GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Wrakingskamer
registratienummer: 200.366.824/01
datum beslissing: 2 april 2026
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het wrakingsverzoek als bedoeld in artikel 8:15 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb)
in de zaak met nummers [nummer 1], [nummer 2], [nummer 3], [nummer 4], [nummer 5] en [nummer 6] van dan wel tegen
[verzoeker],
wonende te [woonplaats],
hierna te noemen: verzoeker,
strekkende tot wraking van mr. drs. T.A. Gladpootjes, mr. J.M. van der Vegt en mr. J. Rietveld, raadsheren in het team belastingrecht van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch (hierna: de raadsheren).
1. Het procesverloop
Het verzoek is bij brief van 25 maart 2026 ter griffie van dit hof ontvangen. Verzoeker is door de coördinator van de wrakingskamer bericht dat het verzoek in behandeling is genomen.
De raadsheren hebben de wrakingskamer laten weten niet in de wraking te berusten. Zij hebben een schriftelijke reactie op het verzoek aan de wrakingskamer toegezonden. Deze reactie is op voorhand aan verzoeker toegezonden.
De wrakingskamer heeft het verzoek ter zitting van 2 april 2026 behandeld, zoals verzoeker eerder door de coördinator van de wrakingskamer was medegedeeld. Verzoeker is ter zitting verschenen alsmede, namens de raadsheren, mr. drs. T.A. Gladpootjes en mr. J. Rietveld.
De voorzitter van de wrakingskamer van het hof heeft aan het einde van de behandeling de zitting geschorst voor beraad, waarna de wrakingskamer mondeling uitspraak heeft gedaan en aan de verzoeker heeft medegedeeld dat de beslissing zo spoedig mogelijk op schrift zal worden gesteld.
Van de zitting zal een proces-verbaal worden opgemaakt dat aan verzoeker, de raadsheren en de inspecteur van de Belastingdienst zal worden verzonden.
2. Het standpunt van verzoeker
Verzoeker heeft ter onderbouwing van het verzoek aangevoerd dat het verweerschrift van de inspecteur aanvankelijk zonder bijlagen in Mijn Rechtspraak is geplaatst, waardoor hij tijdelijk geen beschikking had over het volledige dossier en niet inhoudelijk kon reageren op die stukken. Het niet beschikbaar zijn van de bijlagen is, althans voor drie van de vier bijlagen, door het hof bevestigd bij brief van 25 maart 2026 en op dezelfde dag is alsnog toegang verleend tot alle bijlagen. Ondanks dat het hof ermee bekend was dat het procesdossier niet compleet was, heeft het hof toch het verzoek om uitstel van verzoeker afgewezen. Het hof heeft zodoende een procesbeslissing genomen op basis van een feitelijk onjuist uitgangspunt, te weten dat het dossier compleet was. Dit raakt aan de ‘equality of arms’, zo vervolgt verzoeker zijn betoog. Daarnaast heeft het hof aangegeven dat het hof niet bekend was met een procesopdracht van de voorzieningenrechter van 27 februari 2026. Daardoor is een relevante procesrechtelijke context niet betrokken bij de beoordeling van de zaak van verzoeker, aldus verzoeker. Toch heeft het hof procesrechtelijke beslissingen genomen zonder kennis te nemen van deze procesopdracht. Verder heeft het hof in strijd met artikel 8:42 Awb gehandeld door aan te geven dat het verzoeker vrijstaat om de ontbrekende stukken zelf aan het digitale dossier toe te voegen. Daarmee heeft het hof ten onrechte de verantwoordelijkheid voor de completering van het procesdossier verschoven van de inspecteur naar verzoeker en de processuele balans verstoord, aldus nog steeds verzoeker.
Volgens verzoeker kan elk van de door hem naar voren gebrachte punten, op zichzelf beschouwd, mogelijk nog wel als processuele onvolkomenheid worden gezien, maar maakt de cumulatie ervan dat de schijn van partijdigheid wordt gewekt.
3. Het standpunt van de raadsheren
De raadsheren stellen zich op het standpunt dat het verzoek moet worden afgewezen. De aangevoerde wrakingsgronden zijn gericht op de procesbeslissing om geen uitstel van de zitting te verlenen. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt mee dat een rechterlijke (tussen)beslissing nimmer grond kan vormen voor wraking.
4. De beoordeling
Op verzoek van een partij kan elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden (artikel 8:15 Awb).
De wrakingskamer neemt voor de beoordeling van het wrakingsverzoek de volgende overwegingen uit de beschikking van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:87) tot uitgangspunt.
"3.4 Uitgangspunt is dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat hij jegens de verzoeker een vooringenomenheid koestert, althans dat bij de verzoeker dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Er is geen algemene regel aan de hand waarvan kan worden beoordeeld of sprake is van uitzonderlijke omstandigheden zoals hiervoor vermeld. (…)
De beoordeling van wrakingsgronden dient mede plaats te vinden tegen de achtergrond van art. 6 lid 1 EVRM (…). Over de onpartijdigheid van de rechter en de vraag wanneer zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens de verzoeker een vooringenomenheid koestert, althans dat bij de verzoeker dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is, en aldus sprake is van een schending van art. 6 lid 1 EVRM, blijkt uit de rechtspraak van het EHRM onder meer het volgende.
De beoordeling van wrakingsgronden in het kader van art. 6 lid 1 EVRM is beperkt tot het vereiste van onpartijdigheid van de rechter (‘impartial tribunal’). Deze onpartijdigheid behelst de afwezigheid van bevooroordeeldheid en vooringenomenheid. Het al dan niet bestaan daarvan kan op verschillende manieren worden getoetst. Het EHRM maakt onderscheid tussen een subjectieve toets en een objectieve toets. Bij de subjectieve toets wordt rekening gehouden met de persoonlijke overtuiging, het persoonlijke belang en het gedrag van een bepaalde rechter, dat wil zeggen of de rechter in een bepaalde zaak persoonlijke bevooroordeeldheid of vooringenomenheid koestert. Bij de objectieve toets wordt nagegaan of het gerecht zelf en onder meer de samenstelling van het gerecht, voldoende waarborgen bieden om gerechtvaardigde twijfel over de onpartijdigheid van het gerecht uit te sluiten.
Bij de objectieve toets moet worden nagegaan of er, afgezien van het gedrag van de rechter, feiten kunnen worden vastgesteld die twijfel over zijn onpartijdigheid kunnen doen rijzen. Dit betekent dat het standpunt van degene die stelt dat die onpartijdigheid ontbreekt belangrijk is, maar niet doorslaggevend bij de beoordeling of er in een bepaalde zaak een gegronde reden is om te vrezen dat een bepaalde rechter of het rechterlijk college partijdig is. Beslissend is of deze vrees als objectief gerechtvaardigd kan worden beschouwd. De objectieve toets heeft meestal betrekking op de uitoefening van verschillende functies binnen de gerechtelijke procedure door dezelfde persoon, of hiërarchische of andere banden tussen de rechter en andere actoren in de procedure, die objectief gezien twijfels rechtvaardigen over de onpartijdigheid van het gerecht, en dus op grond van de objectieve toets niet voldoen aan art. 6 lid 1 EVRM. Daarom moet in elk individueel geval worden beslist of de betrokken relatie van dien aard en omvang is dat zij wijst op een gebrek aan onpartijdigheid van het gerecht. In dit opzicht kan zelfs de schijn van vooringenomenheid van een zeker belang zijn."
Tegen de achtergrond van het voorgaande overweegt de wrakingskamer als volgt.
Uit de arresten van de Hoge Raad van 25 september 2019 (ECLI:NL:HR:2018:1413 en ECLI:NL:HR:2018:1770) volgt dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen meebrengt dat een rechterlijke (tussen)beslissing als zodanig, zowel een inhoudelijke als een processuele, nimmer grond kan vormen voor wraking; wraking is geen verkapt rechtsmiddel. De wrakingskamer komt geen oordeel toe over de juistheid van de (tussen)beslissing noch over het verzuim te beslissen. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak.
De wrakingskamer is van oordeel dat de wrakingsgronden die verzoeker aanvoert betrekking hebben op tussenbeslissingen. Deze beslissingen kunnen gelet op de voorgaande rechtsoverweging nimmer grond vormen voor wraking, ook niet bezien in cumulatie. Dit is uitsluitend anders indien de motivering van de (tussen)beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten – bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen – niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die de motivering heeft gegeven. De wrakingskamer is van oordeel dat hiervan geen sprake is. Daarbij is in het bijzonder nog meegewogen dat de raadsheren in de brief van 25 maart 2026 waarin het verzoek om uitstel is afgewezen hebben aangegeven dat de discussie over de volledigheid van het dossier het beste op een zitting kan worden gevoerd. Tijdens de zitting zal worden beslist of er aanleiding bestaat om één of beide partijen de opdracht te geven alsnog stukken in te brengen.
Gelet op het voorgaande zal het wrakingsverzoek worden afgewezen.
4. De beslissing
Het hof (de wrakingskamer):
wijst het wrakingsverzoek af;
beveelt de onverwijlde mededeling van deze beslissing aan verzoeker, de raadsheren en de inspecteur van de Belastingdienst.
Deze beslissing is gegeven door mrs. J.T.F.M. van Krieken (voorzitter), B.E.L.J.C. Verbunt en T. van de Woestijne, in tegenwoordigheid van mr. E. Royakkers, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 2 april 2026.