ECLI:NL:GHSHE:2025:971

ECLI:NL:GHSHE:2025:971, Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 08-04-2025, 200.328.812_01

Instantie Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak 08-04-2025
Datum publicatie 11-07-2025
Zaaknummer 200.328.812_01
Rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001827 BWBR0005291

Samenvatting

Geen feiten gesteld over de wijze van totstandkoming van een overeenkomst die een betalingsverplichting voor de wederpartij

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.328.812/01

arrest van 8 april 2025

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: voorheen, mr. I. Bakker te Maastricht,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. E.G.W. Hendriks te Kerkrade.

op het bij exploot van dagvaarding van 23 maart 2023 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 1 maart 2023, door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, gewezen tussen [appellant] als eiser in conventie, verweerder in (deels voorwaardelijke) reconventie en [geïntimeerde] als gedaagde in conventie, eiseres in (deels voorwaardelijke) reconventie.

De zaak in het kort

[appellant] wil betaling van [geïntimeerde] voor diverse zaken die hij voor haar stelt te hebben gekocht, of teruggave daarvan. Voor toewijzing van de vordering van [appellant] is noodzakelijk dat komt vast te staan dat sprake is van een of meer overeenkomsten tussen partijen die voor [geïntimeerde] een betalingsverplichting aan [appellant] meebrengen of die voor [geïntimeerde] de verplichting tot teruggave meebrengen. [appellant] moet gemotiveerd uitleggen hoe een dergelijke overeenkomst tot stand is gekomen, in het bijzonder door te zeggen wat partijen op welke tijdstippen over en weer hebben verklaard. Dat doet [appellant] niet. Daarom kan zijn vordering niet worden toegewezen.

1. Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 10026425 CV EXPL 22-3438)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2. Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

Het hof heeft ter zitting aan de orde gesteld dat de zaak op grond van artikel 226 Rv van

rechtswege is geschorst als gevolg van de omstandigheid dat mr. Bakker de hoedanigheid

van advocaat heeft verloren. Het hof heeft ter zitting beslist dat de zaak, gelet op de ter

zitting genomen akte van [geïntimeerde] en de instemming van [appellant] , per 24 maart 2025

is hervat.

Het hof heeft ter zitting ook beslist dat de producties 3 en 4 van [appellant] aan de

gedingstukken worden toegevoegd en dat in dit arrest op het bezwaar van [geïntimeerde]

tegen de inhoud van die stukken wordt beslist.

Het hof heeft aan het einde van de zitting een datum voor arrest bepaald.

3. De beoordeling

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

[geïntimeerde] heeft in een door [appellant] gedreven onderneming werkzaamheden verricht. Op enig moment hebben [appellant] en [geïntimeerde] enige relatie met elkaar gekregen. [geïntimeerde] was toen alleenstaande moeder met een zoon.

In 2017 heeft [appellant] voor [geïntimeerde] een bankstel gekocht. In dat jaar heeft [appellant] ook nog andere inboedelzaken gekocht. In 2018 is, in aanwezigheid van beide partijen, een Ford Ka met bouwjaar 2012 (hierna: de auto), gekocht onder inruiling van een Mercedes. De Ford K stond eerst kort op naam van [appellant] , daarna op naam van diens zoon en per januari 2020 op naam van [geïntimeerde] .

[geïntimeerde] heeft drie niet nader gespecificeerde betalingen verricht op de bankrekening van [persoon A] , de vader van [appellant] . Het gaat om de volgende betalingen: op 01-10-2018 € 45,-, op 22-10-2018 € 40,- en op 04-12-2017 € 625,-. De zoon van [geïntimeerde] heeft één niet nader gespecificeerde betaling op die rekening verricht, te weten op 29-04-2019 € 2.178,-.

Op enig moment, rond oktober 2019, is aan de relatie tussen partijen een einde gekomen. Zij zijn met elkaar gebrouilleerd geraakt.

