat de bank rekeningen wil zien.

Dan volgen er bijna dagelijkse stortingen in Duitsland:

24 juli 2015: € 10.000,00 om 14:58 uur;

25 juli 2015: € 8.900,00 om 11:19 uur;

27 juli 2015: € 10.500,00 uur;

28 juli 2015: € 16.700,00 om 13.22 uur.

Op 29 juli 2015 volgen er twee overboekingen naar [bedrijf 15] :

- € 17.800,00 onder vermelding van [rekeningnummer 9] ;

- € 28.400,00 onder vermelding van [rekeningnummer 10].

In augustus wil [benadeelde] graag verder, desnoods zonder [medeverdachte 1] , maar [medeverdachte 1] zegt dat ze alleen een op een met hem willen en dat ze moeten afwachten. Op 18 augustus vraagt [medeverdachte 1] aan [benadeelde] hoeveel hij op een dag kan storten. [medeverdachte 1] geeft aan dat hij met die is nu. Hij bericht: ‘Misschien 100 vandaag’. Ze spreken af om 1900 in Amersfoort. Er volgen stortingen:

19 augustus 2015: € 24.800,00;

20 augustus 2015: € 40.000,00;

21 augustus 2015: € 22.600,00;

en een overboeking naar [bedrijf 15] van € 40.000,00 onder vermelding van [rekeningnummer 11]

Verder blijkt uit de afschriften van [benadeelde] dat er op 11 september 2015 een bedrag van € 30.000,00 op zijn rekening is overgemaakt en dat hij dat bedrag heeft opgenomen op 11 september 2015.

11 september 2015

Op 11 september 2015 is er in de namiddag een treffen tussen [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [betrokkene 12] en [betrokkene 13] en [benadeelde] . Dit vindt plaats bij Shell station De Hackelaar aan de A1. Door [benadeelde] is een envelop met daarin € 30.000,00 euro overhandigd aan [medeverdachte 1] en [medeverdachte 1] heeft deze envelop aan [betrokkene 12] gegeven. [betrokkene 12] maakte deel uit van het gezelschap van [medeverdachte 2] en [betrokkene 13] . [medeverdachte 2] heeft ter plaatse gesproken met zowel [medeverdachte 1] als [benadeelde] . Uit de bewijsmiddelen volgt dat sprake is van een bedrag dat bij [medeverdachte 2] vandaan kwam en dat naar hem terug moest. Duidelijk is dat [medeverdachte 1] in de gesprekken met [verdachte] kort voorafgaand aan die ontmoeting met de namen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 2] doelde op [medeverdachte 2] .

[medeverdachte 2] – [bedrijf 4]

Het hof stelt op basis van het bovenstaande vast dat de stortingen die gedaan zijn op de Nederlandse bankrekening van [bedrijf 4] vanaf 3 juni 2015, gedaan zijn door [medeverdachte 1] in opdracht van [medeverdachte 2] .

Vast staat dat het geld dat werd gestort op de rekeningen van [bedrijf 4] werd gebruikt om geld over te maken aan [bedrijf 13] , aan [bedrijf 14] en aan andere bedrijven voor aan de import gelieerde kosten (transport, inklaren). Nu [medeverdachte 1] beschikte over de inloggegevens van beide bankrekeningen en hij in elk geval de stortingen vanaf 3 juni 2015 voor zijn rekening heeft genomen, gaat het hof er ook van uit dat hij de bedragen die daarna zijn overgemaakt heeft overgemaakt. Het hof gaat er gelet op de Whatsappberichten tussen [medeverdachte 1] en [benadeelde] vanuit dat [medeverdachte 1] de opdracht hiertoe en de daarvoor benodigde gegevens van [medeverdachte 2] heeft gekregen. [verdachte] was niet alleen als medebestuurder verantwoordelijk voor deze geldstromen, maar hij wist, blijkens de telefoongesprekken tussen hem en [medeverdachte 1] van 12 augustus 2015, daadwerkelijk van de hoed en de rand.

[betrokkene 3] en [medeverdachte 2]

De betrokkenheid van [medeverdachte 2] komt verder in beeld wanneer wordt gekeken naar de rol van eerdergenoemde [betrokkene 3] .

In het dossier duikt [betrokkene 3] op in oktober 2014. Op 1 oktober 2014 vraagt hij een zakelijke rekening aan bij de ING voor [bedrijf 4] . Op respectievelijk 24, 25 en 26 november 2015 wordt [betrokkene 3] bestuurder van een aantal rechtspersonen, waaronder [bedrijf 4] (waarvan hij ook enig aandeelhouder wordt). Op dat moment is [bedrijf 4] al bananen aan het invoeren, zo blijkt uit een Sea Way Bill van 21 november 2014. Als bestemmingsadres is daarop ingevoerd [adres 4] in Geleen en het wordt verscheept door [bedrijf 6] te Medellín, Colombia. De [adres 4] is met ingang van 1 oktober 2014 gehuurd door [bedrijf 17] , de overeenkomst is getekend door gemachtigde [gemachtigde 1] . Deze [gemachtigde 1] heeft op 13 november 2014 de hierboven genoemde bankrekening ( [rekeningnummer 2] ) in Duitsland geopend voor [bedrijf 4]

In diezelfde periode (juli 2014 – februari 2015) worden door [gemachtigde 1] op de privérekening van [gemachtigde 1] bij diezelfde Kreissparkassebank in Duitsland een groot aantal stortingen gedaan, gevolgd door overboekingen aan [bedrijf 15] .

Bij de stukken van [betrokkene 3] is een schermafdruk (d.d. 21 februari 2015) gevonden van een bericht d.d. 10 december 2014 van BNP Paribas met betrekking tot het nummer waarop de Security SMS zal worden ontvangen: [telefoonnummer 4] .

Uit hetgeen hierboven met betrekking tot de overboekingen van [benadeelde] op de rekening van [bedrijf 15] staat, volgt dat [bedrijf 15] een bankrekening bij BNP Paribas had.

In de loods aan de [adres 4] in Geleen is een visitekaartje aangetroffen van [getuige 2] van [bedrijf 18]

In Colombia is een tweetal getuigen gehoord, waaronder bovengenoemde [getuige 2] . Deze laatste verklaart dat het hem bekende nummer van [bedrijf 15] gevestigd te [vestigingsplaats bedrijf 15] in België [telefoonnummer 5] is. Hij verklaart tevens dat hij met betrekking tot [bedrijf 15] contact onderhield met de heer [betrokkene 14]. [betrokkene 14] heeft verklaard dat [bedrijf 15] bananen van hen kocht en dat hij betalingen ontving van [bedrijf 15] van bankrekening [rekeningnummer 12]. Hij heeft als telefoonnummer opgegeven: 32489632281. Beide heren verklaren overigens ook over de leveringen aan [bedrijf 4] .

[betrokkene 3] heeft blijkens een bij zijn stukken aangetroffen bankafschrift op 6 november 2015 op zijn eigen bankrekening een betaling van € 800,00 ontvangen van de rekening van [bedrijf 15] BVBA te [vestigingsplaats bedrijf 15] ( [rekeningnummer 5] ).

Het hof maakt uit deze gegevens op dat [bedrijf 15] BVBA gebruik maakte van BNP Paribas rekening [rekeningnummer 12] en telefoonnummer [telefoonnummer 6]. Delen van deze gegevens komen terug bij de stukken van [betrokkene 3] , via het kaartje in de loods van [bedrijf 4] in Geleen en uit de stortingen van [benadeelde] voor [medeverdachte 2] .

[gemachtigde 1] voornoemd was betrokken bij [bedrijf 4] , maar ook bij [bedrijf 15] BVBA eind 2014, begin 2015. In de zomer van 2015 was [medeverdachte 1] betrokken bij beide ondernemingen in opdracht van [medeverdachte 2] .

[gemachtigde 1] heeft verklaard dat hij de rekening in Duitsland voor [bedrijf 4] heeft geopend op verzoek van de kopers en dat zij de bankpasjes en de codes van hem gekregen hebben. [betrokkene 3] heeft [bedrijf 4] overgenomen, [gemachtigde 1] is met hem naar de Kamer van Koophandel en de notaris geweest. [gemachtigde 1] weet niet of [betrokkene 3] het voor zichzelf deed. Hij werd aangedragen door [betrokkene 15], die zijn [bedrijf 11] ook heeft gekocht. Hij zat met [betrokkene 15] op kantoor op nr. 64 C in Susteren.

[betrokkene 3] is meermalen door de politie verhoord en ook bij de rechter-commissaris. Hij heeft – kort gezegd – verklaard dat hij benaderd is door [betrokkene 16] en dat hij op verzoek van [betrokkene 16] het bedrijf [bedrijf 4] heeft overgenomen. Hij kent [betrokkene 9] [gemachtigde 1] , hij verklaart dat hij een kopie van zijn paspoort thuis had liggen. Deze kopie is inderdaad aangetroffen in zijn stukken. Hij had contact met [betrokkene 9] via [betrokkene 16]. Hij is met [betrokkene 9] naar de ING geweest voor het openen van een rekening voor [bedrijf 4] en de bankkaarten gingen naar [betrokkene 16]. Hij is ook met [betrokkene 9] naar Duitsland geweest voor het openen van een rekening bij de Sparkasse. Hij kreeg toen direct een pas mee en die heeft [betrokkene 16] meegenomen.

In zijn eerste verhoor wordt hem de fotomap getoond. Uit deze map herkent hij in zijn eerste verhoor niemand. In zijn tweede verhoor een dag later worden hem losse foto’s getoond. Hij herkent daarop [gemachtigde 1] en die Zuid-Afrikaan die de firma heeft overgenomen. In zijn derde verhoor herkent hij zonder twijfel uit dezelfde fotomap als in zijn eerste verhoor [betrokkene 16] ([medeverdachte 2] ). Hier blijft hij bij in zijn verhoor bij de rechter-commissaris.

[medeverdachte 1] had in elk geval vanaf mei 2015 contact met [medeverdachte 2] over geld dat in diens opdracht gestort moest worden. Met [verdachte] sprak [medeverdachte 1] regelmatig telefonisch over [medeverdachte 2] (die in de gesprekken [medeverdachte 2] of [medeverdachte 2] genoemd wordt) en dan gaat het over geld dat deze voor allerhande zaken zou moeten betalen. Er zijn meerdere ontmoetingen geweest (o.a. 4 september 2015 en 29 september 2015) tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] waarbij geld of documenten werd overhandigd. In deze periode speelt ook het contact met [benadeelde] die in opdracht van [medeverdachte 1] met grote regelmaat grote geldbedragen die deze krijgt van anderen, moet afstorten op zijn Duitse bankrekening en daarmee daarna vervolgens betalingen doet voor de aankoop van fruit. Dit gaat regelmatig stroef en leidt tot veel stress en zelfs dreigementen waarbij [medeverdachte 1] duidelijk maakt dat de opdrachtgevers gevaarlijke criminelen zijn. Het loopt zo hoog op dat [benadeelde] op 11 september een bedrag van € 30.000,- moet komen terug betalen aan [medeverdachte 2] . Deze ontmoeting is gezien door het observatieteam. [medeverdachte 1] is bij die ontmoeting aanwezig.

Conclusie met betrekking tot het opzet van de verdachten

Het hof stelt vast dat [betrokkene 3] is ingezet om [medeverdachte 2] buiten beeld te houden. [medeverdachte 2] was degene die de scepter zwaaide met betrekking tot de handel van [bedrijf 4] , hij regelde de financiering van de ladingen bananen en de bijkomende kosten. Hij had er kennelijk echter een groot belang bij zelf buiten beeld te blijven. [betrokkene 3] is op enig moment vervangen door [getuige 1] en [medeverdachte 2] heeft [getuige 1] gevonden via zijn tussenpersonen [medeverdachte 1] en [verdachte] . Vaststaat dat [medeverdachte 2] contact had met [medeverdachte 1] in mei 2015. Nu niet valt in te zien hoe [medeverdachte 2] in maart 2015 [getuige 1] met [betrokkene 3] naar de Kamer van Koophandel kon sturen zonder dat hij [getuige 1] geïntroduceerd heeft gekregen, gaat het hof ervan uit dat [medeverdachte 1] [getuige 1] voor die positie naar voren heeft geschoven. [medeverdachte 1] zal hierover contact gehad hebben met [medeverdachte 2] . Dit ligt ook voor de hand nu [medeverdachte 1] en [verdachte] in februari 2015 reeds bananen van [bedrijf 4] aan het verkopen waren.

[medeverdachte 2] is de drijvende kracht en financier achter de handel van [bedrijf 4] geweest en het kan niet anders dan dat hij ervoor heeft gezorgd dat hij buiten beeld bleef omdat er grote hoeveelheden cocaïne mee moesten komen met de bananen. Om dit buiten beeld blijven goed te organiseren heeft hij [medeverdachte 1] (en daarmee ook [verdachte] ) ingeschakeld. [medeverdachte 1] en [verdachte] waren van de reden hiervoor op de hoogte, zij werkten er ten volle aan mee. Zij hebben [getuige 1] hiervoor bewust gebruikt.

[medeverdachte 1] heeft vanaf halverwege mei 2015 besproken met [benadeelde] dat er vooruitzichten waren die te maken hadden met stortingen door [benadeelde] . [medeverdachte 1] was toen dus bezig met stortingen in Duitsland voor [medeverdachte 2] . [benadeelde] was een oude bekende van [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] heeft [benadeelde] bij [medeverdachte 2] geïntroduceerd. Vanaf het moment dat het startte in juni 2015 ging het om substantiële bedragen.

Het hof concludeert in navolging de rechtbank dat [medeverdachte 1] en [verdachte] in elk geval in februari 2015 zaken deden met [medeverdachte 2] .

Vanaf in ieder geval mei 2015 zijn [medeverdachte 1] en [verdachte] dan ook betrokken geweest bij het creëren van een rookgordijn ten behoeve van [medeverdachte 2] . Zij hebben vanaf dat moment geweten dat zij betrokken waren bij het invoeren van bananen uit Zuid-Amerika waarbij de ware spelers (inclusief zijzelf) buiten beeld moesten blijven. Het hof gaat er dan ook van uit dat zowel [medeverdachte 2] als [medeverdachte 1] en [verdachte] wetenschap hebben gehad van de reden van de beoogde schimmigheid: het invoeren van cocaïne. Het inschuiven van [bedrijf 1] bij de bewuste lading is een redengevende omstandigheid voor de conclusie dat [medeverdachte 1] en [verdachte] ook op de hoogte waren van in welke lading precies de cocaïne zat. [medeverdachte 1] en [verdachte] moeten deze kennis hebben verkregen van [medeverdachte 2] . Uiteindelijk is ook in twee ladingen bestemd voor [bedrijf 4] een zeer grote hoeveelheid cocaïne aangetroffen.

[medeverdachte 1] en [verdachte] hebben samen bewust hun werk gemaakt van het verschaffen van een legale dekmantel voor de praktijken van [medeverdachte 2] .

Eindconclusie met betrekking tot feit 1

Kortom, uit de bewijsmiddelen en de voorgaande bewijsoverwegingen blijkt dat tussen [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [verdachte] sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking bij de invoer van de in de tenlastelegging bedoelde twee partijen cocaïne in Nederland, waarbij ieders intellectuele en materiële bijdrage van voldoende gewicht was.

Dit betekent dat het hof wettig en overtuigend bewezen acht dat [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [verdachte] tezamen en in vereniging tweemaal opzettelijk cocaïne hebben ingevoerd in juli 2015.

De andersluidende verklaringen van [verdachte] vinden hun weerlegging in de gebruikte bewijsmiddelen.

De bewijsverweren worden verworpen.

2. Feit 2 (zaaksdossier [betrokkene 17])

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal acht het tenlastegelegde op grond van hetgeen in het schriftelijk requisitoir is verwoord wettig en overtuigend bewezen overeenkomstig de beslissing van de rechtbank. In reactie op het verweer van de verdediging heeft de advocaat-generaal betoogd dat het aangevoerde onvoldoende reden geeft om aan de betrouwbaarheid van de desbetreffende Colombiaanse berekeningen en onderzoeksresultaten te twijfelen.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft op de gronden als verwoord in de pleitnota, evenals in eerste aanleg, met betrekking tot het aan verdachte onder 2 tenlastegelegde betoogd dat de Colombiaanse berekeningen en onderzoeksresultaten met betrekking tot de in de container met meubels aangetroffen stof niet betrouwbaar zijn en daarom van het bewijs dienen te worden uitgesloten. Ter onderbouwing van dit betoog heeft de verdediging drie argumenten naar voren gebracht, die naar het hof, met de rechtbank, begrijpt, in samenhang moeten worden bezien:

a. De vermelding dat in de balken van de container in totaal 325 pakketten zijn

aangetroffen kan niet juist zijn gelet op de in het dossier ook vermelde gegevens over het aantal pakketten per balk. Op grond van deze gegevens per balk kan niet tot een totaal aantal van 325 worden gekomen. De Colombiaanse berekening van het totaal aantal pakketten is dus onjuist;

Het nummer van de desbetreffende container vangt in de Bill of Loading aan met de

letters HLXU, in het rapport van de Colombiaanse politie op pagina 333 met de letters HXLU en in de beëdigde vertaling van de Spaanstalige stukken met de letters HLU. Aldus kan niet meer worden vastgesteld wat de juiste code van de desbetreffende container is geweest;

De aangetroffen cocaïne is pas getest tussen 7 en 11 juni 2016, terwijl volgens de in

Colombia ter zake geldende regels de onderzoeksresultaten binnen een uiterste, niet verlengbare termijn van tien dagen na 18 mei 2016 bekend hadden moeten zijn.

Verder heeft de verdediging – naar het hof begrijpt – betoogd dat niet kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot invoer van cocaïne. [verdachte] heeft geen enkele handeling verricht gericht op de daadwerkelijke invoer van de betreffende container, hij heeft geen bestelling verricht, geen handelingen verricht ten aanzien van het transport, geen betaling verricht en hij heeft uitsluitend op verzoek van [getuige 1] nádat de container in beslag was genomen het telefoongesprek met Jimenez van [getuige 1] overgenomen. Ook heeft [verdachte] geen bemoeienis gehad met de oprichting van [bedrijf 1] .

De contacten over de container, voorafgaand aan de inbeslagname, hebben uitsluitend plaatsgevonden tussen [medeverdachte 1] en [getuige 1] , waarbij [verdachte] gevraagd is om mee te zoeken naar opslagmogelijkheden en containervoeten voor het geval dat de container zou zijn aangekomen in Nederland. Deze handelingen kunnen bezwaarlijk worden aangeduid als handelingen gericht op de invoer van de betreffende container.

Kortom, de bewijsmiddelen bevatten geen redengevend bewijs voor de betrokkenheid van [verdachte] bij deze poging tot invoer. Ook bevatten de bewijsmiddelen niets aan redengevend bewijs waaruit wetenschap van [verdachte] zou kunnen worden afgeleid met betrekking tot de verdovende middelen.

Evenmin kunnen de genoemde handelingen van [verdachte] worden aangemerkt als voorbereidingshandelingen voor de invoer van de betreffende container, aldus de verdediging.

Oordeel hof

Algemeen

Dit zaaksdossier, dat voornamelijk ziet op gebeurtenissen in de maanden oktober en november 2015, gaat over een bestelling van meubels voor de onbekend gebleven [betrokkene 17]. [medeverdachte 1] en [verdachte] bestellen een lading foeilelijke meubels. Dit gaat via [bedrijf 1] van [getuige 1] . [medeverdachte 1] en [verdachte] bepalen dit voor [getuige 1] . Zij houden zich ook bezig met het mailen en bellen over de vracht en het betalen van de vracht. [medeverdachte 1] , [verdachte] en [getuige 1] zijn allerlei voorbereidingen aan het treffen voor de ontvangst van de meubels.

Op 10 november 2015 wordt er in Colombia 76 kilogram cocaïne aangetroffen verborgen in de dubbele bodem compartimenten van een container met meubels voor Rotterdam.

Ook hierover heeft [verdachte] contact met de Colombianen.

Het hof volgt hierna grotendeels de overwegingen van de rechtbank. Waar nodig heeft het hof die overwegingen verbeterd en/of aangevuld.

Evenals de rechtbank zal het hof de door de verdediging naar voren gebrachte argumenten ter onderbouwing van het hiervoor genoemde betrouwbaarheidsverweer ieder afzonderlijk bespreken en daarbij dezelfde volgorde als hierboven aanhouden.

Onbetrouwbaarheid van de Colombiaanse onderzoeksresultaten

Voor wat betreft het totaal aantal pakketten stelt het hof vast dat zowel op pagina 796 als op pagina 798 als op pagina 805 van het deeldossier [betrokkene 17] staat vermeld dat het totaal aantal pakketten 325 bedraagt. Voor wat betreft de bevinding op pagina 796 voegt het hof hieraan toe dat de bevinding is gedaan door een medewerker van de nationale politie, maar dat er ook drie getuigen van de waarnemingen zijn geweest. Voor wat betreft de vermeldingen op pagina 798 en 805 ziet het hof dat het totaal aantal van 325 telkens nog nader is gespecificeerd: het betreft 315 rechthoekige witkleurige pakketten en tien (vierkante) beigekleurige pakketten. Het hof ziet in het licht van het voorgaande in hetgeen de verdediging in dit verband heeft aangevoerd onvoldoende grond om aan de juistheid van het genoemde totaal aantal van 325 pakketten te twijfelen.

Voor wat betreft de code van de desbetreffende container overweegt het hof als volgt.

Pagina 333 van het deeldossier [betrokkene 17] (uitgaande van de doorlopende paginanummering onderaan de pagina’s van het fysieke dossier) betreft, anders dan de verdediging stelt, geen rapport van de Colombiaanse politie en op deze pagina staat ook geen containernummer vermeld. Het verweer mist in zoverre daarom feitelijke grondslag. Wel heeft het hof vastgesteld dat op pagina 759 en 760 telkens één maal een nummer aanvangend met ‘HXLU’ is vermeld. Verder heeft het hof geconstateerd dat in de vertaling van de stukken afkomstig van de Colombiaanse autoriteiten (pagina 784-812) op een vijftal plaatsen een containernummer aanvangend met ‘HLU’ is vermeld (zie pagina’s 788, 789, 795 en 796). Elders in die stukken staat, in totaal tien keer, een containernummer aanvangend met ‘HLXU’ vermeld. Wel lijkt telkens dezelfde individuele container te zijn bedoeld. Het heeft er daarom de schijn van dat bij de vermelding van containernummers schrijffouten zijn gemaakt. Het hof heeft er verder acht op geslagen dat op de vrachtbrieven (zie onder andere pag. 720, 722 en 725), maar ook in het verhoor van de medewerker van de eigenaar van de container in zijn verhoor (zie pagina 716-718) telkens een containernummer aanvangend met ‘HLXU’ wordt genoemd. In de Spaanstalige stukken waarvan de stukken op pagina 784-812 een vertaling zijn, is naast de twee vermeldingen op pagina 759 en 760 van een nummer aanvangend met ‘HXLU’ steeds, in totaal dertien keer, een nummer aanvangend met ‘HLXU’ waar te nemen. Zowel de vermelding ‘HLXU’ als de vermelding ‘HXLU’ in de Spaanstalige stukken lijkt voorts in de vertaling te zijn ‘vertaald’ als ‘HLU’. Op grond van het voorgaande, bijeengenomen, acht het hof aannemelijk dat de vijf vermeldingen van een nummer aanvangend met ‘HLU’ en de twee vermeldingen van een nummer aanvangend met ‘HXLU’ een kennelijke schrijffout betreffen en deze vermeldingen steeds moeten worden gelezen als ‘HLXU’. Ten overvloede wijst het hof nog op de ISO6346-standaard, waaruit volgt dat een conform die standaard opgesteld containernummer aanvangt met vier letters, alsmede op de website www.hapag-lloyd.com/ar/news-insights/insights/2015/05/the-code-of-the-container_40415.html, waaruit valt af te leiden dat containers eigendom van Hapag Lloyd een containernummer hebben dat steeds aanvangt met de letters ‘HL’.

Voor wat betreft de door de verdediging aangehaalde overschrijding van een wettelijke termijn is het hof van oordeel dat – wat hiervan verder zij – zonder nadere onderbouwing niet valt in te zien waarom dit de betrouwbaarheid van de bedoelde onderzoeksresultaten zou aantasten.

Het gevoerde betrouwbaarheidsverweer wordt dan ook verworpen.

Betrokkenheid en opzet

Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen blijkt het volgende.

Een container met meubels, bestemd voor [bedrijf 1] , werd in Colombia onderzocht op 11 november 2015 en in deze container werd een hoeveelheid cocaïne aangetroffen. [medeverdachte 1] en [verdachte] zijn in de weken daarvóór druk met de import van meubels en met name met het regelen van een loods. Uit al hun opmerkingen over de tap volgt dat de meubels volgens hen beiden niet veel waard zijn. Ze spreken over foeilelijke meubels en dat ze die nooit verkocht krijgen. Het is allemaal ‘kringlooptroep’. [medeverdachte 1] geeft desgevraagd aan [verdachte] aan dat er wel een grote marge op zit.

De meubels zijn op papier voor [bedrijf 1] bestemd. Dat bedrijf staat op naam van [getuige 1] , maar dat weerhoudt [medeverdachte 1] en [verdachte] er niet van om zich intensief met deze import bezig te houden. [medeverdachte 1] en [verdachte] hebben veel gesprekken over een geschikte loods.

Daarbij stuurt [medeverdachte 1] [getuige 1] naar Antwerpen om geld voor de lading in ontvangst te nemen en een telefoon voor [betrokkene 17] af te geven, waarbij [medeverdachte 1] en [verdachte] weer met elkaar bellen en spreken over [getuige 1] en zijn trip naar Antwerpen. [verdachte] houdt [getuige 1] zelfs in de gaten.

Het laten ophalen van cash geld en het tegelijk laten afgeven van een telefoon kan naar het oordeel van het hof bezwaarlijk worden gezien als een normale manier van zaken doen. Ook het gesprek tussen [medeverdachte 1] en [verdachte] van 7 november 2015 over het voor de helft leegmaken van de container voor de deur van [betrokkene 8] en dan de rest naar Amersfoort laten gaan, waarbij het verkeerde huisnummer van [betrokkene 8] moet worden doorgegeven, toont aan dat er op een verhulde manier zaken moest worden gedaan. Dit past bij het scenario van een door [medeverdachte 1] en [verdachte] opgezette dekmantel-constructie.

Opvallend in dit dossier is ook het gegeven dan [verdachte] op zoek gaat naar poten voor onder de container. Hij bezoekt de website confoot.fi en voert gedurende twee dagen meerdere gesprekken over containerpoten. Volgens [verdachte] is er niks verdachts aan en zijn die poten maar een centimeter of 40 hoog. Echter, de containerpoten die te zien zijn op de door [verdachte] genoemde site, zijn poten die in hoogte verstelbaar zijn, tot wel ruim 1400 mm. Dit, in samenhang met het gegeven dat de cocaïne onder in de container verstopt bleek te zitten, brengt het hof tot het oordeel dat [verdachte] en [medeverdachte 1] een manier zoeken om te container omhoog te krijgen, kennelijk teneinde van onderaf de cocaïne uit de bodem te kunnen verwijderen. Het feit dat met deze poten wellicht ook gemakkelijker kan worden uit- of overgeladen doet aan het bovenstaande niet af. Het maken van aanzienlijke kosten door het aanschaffen van die poten voor een vracht ‘foeilelijke/onverkoopbare’ meubels ligt – los van de cocaïne die zich in de vracht bevond – niet in de rede.

De wijze waarop [medeverdachte 1] en [verdachte] [getuige 1] dirigeren (en zelfs volgen) kan naar het oordeel van het hof bezwaarlijk als slechts ‘samenwerken’ worden gezien. Op papier hebben [medeverdachte 1] en [verdachte] zich gedistantieerd van de zending (deze staat immers op naam van [bedrijf 1] ), maar in werkelijkheid onderhouden zij het contact met [betrokkene 17] en geven [getuige 1] opdrachten. Dit zaaksdossier laat zien dat zij bezig waren met het in Nederland geïmporteerd krijgen van een container waarin cocaïne verstopt zat.

Het hof wijst nog op een tapgesprek van 12 november 2015 tussen [medeverdachte 1] en [verdachte] , waarin wordt gezegd dat het mis is gegaan en waarin [medeverdachte 1] op enig moment tegen [verdachte] zegt: ‘Ik zou alleen maar mailen wanneer het verscheept wordt, de meubels en meer zou ik niet doen.’ [verdachte] zegt daarop: ‘Nee, oké.’ [medeverdachte 1] zegt dan: ‘Gewoon voor onszelf.’

Dit wijst er naar het oordeel van het hof duidelijk op dat het de bedoeling was dat er naast de meubels meer mee zou komen met het transport en dat [medeverdachte 1] en [verdachte] dat wisten.

Dit wordt verder ook bevestigd door een tapgesprek van 15 november 2015 tussen [medeverdachte 1] (T) en [verdachte] (F), waarin het volgende wordt gezegd:

F: Het loopt allemaal goed.

T: Ja, alleen jammer van [betrokkene 17], maar ja.

F: Ja, maar ja weet je jammer dan, dat is oude beurswijsheid dan, maar sla om, volgende bladzijde.

T: Ja, maar daar had ik wel mijn zinnen op gezet. Net in die eerste week in december wel heel lekker geweest.

Daarnaast merkt het hof op dat [medeverdachte 1] en [verdachte] ook in juli 2015 betrokken waren bij de invoer van een grote hoeveelheid cocaïne in Nederland in een door [bedrijf 4] geregelde zending bananen (zie feit 1, zaaksdossier Bananen). Naar het oordeel van het hof kan het gelet daarop niet anders dan dat [medeverdachte 1] en [verdachte] , mede gelet op alle hierboven genoemde feiten en omstandigheden, hebben geweten van de in de meubelcontainer aanwezige drugs.

Het verweer dat die wetenschap zou hebben ontbroken wordt daarom verworpen.

Vervolgens ziet het hof zich gesteld voor de vraag of de hiervóór beschreven gedragingen kunnen worden aangemerkt als het medeplegen van een poging tot invoer van cocaïne.

Het hof stelt het volgende voorop. Op grond van artikel 45, eerste lid, Sr is een poging tot misdrijf strafbaar, wanneer het voornemen van de dader zich door een begin van uitvoering heeft geopenbaard. Het voornemen van de dader behelst een opzetvereiste. Dat opzet moet betrekking hebben op de voltooiing van het tenlastegelegde misdrijf. De openbaring van het voornemen moet geschieden doordat met de uitvoering van het voorgenomen misdrijf een begin is gemaakt. De maatstaf is daarbij of de bewezenverklaarde feitelijke handelingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm moeten worden beschouwd als te zijn gericht op de voltooiing van het misdrijf (Hoge Raad 24 oktober 1978, ECLI:NL:HR:1978:AC6373, NJ 1979/52 en Hoge Raad 8 september 1987, ECLI:NL:HR:1987:AC0501, NJ 1998/612). De gedragingen die naar hun uiterlijke verschijningsvorm op voltooiing zijn gericht, moeten wel uitvoeringshandelingen zijn die tot het plegen van het misdrijf behoren en in voldoende concrete mate gericht zijn op de voltooiing van het tenlastegelegde (Hoge Raad 5 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:575, rov. 2.3.).

Naar het oordeel van het hof kan niet worden gezegd dat de hierboven beschreven gedragingen van [medeverdachte 1] en [verdachte] zodanig dicht in tijd en plaats bij voltooiing van invoer in Nederland van cocaïne lagen en zodanig concreet daarop waren gericht dat sprake was van begin van uitvoering.

Gelet hierop, kan niet worden bewezen dat sprake was van het medeplegen van poging tot invoer van cocaïne, zodat de verdachte zal worden vrijgesproken van het onder 2 primair tenlastegelegde.

De genoemde gedragingen leveren naar het oordeel wel strafbare voorbereidingshandelingen op voor de invoer van cocaïne in Nederland. Derhalve acht het hof op grond van de gebruikte bewijsmiddelen en de hiervóór beschreven feitelijke gang van zaken en gedragingen bewezen dat [medeverdachte 1] en [verdachte] in een nauwe en bewuste samenwerking, waarbij ieders intellectuele en/of materiële bijdrage van voldoende gewicht was, opzettelijk de invoer in Nederland van ongeveer 76 kilo cocaïne hebben voorbereid.

Dat betekent dat het hof het onder 2 subsidiair tenlastegelegde medeplegen van voorbereidingshandelingen voor de invoer van cocaïne daarom wettig en overtuigend bewezen acht.

Voor zover de raadsman heeft bedoeld te bepleiten dat geen sprake zou zijn van medeplegen vanwege de geringe betrokkenheid van [verdachte] , overweegt het hof dat naar het oordeel van het hof, blijkens de hierboven opgenomen bewijsoverweging onder ‘Betrokkenheid en opzet’ alsmede de door het hof gebezigde bewijsmiddelen, sprake is van een materiële alsook een intellectuele bijdrage van voldoende gewicht om medeplegen van het voorbereiden van de invoer van cocaïne bewezen te kunnen verklaren.

Voor het overige vinden de gevoerde bewijsverweren reeds hun weerlegging in de gebruikte bewijsmiddelen en de voorgaande bewijsoverwegingen, zodat deze geen nadere bespreking behoeven.

3. Feit 5 (zaaksdossier Raamsdonksveer)

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal is van oordeel dat het feit wettig en overtuigend bewezen kan worden conform de bewezenverklaring van de rechtbank.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft – op gronden als verwoord in de pleitnota – vrijspraak bepleit van het onder 5 primair tenlastegelegde en heeft daartoe – kort samengevat – het volgende aangevoerd:

- [verdachte] wist niets van de gang van zaken in en rondom de loods in Raamsdonkveer.

Uit de OVC- en tapgesprekken blijkt dat [medeverdachte 1] met o.a. [verdachte] alleen heeft gesproken over het zoeken van een loods op internet (funda.nl) in de nabijheid van Raamsdonksveer voor een relatie van [medeverdachte 1] . Een dergelijke zoekvraag kwam vaker voor. [verdachte] wist niets van de loods en hetgeen zich daar zou moeten afspelen.

[verdachte] was op geen enkele wijze betrokken bij het transport naar de loods, de import van ananassap of bij het contacteren van personen. [verdachte] is evenmin bekend met [medeverdachte 2] , [betrokkene 13] , [betrokkene 12] of [betrokkene 18]. Hij heeft deze mensen nooit gezien of gesproken en ook nooit over hen gehoord. Dit vindt tevens bevestiging in de tapgesprekken en observatieverslagen.

Tijdens de doorzoekingen van verschillende woningen en de loods in Raamsdonksveer is niets aangetroffen dat in verband kan worden gebracht met enige betrokkenheid van [verdachte] . Er zijn geen telefoongesprekken gevoerd, sms-berichten gestuurd noch contact opgenomen of ontmoetingen gehad met personen die betrekking hadden op de invoer van cocaïne of de voorbereidingshandelingen daartoe.

Op grond van het voorgaande zal [verdachte] vrijgesproken dienen te worden van het medeplegen van de tenlastegelegde invoer van de cocaïne die gevonden is in de loods in Raamsdonksveer, aldus de verdediging.

Ten aanzien van de onder 5 subsidiair tenlastegelegde voorbereidingshandelingen daartoe heeft de verdediging eveneens vrijspraak bepleit, nu het enkele zoeken op internet naar loods zonder te weten waarvoor en zonder resultaat, niet als voorbereidingshandeling voor de invoer van cocaïne kan worden gezien.

Oordeel hof

Het hof volgt hierna grotendeels de overwegingen van de rechtbank. Waar nodig heeft het hof die overwegingen verbeterd en/of aangevuld

Het hof overweegt als volgt.

Opzet

Feiten

Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting komt het hof met betrekking tot het onder 5 tenlastegelegde tot de volgende vaststellingen.

Half december 2015 krijgt [medeverdachte 1] de opdracht van [medeverdachte 2] om een loods te gaan zoeken in de buurt van Breda. [medeverdachte 1] moppert daar wat over richting [verdachte] , want hij wil eerst die andere zooi opruimen. [verdachte] zegt: Aadje (het hof begrijpt: [medeverdachte 2] ) heeft dus wel gezegd dat ie door wil en dat wil ie ook snel.

Desalniettemin gaat [medeverdachte 1] op maandag 14 december 2015 aan de slag en schakelt [betrokkene 19] in om hem te helpen een loods én een chauffeur te zoeken.

Er is grote haast bij en de loods wordt snel geregeld op vrijdag 18 december 2015. In het weekend van 19 en 20 december 2015 houden [medeverdachte 1] en [betrokkene 19] zich intensief bezig met het coachen en begeleiden van de geregelde chauffeur. De chauffeur rijdt zondag 20 december 2015 met een witte MAN-trekker met een leeg containerchassis vanuit Harderwijk naar Antwerpen. Aldaar wordt hij opgevangen en begeleid door [betrokkene 12] . De volgende ochtend wordt de chauffeur door [betrokkene 12] naar een parkeerplaats gebracht waar een andere trailer wordt aangekoppeld. De chauffeur vertrekt met een bijrijder en rijdt naar de door [medeverdachte 1] gehuurde loods in Raamsdonksveer. Onderweg wordt de combinatie opgewacht door [betrokkene 13] en [medeverdachte 2] . Zij rijden daarna de vrachtwagen voorbij.

In Raamsdonksveer valt de politie de loods binnen op het moment dat men de oplegger net aan het uitladen is. De complete container is door de scanner gehaald en er werden in twee pallets blokken met opdruk aangetroffen, er zat witte substantie in. Het bleek cocaïne te zijn.

[medeverdachte 1] is die middag en dus snel na het aanhouden van de uithalers op de hoogte. [verdachte] wilde om 10.04 uur al weten of [medeverdachte 1] de chauffeur te pakken had gekregen. Later die middag stuurt [medeverdachte 1] [betrokkene 19] naar de loods om foto’s te maken, omdat ‘ze’ dat gevraagd hebben.

Gebruiken namen anderen

[medeverdachte 1] en [verdachte] noemen sommige personen consequent niet bij hun eigen naam, maar gebruiken zelf wel de naam van hun bekende anderen om zelf buiten beeld te blijven, bijvoorbeeld [betrokkene 20] In een reeks gesprekken van 14 december 2015, die [medeverdachte 1] voert omdat men op zoek is naar een loods, wordt [medeverdachte 1] op de één op één lijn gebeld die hij gebruikt wanneer hij contact heeft met [betrokkene 19]. Hij wordt gebeld door een [betrokkene 21]. [medeverdachte 1] maakt zich bekend als [betrokkene 8] . Hij probeert een afspraak te maken en zegt dat hij ook zijn compagnon wel kan sturen. Mark vraagt wat de naam is van die compagnon. [medeverdachte 1] zegt dat die [betrokkene 20] van [betrokkene 20] heet. [medeverdachte 1] zegt dat hij hem wel even zal bellen en belt tien minuten later met [betrokkene 19] en vraagt hem of hij de volgende dag even kan gaan kijken. Vier minuten later belt [medeverdachte 1] als [betrokkene 8] terug naar [betrokkene 22] en bevestigt de afspraak en de naam [betrokkene 8] [getuige 1] . Hij zegt vervolgens dat de eigenaar zelf, [betrokkene 20], morgen komt kijken.

Inloggegevens e-mail

[medeverdachte 1] beschikt over de inloggegevens voor de e-mail van alle bedrijven die hij gebruikt om uit zicht te blijven, onder andere van [betrokkene 20].

In een in zijn laptop aangetroffen notitie verwijderde notitie van 20 juni 2015 met ‘dingen die voor volgende week geregeld moeten worden’ staat onderaan: ‘laptop met telefoonkaart zodat ik overal online ben voor mails alle bedrijven’.

Geen pottenkijkers

[medeverdachte 1] en [verdachte] hechtten er waarde aan dat de locaties waar de goederen zouden worden ontvangen uit het zicht waren. Dit gold ook voor de loods die [betrokkene 19] op 15 december 2015 bezocht in Raamsdonksveer voor het transport Ananassap. [medeverdachte 1] belt op 15 december 2015 meerdere malen met [betrokkene 19] en wil van hem weten of het druk is bij de loods, waar de ingang is en of er ramen zijn. Desgevraagd geeft [betrokkene 19] aan dat het helemaal afgesloten wordt, potdicht.

Blijkens de in de gebezigde bewijsmiddelen opgenomen taps houdt [medeverdachte 1] [verdachte] op de hoogte van de gang van zaken. Hij vertelt hem over de afspraak bij de loods in Raamsdonksveer. [verdachte] vraagt of er wel een goede marge op zit.

Op 18 december 2015 om 19.49 uur wordt het volgende gesprek gevoerd tussen [medeverdachte 1] (T) en [verdachte] (F):

F: Maar het gaat allemaal lekker zonder te ver in details te gaan, want dat is voor de boekhouding, maar gaat het goed?

T: Zoals het goed uitziet wordt het een druk weekend. Ik had van de week al gemeld dat ik van het weekend een hoop moest gaan regelen.

F: Als ik wat over moet pakken, moet je het maar zeggen. Dat weet je ik laat jou gaan tot je zegt nu groeit te boven mijn hoofd. Dan zeg je het maar en dan spring ik er net zo gemakkelijk ook bij. Samen uit samen thuis he jongen dat weet je.

T: Ja jawel, maar laat die [betrokkene 19] maar lekker, ik heb hem vol aan het werk zetten nu.

T: Ja ik ben nu nog even druk met dingen aan het regelen. Maar alles staat of valt met dit weekend een eigenlijk een beetje. En dat is dan wel niet van ons, maar daar lopen wij in mee natuurlijk.

F: Ja snap ik helemaal, laat het maar lekker komen.

Uit bovenstaande vaststellingen volgt naar het oordeel van het hof dat [verdachte] wel degelijk op de hoogte was van het transport van cocaïne naar Raamsdonksveer dat op 21 december 2015 zou plaatsvinden. Dat wordt ook bevestigd door een telefoontje van [verdachte] naar [medeverdachte 1] op 21 december 2015 in de ochtend, de dag waarop de lading in Raamsdonksveer zou arriveren, waarin [verdachte] aan [medeverdachte 1] vraagt of hij de chauffeur al te pakken heeft gehad. Het hof neemt hierbij mede in aanmerking, dat [medeverdachte 1] en [verdachte] ook in juli 2015 waren betrokken bij de invoer van grote hoeveelheden cocaïne in Nederland, in een door [bedrijf 4] geregelde zending bananen (zie feit 1, zaaksdossier Bananen) en in oktober/november bij het medeplegen van voorbereidingshandelingen om cocaïne in te voeren vanuit Colombia (zie feit 2, zaaksdossier [betrokkene 17]).

Medeplegen invoer

Ten aanzien van het primair tenlastegelegde

Voor een bewezenverklaring van het medeplegen van het medeplegen van het onder 5 primair tenlastegelegde is noodzakelijk dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking, waarbij zijn intellectuele en/of materiële bijdrage aan de totstandkoming van dit feit van voldoende gewicht moet zijn.

Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting komt het hof met betrekking tot het onder 5 tenlastegelegde tot de volgende vaststellingen en oordelen.

Om [verdachte] te kunnen veroordelen voor het medeplegen van het onder 5 primair tenlastegelegde is noodzakelijk dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking, waarbij zijn intellectuele en/of materiële bijdrage aan de totstandkoming van dit feit van voldoende gewicht moet zijn.

Het hof stelt in dit verband vast dat [verdachte] , vanuit Heemstede, heeft gezocht en/of laten zoeken naar een loods in of rond Raamsdonksveer. Verder blijkt uit het dossier niet dat [verdachte] enige, rechtens relevante handeling heeft verricht.

Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of [verdachte] hiermee als alleenpleger van het invoeren van cocaïne kan worden aangemerkt. Het hof beantwoordt deze vraag ontkennend, reeds omdat de handelingen die [verdachte] heeft verricht buiten de tenlastegelegde periode vallen. Hij zal immers niet naar een loods gezocht hebben na het sluiten van de huurovereenkomst (op 18 december 2015). Dat de pleegperiode bij dit primair tenlastegelegde zo beperkt is, acht het hof overigens – te meer als dit wordt afgezet tegen de veel ruimere pleegperiode bij het subsidiair tenlastegelegde – onbegrijpelijk.

Vervolgens is de vraag of [verdachte] als medepleger van het invoeren van cocaïne kan worden aangemerkt. Het enkel (laten) zoeken naar een loods voor de getransporteerde lading kan naar het oordeel van het hof niet worden aangemerkt als een intellectuele en/of materiële bijdrage van voldoende gewicht om van medeplegen te kunnen spreken. Weliswaar wordt in de afgeluisterde telefoongesprekken tussen [medeverdachte 1] en [verdachte] meerdere malen gesproken over, kortweg, de zaak Raamsdonksveer en de voortgang daarin, maar ook daarin ontwaart het hof niet een dergelijke bijdrage.

Kortom, [verdachte] moet worden vrijgesproken van het onder 5 primair tenlastegelegde.

Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde

Het zoeken naar een loods voor de getransporteerde lading kan naar het oordeel van het hof wel worden aangemerkt als een voorbereidingshandeling voor de invoer van cocaïne. In combinatie met de door [medeverdachte 1] verrichte gedragingen zoals die uit de bewijsmiddelen blijken, was bij het voorbereiden van die invoer naar het oordeel van het hof sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen beiden, waarbij ieders intellectuele en/of materiële bijdrage van voldoende gewicht was. Het hof acht het medeplegen van voorbereidingshandelingen als bedoeld in de tenlastelegging dan ook wettig en overtuigend bewezen zoals hiervóór onder het kopje ‘Bewezenverklaring’ is vermeld.

Het hof acht op grond van het hiervoor overwogene wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 5 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.

4. Feit 8 (zaaksdossier Deklading)

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal acht in navolging van de rechtbank gedeeltelijk bewezen dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het onder 8 tenlastegelegde medeplegen van gewoontewitwassen, namelijk van een bedrag van € 120.550,- (sub c) en van een bedrag van € 24.000,- (sub d) (dus in totaal van een bedrag van € 144.550,-). Van de overige bedragen dient hij volgens de advocaat-generaal te worden vrijgesproken.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich, op de gronden als verwoord in de pleitnota, aangesloten bij de door de rechtbank gegeven deelvrijspraken. Voor de bedragen die de rechtbank wel bewezen heeft geacht, heeft de verdediging vrijspraak bepleit. Deze gronden komen – zeer kort samengevat – op het volgende neer (hierbij wordt de door de rechtbank gehanteerde alfabetische aanduiding van de geldbedragen overgenomen).

Met betrekking tot de stortingen van het geldbedrag van € 256.950,- (sub a, stortingen Nederlandse rekening [bedrijf 4] ) en het geldbedrag van € 213.050,- (sub b, stortingen Duitse rekening [bedrijf 4] ) heeft de verdediging aangevoerd dat de verdachte hierbij geen enkele betrokkenheid heeft gehad.

Ook voor het witwassen van het geldbedrag van € 141.550,- (sub c, stortingen op bankrekening [bedrijf 5] ) is er onvoldoende bewijs. De verdachte kon niet beschikken over de bankrekening van [bedrijf 5] , hij kon niet internetbankieren, had geen beschikking over grote contante geldbedragen en heeft geen contante stortingen gedaan op de bankrekening van [bedrijf 5] die vervolgens werden doorbetaald aan [bedrijf 1] .

Ter zake van het geldbedrag van € 30.900,- (sub d, stortingen op bankrekening [bedrijf 1] ) heeft de verdediging gesteld dat de verdachte niet in verband kan worden gebracht met contante stortingen op de bankrekening van [bedrijf 1] . Hij heeft geen enkele rol gespeeld bij die stortingen en kon ook niet beschikken over de bankrekening van [bedrijf 1] .

Voor wat betreft het geldbedrag van € 141.900,- (sub e, stortingen op bankrekening [bedrijf 2] -[bedrijf 2] heeft de verdediging aangevoerd dat de verdachte geen enkel aandeel heeft gehad in de contante stortingen op de bankrekening van [bedrijf 2] en dat hij op geen enkele wijze toegang had tot die bankrekening of inzicht had in de bedragen die op die bankrekening zijn gestort. Weliswaar heeft de verdachte op verzoek van [medeverdachte 1] de druk op [benadeelde] opgevoerd in verband met het niet volledig terugstorten van een bedrag van € 52.000,- (zie feit 10, zaaksdossier Sigarenknipper, bedreiging van [benadeelde] ), maar die gedraging is onvoldoende voor het medeplegen van witwassen.

Van opzet op witwassen is bij de verdachte geen sprake, ook niet in voorwaardelijke zin, aldus de verdediging.

Oordeel hof

Het hof volgt hierna gedeeltelijk de overwegingen van de rechtbank. Waar nodig heeft het hof die overwegingen verbeterd en/of aangevuld.

‘Afkomstig uit enig misdrijf’

Bij de beoordeling van dit feit stelt het hof het volgende juridische kader voorop.

Dat een voorwerp ‘afkomstig is uit enig misdrijf’ kan – indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf – niettemin bewezen worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Het is daarbij aan het Openbaar Ministerie bewijs aan te dragen van dergelijke feiten en omstandigheden. Voor het bewijs van een vermoeden van witwassen kan onder meer gebruik worden gemaakt van feiten van algemene bekendheid en zogenaamde witwastypologieën. Dit zijn min of meer objectieve kenmerken die, naar de ervaring heeft geleerd, duiden op het witwassen van opbrengsten van misdrijven. De Financial Intelligence Unit (FIU) Nederland heeft deze feiten van algemene bekendheid, typologieën en andere indicatoren met betrekking tot witwassen in kaart gebracht.

Indien de door het Openbaar Ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat zo een verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.

Indien de verdachte voormelde verklaring geeft, ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. De rechter zal dan mede op basis van de resultaten van dat onderzoek moeten beoordelen of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Indien een dergelijke verklaring uitblijft, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn overwegingen omtrent het bewijs (vgl. HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352, rov. 2.3.1.-2.4.).

In dit geval is naar het oordeel van het hof op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband te leggen met een bepaald misdrijf. Dit maakt dat het hof – gelet op het hiervóór vooropgestelde beoordelingskader – om te kunnen komen tot bewezenverklaring van (medeplegen van) (gewoonte)witwassen eerst dient te beoordelen of de door het Openbaar Ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.

Het hof begrijpt dat de steller van de tenlastelegging als feitelijke witwashandeling telkens het storten van het desbetreffende geldbedrag op de desbetreffende bankrekening op het oog heeft (omzetten).

Bij de beoordeling van het feit zal het hof in navolging van de rechtbank een onderscheid maken tussen de verschillende in de tenlastelegging genoemde geldbedragen. Bij ieder geldbedrag zal het hof het hiervóór geschetste beoordelingskader toepassen. Bij de beantwoording van de vraag of de door het Openbaar Ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is en de vraag of de verdachte daarvan wetenschap had, neemt het hof mede in ogenschouw dat uit de bewezenverklaring van de feiten 1, 2 en 5 en de daaraan ten grondslag liggende bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen blijkt dat de verdachte betrokken was bij het invoeren van grote hoeveelheden cocaïne en bij het voorbereiden daarvan. Het is een feit van algemene bekendheid, dat er bij de grootschalige handel in cocaïne doorgaans grote sommen contant geld worden verdiend. Een deel van deze gelden zal, zo mag worden aangenomen, weer worden aangewend ten behoeve van de aankoop van nieuwe hoeveelheden harddrugs. Voor zover kan worden bewezen dat de verdachte een bijdrage van voldoende gewicht aan de stortingen heeft gehad, geldt tegen de achtergrond van het voorgaande dat indien hij voorts voor de legale herkomst van deze geldbedragen geen concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring kan geven, ook het voor bewezenverklaring van witwassen vereiste opzet aanwezig wordt geacht.

a. het geldbedrag van € 256.950,-

Dit bedrag is kennelijk een optelsom van 23 stortingen van contant geld op de Nederlandse rekening van [bedrijf 4] bij de ING-bank met nummer [rekeningnummer 13] in de periode van 11 december 2014 tot en met 3 juli 2015. De gestorte bedragen lopen uiteen van minimaal (vrijwel) € 1.000,- tot maximaal € 15.000,- per keer. Deze stortingen op zich, in het bijzonder meewegend de hoogte van de afzonderlijke bedragen en het totaalbedrag, in samenhang met de (relatief korte) periode waarin de stortingen hebben plaatsgevonden, mede in het licht van het feit dat de verdachte betrokken was bij de grootschalige invoer van cocaïne, leveren naar het oordeel van het hof een vermoeden op dat het niet anders kan zijn dan dat de geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn. Het hof wijst daarbij nog op het feit van algemene bekendheid dat het (in dit geval: voorafgaand aan de stortingen) vervoeren van grote contante geldbedragen aanzienlijke veiligheidsrisico’s met zich brengt.

Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting kan het hof echter niet met de vereiste mate van zekerheid vaststellen dat [verdachte] zodanige handelingen heeft verricht dat hij als pleger van het witwassen van dit geldbedrag kan worden aangemerkt. Bij de beantwoording van de vraag of [verdachte] kan worden veroordeeld voor het medeplegen van het witwassen van dit geldbedrag is van belang of [verdachte] een materiële of intellectuele bijdrage van voldoende gewicht aan het witwassen heeft geleverd. Het bewijs hiervoor ontbreekt echter. Het hof wil, op grond van de door het hof bij het onder 1 tenlastegelegde gebezigde bewijsmiddelen, aannemen dat [verdachte] ten minste gedeeltelijk op de hoogte was van de desbetreffende stortingen en de bestemming daarvan. Dit maakt echter niet dat sprake is van een bijdrage in de hier bedoelde zin van [verdachte] aan het witwassen van de bij de stortingen betrokken geldbedragen.

Het hof zal [verdachte] daarom vrijspreken van het onder 8 tenlastegelegde voor zover betrekking hebbend op dit geldbedrag.

b. het geldbedrag van € 213.050,-

Het hof heeft in het dossier geen bewijs aangetroffen dat [verdachte] zich met betrekking tot dit tenlastegelegde geldbedrag schuldig heeft gemaakt aan het plegen van witwashandelingen als tenlastegelegd. Het hof overweegt daarbij nog nader dat niet aannemelijk is geworden dat [verdachte] kon beschikken over (de tegoeden op) deze bankrekening. Het hof acht evenmin bewijs aanwezig dat [verdachte] een zodanige materiële en/of intellectuele bijdrage aan het witwassen van de tenlastegelegde geldbedragen heeft geleverd, dat dit bewezenverklaring van het medeplegen van witwassen kan rechtvaardigen.

Het hof zal [verdachte] daarom vrijspreken van het onder 8 tenlastegelegde voor zover betrekking hebbend op dit geldbedrag.

c. het geldbedrag van € 141.550,-

Dit bedrag is kennelijk een optelsom van 17 stortingen van contant geld op de rekening van [bedrijf 5] ( [bedrijf 5] ) bij de ABN-AMRO Bank met nummer [rekeningnummer 14] in de periode van 4 december 2014 tot en met 3 juni 2016. De gestorte bedragen lopen uiteen van eenmaal € 1.000,- tot eenmaal € 24.000,-. Deze stortingen op zich, in het bijzonder meewegend de hoogte van de afzonderlijke bedragen en het totaalbedrag, in samenhang met de (relatief korte) periode waarin stortingen hebben plaatsgevonden en het feit dat bij acht van de stortingen het onder meer ging om coupures van 500 euro, mede in het licht van het feit dat de verdachte betrokken was bij de grootschalige invoer van cocaïne, leveren naar het oordeel van het hof een vermoeden op dat het niet anders kan zijn dan dat de geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn. Het hof wijst er daarbij nog op dat het gemiddelde bedrag dat wordt gestort ruim € 8.300,- bedraagt en dat er twee periodes van telkens ongeveer viereneenhalve maand zijn geweest waarin in het geheel geen stortingen hebben plaatsgevonden. Het hof wijst voorts ook hier op het feit van algemene bekendheid dat het (in dit geval: voorafgaand aan de stortingen) vervoeren van grote contante geldbedragen aanzienlijke veiligheidsrisico’s met zich brengt.

Het hof zal vervolgens eerst ingaan op de rol van medeverdachte [medeverdachte 1] bij deze stortingen. Voor wat betreft de vraag of [medeverdachte 1] strafbaar betrokken is bij deze stortingen overweegt het hof als volgt.

[medeverdachte 1] was vanaf 23 februari 2015 bestuurder van [bedrijf 5] . Niet gesteld of anderszins aannemelijk is geworden dat de bevoegdheid als bestuurder van de B.V. op enigerlei wijze was beperkt. Als bestuurder is [medeverdachte 1] beschikkingsbevoegd met betrekking tot eigendommen van [bedrijf 5] , waaronder tegoeden op de desbetreffende bankrekening op naam van [bedrijf 5] . [medeverdachte 1] was eind 2014 oprichter van [bedrijf 5] en hij had deze B.V. voor de verkoop in Nederland. [medeverdachte 1] noemt [bedrijf 5] ook wel ‘mijn eigen bedrijf’. Het hof begrijpt daaruit dat [medeverdachte 1] vanaf de oprichting tot 23 februari 2015 feitelijk de leiding had binnen [bedrijf 5] . Verder betreft de plaats waar deze stortingen hebben plaatsgevonden telkens (dezelfde geldautomaat in) [woonplaats 2] . [woonplaats 2] is de woonplaats van [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] heeft bovendien niet uitdrukkelijk ontkend de desbetreffende stortingen te hebben verricht. Het voorgaande, bijeengenomen, brengt het hof tot het oordeel dat [medeverdachte 1] deze stortingen heeft verricht.

Voor wat betreft de vraag of [verdachte] strafbaar betrokken is bij deze stortingen overweegt het hof als volgt.

[verdachte] was ook vanaf 23 februari 2015 bestuurder van [bedrijf 5] . Niet gesteld of anderszins aannemelijk is geworden dat de bevoegdheid als bestuurder van de B.V. op enigerlei wijze was beperkt. Als bestuurder is [verdachte] beschikkingsbevoegd met betrekking tot eigendommen van [bedrijf 5] , waaronder tegoeden op de desbetreffende bankrekening op naam van [bedrijf 5] . [medeverdachte 1] heeft verklaard dat de vrouw van [verdachte] de betalingen voor [bedrijf 5] deed, ook zodat [verdachte] overzicht kon houden op de betalingen. Binnen [bedrijf 5] deden [medeverdachte 1] en [verdachte] alles samen en [medeverdachte 1] en [verdachte] hielden elkaar exact op de hoogte van het reilen en zeilen van [bedrijf 5] , aldus [medeverdachte 1] . [getuige 1] heeft verklaard dat [verdachte] degene is die bepaalt wat er gebeurt binnen het bedrijf – waarbij het hof begrijpt dat met het bedrijf (onder meer) wordt bedoeld: [bedrijf 5] – en dat [verdachte] en [medeverdachte 1] samen partner waren in [bedrijf 5] , maar [verdachte] beter was in structuur brengen, van wat er gedaan moest worden, alsmede dat [medeverdachte 1] en [verdachte] wisten van elkaars handel en dat ze altijd even samen een sigaretje gingen roken en met elkaar kletsen, wat [getuige 1] niet mocht horen. Het hof wijst in dit verband voorts op een tweetal telefoongesprekken tussen [medeverdachte 1] en [verdachte] , waarvan de relevante inhoud hieronder is weergegeven. Deze telefoongesprekken worden door het hof bezien in samenhang met het schema van de stortingen op de desbetreffende bankrekening van [bedrijf 5] , waaruit volgt dat op 12 januari 2016 eerst om 12:48 uur € 15.000,- en daarna om 16:53 uur € 7.000,- is gestort, alsmede dat op 15 februari 2016 om 13.08 uur € 24.000,- is gestort en op 17 februari 2016 om 13:26 uur € 11.000,- is gestort. Het hof gaat er van uit dat deze twee telefoongesprekken betrekking hebben op deze vier stortingen van contant geld.

Datum: 12-01-2016 te 12:49 uur

[medeverdachte 1] (sh) belt uit naar [verdachte] (sh)

T: Ja, ik heb 15 gedaan nu.

F: 15?

T: Ja.

F: Ow, oké.

T: Dus dan kan ik die 14.300 even overboeken en dan doe ik morgen een beetje en overmorgen of zo.

F: Ja ja, dat zou ik maar zo doen ja. Je kan altijd nog een beetje naar, je kan ook nog bij de ING op [bedrijf 1] storten.

T: Nou, dat zou ik maar niet meer doen.

F: Oh, [bedrijf 3] bedoel ik hahaha.

T: Ja, we moeten maar even kijken of dat handig is of niet.

F: Nou ja, we moeten, als we dat ding willen bestellen, die voeten, dan moeten we die vooruit betalen en dat is ook 23 of 2.400 euro, maar dat kan ook morgen of overmorgen.

T: Nou ja, we moeten toch eerst bestellen, krijg je een factuur.

F: Die hebben we al gekregen, die zit al in je mailbox.

T: Oh, dat heb ik niet geweten, dan had ik even iets meer moeten doen. Nou kan ik vanmiddag nog wel doen, toch?

F: Nee, dat is op dezelfde dag.

T: Ja en, dat maakt toch niet uit.

F: Ja, volgens mij wel.

T: Nee, want je mag 30 per dag doen.

F: Ow oké, nou doe je nog 5.

T: Ja, doe ik een klein beetje bij en dan kunnen we die voeten betalen en voor die containers, hoeveel moet daarvoor betaald worden?

F: Dat kan ik je zo zeggen, dat is zeg maar 4.000.

T: 4.000 en dan?

F: In totaal is het zesduizend driehonderd.

T: Dan doe ik 6 vanmiddag.

F: Ja nee, dan komen we 300 tekort.

T: Of 6,5 of 7.

F: Ja, 6,5 of 7 ja.

Datum: 17-02-2016 te 13:37 uur

[medeverdachte 1] (sh) belt uit met [verdachte] (sh)

T: Ik heb net 11 weggebracht, dus die 35 is rond nu.

F: Ja.

T: Ik zat te bedenken hoe kan ik de rest hier op de bank zo snel mogelijk en makkelijk mogelijk krijgen.

F: Hier niet, dat is Oostenrijk.

T: Laten we dat vanavond even bespreken, ik ben een uur of zeven bij jou.

Het hof leidt uit de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, het volgende af.

Vanaf 23 februari 2015 was [verdachte] als bestuurder betrokken bij [bedrijf 5] . [verdachte] was, vanaf die datum, exact op de hoogte van het reilen en zeilen van [bedrijf 5] en wist daarom ook van de stortingen van contant geld op de desbetreffende bankrekening van [bedrijf 5] . [verdachte] was als bestuurder van [bedrijf 5] bevoegd om op te treden tegen de stortingen van contant geld. Uit niets blijkt echter dat [verdachte] iets heeft ondernomen om stortingen van contant geld te voorkomen of ongedaan te maken. Uit voormelde telefoongesprekken kan juist worden afgeleid dat [verdachte] instemde met de stortingen van de daarin besproken geldbedragen en ook meedacht over te storten bedragen, onder meer over de hoogte hiervan. Het totaal van de vanaf 23 februari 2015 tot en met 3 juni 2016 gestorte bedragen beloopt € 120.550,-.

Het ligt daarom op de weg van [verdachte] om over de (legale) herkomst van deze geldbedragen van in totaal € 120.550,- een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring te verschaffen. [verdachte] heeft echter geen verklaring over de herkomst van deze bedragen verschaft, omdat hij enige betrokkenheid bij (het witwassen van) deze bedragen heeft ontkend.

Het hof komt op grond van het bovenstaande tot het oordeel dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van witwassen van de vanaf 23 februari 2015 tot en met 3 juni 2016 op de desbetreffende bankrekening van [bedrijf 5] gestorte contante bedragen, in totaal € 120.550,- bedragend, op de wijze als hierna te melden. Voor wat betreft het witwassen van het resterende gedeelte van het totaalbedrag van € 141.550,- zal [verdachte] worden vrijgesproken.

d. het geldbedrag van € 30.900,-

Dit bedrag is kennelijk een optelsom van tien stortingen van contant geld op de Nederlandse bankrekening van Handelsonderneming [bedrijf 1] bij de ING-bank met nummer [rekeningnummer 15] in de periode van 17 juli 2015 tot en met 26 oktober 2015. Met betrekking tot zeven van de tien stortingen, voor bedragen van € 10,- tot € 250,- en eenmaal € 1.650,-, is het hof van oordeel dat deze geen vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat deze geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn. Deze stortingen, tot een totaalbedrag van € 2.400,-, kunnen daarmee niet worden aangemerkt als witwassen, zodat [verdachte] in zoverre van het onder 8 tenlastegelegde zal worden vrijgesproken.

Met betrekking tot de resterende drie stortingen, voor bedragen van respectievelijk € 11.500,-, € 4.500,- en € 12.500,-, heeft [getuige 1] verklaard dat hij deze stortingen heeft verricht in opdracht van en na ontvangst van de desbetreffende geldbedragen van [medeverdachte 1] , dat [medeverdachte 1] hem niets heeft verteld over de herkomst van de geldbedragen en dat hij de stortingsbewijzen daarna aan [medeverdachte 1] heeft afgegeven. Deze stortingen op zich, in het bijzonder meewegend de hoogte van de afzonderlijke bedragen en het totaalbedrag, in samenhang met de (relatief korte) periode waarin de stortingen hebben plaatsgevonden, mede in het licht van het feit dat de verdachte betrokken was bij de grootschalige invoer van cocaïne, leveren naar het oordeel van het hof reeds een vermoeden op dat het niet anders kan zijn dan dat de geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn. Het hof wijst daarbij nog op het feit van algemene bekendheid dat het (in dit geval: voorafgaand aan de stortingen) vervoeren van grote contante geldbedragen aanzienlijke veiligheidsrisico’s met zich brengt.

Voor wat betreft de storting van € 4.500,- overweegt het hof dat in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting geen bewijs is aangetroffen dat [verdachte] zich met betrekking tot dit tenlastegelegde geldbedrag schuldig heeft gemaakt aan het plegen van witwashandelingen als tenlastegelegd. Het hof acht evenmin bewijs aanwezig dat [verdachte] een zodanige materiële en/of intellectuele bijdrage aan het witwassen van dit geldbedrag heeft geleverd, dat dit bewezenverklaring van het medeplegen van witwassen kan rechtvaardigen. Het hof zal [verdachte] daarom ook vrijspreken van het onder 8 tenlastegelegde voor zover betrekking hebbend op dit geldbedrag van € 4.500,-.

Voor wat betreft de stortingen van € 11.500,- en € 12.500,- stelt het hof bij de verdere beoordeling voorop dat [verdachte] , dan wel zijn vrouw in opdracht van [verdachte] , kennelijk kon beschikken over de desbetreffende bankrekening op naam van [bedrijf 1] . Het hof leidt dit af uit drie telefoongesprekken, in samenhang bezien:

Datum: 19-11-2015 te 17:19 uur

[betrokkene 8] (ng) belt uit naar [medeverdachte 1] (ng) en zegt dat er weer 12.000 van de ING-rekening van [bedrijf 1] . [verdachte] komt aan de lijn en zegt dat die 12.000 teruggestort is. [medeverdachte 1] zegt dat het overgeboekt moet worden naar [bedrijf 5] (het hof leest: [bedrijf 5] ). [verdachte] zegt: we boeken het naar ons en geven een rooitje aan [betrokkene 8] en aan [betrokkene 24]. [medeverdachte 1] vindt het goed.

Datum: 19-11-2015 te 17:32 uur

[verdachte] (sh) wordt gebeld door [betrokkene 23] (sh)

[verdachte] vertelt over het terugboeken van de 12.000 euro vanuit Colombia. [verdachte] zegt dat [betrokkene 23] moet inloggen en een foto moet maken als het erop staat. [betrokkene 23] gaat dit doen.

Datum: 19-11-2015 te 17:55 uur

[medeverdachte 1] (sh) belt uit naar [verdachte] (sh)

[medeverdachte 1] zegt: we kunnen ook allebei 5 naar privé laten storten van dat geld van [betrokkene 8] . [verdachte] zegt dat hij het al gestort heeft naar [bedrijf 5] .

Voor wat betreft de storting van € 11.500,- op 17 juli 2015 en de betrokkenheid van [verdachte] hierbij bezigt het hof voorts als bewijsmiddel de inhoud van een telefoongesprek:

Datum: 21-08-2015 te 9:13 uur

[medeverdachte 1] (sh) belt uit met [verdachte] (sh)

T: Ik neem dat dinsdag wel mee en dan geef ik dat wel aan hem. Want dat was min min die twee en een half was dat.

F: Ja, dat is dus elf en een half min twee en een half is negen.

T: Ja, ik weet niet wat ie gestort heb, twaalf en een half gestort toch, of elf en een half?

F: Nee, elf een half, elf een half min twee een half is negen. [betrokkene 8] heb precies bijgehouden.

Voor wat betreft de storting van € 12.500,- op 19 oktober 2015 en de betrokkenheid van [verdachte] hierbij heeft het hof acht geslagen op een handgeschreven verklaring van [medeverdachte 1] , voor zover inhoudende dat [betrokkene 8] ( [bedrijf 1] ) geld voor de aankoop van meubels is gaan halen in Antwerpen en dat geld toen op zijn bankrekening is gestort. Daarnaast gebruikt het hof in dit verband als bewijsmiddel de verklaring van [getuige 1] , voor zover inhoudende dat hij op 18 oktober 2015 in Antwerpen op straat van een voor hem onbekende man een envelop met contant geld heeft ontvangen en dat hij deze envelop met inhoud de volgende dag op kantoor aan [verdachte] en [medeverdachte 1] heeft gegeven, die het geld hebben geteld. Het hof begrijpt uit deze laatste twee bewijsmiddelen, dat het contante geldbedrag dat [getuige 1] in Antwerpen heeft opgehaald in elk geval gedeeltelijk een dag later door [getuige 1] , na ontvangst van [medeverdachte 1] , is gestort op de desbetreffende bankrekening van [bedrijf 1] .

Het ligt naar het oordeel van het hof daarmee op de weg van [verdachte] om over de (legale) herkomst van deze geldbedragen van € 11.500,- en € 12.500,- een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring te verschaffen. [verdachte] heeft echter geen verklaring over de herkomst van deze bedragen verschaft, omdat hij enige betrokkenheid bij (het witwassen van) deze bedragen heeft ontkend.

Gelet op het voorgaande, acht het hof het witwassen van een geldbedrag van (€ 11.500,- + € 12.500,- =) € 24.000 bewezen op de wijze als hiervóór onder het kopje ‘Bewezenverklaring’ is vermeld.

Voor wat betreft het witwassen van het resterende gedeelte van het totaalbedrag van € 30.900 zal [verdachte] worden vrijgesproken.

e. het geldbedrag van € 141.900,-

Het hof stelt aan de hand van het desbetreffende overzicht vast dat de stortingen waar het hier om gaat alle in Duitsland hebben plaatsgevonden op een Duitse bankrekening. Daar werd het geld omgezet en op die manier witgewassen. Duitsland is echter niet als pleegplaats opgenomen voor wat betreft dit geldbedrag (het hof verwijst hier naar hetgeen het hiervóór heeft overwogen onder het kopje ‘Tenlastelegging’ met betrekking tot de door de advocaat-generaal gevorderde wijziging van de tenlastelegging).

Daarom zal het hof de verdachte vrijspreken van het witwassen van dit geldbedrag.

Gewoontewitwassen

Gelet op de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht, alsmede op het aantal gedragingen en het tijdsbestek waarin deze zich hebben afgespeeld, acht het hof bewezen dat de verdachte en zijn mededaders van het plegen van witwassen een gewoonte hebben gemaakt.

Resumé

Het hof komt resumerend voor wat betreft het onder 8 tenlastegelegde tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van gewoontewitwassen van een bedrag van € 120.550,- (sub c) en een bedrag van € 24.000,- (sub d) (dus in totaal van een bedrag van € 144.550,-), op de wijze als hiervóór onder het kopje ‘Bewezenverklaring’ is vermeld.

De met betrekking tot deze bedragen gevoerde bewijsverweren worden verworpen.

Van het witwassen van de overige (delen van) tenlastegelegde geldbedragen zal de verdachte worden vrijgesproken.

5. Feit 9 (zaaksdossier Samen)

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal acht, op de gronden als verwoord in het schriftelijk requisitoir, het onder 9 tenlastegelegde, deelneming aan een criminele organisatie, bewezen overeenkomstig de beslissing van de rechtbank.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft, op de gronden als verwoord in de pleitnota, vrijspraak bepleit van dit feit. Deze gronden houden – samengevat – in dat de verdachte geen significante bijdrage heeft geleverd aan de criminele organisatie. Daarnaast ontbreekt bij de verdachte het opzet op deelneming aan een criminele organisatie.

Oordeel hof

Het hof volgt hierna gedeeltelijk de overwegingen van de rechtbank. Waar nodig heeft het hof die overwegingen verbeterd en/of aangevuld.

Juridisch kader

Aan de verdachte is een combinatie tenlastegelegd van deelneming aan een criminele organisatie als bedoeld in art. 11b van de Opiumwet (als logische specialis van art. 140 van het Wetboek van Strafrecht) en deelneming aan een criminele organisatie als bedoeld in art. 140 van het Wetboek van Strafrecht. De organisatie had volgens het Openbaar Ministerie als oogmerk het plegen van misdrijven, namelijk:

het binnen het grondgebied van Nederland brengen en/of het verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of het opzettelijk aanwezig hebben van een of meer middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I en/of

het voorbereiden en/of bevorderen van een feit of feiten, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet en/of

het (gewoonte)witwassen van een of meer voorwerp(en).

Bij de beoordeling van dit feit stelt het hof het volgende voorop.

Eerst moet worden vastgesteld of sprake is van een ‘organisatie’. Onder ‘organisatie’ wordt verstaan een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur tussen de verdachte en ten minste één andere rechts- dan wel natuurlijk persoon. Daarvoor is niet noodzakelijk dat binnen het samenwerkingsverband gemeenschappelijke regels en een gemeenschappelijke doelstelling hebben bestaan, waaraan individuele leden gebonden waren en waarbij op de deelnemers druk werd, of kon worden, uitgeoefend zich aan die regels te houden. Evenmin is vereist dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is. Gezagsverhoudingen (hiërarchie), rolverdeling, regels en een onder een gemeenschappelijke naam optreden tegenover derden kunnen sterke aanwijzingen zijn voor een samenwerkingsverband en daarmee een organisatie, maar zijn niet vereist om dit vast te kunnen stellen.

Een organisatie zoals hiervoor bedoeld, wordt pas een criminele organisatie als vast komt te staan dat de organisatie het oogmerk heeft op het plegen van een of meer misdrijven. Daarvoor is van belang dat gekeken wordt naar de misdrijven die in het kader van de organisatie zijn gepleegd en aan het duurzame of gestructureerde karakter van de samenwerking, te weten de planmatigheid of stelselmatigheid van de activiteiten van de deelnemers gericht op het doel van de organisatie. Van belang hierbij is om op te merken dat het oogmerk van de organisatie niet hetzelfde is als het oogmerk van de deelnemer. In het deelnemen aan de organisatie ligt het opzet besloten. De deelnemer moet weten dat de organisatie het oogmerk heeft het plegen van een of meer misdrijven. Niet vereist is dat de deelnemer opzet heeft op de door de organisatie beoogde of gepleegde, concrete misdrijven.

Bij de vraag of sprake is geweest van deelneming aan een criminele organisatie is niet vereist dat vastgesteld wordt dat een verdachte voor alle tenlastegelegde feiten – in het kader van de criminele organisatie – ook zelf strafrechtelijk verantwoordelijk is in de zin van pleger, medepleger of een andere deelnemingsvorm. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van deelneming door de afzonderlijke verdachte gaat het er om of kan worden vastgesteld:

- of de verdachte – in zijn algemeenheid – wist dat de organisatie het oogmerk had tot het plegen van misdrijven (waarbij voorwaardelijk opzet niet voldoende is) en

- of de verdachte een aandeel heeft gehad c.q. ondersteunende handelingen heeft verricht, gericht op verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie.

Bij deze beoordeling speelt een belangrijke, maar geen beslissende rol of een verdachte wordt veroordeeld voor één van de afzonderlijke tenlastegelegde andere feiten in het kader van de criminele organisatie. In dit kader wordt nog opgemerkt dat niet vereist is dat komt vast te staan dat een persoon moet hebben samengewerkt met, althans bekend is geweest met alle andere natuurlijke en rechtspersonen die deel uitmaken c.q. uitmaakten van de organisatie.

Beoordeling

Het hof overweegt het volgende.

Uit de bewijsmiddelen en de bewijsoverwegingen met betrekking tot de feiten 1, 2, 5 en 8 blijkt dat in de periode van 1 november 2014 tot en met 7 juni 2015 transporten van grote hoeveelheden cocaïne hebben plaatsgevonden dan wel zijn voorbereid en dat aanzienlijke geldbedragen zijn witgewassen, waarbij telkens betrokken waren [medeverdachte 1] , [verdachte] en/of een of meer anderen, onder wie [medeverdachte 2] .

Naar het oordeel van het hof geschiedde een en ander binnen een gestructureerd samenwerkingsverband tussen in elk geval [medeverdachte 1] , [verdachte] en/of een of meer anderen, onder wie [medeverdachte 2] . Voor wat betreft hun concrete bijdragen en rollen verwijst het hof naar de bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen met betrekking tot de feiten 1, 2, 5 en 8.

Uit de bewijsmiddelen blijkt tevens dat de verdachten zowel afzonderlijk als gezamenlijk, al dan niet in wisselende samenstellingen, gedurende de gehele periode op vele momenten betrokken zijn geweest bij de genoemde misdrijven. Daaruit leidt het hof af dat de samenwerking van de verdachten niet incidenteel is geweest en geen beperkt karakter had, maar een zekere duurzaamheid had. Gelet daarop is het hof van oordeel dat sprake is geweest van een samenwerkingsverband met een dusdanige mate van duurzaamheid en structuur dat sprake is geweest van een organisatie in vorenbedoelde zin.

Gelet op de door de genoemde deelnemers aan de organisatie gepleegde handelingen, het duurzame en gestructureerde karakter van de samenwerking en de planmatigheid en stelselmatigheid van de activiteiten, had deze organisatie als oogmerk het plegen van misdrijven, te weten het binnen het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne en gewoontewitwassen. Voor zover de organisatie als oogmerk had het binnen het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne was sprake van een organisatie als bedoeld in art. 11b van de Opiumwet. Voor zover deze als oogmerk had gewoontewitwassen, was sprake van een organisatie als bedoeld in art. 140 Sr.

Alle verdachten hebben in de tenlastegelegde periode deelgenomen aan deze organisatie. De bijdrage die de verdachte leverde is naar het oordeel van het hof van voldoende intensiteit en duur geweest, waardoor hij kan worden aangemerkt als deelnemer van de organisatie. Het bewijs van het opzet van de verdachte, zowel op de deelneming aan de organisatie als op het oogmerk van de organisatie volgt reeds uit de bewijsmiddelen en hetgeen het hof daaromtrent heeft overwogen.

Bij het ontbreken van (voor het bewijs bruikbare) verklaringen van de verdachte en zijn medeverdachten omtrent ieders taken en verantwoordelijkheden kan op basis van het dossier een precieze gezagsverhouding en rolverdeling tussen de verdachten naar het oordeel van het hof niet worden vastgesteld. Wel kan worden vastgesteld dat sprake was van een structuur waarbij eenieder wist wat er gedaan moest worden. Samen met de anderen werd er op routinematige wijze gezorgd dat de handelingen die op dat moment van hen werden verwacht, werden uitgevoerd. Het hof merkt alle verdachten dan ook aan als deelnemer aan de criminele organisatie.

Wat betreft de tenlastegelegde periode overweegt het hof dat de steller van de tenlastelegging bij [medeverdachte 1] heeft gekozen voor een later aanvangsmoment dan in de zaak van [verdachte] , te weten 2 juli 2015 in plaats van 1 november 2014. Dit latere ingangsmoment is niet te rijmen met de inhoud van het dossier. Ook bij [medeverdachte 1] had het aanvangsmoment eigenlijk 1 november 2014 moeten zijn. Het hof is evenwel gebonden aan de tekst van de tenlastelegging. Daarom komt het hof bij [medeverdachte 1] tot een kortere bewezenverklaarde periode dan bij [verdachte] .

De gevoerde bewijsverweren worden verworpen.

6. Feit 10 (zaaksdossier Sigarenknipper)

Het standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal acht het tenlastegelegde op grond van hetgeen in het schriftelijk requisitoir is verwoord wettig en overtuigend bewezen overeenkomstig de beslissing van de rechtbank.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich ten aanzien van dit feit gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Het oordeel van het hof

Gelet op de bekennende verklaring van [verdachte] , in samenhang met de overige door het hof gebezigde bewijsmiddelen, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] samen met [medeverdachte 1] , [benadeelde] heeft bedreigd. Tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] was sprake van een nauwe en bewuste samenwerking bij de bedreiging van [benadeelde] , waarbij ieders intellectuele en materiële bijdrage van voldoende gewicht was.

7. Feit 11 (zaaksdossier [woonplaats 1] )

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal is van oordeel dat het feit wettig en overtuigend bewezen kan worden conform de bewezenverklaring van de rechtbank.

Standpunt verdediging

Door de verdediging is, evenals in eerste aanleg, aangevoerd dat uit het ‘proces-verbaal onderzoek wapens’ niet valt op te maken of het bij de verdachte aangetroffen start/gaspistool voldoet aan de uitzonderingsvoorwaarden uit artikel 2 lid 1 categorie III onder 4. Ter terechtzitting heeft de raadsman voorts bepleit dat de verdachte ten aanzien van het voorhanden hebben van de tenlastegelegde vier imitatiewapens dient te worden vrijgesproken. Daartoe heeft hij – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat de vermeende wapens speelgoedpistolen betreffen die vallen onder de zogenaamde Speelgoedrichtlijn (Richtlijn 2009/48/EG), hetgeen een uitzonderingscategorie vormt in artikel 3 van de Regeling wapens en munitie. Ter onderbouwing heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte de vermeende wapens jaren geleden tijdens een vakantie in het buitenland als speelgoed voor zijn destijds jonger dan 14 jaar oude zoons heeft gekocht. Voorts is aangevoerd dat deze wapens ook op de lijst van inbeslaggenomen goederen omschreven staan als ‘speelgoed’.

Oordeel hof

Het hof volgt hierna grotendeels de overwegingen van de rechtbank, onder weglating van de passages die zien op de wapens waarvoor een vrijspraak is gevolgd en ten aanzien van welke feiten de verdachte dientengevolge niet-ontvankelijk is in zijn hoger beroep. Waar nodig heeft het hof die overwegingen verbeterd en/of aangevuld.

Het hof overweegt als volgt.

Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat bij de doorzoeking van de woning van [verdachte] (onder meer) vier op een vuurwapen gelijkende voorwerpen zijn aangetroffen en voor nader onderzoek zijn inbeslaggenomen.

Juridisch kader De volgende bepalingen zijn van belang:

- Wet wapens en munitie (hierna: Wwm): art. 2, eerste lid, aanhef en onder 7°:

‘Wapens in de zin van deze wet zijn de hieronder vermelde of overeenkomstig dit artikellid aangewezen voorwerpen, onderverdeeld in de volgende categorieën.

Categorie I

(...)

7°. andere door Onze Minister aangewezen voorwerpen die een ernstige bedreiging van personen kunnen vormen of die zodanig op een wapen gelijken, dat zij voor bedreiging of afdreiging geschikt zijn.’

- Regeling wapens en munitie (hierna: Rwm): art. 3, aanhef en onder a:

‘Als voorwerpen van categorie I, onder 7°, die een ernstige bedreiging van personen kunnen vormen of die zodanig op een wapen gelijken dat zij voor bedreiging of afdreiging geschikt zijn, worden aangewezen:

a. voorwerpen die voor wat betreft hun vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertonen met vuurwapens of met voor ontploffing bestemde voorwerpen, met uitzondering van speelgoedvoorwerpen als bedoeld in de Richtlijn 2009/48/EG.’

- Richtlijn 2009/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2009 betreffende de veiligheid van speelgoed (hierna: de Richtlijn of Speelgoedrichtlijn): art. 2, eerste lid:

‘Deze richtlijn is van toepassing op producten die, al dan niet uitsluitend, ontworpen of bestemd zijn om door kinderen jonger dan 14 jaar bij het spelen te worden gebruikt (hierna ‘speelgoed’ genoemd).

art. 3, aanhef en onder 16:

‘Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:

16. ‘ CE-markering’: een markering waarmee de fabrikant aangeeft dat het speelgoed in overeenstemming is met alle toepasselijke eisen van de communautaire harmonisatiewetgeving die in het aanbrengen ervan voorziet.’

art. 16, eerste lid:

‘Speelgoed dat op de markt wordt aangeboden, is voorzien van de CE-markering.’

art. 17, eerste lid:

‘De CE-markering wordt zichtbaar, leesbaar en onuitwisbaar op het speelgoed, op een daaraan bevestigd etiket of op de verpakking aangebracht. (...)’

Indien sprake is van voorwerpen van categorie I, onder 7°, van artikel 2, eerste lid van de Wwm (die voor wat betreft hun vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertonen met vuurwapens of met voor ontploffing bestemde voorwerpen), dient te worden nagegaan of deze onder de uitzonderingscategorie van artikel 3 van Rwm, te weten speelgoedvoorwerpen als bedoeld in de Richtlijn 2009/48/EG.

De Speelgoedrichtlijn staat er aan in de weg dat voorwerpen, voor zover zij als speelgoed in de zin van de richtlijn zijn aan te merken en aan de in die richtlijn genoemde veiligheidseisen voldoen, in Nederland worden verboden. Nederland is verplicht de Speelgoedrichtlijn na te komen en de nationale regelgeving die daarmee in strijd is aan te passen. Dit betekent dat in artikel 3 van de Rwm voorwerpen als bedoeld in de richtlijn worden uitgezonderd van de werking van dit artikel. De toelichting op de wijziging van de Rwm houdt twee gronden in die kunnen meebrengen dat voorwerpen die een ernstige bedreiging van personen kunnen vormen of die zodanig op een wapen gelijken, dat zij voor bedreiging of afdreiging geschikt zijn, niet kunnen worden aangemerkt als een wapen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, categorie I, onder 7, van de Wwm. Het moet namelijk gaan om (1) voorwerpen die gelden als speelgoed in de zin van de Richtlijn en (2) die voorwerpen moeten voldoen aan de in de Richtlijn genoemde veiligheidseisen. De veiligheidsvoorschriften resulteren in het vereiste van de aanbrenging van de CE-markering op het voorwerp (artikel 16 van de Richtlijn). De speelgoedrichtlijn is van toepassing op producten die, al dan niet uitsluitend, ontworpen of bestemd zijn om door kinderen jonger dan 14 jaar bij het spelen te worden gebruikt (artikel 2 van de Richtlijn).

In beslag genomen voorwerpen Ha072.08.01.001, Ha072.07.01.003, Ha072.07.01.001 en Ha072.07.01.002 Op grond van hetgeen is gerelateerd in het proces-verbaal onderzoek wapens (pagina’s 18, 21 en 22 van het politiedossier) is het hof van oordeel dat, gelet op de vorm, afmeting en kleur, deze voorwerpen een sprekende gelijkenis vertonen met een vuurwapen van resp. het merk Walther Cp88, Colt M4a1 Carbine, Beretta 92fs en Heckler & Koch, model 53. De voorwerpen zijn daarom voor bedreiging of afdreiging geschikt.

Voorts ligt de vraag aan het hof voor of de voorwerpen onder de uitzonderingscategorie van artikel 3 van de Rwm vallen. Het hof beantwoordt deze vraag ontkennend. Uit het dossier of het onderzoek ter terechtzitting is niet gebleken dat de onderhavige voorwerpen een aangebrachte CE-markering bevatten. Dat deze markering op een verpakking is aangebracht is door de verdediging niet gesteld, laat staan onderbouwd. De voorwerpen kunnen daarom op grond van artikel 2, eerste lid eerste volzin, van de Speelgoedrichtlijn niet worden beschouwd als speelgoed. De omstandigheid dat [verdachte] het voornoemd voorwerp naar eigen zeggen ‘als speelgoed’ heeft gekocht tijdens een vakantie in het buitenland, doet aan het vorenstaande naar het oordeel van het hof niet af.

Ook het verweer dat op de lijst van inbeslaggenomen goederen (het hof stelt vast: twee van) deze wapens als ‘speelgoed’ zijn omschreven maakt niet dat ze als zodanig dienen te worden beschouwd. De lijst van inbeslaggenomen goederen is immers niet opgemaakt door een wapendeskundige, terwijl ook overigens aan de op die lijst gegeven omschrijvingen bewijsrechtelijk niet de waarde toekomt die de verdediging hieraan gehecht wenst te zien.

Het bewijsverweer van de raadsman voor zover inhoudende dat de vier voorwerpen als speelgoed in de zin van de Speelgoedrichtlijn kunnen worden aangemerkt, wordt – gelet op het vorenstaande – verworpen. Deze voorwerpen zijn daarmee gelet op de daarop betrekking hebbende inhoud van het proces-verbaal onderzoek wapens aan te merken als wapens van categorie I onder 7 zoals tenlastegelegd.

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] de onder 11 tenlastegelegde wapens voorhanden heeft gehad.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 primair bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Het onder 2 subsidiair bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van: een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden of bevorderen, door

- zich of een ander gelegenheid middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit te verschaffen en

- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden te hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dit delict.

Het onder 5 subsidiair bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van: een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden of bevorderen, door

- een ander trachten te bewegen dat feit te plegen, te doen plegen of uit te lokken, daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid middelen of inlichtingen te verschaffen en

- zich of een ander gelegenheid middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit te verschaffen en

- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden te hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dit delict.

Het onder 8 bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van: van het plegen van witwassen een gewoonte maken.

Het onder 9 bewezenverklaarde levert op:

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, vijfde lid, van de Opiumwet

en

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Het onder 10 bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Het onder 11 bewezenverklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

Op te leggen sanctie

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof aan de verdachte zal opleggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren, met aftrek van voorarrest.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit om, in geval van een bewezenverklaring, voor wat betreft het onvoorwaardelijke deel van een eventueel op te leggen gevangenisstraf te volstaan met een de gevangenisstraf voor de duur van de voorlopige hechtenis (zijnde 30 maanden). De verdediging verzoekt het hof om daarbij voor het overige deel een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

Het oordeel van het hof

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan, kortweg, het medeplegen van de invoer van ongeveer 3.800 kilo cocaïne (feit 1, zaaksdossier Bananen), het medeplegen van voorbereidingshandelingen voor de invoer van ongeveer 76 kilo cocaïne (feit 2, zaaksdossier [betrokkene 17]), het medeplegen van voorbereidingshandelingen voor de invoer van

ongeveer 1.015 kilo cocaïne (feit 5, zaaksdossier Raamsdonksveer), het medeplegen van gewoontewitwassen van contante geldbedragen tot een totaalbedrag van € 144.550,-

(feit 8, zaaksdossier Deklading), deelneming aan een criminele organisatie (feit 9, zaaksdossier Samen), bedreiging (feit 10, zaaksdossier Sigarenknipper) en het voorhanden hebben wapens en pepperspray (feit 11, zaaksdossier [woonplaats 1] ).

Verdachtes rol, samen met die van medeverdachte [medeverdachte 1] , was onder andere om de dekladingen voor de door [medeverdachte 2] en consorten in te voeren cocaïne te organiseren en alles een legaal aanschijn te geven. Daarvoor heeft de verdachte samen met medeverdachte [medeverdachte 1] mede gebruik gemaakt van anderen als katvanger en van verschillende bedrijven die al dan niet enkel voor de invoer van specifieke containers drugs werden opgezet. Zo is [bedrijf 1] enkel gebruikt om als ontvanger te fungeren voor de lading bananen met cocaïne uit het zaaksdossier Bananen. Dit alles met als duidelijk doel om het zicht op de werkelijke spelers te versluieren.

De verdachte zorgde samen met medeverdachte [medeverdachte 1] bovendien voor het financiële verkeer. Er werd voor gezorgd dat grote contante geldbedragen bedoeld voor het betalen van de leveranciers, inklaarders etc. van de ladingen legale spullen, giraal werden gemaakt en vervolgens werden de rekeningen daadwerkelijk betaald. Voor het giraal maken van het contante geld werd ook gebruik gemaakt van katvangers, waaronder medeverdachte [benadeelde] . En als die zijn werk niet goed deed vond de verdachte het ook geen probleem om die [benadeelde] zodanig te (laten) bedreigen dat die jaren later ter terechtzitting van het hof zijn bedreigers nog steeds niet onder ogen durfde te komen.

De rol die de verdachte gespeeld heeft in de internationale handel in verdovende middelen is hiermee een cruciale geweest. Zonder legitiem schijnende bedrijven, plaatsen waar containers kunnen worden ontvangen en geleegd, en giraal gemaakt contant geld om de rekeningen van de deklading te betalen, is het onmogelijk om verdovende middelen in Nederland af te zetten.

Het is algemeen bekend dat harddrugs zoals cocaïne ernstige schade toebrengen aan de gezondheid van de gebruikers van deze middelen. Het hof ziet zich ook op zeer regelmatige basis geconfronteerd met de vernietigende effecten van het gebruik van deze drug op de naaste omgeving van de gebruiker. Het blijft echter niet bij de effecten voor de individuele gebruiker. De gebruiker moet zijn drugs ergens vandaan halen. Dus er wordt gedeald, met alle bijkomende overlast. En de dealers moeten hun voorraden van grotere spelers betrekken. Grootschalige drugshandel werkt ernstig ontwrichtend voor de maatschappij. Drugsdelicten en witwassen liggen vaak aan de basis van gedragingen die tegenwoordig worden aangeduid met de term ‘ondermijning’. De enorme impact van deze criminaliteit wordt in alle lagen van de bevolking gevoeld. Daaraan heeft de verdachte zich niets gelegen laten liggen. Hij heeft bij het plegen van de feiten gehandeld uit puur winstbejag en heeft zich niets aangetrokken van de belangen van de maatschappij of van anderen.

Dat het de verdachte om financieel gewin te doen was en om niets anders, blijkt ook wel uit de vele telefoongesprekken waarin hij met medeverdachte [medeverdachte 1] sprak over grote of kleine marges en hoeveel er voor hem en medeverdachte [medeverdachte 1] of één der anderen die een rol speelden over zou kunnen blijven.

Naar het oordeel van het hof kan, gelet op het bovenstaande, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

Het hof heeft zich tevens rekenschap gegeven van de redelijke termijn. Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Deze termijn vangt aan vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem of haar ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld.

Bij de vraag of sprake is van een schending van de redelijke termijn moet rekening worden gehouden met de omstandigheden van het geval, waaronder begrepen de processuele houding van verdachte, de aard en ernst van het ten laste gelegde, de ingewikkeldheid van de zaak en de mate van voortvarendheid waarmee deze strafzaak door de justitiële autoriteiten is behandeld.

Als uitgangspunt in zaken met een gedetineerde verdachte heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen 16 maanden nadat de redelijke termijn is aangevangen.

De verdachte is op 7 juni 2016 in verzekering gesteld. De rechtbank heeft vonnis gewezen op 13 februari 2020. Het hof is van oordeel dat in eerste aanleg derhalve sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn met ongeveer 26 maanden.

Verdachte heeft op 17 februari 2020 hoger beroep ingesteld. Het hof wijst dit arrest op 20 februari 2025, zo’n 5 jaren na het instellen van het hoger beroep. De behandeling in hoger beroep wordt dan ook niet afgerond met een eindarrest binnen 16 maanden na het ingestelde hoger beroep. In hoger beroep is daarom eveneens sprake van een overschrijding van de redelijke termijn en wel met een periode van ruim 3 jaren en 8 maanden.

In totaal is sprake van een overschrijding met een periode van bijna 5 jaren en 10 maanden.

De overschrijding is, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, deels te wijten aan de complexiteit van de zaak, de gelijktijdige berechting van deze zaak met de zaken tegen meerdere medeverdachten en voorts aan de volle zittingsagenda van het hof.

Zonder schending van de redelijke termijn zou een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren passend zijn geweest. Nu de redelijke termijn in bovengenoemde mate is geschonden, zal worden volstaan met het opleggen van de hierna aan te geven straf.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Van het onder de verdachte in beslag genomen en nog niet teruggegeven geldbedrag van

€ 5.500,00, zal de teruggave aan de verdachte worden gelast.

Het hof heeft de verdachte geschorst tot de datum van de uitspraak. Deze schorsing zal door het hof in het licht van de opgelegde duur van de gevangenisstraf, niet worden verlengd.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 2, 10, 10a en 11b van de Opiumwet, de artikelen 45, 47, 57, 140 en 285 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 13, 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissingen ter zake van het onder 11 tenlastegelegde, voor zover die zien op de deelvrijspraken ten aanzien van een gaspistool en een stroomstootwapen (goednummer: PL2600-2015034992-684044).

Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 3, 4, 6 en 7 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 subsidiair, 5 subsidiair, 8, 9, 10 en 11 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2, 5, 8, 9, 10 en 11 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de teruggave aan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: een geldbedrag van € 5.500,00.

Aldus gewezen door:

mr. C.P.J. Scheele, voorzitter,

mr. A.M.G. Smit en mr. G.C. Bos, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. A.E.M. de Ridder en mr. I. Kroes, griffiers,

en op 20 februari 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?