GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 23/1851
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de rechtbank) van 12 april 2016, nummer AWB 15/3274, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.
1. Ontstaan en loop van het geding
De inspecteur heeft een aanslag schenkbelasting opgelegd.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld. Bij uitspraak van 7 februari 2023 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het hoger beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Bij arrest van 8 december 2023 (hierna: het verwijzingsarrest) heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie gegrond verklaard, de uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vernietigd en het geding verwezen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (hierna: het hof).
Zowel belanghebbende als de inspecteur heeft naar aanleiding van het verwijzingsarrest een conclusie na verwijzing ingediend.
De zitting heeft plaatsgevonden op 20 februari 2020 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, en, namens de inspecteur, [inspecteur] .
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
2. Feiten
Belanghebbende is tot [datum] 2013 onder huwelijkse voorwaarden gehuwd geweest met [naam 1] (hierna: [naam 1] ).
Belanghebbende en [naam 1] hebben in juli 2010 met elkaar een koopovereenkomst gesloten met betrekking tot de koop door belanghebbende van de volgende onroerende zaken
(hierna: de onroerende zaken):
- een perceel grond met een daarop gestichte woning met erf en tuin en verder aanbehoren (met voorbehoud van het recht van gebruik en bewoning door [naam 1] ) aan [adres 1] in [woonplaats] ;
- de onverdeelde helft van een perceel grond met een daarop gestichte woning met erf en tuin, agrarische cultuurgrond en verder aanbehoren aan de [adres 2] in [woonplaats] ;
- de onverdeelde helft van een perceel agrarische cultuurgrond gelegen aan [adres 3] in [woonplaats] ; en
- de onverdeelde helft van een perceel grond met een daarop gestichte woning met erf en tuin, agrarische cultuurgrond en verder aanbehoren aan [adres 4] te [plaats 1] .
Belanghebbende en [naam 1] zijn een koopprijs van € 233.900 overeengekomen voor de onroerende zaken, welk bedrag is gebaseerd op een taxatie van juli 2010 van [naam 2] , makelaar/taxateur in [plaats 2] (hierna: [naam 2] ). In het taxatierapport staat vermeld dat er sprake is van verontreiniging (door sloopafval met aanzienlijke hoeveelheid asbesthoudend materiaal) van de grond. De levering van de onroerende zaken heeft op 30 augustus 2010 plaatsgevonden.
De FIOD is in 2013 een onderzoek gestart naar mogelijke strafbare feiten die belanghebbende en [naam 1] met betrekking tot onder andere de levering van de onroerende zaken zouden hebben gepleegd. In het proces-verbaal is onder meer het volgende vermeld:
“ 3.3. Overdracht onroerend goed op 30 augustus 2010
(…)
Verklaringen [naam 2]
(…)
De opdracht kwam van [naam 1] , hij heeft mij de gegevens aangeleverd met de opdracht om zo laag mogelijk te taxeren met in ogenschouw de gegevens over de vervuiling.
(…)”
De inspecteur heeft met dagtekening 23 september 2014 aan belanghebbende een aanslag schenkbelasting opgelegd naar een belaste verkrijging van € 680.100. De inspecteur is er daarbij kort gezegd vanuit gegaan dat er géén grondverontreiniging aanwezig was bij de onroerende zaken en dat een schenking heeft plaatsgevonden voor het verschil tussen de koopprijs en de waarde in het economisch verkeer van de overgedragen onroerende zaken. Rechtbank Gelderland heeft geoordeeld dat er een schenking heeft plaatsgevonden ten bedrage van € 251.782 – hetgeen in overeenstemming is met het (nadere) standpunt van de inspecteur in zijn verweerschrift in eerste aanleg - en heeft vervolgens in het dictum de aanslag schenkbelasting verminderd tot een aanslag berekend naar een belaste verkrijging van € 251.782.
De Hoge Raad heeft in het verwijzingsarrest als gevolgd geoordeeld:
“3.1 Middel 1 bestrijdt het oordeel van het Hof dat belanghebbende zich van de bevoordeling bewust is geweest. De Hoge Raad heeft deze klachten beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van de uitspraak van het Hof. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
Middel 2 betoogt dat het Hof weliswaar heeft geoordeeld dat [naam 1] zich bewust was van de bevoordeling, maar niet zelfstandig heeft beoordeeld of hij de wil tot bevoordeling heeft gehad.
Het middel slaagt. Het oordeel van het Hof komt erop neer dat [naam 1] belanghebbende heeft willen bevoordelen omdat hij wist dat de waarde van de onroerende zaken hoger was dan de overeengekomen verkoopprijs. Het Hof heeft daarmee miskend dat de wil tot bevoordeling een afzonderlijk vereiste vormt voor het aannemen van een schenking en dat die wil niet louter kan worden afgeleid uit de bevoordelingsbewustheid bij degene die bevoordeelt.2
Middel 3 betoogt onder meer dat het hiervoor in 2.7 bedoelde oordeel onjuist, althans onbegrijpelijk is. Het middel betoogt daartoe dat bij een overdracht van de onroerende zaken tegen de werkelijke waarde geen bevoordeling zou hebben plaatsgevonden en een van schenkbelasting vrijgestelde voldoening aan een natuurlijke verbintenis dan niet aan de orde zou zijn geweest.
In zoverre slaagt het middel. De omstandigheid dat het gestelde doel ook zou kunnen worden bereikt door de onroerende zaken tegen werkelijke waarde over te dragen, wat daarvan ook zij, is geen toereikende grond voor het oordeel dat belanghebbende het bestaan van een natuurlijke verbintenis niet aannemelijk heeft gemaakt.
Uit hetgeen hiervoor in 3.2.2 en 3.3.2 is overwogen, volgt dat de uitspraak van het Hof niet in stand kan blijven. Middel 3 behoeft voor het overige geen behandeling. Verwijzing moet volgen.”
Onder vermelding van de volgende voetnoot:
“2. Vgl. HR 12 juli 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD7272, rechtsoverweging 3.5.”
3. Geschil en conclusies van partijen
Na verwijzing staat vast dat de onroerende zaken zijn verkocht tegen een te lage waarde waardoor belanghebbende is verrijkt en [naam 1] is verarmd en staat ook vast dat zowel [naam 1] als belanghebbende zich van deze bevoordeling bewust waren. Het hof begrijpt de verwijzingsopdracht zo dat het nog dient te beoordelen of [naam 1] de wil tot bevoordeling van belanghebbende heeft gehad (of aan het zogenoemde ‘wilsvereiste’ is voldaan) (Vraag I).
Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord is sprake van een schenking en dient het hof vervolgens nog te beoordelen of sprake is van een van schenkbelasting vrijgestelde verkrijging omdat de schenking volgens belanghebbende zou hebben gestrekt tot voldoening aan een natuurlijke verbintenis als bedoeld in artikel 3 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) (Vraag II).
Belanghebbende concludeert tot een ontkennende beantwoording van de eerste vraag en anders tot een bevestigend antwoord op de tweede geschilvraag en daarmee tot een gegrond hoger beroep en vernietiging van de aanslag schenkbelasting. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.
4. Gronden
Vooraf
De rechtbank heeft, gelet op de in 2.4 geschetste gang van zaken kennelijk per abuis geen rekening gehouden met de tussen partijen niet in geschil zijnde vrijstelling schenkbelasting van € 2.000 of anders per abuis het woord ‘belaste’ in het dictum opgenomen. Het hof merkt op dat de rechtbank een verkrijging van € 251.782 en een belaste verkrijging van € 249.782 bedoeld zal hebben. Het hof zal op dat punt het dictum verbeteren.
Ten aanzien van het geschil
Vraag I: Is voldaan aan het wilsvereiste?
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat aan het wilsvereiste is voldaan. De onroerende zaken zijn niet uit bevoordelingsoverwegingen overgedragen. De aanleiding voor de overdracht van de onroerende zaken was een in 2009 gelegd beslag op de boerderij aan [adres 4] en met de overdracht wilden [naam 1] en belanghebbende voorkomen dat belanghebbende en de kinderen op straat zouden komen te staan wanneer er iets mis zou gaan met de onderneming van [naam 1] .
De inspecteur stelt dat bij [naam 1] de wil tot bevoordeling van belanghebbende wel degelijk bestond. De overdracht vond gericht aan belanghebbende plaats en dan sluit de bewustheid van het verschil tussen prijs en waarde bij [naam 1] zijn bevoordelingswil in.
Het hof overweegt als volgt. Voor de bepaling van de wil moet worden geabstraheerd van motieven bij de schenker en is men aangewezen op de (objectieve) feiten en omstandigheden van het geval. De bewijslast om aannemelijk te maken dat de wil tot bevoordeling aanwezig is, rust op de inspecteur. Hoewel het wilsvereiste een op zichzelf staande toets vormt die zelfstandig moet worden beoordeeld, zal in de regel bij bewustheid van een vermogensverschuiving van de bevoordeling ook zijn voldaan aan dit vereiste en zal slechts in uitzonderingssituaties niet aan het wilsvereiste zijn voldaan.
Het hof is van oordeel dat [naam 1] de bedoeling had om specifiek belanghebbende te bevoordelen. Dit leidt het hof af uit de volgende omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien:
[naam 1] heeft de verkoop van de onroerende zaken aan belanghebbende geïnitieerd en hij heeft taxateur [naam 2] de opdracht gegeven om zo laag mogelijk te taxeren;
Ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst bestond een huwelijksrelatie tussen [naam 1] en belanghebbende;
Er is een aanzienlijk verschil tussen de koopprijs van de onroerende zaken en de waarde in het economisch verkeer;
De koopprijs is in alle vrijheid tot stand gekomen, althans het tegendeel is niet gebleken;
Belanghebbende heeft zelf als reden van de overdracht aangegeven dat [naam 1] de onroerende zaken aan haar heeft overgedragen om te voorkomen dat zij en de kinderen op straat zouden komen te staan mocht het mis gaan met de onderneming van [naam 1] . Ter zitting bij het hof heeft belanghebbende verder desgevraagd verduidelijkt dat niet alleen de woning waar het gezin woonachtig was aan haar is overgedragen maar daarnaast ook andere onroerende zaken, omdat [naam 1] belanghebbende ‘niet onbemiddeld’ achter wilde laten in het geval hij niet meer in staat zou zijn om in het levensonderhoud van zijn gezin te voorzien.