Bij e-mail van 20 september 2021 heeft [appellant] aan de advocaat van [geïntimeerde] onder andere het volgende bericht:

“(…) Verder heeft u het over dat ik volgens [geïntimeerde] haar lastig valt of volg, dit is ook weer een leugen van [geïntimeerde] omdat dit niet waar is.

Het komt haar wel goed uit als ik niet meer in haar beurt komt omdat zij bij mij een schuld heef die ze niet wil terug betalen, maar dan heeft ze toch een probleem want ik wil het bedrag hoe dan ook terug. Zij heeft geld geleend voor goederen zoals,

bankstel 1000

eethoek 1850

koelkast 575

auto 2750

slaapkamer 1200

magnetron 125

koffiezetapperaat 45

poort 250

laminaatvloer leggen 350

fiets 250

fiets zoon 100

gordijnen 850

reparatie auto 750

kleding 4500

Goederen die ze vekocht 450 op markplaats die van mij zijn zonder mij toestemming.

samen 15045 EURO

waarvan ze al 2300 heeft afgelost

staat er nog open 12745 EURO

dan snap ik wel dat zij bij u komt met de leugens dat ik haar volg, ik wil gewoon het bedrag terug dat zij mij verschuldig is,

nu ze u als advocaat heeft kunt u ook wel aan haar doorgeven dat ze het bedrag binne 14 dagen op mijn rekening terug stort,

anders ben ik genootzaak om het op een andere manier te komen innen, wat volgens mij niet haar bedoeling kan zijn. (…)”

Bij e-mail van 25 oktober 2021 heeft de advocaat van [appellant] aan de advocaat van [geïntimeerde] onder andere het volgende bericht:

“(…) Tot mij wendde zich [appellant] . Ik wend mij tot u in uw hoedanigheid van advocaat van [geïntimeerde] . Mocht u mevrouw niet (langer) als advocaat bijstaan, verneem ik dat graag per ommegaande.

Cliënt gaf aan dat hij, ten tijde van de (v)echtscheiding waarin uw cliënte betrokken was, diverse zaken aan haar ter beschikking heeft gesteld met een waarde van in totaal minimaal € 15.045,-, welke waarde zij aan hem dient te vergoeden. Zij is ook begonnen met betalen. Cliënt stelde mij (delen van) bankafschriften ter beschikking waaruit betalingen van uw cliënte blijken van in totaal € 2.888,00.

Verder begreep ik van cliënt dat, toen hij uw cliënte in het voorjaar van 2020 tot betaling aansprak, de relatie tussen partijen subiet verslechterde omdat cliënt uw cliënte tevens aangaf dat hij niet wilde dat haar zoon in de ter beschikking gestelde Ford Ka met kenteken [kenteken A] reed. Uw cliënte gaf simpelweg aan dat cliënt kon oprotten. Cliënt stelde mij uw aan hem gerichte e-mail d.d. 17 september 2021, die werd ontvangen na dit voorval, ter hand.

Mijn cliënt wenst dat uw cliënte haar betalingen hervat. Hij is bereid om met uw cliënte in gesprek te gaan over een betalingsregeling betreffende het thans openstaande bedrag van ten minste € 12.745,-. Hij is daartoe eerder ook bereid geweest, maar een concrete betalingsregeling is nooit overeengekomen. Daarom geldt de hoofdregel in het

Nederlandse verbintenissenrecht - boter bij de vis - zodat uw cliënte het gehele openstaande bedrag in één keer verschuldigd is.

Ik meen dat uw cliënte reeds in verzuim is. Deze brief dient voor zoveel nog nodig als formele ingebrekestelling. Ik verzoek uw cliënte, en voor zover nodig sommeer ik haar, om het openstaande bedrag binnen veertien dagen vanaf de dag nadat deze brief door u is ontvangen, te voldoen. (…)”

[geïntimeerde] heeft geen gevolg gegeven aan deze sommatie, waarna [appellant] [geïntimeerde] voor de kantonrechter heeft gedagvaard.

