ECLI:NL:GHSHE:2025:814

ECLI:NL:GHSHE:2025:814, Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 25-03-2025, 200.318.444_01

Instantie Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak 25-03-2025
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 200.318.444_01
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001827

Samenvatting

Vervolg van ECLI:NL:GHSHE:2024:1033. Verzet de (omvang van de) nalatenschap zich tegen de betaling van een legaat? Schending van de verplichting ex artt. 21 en 22 Rv.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.318.444/01

arrest van 25 maart 2025

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna: [appellante] ,

advocaat: mr. C.C.C.A.M. Kuijken te Valkenswaard,

tegen

1. [geïntimeerde 1] ,

in hoedanigheid van testamentair executeur in

de nalatenschap van [persoon A] (hierna: erflater),

wonende te [woonplaats] ,

2. [geïntimeerde 2],

in hoedanigheid van vereffenaar en enige erfgenaam in

de nalatenschap van erflater,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerden,

hierna: 1. [geïntimeerden] ,

advocaat: mr. A.C. de Bakker te Hendrik-Ido-Ambacht,

als vervolg op het tussenarrest van 26 maart 2024 in het hoger beroep van het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, van 13 juli 2022 (zaak C01/371558/ HA ZA 21-381).

5. Het verdere geding in hoger beroep

Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:

- het hiervoor genoemde tussenarrest, waarbij het hof heeft bevolen dat [geïntimeerde 2] zoveel als mogelijk:

- haar stellingen eenduidig en begrijpelijk toelicht en

- alle beschikbare en nog opvraagbare stukken overlegt

omtrent de in rov. 3.22 onder a. tot en met h. bedoelde onderwerpen en de zaak heeft

verwezen voor verdere memoriewisseling;

de memorie na tussenarrest van [geïntimeerden] met producties 7 tot en met 37;

de memorie van antwoord na tussenarrest van [appellante] .

Na gevraagd arrest heeft het hof een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op de stukken van het hoger beroep en van de eerste aanleg.

Voor zover in het tussenarrest bij vergissing is vermeld dat de (overeenkomst inzake het) Montfleuri-fonds per 8 december 2019 is gewaardeerd op € 450.476,31, herstelt het hof hierbij die kennelijke fout naar € 480.476,31. [geïntimeerden] hebben dat blijkens hun memorie na tussenarrest ook herkend en zijn hierdoor niet in enig belang geschaad.

6. De verdere beoordeling

Summiere samenvatting van het voorafgaande

Het hof volhardt bij de al in het tussenarrest gegeven beslissingen en roept kort in herinnering dat [appellante] bij het eindarrest niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het (met het beroepsexploot aanhangig gemaakte) hoger beroep tegen [geïntimeerde 1] . Omdat [geïntimeerde 1] na het eindigen van zijn executeurstaak nog slechts heeft gehandeld als gevolmachtigde van [geïntimeerde 2] , zal het hof alleen nog [geïntimeerde 2] als wederpartij van [appellante] aanhalen en spitst dit hoger beroep zich verder toe op de aan het hof voorliggende vorderingen I tot en met V van [appellante] tegen [geïntimeerde 2] als enig erfgenaam in en vereffenaar van de nalatenschap van erflater.

Vordering I tot vernietiging van het beroepen vonnis mist zelfstandige betekenis.

[appellante] baseert vordering II tot betaling van het legaatbedrag op artikel 4.1 Testament waarin erflater aan (ook) haar € 100.000,-- heeft gelegateerd. Met betrekking tot de vraag of de (omvang van de) nalatenschap van erflater per 8 december 2019 uitbetaling van het legaat toelaat, twisten partijen tevens over de hiervoor relevante (omvang van de) nalatenschap- [persoon C] per 21 oktober 2018 en van de nalatenschap-moeder per 26 oktober 2009. Omdat [geïntimeerde 2] onder verwijzing naar artikel 4.4 Testament inroept dat de (omvang van de) nalatenschap van erflater uitbetaling van dat legaat niet toelaat, rust op [geïntimeerde 2] de stelplicht en bewijslast van dit bevrijdende verweer. Omdat [geïntimeerde 2] zich hiertoe heeft beroepen op de op 7 augustus 2020 als definitief gepresenteerde boedelbeschrijving per 8 december 2019 waarvan het hof al heeft vastgesteld dat die niet correct is, heeft het hof [geïntimeerde 2] op de voet van artikel 22 lid 1 Rv bevolen dat zij zoveel als mogelijk:

haar stellingen eenduidig en begrijpelijk moet toelichten en voorzien van (een) deugdelijke specificatie(s) van de bestanddelen van de verschillende nalatenschappen,

alle beschikbare en nog opvraagbare stukken moet overleggen,

omtrent de bedoelde:

a. (overeenkomst inzake het) Montfleuri-fonds en de waardering daarvan op

€ 480.476,31 per 8 december 2019;

b. nalatenschap-moeder per 26 oktober 2009 althans de (destijds berekende) erfdelen daarin van erflater, [persoon C] en [geïntimeerde 2] , waaronder een hiervoor mogelijk opgestelde boedelbeschrijving;

c. door erflater na 26 oktober 2009 gedane af- of inlossingen op die erfdelen in nalatenschap-moeder en/of op eventuele rente daarover;

d. mogelijk door erflater met [persoon C] en/of [geïntimeerde 2] gemaakte (afwijkende) rente-afspraken inzake hun erfdelen in nalatenschap-moeder;

e. bankrekening [nummer] voor zover het de na 26 oktober 2009 gedane mutaties met betrekking [persoon C] en/of [geïntimeerde 2] betreft en het eventuele slot(rekening)afschrift daarvan;

f. (destijds berekende) nalatenschap- [persoon C] per 21 oktober 2018, waaronder de daarop betrekking hebbende Aangifte voor successierecht en de daarop gevolgde beslissing alsmede een hiervoor mogelijk opgestelde boedelbeschrijving;

g. de uiteindelijke aangiften IB van erflater over de jaren 2014 tot en met 2019 en de daarop gevolgde beslissingen;

h. een gecorrigeerde (juiste) boedelbeschrijving van de nalatenschap van erflater per 8 december 2019.

De verdere beoordeling in hoger beroep

Als meest verstrekkende verweer beroept [geïntimeerde 2] zich nu op het gezag van gewijsde van de door dit hof inmiddels op 11 april 2024 tussen enerzijds [appellante] en anderzijds [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 1] gegeven beschikking in zaak 200.328.921/01, in welke zaak [naam] als belanghebbende was betrokken.

Dit betreft een door [geïntimeerde 2] eerst bij memorie na tussenarrest opgeworpen nieuw verweer. Op grond van de artikelen 130 lid 1 jo. 353 lid 1 Rv en de tweeconclusieregel van artikel 347 lid 1 Rv mag [geïntimeerde 2] in hoger beroep alleen bij haar eerste memorie een dergelijk nieuw verweer voeren, maar hier is een uitzondering daarop gerechtvaardigd. De memorie van antwoord was immers al genomen vóórdat de beschikking van 11 april 2024 werd gegeven, zodat [geïntimeerde 2] dit verweer ook niet eerder heeft kunnen voeren en met dit nieuwe verweer aanpassing beoogt aan nieuwe ontwikkelingen. Bovendien weerspreekt [appellante] dit eerst na de memorie van antwoord opgeworpen verweer van [geïntimeerde 2] nadrukkelijk zonder bezwaar te maken tegen het tijdstip waarop dit verweer is opgeworpen, zodat [appellante] dit verweer ook als onderdeel van de rechtsstrijd heeft aanvaard. [appellante] wordt door dit nieuwe verweer ook niet in enig belang geschaad en dit komt ook overigens niet in strijd met de eisen van een goede procesorde.

Tussen partijen staat vast dat tegen de beschikking op 11 april 2024 geen cassatieberoep is ingesteld, maar [appellante] zegt dat die zaak niet dezelfde rechtsbetrekking en een ander onderwerp betrof.

Het hof overweegt dat het gezag van gewijsde als bedoeld in art. 236 lid 1 Rv kan worden ingeroepen als in een geding tussen dezelfde partijen eenzelfde geschilpunt wordt voorgelegd als in een eerder geding en de in het dictum van de eerdere uitspraak gegeven beslissing (mede) berust op een beslissing over dat geschilpunt. Of deze situatie zich hier voordoet is een kwestie van uitleg.

Met de beschikking van 11 april 2024 is bekrachtigd de rechtbankbeschikking tot afwijzing van het door [appellante] gedane verzoek om [geïntimeerde 2] als vereffenaar te vervangen door een professioneel vereffenaar. In die zaak ging het niet om de (in dit geding aan het hof nu voorliggende) vraag of de (omvang van de) nalatenschap van erflater per 8 december 2019 uitbetaling van het legaat toelaat. Reeds hierom bevat de beschikking van 11 april 2024 geen beslissingen met gezag van gewijsde over de in dit geding aan het hof voorliggende geschilpunten en de waardering van de daartoe in aanmerking te nemen nalatenschapsgoederen.

Met betrekking tot de partijen verdeeld houdende kwestie of [geïntimeerde 2] aan het bij tussenarrest van 26 maart 2024 gegeven bevel heeft voldaan, stelt het hof meer algemeen voorop dat artikel 21 Rv partijen verplicht om de voor een rechterlijke beslissing benodigde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Artikel 21 Rv geeft de rechter bij niet-naleving daarvan de bevoegdheid om daaruit de gevolgtrekking te maken die geraden wordt geacht. Binnen de grenzen van de rechtsstrijd is de rechter op de voet van artikel 22 lid 1 Rv bevoegd om partijen te bevelen bepaalde stellingen toe te lichten of bepaalde op de zaak betrekking hebbende gegevens over te leggen. Partijen hoeven daartoe niet alles mee te delen, maar zijn wel verplicht om de voor de rechterlijke beslissing relevante feiten volledig en naar waarheid aan te voeren.

Met betrekking tot de vraag of [geïntimeerde 2] naar behoren aan het bij tussenarrest gegeven bevel heeft voldaan, zal het hof hierna zo nodig onderscheiden de boedelbeschrijvingen zoals die bij brief van 25 maart 2020 als voorlopige beschrijving werd gepresenteerd (hierna: A), zoals die op 7 augustus 2020 als definitieve beschrijving werd gepresenteerd (hierna: B) en zoals die nu op 26 juni 2024 uiteindelijk als correct gecorrigeerde beschrijving is gepresenteerd (hierna: C).

- aandelen Montfleuri

Met betrekking tot de voor een bedrag van € 480.476,31 op (ook) boedelbeschrijving C opgevoerde aandelen Montfleuri gaat het blijkens de door [geïntimeerde 2] ingebrachte Fondsvoorwaarden om een op 14 december 2017 opgericht fonds voor algemene rekening, waartoe bij de oprichting zijn toegetreden [geïntimeerde 2] en de twee kinderen uit haar huwelijk met [geïntimeerde 1] : [persoon E] (hierna: [persoon E] ) en [persoon F] (hierna: [persoon F] ). [geïntimeerde 2] licht toe dat erflater op 22 december 2017 ook tot het fonds is toegetreden met een inleg van € 300.000,-- en dat erflater op 28 oktober 2019 en op 29 november 2019 nogmaals € 200.000,-- respectievelijk € 100.000,-- heeft ingelegd, waarvoor allemaal certificaten werden ontvangen. Volgens [geïntimeerde 2] heeft erflater haar op 18 april 2019 1.200 certificaten met een waarde van € 120.000,-- geschonken, waarna de waarde van de resterende 4.800 certificaten van erflater per 8 december 2019 op € 480.476,31 te stellen is. Ter ondersteuning hiervan legt [geïntimeerde 2] (een afschrift van) het participantenregister over voor zover dat (alleen) ziet op het bezit van de certificaten van de erflater en dat is ondertekend door haar en belastingadviseur [persoon G] (hierna: [persoon G] ).

Aldus volgt uit de stellingen en stukken van [geïntimeerde 2] dat erflater vanaf december 2017 in het fonds is gaan participeren tot uiteindelijk 6.000 certificaten met een waarde van € 600.000,--, dat hij in april 2019 1.200 certificaten ter waarde van € 120.000,-- aan [geïntimeerde 2] heeft geschonken en dat de resterende 4800 certificaten ter waarde van € 480.476,31 nog tot zijn op 8 december 2019 opengevallen nalatenschap behoren. Hiermee suggereert [geïntimeerde 2] dat de waarde per participatie/certificaat sinds de oprichting van het fonds vrijwel ongewijzigd is gebleven, namelijk zo’n € 100,--. [geïntimeerde 2] verduidelijkt evenwel geenszins hoe of op basis waarvan tot een dergelijke waarde per 8 december 2019 precies is gekomen. Het hof kan aan de hand van de door [geïntimeerde 2] ingebrachte Fondsvoorwaarden vaststellen dat ingevolge artikel 1 onder participatie wordt verstaan een deelname in het fondskapitaal met een nominale waarde van € 100,--, maar zonder een genoegzame toelichting verklaart dit geenszins de opgegeven of werkelijke waarde ervan per 8 december 2019. Hoewel in het tussenarrest (rov. 3.17) reeds is aangegeven dat dit verduidelijking behoeft en [geïntimeerde 2] dient aan te geven waarop de waardering berust, laat [geïntimeerde 2] dit nu volledig na, wordt niet duidelijk waarop die waardering berust en onderbouwt [geïntimeerde 2] zelfs niet dat en waarom de waarde per participatie/certificaat in de loop der jaren vrijwel gelijk zou zijn gebleven. Dit verbaast des te meer nu blijkens (artikel 14 lid 1 onder b. en c. en artikel 18 lid 2 van) de ingebrachte Fondsvoorwaarden over ieder boekjaar steeds de balans en de winst- en verliesrekening met een toelichting worden vastgesteld, tevens jaarlijks de koerswaarde van een participatie wordt vastgesteld en in die toelichting ook steeds de intrinsieke waarde(ontwikkeling) van het fonds wordt weergegeven. Dat [geïntimeerde 2] over dit alles geen enkele informatie verschaft, is te meer opmerkelijk omdat [geïntimeerde 2] als beheerder van het fonds en als enig bestuurder van Stichting Montfleuri zonder meer over die informatie moet (kunnen) beschikken.

Het hof concludeert dat [geïntimeerde 2] met betrekking tot de opgevoerde aandelen Montfleurie niet de voor de rechterlijke beslissing benodigde feiten volledig en naar waarheid heeft aangevoerd en niet heeft voldaan aan het op de voet van artikel 22 lid 1 Rv door het hof gegeven bevel tot het geven van de daartoe benodigde toelichting of verduidelijking.

- moederlijk erfdeel, nalatenschap-moeder en nalatenschap- [persoon C]

[geïntimeerde 2] stelt dat zowel van nalatenschap-moeder per 26 oktober 2009 als van nalatenschap- [persoon C] per 21 oktober 2018 geen boedelbeschrijvingen zijn opgesteld, maar heeft van die beide nalatenschappen de aangiftes erfbelasting ingebracht. [geïntimeerde 2] erkent inmiddels dat het op 26 oktober 2009 op de ouderlijke bankrekening [nummer] aanwezige banksaldo van € 747.983,71 buiten die beide aangiftes erfbelasting is gehouden, zodat die beide aangiftes nu dus in ieder geval gecorrigeerd dienen te worden vanwege moeders aandeel daarin van (€ 747.983,71 : 2 =) € 373.991,86.

Wat nalatenschap-moeder betreft, heeft de Belastingdienst destijds vastgesteld dat het saldo hiervan € 531.186,97 beliep, maar neemt [geïntimeerde 2] de destijds door [notaris] opgestelde aangifte erfbelasting verder tot uitgangspunt voor de omvang en samenstelling ervan. Hoewel in het tussenarrest (rov. 3.20) reeds is overwogen dat de door [notaris] berekende € 530.806,81 als netto actief van nalatenschap-moeder per 26 oktober 2009 moeilijk te rijmen is met andere ingeroepen berekeningen van diezelfde [notaris] en met sommige stellingnames van [geïntimeerde 2] , geeft [geïntimeerde 2] hierover nu geen nadere toelichting of verduidelijking. Ook in zoverre heeft [geïntimeerde 2] nu niet de voor de rechterlijke beslissing benodigde feiten volledig en naar waarheid aangevoerd en niet voldaan aan het op de voet van artikel 22 lid 1 Rv door het hof gegeven bevel tot het geven van een voldoende toelichting of verduidelijking.

Met betrekking tot nalatenschap-moeder volstaat [geïntimeerde 2] verder met slechts de opmerking dat die door [notaris] berekende € 530.806,81 vanwege het buiten die aangifte gehouden banksaldo van ouderlijke bankrekening [nummer] dient te worden verhoogd met € 373.991,86, waardoor als saldo van nalatenschap-moeder per 26 oktober 2009 dan uiteindelijk (€ 530.806,81 + € 373.991,86 =) € 904.798,67 dient te gelden (in zoverre ziet het hof de door [geïntimeerde 2] genoemde € 904.798,17 als een kennelijke vergissing). Waar volgens [geïntimeerde 2] de erfdelen van erflater, [persoon C] en [geïntimeerde 2] daarin dan voor ieder op 1/3 aandeel daarin (dus op € 301.599,56) dienen te worden gesteld en de voor zowel [persoon C] als [geïntimeerde 2] betaalde erfbelasting € 13.856,59 heeft bedragen, zouden [persoon C] en [geïntimeerde 2] uit hoofde van nalatenschap-moeder daardoor ieder dan een in beginsel niet-opeisbare vordering op erflater hebben verkregen van (€ 301.599,56 - € 13.856,59 =) € 287.742,97 per 26 oktober 2009. Hoewel in het tussenarrest (rov. 3.20) reeds is aangehaald dat [notaris] in zijn berekening met inachtneming van gedane schenkingen als voorschot op hun erfdelen voor [persoon C] en [geïntimeerde 2] niet tot gelijkluidende maar tot verschillende aanspraken uit hoofde van nalatenschap-moeder per 26 oktober 2009 kwam, laat [geïntimeerde 2] nu verder ook onverklaard hoe en waarom hun in beginsel niet-opeisbare vorderingen op erflater uit hoofde van nalatenschap-moeder dan toch per 26 oktober 2009 een gelijk bedrag zouden kunnen belopen. Ook hier heeft [geïntimeerde 2] nu niet de voor de rechterlijke beslissing benodigde feiten volledig en naar waarheid aangevoerd en niet voldaan aan het op de voet van artikel 22 lid 1 Rv door het hof gegeven bevel tot het geven van een voldoende toelichting of verduidelijking.

Voor het moederlijk erfdeel vermeldt boedelbeschrijving C nu per 8 december 2019 een schuld aan [geïntimeerde 2] ten bedrage van € 519.030,66 en een schuld aan de erven van [persoon C] ten bedrage van € 189.047,02. [geïntimeerde 2] licht toe dat erflater over beide erfdelen per 26 oktober 2009 op grond van moeders testament een samengestelde rente van 6% verschuldigd is geworden. [geïntimeerde 2] becijfert haar eigen aanspraak vermeerderd met rente op totaal € 519.030,66 per 8 december 2019, terwijl zij de (bij haar inmiddels aangewassen) aanspraak van [persoon C] met inachtneming van een op 4 september 2015 aan [persoon C] gedane aflossing van € 257.500,-- met rente becijfert op € 189.047,02 per 8 december 2019. Volgens [geïntimeerde 2] heeft erflater behoudens die ene -op 4 september 2015 gedane- aflossing geen verdere aflossingen op (een van) beide moederlijke erfdelen gedaan, zodat deze haar inmiddels toekomende vorderingen nu een totaalbedrag van (€ 519.030,66 + € 189.047,02 =) € 708.077,68 zou belopen. Hoewel in het tussenarrest (rov. 3.20) reeds is aangehaald dat in door [geïntimeerde 2] eerder ingeroepen berekeningen van [notaris] schenkingen als voorschot op erfdelen werden gekwalificeerd, informeert [geïntimeerde 2] het hof evenwel niet althans onvoldoende duidelijk over schenkingen die mogelijk als af- of inlossing op enige nalatenschapsuitkering zouden kunnen gelden. Dit klemt nog temeer in het licht van de navolgende overwegingen.

- bankrekeningen, overmakingen en schenkingen van erflater

Hoewel het hof van [geïntimeerde 2] nadrukkelijk duidelijkheid heeft verlangd over de na 26 oktober 2009 gedane mutaties met betrekking [persoon C] en/of [geïntimeerde 2] via bankrekening [nummer] , licht [geïntimeerde 2] hierover eigenlijk niets toe en meent zij kennelijk te kunnen volstaan met de enkele inbreng van vele bankafschriften van verschillende bankrekeningen en excelbestanden. Daaruit volgt evenwel dat erflater via overmakingen aan [geïntimeerde 2] sinds 2015 ten minste zo’n € 150.000,-- heeft geschonken en aan [persoon E] en [persoon F] tezamen sinds 2012 ten minste zo’n 270.000,-- heeft geschonken. Reeds vanwege de al jarenlang door [appellante] gevraagde informatie over ten laste van erflater gedane bijzondere overmakingen, het partijdebat over de ruime financiële middelen waarover erflater volgens [appellante] zou kunnen beschikken en de door [appellante] veronderstelde verschuiving van vermogen binnen familieverhoudingen, had het voor de hand gelegen dat [geïntimeerde 2] de vele door of namens erflater gedane schenkingen had besproken of ten minste had benoemd, maar [geïntimeerde 2] heeft de schenkingen volledig onbenoemd gelaten en geen enkele toelichting dienaangaande gegeven.

Hoewel in het tussenarrest (rov. 3.20.2) reeds is aangehaald dat in door [geïntimeerde 2] eerder ingeroepen berekeningen schenkingen als voorschot op erfdelen werden gekwalificeerd, informeert [geïntimeerde 2] nu ook het hof niet althans onvoldoende over deze opvallende overmakingen en verklaart zij niet, althans niet duidelijk, of en in hoeverre mogelijk sprake is van schenkingen die als voorschot op enige nalatenschapsuitkering zouden kunnen gelden, zelfs niet voor zover het mutaties ten gunste van zichzelf of vanaf de door het hof specifiek benoemde bankrekening [nummer] betreft. Ook in zoverre heeft [geïntimeerde 2] niet de voor de rechterlijke beslissing benodigde feiten volledig en naar waarheid aangevoerd en niet voldaan aan het op de voet van artikel 22 lid 1 Rv door het hof gegeven bevel tot het geven van de daartoe benodigde toelichting of verduidelijking.

Het voorgaande klemt temeer nu blijkens de ingebrachte belastingaangiftes alleen al de banksaldi van erflater in 2014, 2015, 2016 en 2017 steeds ten minste een kleine € 1.000.000,-- hebben belopen, terwijl die in 2018 en 2019 nog slechts de helft daarvan hebben belopen. Hierbij komt nog dat de boedelbeschrijvingen A, B en C steeds slechts de saldi van drie bankrekeningen vermelden, namelijk:

[nummer] voor € 6.526,62

[nummer] € 534,66

[nummer] € 20.000,--

totaal € 27.061,28.

Blijkens de ingebrachte belastingaangifte 2019 beschikte erflater begin 2019 evenwel ook nog over in ieder geval de bankrekeningen [nummer] en [nummer] en stond op zijn bankrekeningen tezamen toen nog totaal € 400.179.--. Ook over dit alles vermeldt [geïntimeerde 2] niets, laat staan dat zij hierover ook maar iets heeft toegelicht.

Wat van die banksaldi verder ook zij, het hof komt reeds op grond van al het voorgaande tot de conclusie dat [geïntimeerde 2] niet heeft voldaan aan het op de voet van artikel 22 lid 1 Rv door het hof gegeven bevel tot het geven van de benodigde toelichtingen of verduidelijkingen en dat [geïntimeerde 2] voor de rechterlijke beslissing benodigde feiten heeft achtergehouden. Voor zover [geïntimeerde 2] meent voldoende aannemelijk te hebben gemaakt dat de nalatenschap van erflater in ieder geval negatief is, maakt dat deze conclusie niet anders en laat dat de niet-naleving van de verplichting om de voor de rechterlijke beslissing benodigde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren onverlet. Vanwege de aard en de ernst van de door [geïntimeerde 2] geschonden verplichting zal het hof aan de stellingen en het bewijsaanbod van [geïntimeerde 2] voorbijgaan en vordering II tot betaling van het legaatbedrag aan [appellante] toewijzen.

Artikel 4 lid 2 Testament bepaalt dat over het gelegateerde bedrag geen rente verschuldigd is, maar volgens artikel 4 lid 3 Testament zijn de legaten zes maanden na overlijden opeisbaar. Bij gebreke van een voldoende gebleken eerdere verzuimdatum oordeelt het hof de wettelijke rente over het gelegateerde bedrag echter eerst toewijsbaar vanaf 31 mei 2021 (datum inleidende dagvaarding).

Vordering III tot het verschaffen van inlichtingen en stukken

Nu het hof vordering II zal toewijzen, heeft [appellante] volgens eigen verklaring reeds geen belang meer bij een beoordeling van vordering III tot het verschaffen van inlichtingen en stukken. Het hof zal vordering III daarom afwijzen en laat deze verder onbesproken.

De slotsom

Alles bij elkaar concludeert het hof als volgt.

[appellante] zal niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep tegen [geïntimeerde 1] .

Het beroepen vonnis dient te worden vernietigd voor zover daarbij de vorderingen van [appellante] tegen [geïntimeerde 2] zijn afgewezen en [appellante] is veroordeeld in de proces- en nakosten.

Het hof zal vordering II tot betaling van het legaatbedrag aan [appellante] toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 mei 2021.

Vordering III tot het verschaffen van inlichtingen en stukken zal worden afgewezen.

Het hof oordeelt vordering IV tot terugbetaling van wat [appellante] ter uitvoering van het beroepen vonnis heeft betaald toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de datum van betaling.

Waar [geïntimeerde 1] steeds aan de zijde van zijn echtgenote [geïntimeerde 2] met dezelfde advocaat heeft geprocedeerd, [geïntimeerde 1] na het eindigen van zijn executeurstaak als gevolmachtigde van [geïntimeerde 2] is blijven handelen en [geïntimeerde 1] feitelijk verantwoordelijk en steeds betrokken is geweest bij alle boedelbeschrijvingen A, B en C, ziet het hof aanleiding om in dit geval de proceskosten tussen [appellante] en [geïntimeerde 1] te compenseren, zodat zij in zoverre ieder de eigen proceskosten zullen dragen. Het hof zal de overwegend ongelijk krijgende [geïntimeerde 2] voor het overige veroordelen in de proceskosten van [appellante] , aldus voor de helft daarvan. Waar de proceskostenveroordeling ook voor de nakosten een executoriale titel oplevert, stelt het hof die kosten aan de zijde van [appellante] op:

- voor de eerste aanleg:

dagvaardingskosten € 106,01

griffierecht € 952,--

salaris gemachtigde € 3.540,--

totaal € 4.492,--;

- voor het hoger beroep:

dagvaardingskosten € 129,82

griffierecht € 783,--

salaris gemachtigde € 7.144,-- (2 punten x tarief V HB)

totaal € 8.056,82;

waarvan de helft dus beloopt (€ 4.492,-- + € 8.056,82 = € 12.548,82 : 2) = € 6.274,41, te vermeerderen met eventuele nakosten van € 178,-- (plus verhoging conform beslissing) en wettelijke rente.

Wat [geïntimeerde 2] verder nog aanvoert, bevat geen concrete feiten die het hof anders kunnen doen beslissen. Het hof zal ook de verlangde uitvoerbaarverklaring bij voorraad toewijzen en beslist nu als volgt.

7. De uitspraak

Het hof:

verklaart [appellante] niet-ontvankelijk in het hoger beroep tegen [geïntimeerde 1] ;

vernietigt het beroepen vonnis van 13 juli 2022 voor zover daarbij de vorderingen van [appellante] tegenover [geïntimeerde 2] zijn afgewezen en [appellante] is veroordeeld in de proces- en nakosten en doet in zoverre opnieuw recht:

veroordeelt [geïntimeerde 2] als vereffenaar van en enig erfgenaam in de nalatenschap van [persoon A] om aan [appellante] te betalen het legaatbedrag van € 100.000,--, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 31 mei 2021 tot de dag van betaling;

bepaalt dat de proceskosten tussen [appellante] en [geïntimeerde 1] worden gecompenseerd, zodat zij in zoverre ieder de eigen proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep dragen;

veroordeelt [geïntimeerde 2] in de proceskosten aan de zijde van [appellante] van de eerste aanleg en het hoger beroep ten bedrage van totaal € 6.274,41, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe en als [geïntimeerde 2] deze proceskosten niet tijdig voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moet [geïntimeerde 2] € 92,-- extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening;

veroordeelt [geïntimeerde 2] tot betaling van de wettelijke rente over de hiervoor genoemde proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;

veroordeelt [geïntimeerden] tot terugbetaling van al hetgeen [appellante] ter uitvoering van het beroepen vonnis aan hen heeft betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling tot de dag van terugbetaling;

verklaart de betalings- en kostenveroordelingen in dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het in hoger beroep meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.G.W.M. Stienissen, C.M.J. Peters en J. van der Steenhoven en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 25 maart 2025.

griffier rolraadsheer

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl JERF Actueel 2025/276 VEAN-ERF-Updates.nl 2025-0381
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand