Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 4 juli 2023 op de vordering tot oplegging van de maatregel tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak met parketnummer 01-997519-16 OWV tegen:
[betrokkene] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1936,
zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland,
doch wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 12.957.541,- en aan de betrokkene een betalingsverplichting opgelegd voor een bedrag van € 10.059.288,50. Verder heeft de rechtbank bepaald dat de betrokkene en medeveroordeelde(n) voor een deel, te weten voor een geldbedrag ter grootte van € 6.985.321,- hoofdelijk aansprakelijk zijn voor deze betalingsverplichting en dat ten aanzien van dit deel de verplichting tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel komt te vervallen indien en voor zover (de) mededader(s) van betrokkene heeft/hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat. De vordering is voor het overige afgewezen.
Daarnaast heeft de rechtbank de duur van de gijzeling – die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd – vastgesteld op 1080 dagen.
Namens de betrokkene is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van 8 oktober 2024, 6 november 2025, 11 november 2025, 20 november 2025, 15 januari 2026, 5 maart 2026 en 16 april 2026 en het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de betrokkene naar voren is gebracht.
De advocaten-generaal (hierna gezamenlijk: de advocaat-generaal) hebben gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.
De verdediging heeft namens betrokkene afwijzing van de ontnemingsvordering bepleit. Hiertoe zijn in de kern de volgende grieven aangevoerd.
1. Een concreet brondelict waaruit persoonlijk wederrechtelijk verkregen voordeel is verkregen ontbreekt.
2. Er is sprake van een ontoelaatbare “vermogensvervuiling” en cirkelredenering.
3. De rechtbank heeft vervolgprofijt berekend zonder vaststaand bronvoordeel.
4. De modelmatige SFO-berekeningen uit het dossier vormen een ontoereikende basis.
5. De rechtbank heeft de door de verdediging aangevoerde kostenposten integraal verworpen zonder inhoudelijke weging of schatting.
6. De rechtbank legt een aanzienlijke hoofdelijke aansprakelijkheid op, zonder vast te stellen welk concreet voordeel bij veroordeelde persoonlijk terecht is gekomen.
7. De rechtbank heeft onvoldoende scherp onderscheiden tussen de periode vóór en na strafbaarstelling van witwassen.
8. De opgelegde ontnemingsmaatregel is disproportioneel gelet op het verstrijken van de redelijke termijn.
Vonnis waarvan beroep
Het hof zal het beroepen vonnis vernietigen en opnieuw rechtdoen omdat het zich daarmee niet kan verenigen .
Bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen opgenomen in een aanvulling op dit verkorte arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit verkorte arrest gehecht.
Grondslag van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De veroordeling
De betrokkene is bij arrest van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch van 16 april 2026 onder parketnummer 20-003060-21, veroordeeld ter zake van – kort weergegeven – :
De wettelijke grondslag
Het hof ontleent aan de inhoud van voormelde bewijsmiddelen het oordeel, dat de betrokkene een voordeel als bedoeld in artikel 36e, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht heeft verkregen.
Het hof stelt vast dat aan de voorwaarden voor toepasselijkheid van voormeld artikellid is voldaan, nu de betrokkene is veroordeeld is voor feitelijk leiding geven aan (medeplegen van) witwassen, begaan door een rechtspersoon (feiten 1 en 2) en aannemelijk is dat de betrokkene voordeel heeft gekregen uit de baten van deze feiten en soortgelijke strafbare feiten, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de betrokkene zijn begaan.
Vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Het hof gaat voor wat betreft de schatting van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit van de navolgende uitgangspunten.
De betrokkene (hierna: [betrokkene] ) is samen met medebetrokkene [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) veroordeeld voor het feitelijk leiding geven aan door [verdachte rechtspersoon 3] (hierna: [verdachte rechtspersoon 3] ) gepleegde belastingfraude over de jaren 2010 tot en met 2013 en 2015. Deze belastingfraude bestond eruit dat vennootschapsbelasting in Nederland is ontdoken door (handels-)winsten te verschuiven van [verdachte rechtspersoon 3] , gevestigd in Nederland, naar [bedrijf 1] , gevestigd in Hong Kong .
Uit het strafrechtelijk onderzoek is naar voren gekomen dat zeker vanaf het jaar 1998 sprake is van onzakelijke transacties tussen [verdachte rechtspersoon 3] (opgericht in 1989) en [bedrijf 1] (opgericht in 1994) waarbij [verdachte rechtspersoon 3] steeds een te lage winst heeft aangegeven in de aangiften vennootschapsbelasting doordat handelswinsten zijn verschoven naar [bedrijf 1] , gevestigd in Hong Kong .
Het totaalbedrag van de vanaf 1998 tot en met 2015 door [verdachte rechtspersoon 3] niet aangegeven winsten bedraagt volgens de Belastingdienst € 15.857.279. Het daarmee samenhangende bedrag aan vennootschapsbelasting is € 4.729.793.
[medeverdachte] en [betrokkene] zijn ook veroordeeld voor – onder meer – feitelijk leiding geven aan witwassen van aan de belastingheffing onttrokken gelden door [verdachte rechtspersoon 1] (hierna: [verdachte rechtspersoon 1] ) in de periode juli 2007 tot en met september 2011 en door [verdachte rechtspersoon 2] (hierna: [verdachte rechtspersoon 2] ) in de periode oktober 2014 tot en met mei 2017.
Het bewezen verklaarde witwassen heeft betrekking op:
[verdachte rechtspersoon 2] is op 16 april 1997 in Hong Kong opgericht. In eerste instantie bestonden de activiteiten van deze vennootschap voornamelijk uit de exploitatie van onroerend goed. Later werden via [verdachte rechtspersoon 2] voornamelijk financieringen verstrekt. Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat [verdachte rechtspersoon 2] in de jaren 2007 en 2008 voor een bedrag van ruim € 26 miljoen heeft uitgeleend aan derden.
[betrokkene] heeft verklaard dat [verdachte rechtspersoon 2] zelf geen geld heeft en dat het geld dat [verdachte rechtspersoon 2] uitleent van hem en [medeverdachte] afkomstig is. [medeverdachte] verklaart dat het geld in [verdachte rechtspersoon 2] afkomstig is van haarzelf.
Het hof heeft vastgesteld dat de door [verdachte rechtspersoon 3] ontdoken belasting via [medeverdachte] en [betrokkene] in direct verband staat met het vermogen van [verdachte rechtspersoon 2] . [betrokkene] heeft namelijk verklaard dat alle ontvangsten van de handel van [bedrijf 1] binnenkwamen op de gezamenlijke bankrekening en dat dit het gezamenlijk vermogen van [medeverdachte] en [betrokkene] was. Zowel [medeverdachte] als [betrokkene] ontvingen bedragen op die bankrekening, maar zij hebben nooit een splitsing gemaakt van de inkomende en uitgaande bedragen. Zoals [medeverdachte] het verwoordde: “Iedereen neemt wat hij nodig heeft”.Doordat [verdachte rechtspersoon 3] in de jaren 1998 tot en met 2015 een bedrag van ruim € 4,7 miljoen vennootschapsbelasting heeft ontdoken hebben [medeverdachte] en [betrokkene] dit geld kunnen gebruiken voor investeringen, waaronder het (via [verdachte rechtspersoon 1] en [verdachte rechtspersoon 2] ) verstrekken van financieringen tegen rentepercentages variërend van 8% tot 10%. Het vermogen van [medeverdachte] en [betrokkene] is mede hierdoor uitgegroeid tot een bedrag van € 46 miljoen in 2017.
Anders dan de verdediging is het hof van oordeel dat artikel 74 van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen (AWR) geen belemmering voor de oplegging van een ontnemingsmaatregel vormt, nu het in het onderhavige geval gaat om wederrechtelijk verkregen voordeel dat is behaald als gevolg van het gebruik van een aan de belastingheffing onttrokken vermogensbestanddeel, hetgeen tot een vermogensvermeerdering heeft geleid.
