Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 12 september 2023, in de strafzaak met parketnummer 03-141464-22 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1985,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte veroordeeld ter zake van “medeplegen van zich gedragen in strijd met het voorschrift vastgesteld bij artikel 2.2, achtste lid, van de Wet dieren” ten aanzien van feit 1 (meermalen gepleegd) en feit 2. Aan de verdachte is een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, opgelegd en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met bijzondere voorwaarden en een proeftijd van 10 jaren.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen met aanvulling van de gronden en met uitzondering van de strafoplegging en de verdachte zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis, en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met de bijzondere voorwaarden zoals geformuleerd in het beroepen vonnis.
Door de verdediging is bepleit dat de verdachte wordt vrijgesproken van het hem onder 2 tenlastegelegde en dat hij partieel wordt vrijgesproken van het hem onder 1 tenlastegelegde. Voorts is een strafmaatverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop het berust, behalve voor wat betreft de strafoplegging. Tevens behoeft de bewijsvoering, mede gelet op hetgeen in hoger beroep aan de orde is gekomen, aanvulling.
Aanvullende bewijsoverweging
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van de onder 1 tenlastegelegde periode tussen 17 februari 2021 en 8 september 2021. Op basis van het dossier kan namelijk enkel voor de dagen 16 februari 2021 en 8 september 2021 worden vastgesteld dat er tekortkomingen waren in de noodzakelijke verzorging van de dieren, aldus de raadsvrouw. Bij de (her)controle op 11 maart 2021 was de situatie niet perfect, maar was er wel sprake van een duidelijke verbetering. Wanneer de nieuwe situatie van 8 september 2021 is ontstaan, kan bewijsrechtelijk niet eerder worden vastgesteld dan op 8 september 2021. Tevens vormt ook de betrokkenheid van de eigen dierenarts (zoals blijkt uit de overgelegde dierenartsrekeningen) een contra-indicatie voor het onthouden van de noodzakelijke zorg aan de dieren.
Verder heeft de raadsvrouw vrijspraak bepleit voor het onder 2 tenlastegelegde. Daartoe heeft zij het volgende aangevoerd. Dat er sprake was van een (bijt)wond bij één van de honden staat vast. De verdachte heeft echter een week voor de controle de eigen dierenarts ingeschakeld voor deze wond. Dat de wond binnen de week niet is verbeterd, dan wel is verslechterd, maakt nog niet dat daarmee vaststaat dat de hond de noodzakelijke medische zorg is onthouden. Ten aanzien van de bevinding van de NVWA- [dierenarts] – die stelt dat het behandeladvies van de eigen dierenarts niet is opgevolgd – brengt de raadsvrouw naar voren dat uit het dossier niet blijkt wat het behandeladvies inhield en waaruit zou blijken dat dit advies niet is opgevolgd.
Het hof overweegt als volgt.
Periode feit 1
Naar het oordeel van het hof kan het verweer met betrekking tot de tenlastegelegde periode reeds niet slagen, omdat de tenlastelegging inhoudt dat de verdachte “op tijdstippen in de periode van 16 februari 2021 tot en met 8 september 2021” de noodzakelijke verzorging aan zijn dieren heeft onthouden. Uit het dossier volgt dat er op 16 februari 2021, 8 september 2021 en 11 maart 2021 (ernstige) tekortkomingen zijn vastgesteld. Dat er tekortkomingen waren op de twee eerstgenoemde data hierboven (en daarmee op tijdstippen in de periode van 16 februari 2021 tot en met 8 september 2017) is niet betwist door de verdediging.
Voor zover de raadsvrouw heeft bepleit dat het inschakelen van de eigen dierenarts een contra-indicatie vormt voor het onthouden van de noodzakelijke zorg, overweegt het volgende.
Het hof verwijst naar de bewijsoverweging van de rechtbank waarin de situatie rondom het verblijf en de verzorging van de dieren wordt geschetst: “Zo waren veel verblijven vervuild met urine en ontlasting, waren veel verblijven onvoldoende ingericht op weersomstandigheden, waren hokken te klein, hadden honden een natte, vervuilde en vervilte vacht en of voetzolen, hadden honden tandaanslag en vieze oren en konden dieren zich in de verblijven verwonden. Verder werden kippen met kalkpoten aangetroffen, een zwangere teef met doorligwonden, een hond met huidinfectie, die, gelet op de omvang van de infectie, al weken of maanden ziek was en honden met diarree, zowel de pups als de moederdieren. Aan de dieren is naar het oordeel van de rechtbank ook de nodige veterinaire zorg onthouden.”
Verder stelt het hof vast dat de eigen dierenarts heeft aangegeven dat zij de verblijven nog nooit heeft gezien en dat de honden die zij behandelde altijd naar de keuken werden gebracht (politiedossier pagina 75).
Het hof is van oordeel dat de betrokkenheid van de dierenarts niet afdoet aan de tekortkomingen die zijn geconstateerd bij de verschillende controles en dat het inschakelen van de eigen dierenarts deze tekortkomingen ook niet heeft kunnen voorkomen. Bovendien kon de dierenarts ook niet op de hoogte zijn van de gehele situatie rondom het verblijf en de verzorging van de dieren, omdat zij de verblijven, zoals zij immers verklaarde, nooit heeft gezien.
Het hof verwerpt het verweer ten aanzien van feit 1 in al zijn onderdelen.
Onthouden medische zorg (feit 2)
Bij de controle op 16 februari 2021 troffen de inspecteurs een hond aan met een flinke wond. Deze hond was ongeveer één week daarvoor gebeten. De eigen dierenarts is op 16 februari 2021 bij de inspectie ter plaatse gekomen. Volgens deze dierenarts zag de wond er nu een stuk erger uit dan toen zij de wond voor het eerst zag. Verder volgt uit de verklaring van de NVWA- [dierenarts] , dat volgens de eigen dierenarts het behandeladvies voor de wond niet is opgevolgd (politiedossier pagina 75).
Het hof constateert op basis van deze stukken dat de verdachte weliswaar de eigen dierenarts heeft geraadpleegd over de wond en dat er een behandeladvies is gegeven door de eigen dierenarts, maar dat de verdachte en de medeverdachte het behandeladvies van deze eigen dierenarts niet hebben opgevolgd en dat de wond daarna verslechterde. Onder deze omstandigheden verwerpt het hof het verweer, dat er geen sprake was van het onthouden van de noodzakelijke zorg zoals tenlastegelegd onder feit 2.
Bewijsmiddelen
Naast de door de eerste rechter gebruikte bewijsmiddelen, komt bewezenverklaring mede te berusten op:
De veterinaire verklaring met betrekking tot de inspectie op 16 februari 2021, opgesteld door drs. [dierenarts] , senior inspecteur NVWA, politiedossier pagina 75, voor zover inhoudende:
Vraag 7: Is er contact geweest met eigen praktiserend dierenarts en/of externen? Toelichting.
Antwoord: Ja, de praktiserende dierenarts kwam tijdens de controle op locatie. Zij was geschrokken van de situatie. Ze gaf aan de verblijven nog nooit gezien te hebben, de honden, die ze behandelen moest werden altijd naar de keuken gebracht. Volgens haar had de dierhouder het behandeladvies voor de hond met de bijtwond op de rug niet opgevolgd.
Verder voegt het hof aan voetnoot 5 in het vonnis de paginanummers 82 en 85 toe.
Op te leggen sanctie
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
De verdachte heeft zich samen met zijn moeder schuldig gemaakt aan verwaarlozing van
dieren. Bij drie inspecties in en rondom de woning waar de verdachte en zijn moeder de dieren hielden, zijn ernstige misstanden geconstateerd. Uit de stukken komt een zeer zorgelijke situatie naar voren. Veel dieren hadden geen droge en schone schuilplaats en moesten in hun eigen urine en ontlasting staan en liggen. Veel dieren hadden geen toegang tot (schoon) drinkwater. Een groot deel van de honden had te weinig bewegings- en uitlaatmogelijkheden en er hing een indringende ammoniaklucht in bijna iedere ruimte. Adequate huisvesting en verzorging is vanuit welzijnsoogpunt van groot belang voor ieder dier. Dat dit grote gevolgen had voor veel dieren was duidelijk te zien aan hun lichamelijke conditie. Veel honden hadden een slecht gebit, een vervilte vacht, vieze oren, lange nagels en vervuilde ogen. Ook veel andere dieren waren in een slechte toestand; een groot aantal kippen had kalkpoten, een nandoe liep slecht wegens calciumgebrek en paarden en ezels hadden te lange hoeven.
Het houden van dieren is niet vrijblijvend. Wie dieren houdt, draagt daarvoor ook de
verantwoordelijkheid. De verdachte heeft de dieren de benodigde zorg onthouden en is in
diverse opzichten (zeer) ernstig tekortgeschoten in de verzorging van de van hem
afhankelijke dieren.
In het kader van de straftoemeting houdt het hof rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals ter terechtzitting in hoger beroep op 7 april 2026 gebleken waaronder:
Alles afwegende is het hof van oordeel dat een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met bijzondere voorwaarden in combinatie met een werkstraf voor de duur van 80 uren, te vervangen door 40 dagen hechtenis, passend en geboden is.
Het hof acht het van groot belang dat herhaling van de strafbare feiten, waardoor wederom groot dierenleed zou worden veroorzaakt, wordt voorkomen. Aan de voorwaardelijke gevangenisstraf zullen daarom de hierna te noemen voorwaarden worden verbonden om toekomstige controles op het dierenwelzijn gedurende langere tijd mogelijk te maken en om het risico te beperken dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat de gezondheid en het welzijn van dieren ernstig benadeelt. Een houdverbod ligt daarom in de rede. Het hof legt dit houdverbod op, op basis van de bepalingen die golden ten tijde van de bewezenverklaarde feiten. Dat wil zeggen dat het houdverbod wordt opgelegd als een bijzondere voorwaarde met de maximale proeftijd van 10 jaren. Met de advocaat-generaal overweegt het hof dat artikel 14b, derde lid, Sr weliswaar is vervallen bij het van kracht worden op 1 januari 2024 van een nieuwe strafmodaliteit in artikel 8.11a Wet dieren, maar dat, omdat die nieuwe strafmodaliteit niet als gunstiger kan worden beschouwd, het houdverbod in het onderhavige geval in het voordeel van de verdachte als bijzondere voorwaarde wordt opgelegd. Voorts zal het hof de dieren die ten tijde van de terechtzitting in hoger beroep op 7 april 2026 reeds in het bezit van de verdachte en de medeverdachte waren, uitzonderen van het houdverbod.
De onvoorwaardelijke werkstraf dient er mede toe aan de verdachte duidelijk te maken dat
zijn handelen laakbaar en strafbaar is geweest. Toepassing van een geheel voorwaardelijke straf, is derhalve niet aan de orde.
Redelijke termijn
De raadsvrouw heeft betoogd dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden en dat deze overschrijding moet worden verdisconteerd in de strafoplegging.
Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling op zitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsvrouw op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.
Het hof heeft geconstateerd dat namens de verdachte hoger beroep is ingesteld tegen het beroepen vonnis op 22 september 2023 en dat dit arrest – na twee eerdere schorsingen van het onderzoek op verzoek van de verdediging – is gewezen op 21 april 2026.
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen is de het hof van oordeel dat de redelijke termijn in hoger beroep weliswaar is overschreden met ongeveer 7 maanden, maar dat de hoogte van de op te leggen straf in de weg staat aan vermindering. Het hof volstaat daarom met de enkele constatering dat inbreuk is gemaakt op artikel 6, eerste lid, EVRM.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 10 (tien) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 10 (tien) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat:
arrest de identificerende gegevens (naam, chipnummer, geboortedatum, paspoort, naam van de dierenarts en de gegeven inentingen) van ieder van de bovengenoemde dieren zal overleggen aan de Landelijke inspectiedienst Dierenbescherming, dan wel -indien de verdachte niet over al die gegevens beschikt- deze dienst in de gelegenheid zal stellen deze dieren ter verkrijging van de nodige gegevens zelf te identificeren ten behoeve van toekomstige inspecties;
de verdachte zal meewerken aan controles van de Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming en/of de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit en/of de politie om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden;
geeft opdracht aan de Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming om toezicht te houden op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door:
mr. drs. M.C.C. van de Schepop, voorzitter,
mr. S.V. Pelsser en mr. C.N.G.M. Starmans, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. R.R.A.C. Dinnissen, griffier,
en op 21 april 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. C.N.G.M. Starmans is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.