Omdat [naam 1] de bedoeling had om specifiek belanghebbende te bevoordelen leidt dit tot het oordeel dat de vermogensverschuiving naar belanghebbende ook door [naam 1] is gewild. De eerste geschilvraag moet bevestigend worden beantwoord en daarmee ligt in de verkrijging van de onroerende zaken een totale schenking van € 251.782 (vóór toepassing van de vrijstelling) besloten.
Vraag II: Vormt de schenking een van de schenkbelasting vrijgestelde natuurlijke verbintenis?
Artikel 1, lid 7, SW luidt als volgt:
“Onder schenking wordt voor de toepassing van deze wet verstaan de gift, bedoeld in artikel 186, tweede lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, voor zover artikel 13 niet van toepassing is, en voorts de voldoening aan een natuurlijke verbintenis als bedoeld in artikel 3 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek.”
Artikel 33 SW luidt vervolgens, voor zover hier van belang, als volgt:
“Van schenkbelasting is vrijgesteld, hetgeen wordt verkregen:
(…)12° indien en voor zover de schenking heeft gestrekt tot voldoening aan een natuurlijke verbintenis als is bedoeld in artikel 3 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek.(…)”
Artikel 6:3, lid 1, BW luidt – voor zover hier van belang – als volgt:
“1. Een natuurlijke verbintenis is een rechtens niet- afdwingbare verbintenis.
Een natuurlijke verbintenis bestaat:
(…)wanneer iemand jegens een ander een dringende morele verplichting heeft van zodanige aard dat naleving daarvan, ofschoon rechtens niet afdwingbaar, naar maatschappelijke opvattingen als voldoening van een aan die ander toekomende prestatie moet worden aangemerkt.”
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 10 oktober 2014 - voor hier zover van belang - het volgende overwogen:
“3.7. (…) De verwijzing naar de maatschappelijke opvattingen brengt mee dat de vraag of sprake is van een natuurlijke verbintenis moet worden beoordeeld naar een objectieve maatstaf en dat aan het subjectieve inzicht van degene die de prestatie heeft verricht, geen beslissende betekenis toekomt. Volgens vaste rechtspraak dient bij de beantwoording van de vraag of naar objectieve maatstaven sprake is van voldoening aan een natuurlijke verbintenis, mede acht te worden geslagen op de omstandigheden ten tijde van het verrichten van de prestatie, waaronder de ‘wederzijdse welstand en behoefte van partijen. (…)”
De bewijslast dat de in 4.6 vermelde vrijstelling van toepassing is rust, gelet op de hiervoor vermelde wetssystematiek, op belanghebbende.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de vrijstelling ter voldoening aan een natuurlijke verbintenis van toepassing is, omdat bij de overdracht van de onroerende zaken de verzorgingsgedachte een grote rol speelde. [naam 1] voelde zich gedrongen om belanghebbende verzorgd achter te laten indien er iets mis zou gaan met zijn onderneming. Ter zitting bij het hof heeft belanghebbende daaraan toegevoegd dat het naar maatschappelijke opvattingen gebruikelijk is, althans niet ongebruikelijk is, om bij zicht op beslag, goederen van de ondernemende partner op naam van de andere partner te zetten.
Het hof is van oordeel dat belanghebbende met hetgeen zij heeft aangevoerd niet aannemelijk heeft gemaakt dat [naam 1] een dringende morele verplichting had van zodanige aard dat naleving daarvan, ofschoon rechtens niet afdwingbaar, naar maatschappelijke opvattingen als voldoening van een aan belanghebbende toekomende prestatie moet worden aangemerkt. De tweede geschilvraag moet daarom ontkennend worden beantwoord.
Tussenconclusie
Het hoger beroep is ongegrond. Met inachtneming van dat wat bij 4.0 staat vermeld zal het hof de belaste verkrijging stellen op € 249.782.
Ten aanzien van het griffierecht
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht.
5. Beslissing
Het hof:
- verklaart het hoger beroep ongegrond;
- bevestigt de uitspraak van de rechtbank (met inachtneming van dat wat bij 4.0 staat vermeld);
- vermindert de aanslag schenkbelasting tot een aanslag berekend naar een belaste verkrijging van € 249.782.
De uitspraak is gedaan door C.W.M.M. Verkoijen, voorzitter, T.A. Gladpootjes en H.J. Cosijn, in tegenwoordigheid van N.A. de Grave, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 april 2025 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De voorzitter,
N.A. de Grave C.W.M.M. Verkoijen
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.