De aan de vennootschapsbelastingheffing onttrokken gelden zijn zoals hiervoor overwogen gebruikt om via [verdachte rechtspersoon 2] en [verdachte rechtspersoon 1] financieringen te verstrekken en hebben dus kunnen renderen met als gevolg dat het totaal opgebouwde vermogen van € 46 miljoen in 2017 deels bestond uit rendement (vervolgprofijt) van de aan de vennootschapsbelastingheffing onttrokken gelden. Dit vervolgprofijt kan naar het oordeel van het hof als wederrechtelijk verkregen voordeel worden aangemerkt.
De financieringen aan [bedrijf 2] , [bedrijf 3] en [bedrijf 4] zijn verstrekt tegen rentepercentages van respectievelijk 9% en 10%. Het hof gaat voor de berekening van de omvang van het vervolgprofijt daarom (in het voordeel van [medeverdachte] en [betrokkene] ) uit van een rentepercentage van 9%.
Het hof komt gelet op het bovenstaande tot het oordeel dat het geschatte door [medeverdachte] en [betrokkene] wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht als volgt moet worden berekend.
[betrokkene] en [medeverdachte] waren ten tijde van het sluiten van voornoemde financieringen de ultimate beneficial owners van [verdachte rechtspersoon 2] en [verdachte rechtspersoon 1] . Zij waren degenen die de gang van zaken bij die vennootschappen bepaalden. Het hof rekent het wederrechtelijk verkregen voordeel dan ook geheel aan [medeverdachte] en [betrokkene] toe en zal hierom de ontnemingsvorderingen ten aanzien van de betrokken vennootschappen [verdachte rechtspersoon 1] , [verdachte rechtspersoon 2] en [verdachte rechtspersoon 4] afwijzen.
Resumé
Gelet op het vorenstaande zal het hof het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel vaststellen op een bedrag van € 5.157.336,-.
Op te leggen betalingsverplichting
Het hof zal aan de betrokkene de verplichting opleggen tot betaling van na te melden bedrag aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Hoofdelijke aansprakelijkheid
Nu [medeverdachte] en [betrokkene] gezamenlijk de ultimate beneficial owners waren van het totale opgebouwde vermogen van € 46 miljoen en dus ook van het gedeelte van het vermogen dat bestaat uit wederrechtelijk verkregen voordeel, zal het hof bepalen dat [medeverdachte] en [betrokkene] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de gezamenlijke betalingsverplichting.
Redelijke termijn
Bij de strafvervolging van betrokkene is de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid van het EVRM, geschonden, zoals het hof in de strafzaak heeft vastgesteld. Het hof heeft evenwel in de strafzaak met deze schending rekening gehouden bij de oplegging van de straf en volstaat om die reden in de ontnemingszaak met de enkele constatering dat de redelijke termijn is geschonden.
Gijzeling
Met ingang van 1 januari 2020 heeft het nieuwe elfde lid van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht kracht van wet gekregen. Het hof zal daarom bij het opleggen van de ontnemingsmaatregel tevens de duur van de gijzeling bepalen die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering in de onderhavige zaak ten hoogste kan worden gevorderd indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt.
Het hof hanteert, overeenkomstig de binnen de zittende magistratuur ontwikkelde uitgangspunten, bij de berekening van de duur van deze gijzeling voor elke volle € 100,00 van de betalingsverplichting één dag. De maximale duur van de gijzeling bedraagt ingevolge artikel 36e, elfde lid, van het Wetboek van Strafrecht drie jaren.
Gelet op de hoogte van de op te leggen betalingsverplichting zal het hof mitsdien de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd hierna bepalen op de maximale duur te weten 1080 dagen.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, zoals dit ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens gold dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens geldt.
BESLISSING
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 5.157.336,- (vijf miljoen honderdzevenenvijftigduizend driehonderdzesendertig euro);
legt de betrokkene de hoofdelijke verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 5.157.336,- (vijf miljoen honderdzevenenvijftigduizend driehonderdzesendertig euro);
bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 1080 dagen;
bepaalt dat de verplichting tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel komt te vervallen indien en voor zover de mededader(s) van betrokkene hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat.
Dit arrest is gewezen door:
mr. J.T.F.M. van Krieken, voorzitter,
mr. C.A. van Roosmalen en mr. A.M.F. Geerling, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. A.S. van Middelkoop, griffier,
en op 16 april 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. Geerling en mr. Van Middelkoop zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.