ECLI:NL:GHSHE:2025:969

ECLI:NL:GHSHE:2025:969, Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 08-04-2025, 200.297.676.01

Instantie Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak 08-04-2025
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 200.297.676.01
Rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 1 zaken

Verwijst naar

Aangehaald door

Samenvatting

Arrest na deskundigenbericht. Onvoldoende is komen vast te staan dat de arbeidsongeschiktheid van verzekeringnemer voortvloeit uit een aandoening die al bestond ten tijde van het ingaan van de verzekering op 28 december 2002. Op basis van het deskundigenbericht kan met onvoldoende zekerheid worden vastgesteld dat de aandoening retinitis pigmentosa (een ernstige oogziekte) zich voor het sluiten van de verzekering al had geopenbaard, in die zin dat de klachten voortvloeiend uit de aandoening retinitis pigmentosa bij verzekeringnemer zich al hadden voorgedaan.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.297.676/01

arrest van 8 april 2025

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant],

advocaat: mr. A. Koert te Rotterdam,

tegen

BNP Paribas Cardif Schadeverzekeringen N.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als Cardif,

advocaat: mr. V. Kortenbach te 's-Gravenhage.

als vervolg op de door het hof gewezen tussenarresten van 14 september 2021, 23 mei 2023, 28 november 2023 en 23 juli 2024 in het hoger beroep van het door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, onder zaaknummer C/02/377058 / HA ZA 20-564 gewezen vonnis van 16 juni 2021.

11. Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

Aan partijen is medegedeeld dat twee van de drie oorspronkelijk leden van de behandelend kamer niet meer werkzaam zijn als raadsheer bij het hof. Partijen hebben vervolgens aan het hof bericht dat zij geen prijs stellen op een nieuwe mondelinge behandeling en dat zij arrest vragen. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

12. De verdere beoordeling

Het hof heeft allereerst in het tussenarrest van 23 mei 2023 overwogen dat [appellant] zijn mededelingsplicht bij het aangaan van de verzekering in 2002 niet heeft geschonden en dat in zoverre grief 2 slaagt. Vervolgens heeft het hof naar aanleiding van grief 1, die is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de aandoening retinitis pigmentosa zich in 2000 heeft geopenbaard, geoordeeld dat onvoldoende informatie beschikbaar is om tot een oordeel te komen met betrekking tot de vraag of er sprake is van het zich al in 2000 openbaren van de ziekte retinitis pigmentosa als bedoeld in art. 1 lid g van de verzekeringsvoorwaarden. Het hof heeft overwogen dat het voornemens is een deskundige te benoemen en heeft vragen geformuleerd.

Partijen hebben zich vervolgens uitgelaten over de vragen en de te benoemen deskundige. In het tussenarrest van 28 november 2023 is [de oogarts] in het LUMC Leiden en het Antonius Ziekenhuis Sneek, tevens eigenaar ‘IOP Oogheelkundig Expertisebureau’, en lid NVMSR en MA-geregistreerd, benoemd als deskundige. De volgende vragen zijn de deskundige voorgelegd:

Vloeien de in juli 2000 bij [appellant] geconstateerde bevindingen (‘mouches volantes’, kokerzien en nachtblindheid) voort uit de ziekte retinitis pigmentosa?

Kunnen genoemde bevindingen ook voortvloeien uit een andere (ziekte)oorzaak, die geheel losstaat van de ziekte retinitis pigmentosa?

Indien de in juli 2000 bij [appellant] geconstateerde bevindingen voortvloeien uit de ziekte retinitis pigmentosa, wat maakte dat de diagnose retinitis pigmentosa toen nog niet gesteld kon worden?

Heeft u naar aanleiding van uw bevindingen verder nog opmerkingen die relevant kunnen zijn voor het verdere verloop van deze zaak?

De deskundige heeft op 16 oktober 2024 een deskundigenbericht uitgebracht. Hij heeft de gestelde vragen als volgt beantwoord:

“a) Vloeien de in juli 2000 bij [appellant] geconstateerde bevindingen (‘mouches volantes’, kokerzien en nachtblindheid) voort uit de ziekte retinitis pigmentosa?

Hier worden 3 verschillende symptomen genoemd die ik eerst afzonderlijk zal bespreken voordat ik de feitelijke vraag beantwoord:

Mouches volantes zien is het waarnemen van vlekken, vliegjes of andere vormen welke in feite schaduwen zijn veroorzaakt door structuren in het vulsel van het oog, het glasachtig lichaam. Het glasachtig lichaam bestaat voor 98% uit water, maar bevat desondanks allerlei structuren welke in de loop der tijd dichter kunnen worden en dan aanleiding geven tot het waarnemen van de mouches volantes. Naast verouderingsprocessen kunnen ook aanlegvarianten (o.a. bijziendheid) en allerlei ziektebeelden met onder andere bloedingen (zoals trauma, diabetes, netvliesloslating) en ontstekingen aanleiding geven tot het waarnemen van structuren en vlekken. Ook bij retinitis pigmentosa kunnen glasvochtverdichtingen voorkomen door degeneratieve veranderingen. Het voorkomen van mouches volantes is zo algemeen, 76% van de mensen geeft in de loop van hun leven aan mouches volantes waar te nemen, dat je dit symptoom/deze klacht niet zonder meer aan retinitis pigmentosa kunt toeschrijven.

Kokerzien is een beperking in het perifere gezichtsveld waarbij het centrum nog aanwezig is. Men spreekt ook wel van door een sleutelgat kijken. Wanneer je van kokerzien spreekt en dus hoeveel van de periferie afwezig is, is niet strak gedefinieerd. Beperkingen in het gezichtsveld kunnen onder andere ontstaan door glaucoom, functioneel (geen goede organische verklaring), hersenbloedingen, suikerziekte, migraine en ook retinitis pigmentosa. Het oogheelkundig dossier van betrokkene bevat niet het toentertijd gemaakte gezichtsveld dus de mate van perifeer gezichtsveldverlies kan ik niet vaststellen. Het gezichtsveld volgens Donders noemde de oogarts toen beperkt. Aan de andere kant kon betrokkene toen nog wel autorijden dus van een ernstige gezichtsveld beperking zal waarschijnlijk geen sprake zijn geweest. De oogarts had betrokkene in dat geval dan ook moeten wijzen op het feit dat hij niet aan de eisen voor het rijbewijs (120 graden gezichtsveld horizontaal en 40 graden verticaal) voldeed.

Nachtblindheid is het onvermogen van het oog om zich aan te passen aan verminderde lichtomstandigheden met als gevolg dat de patiënt aangeeft in het donker of in schemer niet meer te kunnen zien. Er bestaat geen standaard classificatie. Veel mensen geven aan minder in het donker te kunnen zien (bijvoorbeeld ook vaak mensen die bijziend zijn) zonder dat je het echt nachtblindheid noemt. Ieder oog heeft een zekere donkeradaptatie nodig en dat verloopt bij de een makkelijker dan bij de ander. Echte nachtblindheid zoals bij retinitis pigmentosa, waarbij de meest lichtgevoelige zintuigcellen, de staafjes niet meer functioneren, betekent dat je ’s avonds praktisch niets meer ziet en tegen zaken aanloopt.

Antwoord: Zoals uit de voorgaande bespreking van de symptomen blijkt kunnen de symptomen bij zeer verschillende afwijkingen passen maar dus ook bij retinitis pigmentosa waarbij ik vooral bij mouches volantes erop wil wijzen dat dit zo wijd verspreid is dat je dit niet echt als een kenmerk van retinitis pigmentosa kunt beschouwen. Tegelijkertijd kun je wel stellen dat het verminderde perifere gezichtsveld en de verminderde donkeradaptatie als symptomen van de retinitis pigmentosa kunnen worden beschouwd.

b) Kunnen genoemde bevindingen ook het gevolg zijn van een andere (ziekte)oorzaak, die geheel losstaat van de ziekte retinitis pigmentosa?

Antwoord: zie in de eerste plaats mijn opsomming bij de symptomen besproken bij vraag a. De zogenaamde differentiaal diagnose van retinitis pigmentosa is uitgebreid zoals infecties (bijvoorbeeld bij aangeboren rode hond), medicijnen, na laserbehandeling, stofwisselingsziekten, voedingsdeficiënties (bijvoorbeeld vitamine A) en andere erfelijke oogziekten.

c) Indien de in juli 2000 bij [appellant] geconstateerde bevindingen voortvloeien uit de ziekte retinitis pigmentosa, wat maakte dat de diagnose retinitis pigmentosa toen nog niet gesteld kon worden?

Antwoord: Indien een oogarts ook maar enigszins twijfelt zal hij of zij niet snel deze diagnose aan patiënt melden aangezien het verregaande consequenties heeft en er geen therapeutische mogelijkheden zijn. Logisch in dit verband is dan ook dat de betrokken oogarts in zijn dossier controle een jaar zegt (om daarmee eventuele progressie te kunnen vaststellen). Er staat echter ook iets over patiënt belt en dan waarschijnlijk meteen andere onderzoeken afspreken. In dit opzicht zijn de aantekeningen, zover leesbaar, minimaal.

d) Heeft u naar aanleiding van uw bevindingen verder nog opmerkingen die relevant kunnen zijn voor het verdere verloop van deze zaak?

Antwoord: De oogarts heeft een uitgebreider onderzoek gedaan dan waarschijnlijk een gemiddelde oogarts bij een patiënt met vergelijkbare klachten zou hebben gedaan. Tevens beschrijft hij bij zijn onderzoek klinische kenmerken van retinitis pigmentosa, desondanks moeten de ogenschijnlijk verdachte resultaten van het onderzoek zodanig zijn geweest dat hij de diagnose retinitis pigmentosa niet met zekerheid durfde te stellen en met betrokkene te delen.”.

Het hof overweegt ter verdere bespreking van grief 1 van [appellant] het volgende. [appellant] heeft op grond van de polisvoorwaarden recht op uitkering indien sprake is van ziekte in de zin van artikel 1 sub g, weergegeven in het tussenarrest van 23 mei 2023. Niet in geschil is dat [appellant] ten tijde van zijn melding op 2 juni 2016 aan de ziekte retinitis pigmentosa leed. Cardif stelt zich echter op het standpunt dat de ziekte retinitis pigmentosa zich al in het jaar 2000, voor aanvang van de verzekering op 28 december 2002, heeft geopenbaard. Daarom is geen sprake van ziekte in de zin van artikel 1 sub g van de polisvoorwaarden en bestaat geen recht op uitkering, aldus Cardif. Beantwoording van de vraag of de ziekte retinitis pigmentosa zich al in het jaar 2000 heeft geopenbaard, vergt uitleg van artikel 1 sub g van de polisvoorwaarden. Zoals het hof in het tussenarrest van 23 mei 2023 heeft overwogen zijn partijen het erover eens dat deze uitleg dient te geschieden op de wijze zoals in een eerder arrest van dit hof is overwogen (rov. 6.11). Het hof herhaalt de relevante overwegingen uit dat arrest:

“Gelet op de geldende verzekeringsvoorwaarden betekent dit dat moet komen vast te staan dat zijn arbeidsongeschiktheid voortvloeit uit een aandoening die zich tijdens de looptijd van de verzekering voor het eerst heeft geopenbaard. Indien de aandoening al bestond ten tijde van het sluiten van de verzekering is er dus geen recht op uitkering. Daarbij doet, anders dan [X] stelt, niet ter zake wanneer de diagnose is gesteld. Bepalend is wanneer de klachten voortvloeiend uit de aandoening zich voor het eerst hebben voorgedaan.”

(Gerechtshof ’s Hertogenbosch 7 december 2010, ECLI:NL:GHSHE:2010:BO6685). Dit brengt mee dat het hof in deze zaak naar aanleiding van het standpunt van Cardif dient te beoordelen of de arbeidsongeschiktheid van [appellant] voortvloeit uit een aandoening die zich al in het jaar 2000 heeft geopenbaard en dat dit het geval is indien de klachten voortvloeiend uit de ziekte retinitis pigmentosa zich toen al hebben voorgedaan.

Het hof stelt het volgende voorop. De rechter heeft een beperkte motiveringsplicht bij zijn beslissing de zienswijze van de deskundige al dan niet te volgen. Wel moet de rechter bij de beantwoording van de vraag of hij de conclusies waartoe een deskundige in zijn rapport is gekomen zal volgen, alle ter zake door partijen aangevoerde feiten en omstandigheden in aanmerking nemen en op basis van die aangevoerde stellingen in volle omvang toetsen of aanleiding bestaat van de in het rapport geformuleerde conclusies af te wijken. Volgt de rechter de zienswijze van de door hem benoemde deskundige(n) niet, dan gelden in beginsel de gewone motiveringseisen en dient hij zijn oordeel van een zodanige motivering te voorzien, dat deze voldoende inzicht geeft in de daaraan ten grondslag liggende gedachtegang om deze zowel voor partijen als voor derden, daaronder begrepen de hogere rechter, controleerbaar en aanvaardbaar te maken (HR 9 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT2921).

Het hof komt tot het oordeel dat onvoldoende is komen vast te staan dat de arbeidsongeschiktheid van [appellant] voortvloeit uit een aandoening die al bestond ten tijde van het ingaan van de verzekering op 28 december 2002. Op basis van het deskundigenbericht kan met onvoldoende zekerheid worden vastgesteld dat de aandoening retinitis pigmentosa zich voor het ingaan van de verzekering al had geopenbaard, in die zin dat de klachten voortvloeiend uit de aandoening retinitis pigmentosa bij [appellant] zich voordien, in het jaar 2000, al hadden voorgedaan. Het volgende is daartoe redengevend.

In het tussenarrest van 23 mei 2023 is al overwogen dat tussen partijen niet in geschil is dat de aandoening ‘mouches volantes’ doorgaans, in het algemeen, onschuldig is (rov. 6.6). De deskundige heeft ten aanzien van de mouches volantes opgemerkt dat het voorkomen van mouches volantes zo algemeen is en zo wijd verspreid is dat dit niet als een kenmerk van retinitis pigmentosa kan worden beschouwd. Zowel [appellant] als Cardif onderschrijven deze conclusie van de deskundige. Ook het hof is van oordeel dat de mouches volantes, met welke klacht [appellant] zich in 2000 tot de oogarts heeft gewend, niet als een klacht voortvloeiend uit de aandoening retinitis pigmentosa kan worden beschouwd.

De deskundige heeft ten aanzien van kokerzien opgemerkt dat de definitie ten aanzien van deze beperking niet strak is. Met andere woorden, niet strak is gedefinieerd wanneer je wel of niet van kokerzien spreekt en dus hoeveel van de periferie afwezig is. De mate van perifeer gezichtsveldverlies in het jaar 2000 kan de deskundige niet vaststellen. Weliswaar was het gezichtsveld van [appellant] beperkt, maar van een ernstige gezichtsveld beperking zal geen sprake zijn geweest, omdat [appellant] anders niet meer had mogen en kunnen autorijden, aldus de deskundige. Het hof merkt nog op dat de oogarts in 2000 heeft geconstateerd dat er sprake is van een beperking in het gezichtsveld volgens (de methode) Donders, waarover de deskundige verklaart dat dit een grove techniek is om met de handen beperkingen in het gezichtsveld vast te stellen (pagina 5 deskundigenrapport). Nu de mate van perifeer gezichtsveldverlies niet door de deskundige kan worden vastgesteld, [appellant] dit zelf niet als klacht heeft vermeld of ervaren bij zijn bezoek aan de oogarts in 2000 en er in 2000 geen aanleiding bestond voor de oogarts om [appellant] te wijzen op het feit dat hij niet meer aan de eisen voor het rijbewijs voldeed, is naar het oordeel van het hof onvoldoende komen vast te staan dat de bevinding kokerzien toen als een klacht voortvloeiend uit de aandoening retinitis pigmentosa kan worden beschouwd.

De deskundige meldt ten aanzien van nachtblindheid dat er geen standaard classificatie bestaat. Hij rapporteert dat er veel mensen aangeven minder in het donker te kunnen zien. Echte nachtblindheid zoals bij retinitis pigmentosa betekent dat je ’s avonds praktisch niets meer ziet en tegen zaken aanloopt. [appellant] heeft in 2000 bij de oogarts gemeld dat de hinder die hij ondervond van de mouches volantes zich eigenlijk slechts ’s nachts voordeed, wanneer hij door de vlekjes aan de zijkant van zijn ogen een iets beperkter zicht had tijdens het autorijden. De hinder die [appellant] ’s nachts ondervond, benoemde de arts als ogen die “traag op gang komen in het donker”. Het hof heeft geen aanleiding om aan deze mededelingen van [appellant] te twijfelen. De toen door de oogarts geconstateerde bevinding kan, mede gelet op hetgeen [appellant] daar zelf over heeft gerapporteerd en gelet op de toelichting van de deskundige omtrent nachtblindheid in relatie tot retinitis pigmentosa, niet worden beschouwd als een klacht voortvloeiend uit de aandoening retinitis pigmentosa. Uit de stukken in het dossier blijkt namelijk dat bij [appellant] in 2000 geen sprake was van klachten van nachtblindheid van substantiële aard en ernst, laat staan van een situatie waarbij hij ’s avonds praktisch niets meer zag en/of tegen zaken aanliep.

Cardif heeft erop gewezen dat de deskundige heeft overwogen dat het verminderde perifere gezichtsveld (kokerzien) en de verminderde donkertherapie (nachtblindheid) als symptomen van de retinitis pigmentosa kunnen worden beschouwd. Volgens Cardif staat daarmee vast dat de bevindingen kokerzien en nachtblindheid in 2000 voortvloeien uit de aandoening retinitis pigmentosa en deze aandoening zich dus in 2000 heeft geopenbaard.

Het hof volgt Cardif daarin niet. Het hof dient immers te beoordelen, uitgaande van de uitlegmaatstaf zoals hiervoor in rov. 12.4 is weergeven, of de aandoening retinitis pigmentosa zich voor het sluiten van de verzekering al had geopenbaard, in die zin dat de klachten voortvloeiend uit de aandoening retinitis pigmentosa zich al bij [appellant] hadden voorgedaan. Dat de symptomen kokerzien en nachtblindheid terugkijkend kunnen worden beschouwd als symptomen van de retinitis pigmentosa, aldus de deskundige, laat onverlet dat, zo volgt uit de voorgaande overwegingen van het hof, onvoldoende is komen vast te staan dat de bevindingen ten aanzien van kokerzien en nachtblindheid in het jaar 2000 kunnen worden aangemerkt als klachten voortvloeiend uit de aandoening retinitis pigmentosa. Daarbij acht het hof van belang dat de deskundige op pagina 10 heeft toegelicht dat hij met terugkijkend heeft bedoeld dat de gezamenlijke symptomen goed passen bij de uiteindelijke diagnose retinitis pigmentosa, maar dat de symptomen op zich ieder voor zich ook andere verklaringen kunnen hebben.

De slotsom is dat ook grief 1 slaagt. Het hof zal het vonnis vernietigen en alsnog de vorderingen van [appellant] toewijzen. Grief 3, die is gericht tegen de door de rechtbank uitgesproken proceskostenveroordeling, slaagt eveneens. Cardif zal in de kosten van de procedure in eerste aanleg worden veroordeeld. Het hof begroot deze kosten op:

- dagvaardingskosten € 106,47

- griffierecht € 304,-

- salaris advocaat € 1.126,-

Totaal € 1.536,47

[appellant] heeft in eerste aanleg ook de buitengerechtelijke incassokosten gevorderd “nader door de rechtbank conform de toepasselijke staffel te begroten”, vermeerderd met de wettelijke rente. [appellant] heeft aangevoerd dat de kosten die gepaard zijn gegaan met de door de noodzakelijke juridische bijstand verrichte werkzaamheden, op grond van artikel 6:96 lid 2 sub c Burgerlijk Wetboek voor vergoeding in aanmerking komen. Cardif heeft daartegen geen verweer gevoerd.

Nu [appellant] onvoldoende heeft toegelicht welke waarde zijn vordering bedraagt, ziet het hof aanleiding om bij het bepalen van de hoogte van de buitengerechtelijke incassokosten uit te gaan van een vordering van onbepaalde waarde. Het hof zal, gelet op het rapport BGK integraal 2013, aansluiting zoeken bij de hoogte van tariefgroep II van het liquidatietarief, en wel van de gemiddelde waarde daarvan (€ 15.000) (vgl. hoofdstuk III.3.3). Dat betekent dat een bedrag van € 925,- aan buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van de datum van de inleidende dagvaarding tot aan de dag van voldoening.

In hoger beroep geldt Cardif als de in het ongelijk gestelde partij. Daarom wordt Cardif veroordeeld in de proceskosten en de kosten van de deskundige. De kosten van de deskundige bedragen € 3.872,-. De proceskosten begroot het hof op:

- dagvaardingskosten € 119,21

- griffierecht € 338,-

- salaris advocaat € 3.642,- (3 punten x Tarief II)

- nakosten € 178,- (plus de verhoging vermeld in de beslissing)

Totaal € 4.277,21

Het hof zal de veroordelingen, zoals gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

13. De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis van de rechtbank van 16 juni 2021;

en opnieuw rechtdoende:

verklaart voor recht dat de verzekeringsovereenkomst tussen [appellant] en Cardif onverkort, zonder clausule uitsluiting van alle oog- en visuspathologie, geldt;

veroordeelt Cardif tot nakoming van de verzekeringsovereenkomst en tot betaling van de niet betaalde uitkeringen (conform het arbeidsongeschiktheidspercentage dat is vastgesteld door het UWV), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de uitkering had moeten worden uitbetaald,

veroordeelt Cardif in de proceskosten van eerste aanleg, aan de kant van [appellant] vastgesteld op € 1.536,47 en in de proceskosten van het hoger beroep, aan de kant van [appellant] vastgesteld op € 4.277,21 te betalen binnen veertien dagen na de datum van dit arrest en, als Cardif niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, te vermeerderen met € 92,- en de kosten van betekening;

veroordeelt Cardif in de buitengerechtelijke incassokosten van € 925,-, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van 17 september 2020 tot aan de dag van voldoening;

veroordeelt Cardif in de kosten van de deskundige ter hoogte van € 3.872,-;

verklaart dit arrest wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.H. Schulten, P.W.A. van Geloven en T.J. Dorhout Mees en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 8 april 2025.

griffier rolraadsheer

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl PS-Updates.nl 2025-0365
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?