ECLI:NL:GHSHE:2025:655

ECLI:NL:GHSHE:2025:655, Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 12-03-2025, 23/470

Instantie Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak 12-03-2025
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 23/470
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 4 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537

Samenvatting

Geen machtiging overgelegd binnen de door het hof daarvoor gestelde termijn. Het dossier bevat een machtiging die niet is voorzien van een naam met een handtekening die niet te herleiden is naar een naam. De gesteld gemachtigde heeft dezelfde machtiging ook overgelegd in zaken van andere belanghebbenden (23/741 en 23/1114). Het hof gaat er daarom van uit dat dit geen schriftelijke machtiging van belanghebbende betreft. Verder heeft de gesteld gemachtigde buiten de daarvoor gestelde termijn nog een machtiging overgelegd, dit betreft een schriftelijke machtiging van personen die verder niets met deze procedure te maken hebben. Het hof verklaart het verzet niet-ontvankelijk.

Uitspraak

Overwegingen

Ten aanzien van de ontvankelijkheid

1. De zitting bij het hof heeft plaatsgevonden op 4 oktober 2024 in ’s-Hertogenbosch. Daar is via een digitale beeld- en geluidverbinding verschenen [naam] (hierna: [naam] ).

2. Het hof heeft partijen voorafgaand aan de zitting schriftelijk geïnformeerd dat de behandeling van de zaak op deze zitting beperkt blijft tot de vraag of er (tijdig) een toereikende machtiging is overgelegd. De heffingsambtenaar is in de gelegenheid gesteld om bij de behandeling van de zaak aanwezig te zijn, maar heeft niet aan het hof laten weten dat hij daarbij aanwezig wil zijn.

3. Het verzet is namens [kantoornaam] ingediend door [naam] . Het hof heeft [naam] met een brief van 1 december 2023 in de gelegenheid gesteld om uiterlijk 29 december 2023 een recente schriftelijke machtiging aan te leveren. Daarbij heeft het hof vermeld dat het verzet anders nietontvankelijk kan worden verklaard. [naam] heeft daarop geen schriftelijke machtiging aangeleverd.

4. Het hof heeft op 4 januari 2024 een herinnering gestuurd en [naam] in de gelegenheid gesteld om uiterlijk 11 januari 2024 een schriftelijke machtiging aan te leveren. Daarbij heeft het hof nogmaals vermeld dat het verzet anders niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Het hof heeft deze termijn met de brief van 9 januari 2024 verlengd tot 12 januari 2024. [naam] heeft binnen deze termijn geen schriftelijke machtiging overgelegd.

5. [naam] heeft met een brief van 2 oktober 2024, door het hof ontvangen op 4 oktober 2024, een machtiging en e-mailcorrespondentie overgelegd. Het gaat om een e-mail die op 2 mei 2022 verstuurd is vanaf het emailadres ‘ [e-mailadres] ’ met als onderwerp ‘Volmacht’. De inhoud van de e-mail luidt als volgt:

“Hoi [voornaam] ,

Bij deze de getekende volmacht.

Met vriendelijke groet | Mit freundlichen grüßen | Best regards,

[persoon 1]

(…)”

De daarbij overgelegde machtiging is, net zoals de e-mail, gedateerd op 2 mei 2022, en is ondertekend door [persoon 2] en [persoon 3] .

6. Het hof overweegt dat [naam] geen toereikende machtiging heeft overgelegd binnen de door het hof daarvoor gestelde termijn. [naam] heeft in het verzetschrift gesteld dat de door het hof verzochte stukken al deel uitmaken van het dossier, maar het dossier bevat slechts een schriftelijke machtiging die [naam] in beroep heeft overgelegd. Deze machtiging is gedateerd op ‘april 2021’, is niet voorzien van een naam en bevat een handtekening die niet is te herleiden naar een naam. Niets wijst er dan ook op dat het om een machtiging van belanghebbende gaat. Gelet daarop heeft het hof verzocht om een recente schriftelijke machtiging. De rechtbank heeft overigens ook reeds op grond van het ontbreken van een geldige machtiging het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Het hof wijst verder op de omstandigheid dat deze machtiging door [naam] ook is overgelegd in twee andere zaken die op de zitting van 4 oktober 2024 zijn behandeld en waarin hij zich als gemachtigde heeft gesteld, te weten de procedures met zaaknummer 23/741 en 23/1114, terwijl sprake is van verschillende belanghebbenden. Gelet op deze omstandigheden is het hof van oordeel dat het geen schriftelijke machtiging van belanghebbende betreft.

7. Ten aanzien van de schriftelijke machtiging die [naam] op 4 oktober 2024 heeft overgelegd, zie onder 5. hiervoor, overweegt het hof dat ook dit geen schriftelijke machtiging van belanghebbende is, maar van andere personen, waarvan niet gebleken is dat zij iets met deze procedure te maken hebben. Bovendien is deze machtiging niet binnen de door het hof daarvoor gestelde termijn aangeleverd.

8. Aangezien het ontbreken van een schriftelijke machtiging als een verzuim in de zin van artikel 6:6 Algemene wet bestuursrecht moet worden aangemerkt en [naam] dat verzuim niet heeft hersteld binnen de daarvoor gestelde termijn, zal het hof het verzet nietontvankelijk verklaren.

Conclusie

9. Het verzet is niet-ontvankelijk. Voor vergoeding van de proceskosten of vergoeding van het betaalde griffierrecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het hof verklaart het verzet niet-ontvankelijk.

De uitspraak is gedaan door M.J.C. Pieterse, raadsheer, in tegenwoordigheid van R. Camps, als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2025 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. Aan de partij die niet digitaal procedeert, is een afschrift op die datum aangetekend per post verzonden.

De griffier, De raadsheer,

R. Camps M.J.C. Pieterse

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?