In deze procedure vorderde [appellant] (in conventie), zo begrijpt het hof de in eerste aanleg geformuleerde vordering - samengevat - primair veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van € 10.482,06, vermeerderd met rente en kosten en subsidiair ontbinding van ‘de overeenkomst’ en veroordeling van [geïntimeerde] tot afgifte van de auto en de inboedelzaken op straffe van een dwangsom, vermeerderd met kosten.

Aan deze vordering heeft [appellant] , kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. [appellant] heeft diverse inboedelzaken en een auto gekocht. Hij heeft deze zaken aan [geïntimeerde] ter beschikking gesteld, maar zich de eigendom daarvan voorbehouden. Partijen spraken af dat [geïntimeerde] de waarde van de door [appellant] ter beschikking gestelde zaken zou vergoeden, waarna zij pas eigenaar zou zijn. Ook zou dan pas de tenaamstelling van het kenteken van de auto worden gewijzigd. Omdat het nooit tot volledige betaling door [geïntimeerde] is gekomen is sprake van wanprestatie van [geïntimeerde] , althans dient [geïntimeerde] de zaken aan [appellant] als zijnde de eigenaar af te geven.

[geïntimeerde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. [geïntimeerde] vorderde voorts in reconventie - samengevat - veroordeling van [appellant] tot betaling van € 172,00, en voorwaardelijk, voor het geval de vordering van [appellant] die ziet op de auto zou worden toegewezen, veroordeling van [appellant] tot betaling van € 5.000,00, in beide gevallen vermeerderd met rente en kosten.

In het bestreden eindvonnis van 1 maart 2023 heeft de kantonrechter in conventie de vordering van [appellant] afgewezen, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten van [geïntimeerde] en in reconventie de vordering van [geïntimeerde] afgewezen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten van [appellant] .

[appellant] heeft hoger beroep tegen voormeld vonnis ingesteld voor zover zijn vordering (in conventie) is afgewezen. [geïntimeerde] heeft geen hoger beroep ingesteld. [appellant] heeft in hoger beroep één grief aangevoerd. [appellant] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis voor zover zijn vordering is afgewezen en tot het alsnog toewijzen van zijn vordering.

[geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.

Het hof overweegt allereerst naar aanleiding van het bezwaar van [geïntimeerde] tegen de inhoud van de door [appellant] overgelegde producties 3 en 4 het volgende. De producties betreffen een verklaring van [appellant] over zijn contacten met [geïntimeerde] in diverse jaren en een schrijven van [geïntimeerde] over kwijtschelding van een belastingaanslag over 2019. Anders dan [geïntimeerde] betoogt is geen sprake van strijd met de tweeconclusie-regel. [appellant] heeft deze stukken ingediend als bewijsmiddelen, zo heeft hij ter zitting meegedeeld. Het hof zal de inhoud van deze stukken in zijn beoordeling betrekken indien die inhoud bewijs biedt van stellingen van [appellant] die tot toewijzing van zijn vordering kunnen leiden.

Het hof constateert dat de kantonrechter de vordering van [appellant] heeft afgewezen omdat de kantonrechter van oordeel was dat [appellant] onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld (aangereikt) om tot toewijzing van zijn vordering te kunnen komen. De Kantonrechter heeft dit in zijn uitspraak zo uitgelegd.

“(…)

Voor zover [appellant] al gevolgd zou kunnen worden in zijn stelling dat hij het

bankstel en een of meer van de overige inboedelzaken heeft betaald, vloeit hieruit nog altijd

geen verplichting voor [geïntimeerde] tot terugbetaling of teruggave voort. [appellant] heeft

namelijk onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld om te concluderen dat (een of

meerdere van) die zaken [geïntimeerde] slechts in bruikleen zijn gegeven en of dat partijen

hebben afgesproken dat [geïntimeerde] een bedrag ter hoogte van de aankoopprijzen zou

terugbetalen. Hiertoe is het volgende van belang geacht.

Bruikleen is de overeenkomst waarbij de ene partij aan de andere partij een zaak om

niet in gebruik geeft, onder de voorwaarde dat degene die de zaak ontvangt deze na een

bepaalde tijd zal teruggeven. Nergens blijkt uit dat [geïntimeerde] zich wilde verbinden tot

een overeenkomst van bruikleen. Uit de stellingen en verklaringen van [appellant] vloeit

voort dat het de bedoeling is geweest dat [appellant] de inboedelzaken juist voor Van den

Hoek kocht (en niet voor zichzelf, dat ligt hier ook anderszins niet voor de hand). In het

schrijven van 21 oktober 2021 maakt [appellant] voor wat betreft het bankstel, de eethoek en

dergelijke uitsluitend melding van een geldlening, en niet van een verplichting om de zaken

terug te geven.

De gestelde afspraken over een terugbetaling zijn op geen enkele wijze toegelicht,

laat staan onderbouwd. Zo is in het ongewisse of de afspraken eenmalig, of telkens

afzonderlijk, zijn gemaakt. Er is ook gesteld noch gebleken dat afspraken zijn gemaakt over

de termijnen waarin, en met welk bedrag, zou worden terugbetaald. [appellant] heeft ook niet

gesteld dat bijvoorbeeld bij het maken van die afspraak in het midden is gelaten wanneer

zou worden terugbetaald of dat de afspraak is gemaakt dat [geïntimeerde] zou terugbetalen

wanneer zij daartoe in staat zou zijn (in welk geval sprake zou zijn van een overeenkomst

onder opschortende voorwaarde: er is ook niet gesteld dat aan die voorwaarde thans is voldaan). Voorts is niet komen vast te staan dat [geïntimeerde] ter zake van de inboedelzaken énig bedrag heeft terugbetaald. Uit het enkele feit dat op 4 december 2017 een bedrag van € 625,00 en op 29 april 2019 een bedrag van € 2.178,00 van de zijde van [geïntimeerde] is overgemaakt naar een bankrekening van een familielid van [appellant] , is niet op te maken dat dit verband houdt met een terugbetaling van die zaken. Zo heeft [geïntimeerde] een verklaring gegeven waarom zij bedragen naar die rekening heeft overgemaakt, te weten dat zij gebruik mocht maken van die rekening c.q. daarvan een bankpasje had, en heeft [appellant] op de mondelinge behandeling verklaard dat er een rekening was van de zoon “die mevrouw ter beschikking had”. Afgezien hiervan betrof het ook niet de rekening van [appellant] , en kan de kantonrechter ook geen verband ontwaren tussen die bedragen, de data en de gestelde specifieke aankopen. [appellant] stelt voorts dat hij [geïntimeerde] in het voorjaar van 2020 voor het eerst erop heeft aangesproken (hetgeen [geïntimeerde] overigens betwist; volgens haar was dit later), maar zoals vooropgesteld was de relatie toen al voorbij. Oftewel, [geïntimeerde] heeft nimmer iets terugbetaald en [appellant] heeft haar daar tijdens de relatie ook nooit op aangesproken.

(…)

Tussen partijen is niet in geschil dat de auto in ieder geval al vanaf ergens in 2019

alleen nog in de feitelijke macht is geweest van [geïntimeerde] , en niet van [appellant] . Ook

hier geldt (evenals bij de inboedelzaken) daarmee het uitgangspunt dat [geïntimeerde]

vermoedt wordt bezitter en rechthebbende daarvan te zijn (artikelen 3:109 en 3:119 BW) en

dat het aan [appellant] is om dit vermoeden te weerleggen.

Voor zover al moet worden aangenomen dat [appellant] voor [geïntimeerde] de auto

heeft betaald (wat van de Mercedes ook zij), vloeit hieruit nog altijd geen verplichting voor

[geïntimeerde] tot terugbetaling of teruggave voort. [appellant] heeft, ook in dit kader,

onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld om te concluderen dat de auto zijn eigendom

is en bij [geïntimeerde] slechts in bruikleen en of dat partijen hebben afgesproken dat Van

den Hoek de dagwaarde zou terugbetalen.

(…)”

Het hof begrijpt uit de memorie van grieven dat [appellant] het niet eens is met de beslissingen van de kantonrechter over zowel de inboedelzaken als de auto. [appellant] betoogt dat hij meer dan voldoende heeft gesteld en bewezen om aan te kunnen nemen dat sprake is van een overeenkomst tussen [appellant] en [geïntimeerde] die een betalingsverplichting voor [geïntimeerde] aan hem meebrengt. Daartoe heeft [appellant] in de motivering van de grief aangevoerd dat [geïntimeerde] geen geld had, dat [appellant] aankoopbewijzen en foto’s van de gekochte spullen heeft overgelegd en dat [geïntimeerde] over diverse zaken onwaar heeft verklaard.

Het hof constateert dat [appellant] en [geïntimeerde] elkaar over en weer beschuldigen van het verkondigen van leugens. De kantonrechter heeft blijkens zijn overwegingen vastgesteld dat [geïntimeerde] niet altijd de waarheid verklaard. Dit laatste brengt echter nog niet mee dat [appellant] in deze procedure met recht aanspraak op betaling maakt of recht heeft op teruggave van zaken. Hiervoor is in een procedure zoals deze noodzakelijk dat [appellant] aan het hof door het noemen van feiten en omstandigheden uitlegt dat hij met [geïntimeerde] een of meer overeenkomsten heeft gesloten die voor [geïntimeerde] de verplichting meebrengt om de waarde van zaken aan hem te betalen of zaken terug te geven. Niet genoeg is dat [appellant] louter stelt dàt partijen een of meer van dergelijke overeenkomsten hebben gesloten. Dat heeft de kantonrechter ook duidelijk uitgelegd, onder andere in 4.2.7. van zijn vonnis. Een overeenkomst komt tot stand doordat de ene partij aan de andere partij aanbiedt een overeenkomst met een bepaalde inhoud te sluiten en doordat vervolgens die andere partij dit aanbod aanvaardt. Of met andere woorden, voor de totstandkoming van een overeenkomst is wilsovereenstemming van beide partijen nodig. Dit brengt voor [appellant] in dit geval, waarin volgens hem sprake is van mondelinge overeenkomsten, mee dat hij aan het hof uitlegt welk aanbod hij in welke bewoordingen op (bij benadering) welke tijdstippen aan [geïntimeerde] heeft gedaan en welke verklaring(en) in welke bewoordingen op (bij benadering) welke tijdstippen [geïntimeerde] aan hem heeft afgelegd. In de memorie van grieven wordt dat niet gedaan. Het wordt ook niet gedaan in de door [appellant] als productie 4 overgelegde verklaring over zijn contacten met [geïntimeerde] in diverse jaren. Op vragen van het hof ter zitting heeft [appellant] over de inhoud van verklaringen van partijen en de tijdstippen waarop die zijn afgelegd echter geen feiten kunnen noemen die tot het oordeel kunnen leiden dat tussen [appellant] en [geïntimeerde] een of meer overeenkomsten tot stand zijn gekomen die voor [geïntimeerde] de verplichting meebrengen betalingen aan [appellant] te verrichten of zaken aan hem terug te geven. Er zijn het hof niet meer feiten bekend geworden dan die waarover de kantonrechter beschikte en die ontoereikend zijn.

Uit het voorgaande volgt dat de grief niet slaagt. Een deugdelijke grondslag voor de vordering van [appellant] ontbreekt. Het bestreden vonnis van de kantonrechter zal worden bekrachtigd, voor zover dat in hoger beroep is aangevochten. Het hof zal [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep veroordelen.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] zullen vastgesteld worden op:

Griffierechten € 343,00

Salaris advocaat € 1.716,00 (2 punt(en) x tarief I)

Nakosten € 178,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal € 2.237,00

4. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het bestreden vonnis van 1 maart 2023, voor zover aangevochten;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] ten bedrage van € 2.237,00, te betalen binnen veertien dagen na heden. Als [appellant] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moet hij € 92,- extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.W.A. van Geloven, Z.D. Heesen-Laclé en N.A.J. Purcell en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 8 april 2025.

griffier rolraadsheer

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand