ECLI:NL:GHSHE:2025:711

ECLI:NL:GHSHE:2025:711, Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 18-03-2025, 200.320.795_01

Instantie Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak 18-03-2025
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 200.320.795_01
Rechtsgebied Civiel recht; Goederenrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBLIM:2022:7574
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 3 zaken
Aangehaald door 1 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005288 BWBR0005291

Samenvatting

Geschil tussen buren over de vraag over het verhoogde deel van de gevelmuur tussen hun twee woningen, welk verhoogde deel in een ver verleden ontstaan is toen de hogere woning van de rechtsvoorganger van eiser tegen de lagere woning van de rechtsvoorganger van gedaagden is aangebouwd, mandelig is. Hoger beroep van ECLI:NL:RBLIM:2022:7574

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.320.795/01

arrest van 18 maart 2025

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] , [gemeente A] ,

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. C.G. Huijsmans te Goes,

tegen

1. [geïntimeerde sub 1] ,2. [geïntimeerde sub 2] ,

beiden wonende te [woonplaats] , [gemeente A]

geïntimeerden,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] ,

advocaat: mr. S.J.M. Peters te Valkenburg, gemeente Valkenburg aan de Geul,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 8 augustus 2023 in het hoger beroep van het door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, onder zaaknummer C/03/298096 / HA ZA 21-557 in conventie gewezen vonnis van 28 september 2022.

5. Het vervolg van de procedure in hoger beroep

Het vervolg van de procedure in hoger beroep blijkt uit:

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

6. De verdere beoordeling

“De gevel tussen het verkochte en het naastgelegen aan verkoper verblijvende pand, [adres B] , staat op de hart der scheidingslijn en zal een gemeenschappelijke gevel zijn.”
“Niet alle schade is te relateren aan de door wederpartij uitgevoerde werkzaamheden; een deel van met name de scheuren betreft oudere gebreken. In verband hiermee hebben wij in de schadevaststelling rekening gehouden met verbetering na herstel.”
2. Gat trappenhuis naar de verdieping € 423,50”
“De rechter constateert dat (zie foto’s 5 tot en met 9) de buitenmuur van [huisnummer A] op de originele buitenmuur van [huisnummer B] staat. De buitenmuur van [huisnummer A] is op de buitenmuur van [huisnummer B] omhoog getrokken. Gelet op de aanwezige ramen in de muur (foto’s 2, 3 en 4), de spiegelbeeldige bouw van de achtergevel van [huisnummer B] , en het feit dat de buitenmuur van [huisnummer A] gebouwd is op de muur van [huisnummer B] moet [huisnummer B] er eerst hebben gestaan, omdat anders [huisnummer A] niet op deze manier gebouwd had kunnen worden. Kort gezegd: [huisnummer A] stort in als de muur van [huisnummer B] wordt weggehaald.”
2. Indien de gebouwen niet even hoog zijn wordt de scheidsmuur slechts voorondersteld gemeen te zijn tot de hoogte van het minst verhevene gebouw.”

Het tussenarrest van 8 augustus 2023 en het vervolg van de procedure in hoger beroep

6.1.1. Bij het tussenarrest van 8 augustus 2023 heeft het hof:

6.1.2. De partijen hebben vervolgens kenbaar gemaakt geen mondelinge behandeling na aanbrengen te wensen. Tussen de partijen zijn daarna een memorie van grieven, een memorie van antwoord, een akte en een antwoordakte gewisseld. Het hof kan nu overgaan tot een beoordeling van de hoofdzaak.

De vaststaande feiten en de kern van het geschil

6.2.1. Het gaat in deze zaak naar de kern genomen om de vraag over het verhoogde deel van de gevelmuur tussen twee woningen, welk verhoogde deel ontstaan is toen de hogere woning van de rechtsvoorganger van [appellant] tegen de lagere woning van de rechtsvoorganger van [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] is aangebouwd, mandelig is.

6.2.2. In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten

“Er wordt overigens niet ingezien waarom de uitvoering van het voorliggende plan appellant zou beperken in de mogelijkheden om zijn woning uit te breiden of te verduurzamen. Dit is verder ook niet toegelicht of aannemelijk gemaakt.

In dat kader kan nog worden verwezen naar de ter zitting door vergunninghouder overgelegde rapportage van [XX] Konstruktie- en Adviesburo V.O.F. van 5 oktober 2020 waarin onderbouwd aannemelijk is gemaakt dat de veiligheid van de gezamenlijke muur tussen beide panden aan [adres B] en [huisnummer A] niet in het geding is en dat de bouwkundige werkzaamheden aan het pand aan [adres B] gunstige effecten zullen hebben voor de belending aan [adres A] in termen van isolatie, akoestiek, waterkering en waterdoorslag.”

2 Gat trappenhuis naar de verdieping

Stelling verzekeringsexpert [bedrijf A] :

“In het trappenhuis naar de verdieping is een gat aanwezig, dat volgens client ontstaan is doordat men een oude goot/hwa gesloopt heeft en naar binnen heeft gestoten.”

Toelichting [YY] Bouwadvies (naar aanleiding van inspectie):

(…)

Tijdens onze inspectie stelden wij vast dat er een gat in de buitengevel t.p.v. het trappenhuis is.

(…)

Verder staat op blz. 28 van het rapport onder meer het volgende

Kostenraming herstel vastgestelde schades:

(…)

- m. In het proces-verbaal dat de rechter heeft opgemaakt van de plaatsopneming en bezichtiging van 27 juni 2022 staat op blz. 4 onder meer het volgende:

Het geding bij de rechtbank

6.3.1. [appellant] heeft [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] gedagvaard voor de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht. Bij die dagvaarding vorderde [appellant] in conventie, samengevat:

met veroordeling van [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] in de kosten van deze procedure, inclusief nakosten en vermeerderd met wettelijke rente.

6.3.2. Aan deze vorderingen heeft [appellant] primair, samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. De gevel waar [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] de stalen balken in hebben gelegd, is alleen gemeenschappelijk tot de hoogte waarop de woningen tegen elkaar aanstaan, maar dat is niet het geval daar waar [geïntimeerde sub 1] de stalen balken heeft bevestigd. Ingevolge het oud BW wordt verondersteld dat indien gebouwen niet even hoog zijn, de scheidsmuur slechts gemeen is tot de hoogte van het laagste gebouw. [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] hebben dus onrechtmatig jegens [appellant] gehandeld, door:

[appellant] heeft voor die handelingen geen toestemming gegeven en [appellant] heeft schade geleden door de handelingen. Subsidiair, voor het geval ook het bovenste deel van de scheidsmuur wel mandelig is, stelt [appellant] dat [geïntimeerde sub 1] niet aan artikel 5:67 BW heeft voldaan.

6.3.3. [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] hebben een exceptie van onbevoegdheid opgeworpen en geconcludeerd dat de kantonrechter de zaak moet doorverwijzen naar de kamer voor andere zaken dan kantonzaken van de rechtbank Limburg, locatie Maastricht. [appellant] heeft geantwoord in dit bevoegdheidsincident. De kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht heeft vervolgens bij vonnis in het incident van 27 oktober 2021 (zaaknummer 9310568 en rolnummer CV EXPL 21-3223), samengevat:

6.3.4. [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] hebben vervolgens in het geding bij de rechtbank in conventie verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

6.3.5. [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] hebben voorts een eis in reconventie ingesteld. Die eis is door de rechtbank afgewezen en [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] zijn daar in hoger beroep niet tegen opgekomen. De eis in reconventie hoeft daarom in dit hoger beroep niet besproken te worden.

6.3.6. Bij tussenvonnis van 5 januari 2022 heeft de rechtbank vervolgens een plaatsopneming en bezichtiging bevolen, te combineren met een mondelinge behandeling. Ook heeft de rechtbank bij dit tussenvonnis [appellant] in de gelegenheid gesteld een conclusie van antwoord in reconventie te nemen.

6.3.7. [appellant] heeft vervolgens een conclusie van antwoord in reconventie genomen. Daarna heeft de rechtbank de plaatsopneming en bezichtiging, gecombineerd met de mondelinge behandeling gehouden. Hiervan is een proces-verbaal opgemaakt dat zich bij de gedingstukken bevindt.

6.3.8. In het beroepen eindvonnis heeft de rechtbank in conventie, samengevat, als volgt geoordeeld.

Op grond van deze oordelen heeft de rechtbank in conventie:

In reconventie heeft de rechtbank de vorderingen van [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] afgewezen en hen, uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten van het geding in reconventie veroordeeld.

De beoordeling van de hoofdzaak in hoger beroep

6.4.1. [appellant] heeft zes grieven aangevoerd tegen het in conventie gewezen eindvonnis. Op basis van die grieven heeft [appellant] geconcludeerd tot vernietiging van dat vonnis en tot het alsnog geheel toewijzen van zijn vorderingen, met veroordeling van [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] in de proceskosten van beide instanties.

6.4.2. [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] hebben de grieven bestreden en geconcludeerd tot – kort gezegd – bekrachtiging van het beroepen vonnis in conventie met veroordeling van [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep.

Over de grieven I en II: is het verhoogde deel van de gevelmuur mandelig?

6.5.1. Het hof zal de grieven I en II gezamenlijk behandelen. Deze grieven zijn gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de gevelmuur die tussen beide woningen staat, in zijn geheel mandelig is, dus ook het verhoogde deel van die muur dat is aangebracht toen, terwijl woning [huisnummer B] al was gebouwd, woning [huisnummer A] omstreeks 1926 werd gerealiseerd.

6.5.2. Tussen partijen staat in hoger beroep vast dat de woning van [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] ( [huisnummer B] ) is gebouwd omstreeks 1920/1921 en de woning van [appellant] ( [huisnummer A] ) omstreeks 1926 tegen de woning met [huisnummer B] is aangebouwd. De gevelmuur van woning [huisnummer B] is ten behoeve van de bouw van (de hogere) woning [huisnummer A] in 1926 verhoogd.

6.5.3. Tussen partijen staat verder vast dat bij de beoordeling of en in hoeverre de muur mandelig is, toepassing gegeven moet worden aan artikel 681 (oud) BW. De twee leden van dit artikel luiden als volgt:

“1. Alle muren dienende tot afscheiding tusschen gebouwen landerijen hoven en tuinen worden gerekend gemeene muren te zijn ten ware er een titel of teeken het tegendeel aanduidende mogt bestaan.

Tussen partijen staat in hoger beroep vast dat de gevelmuur op grond van lid 1 in elk geval ten dele (tot de hoogte van het minst verheven gebouw) mandelig is geworden.

6.5.4. Het komt bij de beoordeling van de grieven I en II met name aan op de vraag of [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] erin zijn geslaagd tegenbewijs te leveren tegen het in lid 2 van artikel 681 oud BW neergelegde bewijsvermoeden, dat het verhoogde deel van de gevelmuur toekomt aan de eigenaar van de hogere woning (in dit geval: de woning met [huisnummer A] ). Voor tegenbewijs is niet voldoende dat de wederpartij het vermoeden ontzenuwt, in die zin dat voldoende is dat twijfel wordt gezaaid. De wederpartij kan het vermoeden weerleggen door bewijs van het tegendeel te leveren. Zij zal het dus – met andere woorden – moeten bewijzen (aantonen, aldus de toelichting Meijers, Parl. Gesch. BW Boek 5, p. 172).

6.5.5. Het hof deelt het oordeel van de rechtbank dat [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] er in zijn geslaagd om dat tegenbewijs te leveren. Zij hebben gewezen op de leveringsakte van 12 november 1965. Bij die akte heeft de toenmalige eigenaar van woning [huisnummer B] en woning [huisnummer A] , één van die woningen, te weten woning [huisnummer A] , geleverd aan een rechtsvoorganger van [appellant] . In die leveringsakte zijn deze partijen het volgende overeengekomen:

“De gevel tussen het verkochte en het naastgelegen aan verkoper verblijvende pand, [adres B] , staat op de hart der scheidingslijn en zal een gemeenschappelijke gevel zijn.”

Het gaat hier een om een beding in een notariële leveringsakte dat mede van invloed kan zijn op de rechtspositie van derden, te weten de rechtsopvolgers van de bij de levering betrokken partijen. Bij de uitleg van het beding komt het daarom aan op de in de notariële akte tot uitdrukking gebrachte partijbedoeling, die moet worden afgeleid uit de in deze akte gebezigde bewoordingen, uit te leggen naar objectieve maatstaven in het licht van de gehele inhoud van de akte. Naar het oordeel van het hof volgt uit de hier toe te passen uitlegmaatstaf dat volgens de akte van 12 november 1965 de gehele muur, dus ook het al ongeveer 40 jaar eerder aangebrachte verhoogde deel daarvan, mandelig zal zijn. Het hof acht daarbij het volgende van belang:

6.5.6. Het in artikel 681 lid 2 (oud) BW neergelegde bewijsvermoeden moet in dit geval dus wijken voor de in 1965 tussen de betrokken partijen uitdrukkelijk bij rechtshandeling getroffen regeling, inhoudende dat de hele gevel mandelig is.

6.5.7. [appellant] heeft verder geen feiten en omstandigheden aangevoerd die van dien aard zijn dat zij meebrengen dat het bovenste deel van de gevel toch uitsluitend aan hem zou toebehoren en niet mandelig zou zijn. Het hof verwerpt daarom de grieven I en II.

Over de grieven III en IV: hebben [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] onrechtmatig gehandeld en moeten zij de door hen in het verhoogde deel van de gevelmuur aangebrachte zaken verwijderen?

6.6.1. [appellant] heeft in het geding bij de rechtbank subsidiair gesteld dat, voor het geval ook het bovenste deel van de scheidsmuur wel mandelig is, [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] bij de uitvoering van hun verbouwingswerkzaamheden niet aan artikel 5:67 BW hebben voldaan.

De rechtbank heeft die stelling verworpen in de overwegingen 4.9 tot en met 4.11 van het beroepen vonnis. Tegen die overwegingen heeft [appellant] geen grieven gericht.

6.6.2. De rechtbank heeft vervolgens in rov. 4.12 van het vonnis geconcludeerd:

6.6.3. De grieven III en IV zijn tegen deze rechtsoverweging gericht. In de toelichting op deze grieven heeft [appellant] echter uitsluitend aangevoerd dat het verhoogde deel van de gevelmuur zijn privémuur is en dat [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] om die reden hun constructie geheel los hadden moeten houden van die privémuur van [appellant] . Dat betoog van [appellant] kan geen doel treffen omdat het hof hiervoor bij de behandeling van de grieven I en II al heeft geoordeeld dat de hele gevelmuur, inclusief het omstreeks 1926 opgebouwde deel daarvan, mandelig is.

6.6.4. Omdat in de grieven III en IV verder geen andere argumenten worden aangevoerd, hebben zij geen zelfstandige betekenis naast de grieven I en II, en moeten ook de grieven III en IV worden verworpen.

Over grief V: de kosten van de door [appellant] ingeschakelde deskundige

6.7.1. In rov. 4.16 heeft de rechtbank geoordeeld dat de door [appellant] in conventie onder 4 gevorderde kosten van het rapport van [bedrijf A] niet toewijsbaar zijn.

6.7.2. Grief V is tegen dat oordeel gericht. In de toelichting op de grief voert [appellant] aan dat, als komt vast te staan dat het plaatsen van stalen balken in de zijgevel onrechtmatig is, de kosten van het rapport wel vergoed moeten worden.

6.7.3. Deze grief kan geen doel treffen omdat in dit hoger beroep niet is komen vast te staan dat [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] onrechtmatig hebben gehandeld door een verankering voor hun werkzaamheden te maken in het verhoogde deel van de gevel.

Over grief VI: de veroordeling van [appellant] als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het geding bij de rechtbank in conventie.

6.8.1. Door middel van grief VI betoogt [appellant] dat hij ten onrechte als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij is aangemerkt en ten onrechte in de proceskosten van het geding in conventie is veroordeeld.

6.8.2. In de toelichting op deze grief voert [appellant] uitsluitend aan dat het verhoogde deel van de scheidingsmuur zijn eigendom is en dat [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] daar dus niet zonder zijn toestemming op hadden mogen inbalken. Het hof heeft dat argument hiervoor bij de behandeling van de grieven I en II al verworpen. Het hof verwerpt daarom ook grief VI.

Conclusie en afwikkeling

6.9.1. Omdat het hof in het voorgaande alle grieven heeft verworpen, zal het hof het beroepen vonnis, voor zover in conventie gewezen, bekrachtigen.

6.9.2. Het hof zal [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep, met uitzondering van de kosten van het ontvankelijkheidsincident. [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] zullen in de kosten van dat incident worden veroordeeld, aangezien zij in dat incident in het ongelijk zijn gesteld.

6.9.3. De kosten voor het ontvankelijkheidsincident zal het hof aan de zijde van [appellant] vaststellen op € 607,-- voor salaris advocaat (0,5 punt maal tarief II). Het hof zal [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] hoofdelijke tot betaling van deze kosten veroordelen. Bij een veroordeling van twee of meer partijen tot betaling van de proceskosten, geldt immers als uitgangspunt dat zij ieder voor het geheel aansprakelijk zijn en dus hoofdelijk zijn verbonden tot nakoming van die veroordeling. Daartoe is niet vereist dat de in het gelijk gestelde partij heeft gevorderd of verzocht dat de veroordeling van de wederpartijen in de proceskosten hoofdelijk zal worden toegewezen.

6.9.4. De kosten voor de overige procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] zal het hof vaststellen op:

beslissing)

Totaal € 2.342,--

6.9.5. Het bovenstaande leidt tot de hieronder te geven uitspraak.

7. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, onder zaaknummer C/03/298096 / HA ZA 21-557 in conventie gewezen vonnis van 28 september 2022;

veroordeelt [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] hoofdelijk in proceskosten van het ontvankelijkheidsincident ten bedrage van € 607,--;

veroordeelt [appellant] in de overige proceskosten van het hoger beroep ten bedrage van € 2.342,--, te betalen binnen veertien dagen na heden; als [appellant] niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moet [appellant] € 92,-- extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening.

Dit arrest is gewezen door mrs. I.B.N. Keizer, J.B. Smits en T.J. Dorhout Mees en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 18 maart 2025.

griffier rolraadsheer

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?