Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
[verdachte]
Parketnummer : 20-002640-23
Uitspraak : 21 april 2026
TEGENSPRAAK
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 12 september 2023, in de strafzaak met parketnummer 03-141465-22 tegen:
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1949,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte veroordeeld ter zake van “medeplegen van zich gedragen in strijd met het voorschrift vastgesteld bij artikel 2.2, achtste lid, van de Wet dieren” ten aanzien van feit 1 (meermalen gepleegd) en feit 2. Aan de verdachte is een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, opgelegd en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met bijzondere voorwaarden en een proeftijd van 10 jaren.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen met aanvulling van de gronden en met uitzondering van de strafoplegging en de verdachte zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 50 uren, subsidiair 25 dagen hechtenis, en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met de bijzondere voorwaarden zoals geformuleerd in het beroepen vonnis.
Door de verdediging is primair bepleit dat de verdachte wordt vrijgesproken van het haar tenlastegelegde onder 1 en 2. Subsidiair is een strafmaatverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop het berust, behalve voor wat betreft de strafoplegging. Tevens behoeft de bewijsvoering, mede gelet op hetgeen in hoger beroep aan de orde is gekomen, aanvulling.
Aanvullende bewijsoverweging
Feiten 1 en 2
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit voor de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten wegens onvoldoende bewijs voor medeplegen. De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat de feitelijke en organisatorische verantwoordelijkheid voor de hondenfokkerij en de overige dieren volledig bij de medeverdachte lag. Het feit dat bij de controles is gezien dat de verdachte wat ontlasting wegspoot in werkkleding, is onvoldoende om medeplegen vast te kunnen stellen. De verdachte heeft bij de controles enkel ondergeschikte, reactieve handelingen verricht die passen binnen een familie- en woonsituatie. Deze omstandigheden duiden niet op zeggenschap, initiatief of op bewuste samenwerking. Evenmin is sprake van een gelijkwaardige rol. Gelet hierop kan niet worden vastgesteld dat de verdachte een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd, noch dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking.
Feit 2
Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsvrouw voorts bepleit, dat het onthouden van medische zorg aan één specifieke hond niet bewezen kan worden. Dat er sprake was van een (bijt)wond bij één van de honden staat vast. De medeverdachte heeft echter een week voor de controle de eigen dierenarts ingeschakeld voor deze wond. Dat de wond binnen deze week niet is verbeterd, dan wel is verslechterd, maakt nog niet dat daarmee vaststaat dat de hond de noodzakelijke medische zorg is onthouden.
Voorts heeft de raadsvrouw verweer gevoerd in kader van de stelling van de NVWA- [dierenarts] , dat een behandeladvies van de eigen dierenarts niet zou zijn opgevolgd. De raadsvrouw heeft aangevoerd dat onduidelijk is wat het behandeladvies inhield en hoe gebleken is dat dit niet is opgevolgd. Tevens wordt het niet opvolgen van het behandeladvies niet verklaard door de [eigen dierenarts] zelf, noch bevestigd door de verdachte of de medeverdachte.
De raadsvrouw concludeert derhalve dat er onvoldoende bewijs is voor het onthouden van medische zorg en heeft derhalve (ook om deze reden) vrijspraak bepleit voor het onder 2 tenlastegelegde.
Het hof overweegt als volgt.
Medeplegen (feit 1 en 2)
Het hof verenigt zich met de overweging van de rechtbank omtrent het medeplegen. In het kader van de leesbaarheid neemt het hof de betreffende overweging van de rechtbank hieronder op.
“De verdachte heeft op zitting verklaard dat de fokkerij (en de dieren) van haar zoon was c.q. waren. [medeverdachte] is dan ook in ieder geval als houder van de dieren te beschouwen. Uit het dossier volgt voorts dat de hondenfokkerij was gevestigd op het perceel aan de [adres] , zijnde het woonadres van verdachte, waar eveneens de overige dieren verbleven. Uit het dossier blijkt verder dat zich ook honden bevonden in de woning van verdachte en dat [medeverdachte] samen met verdachte de dieren verzorgde. Dit laatste volgt uit de bevindingen tijdens de controles: diverse malen is geconstateerd dat verdachte actief was bij de verzorging van de honden; zij droeg werkkleding en begaf zich in de rennen om aldaar ontlasting te verwijderen. Deze bevindingen vinden steun in het rapport van [inspecteurs] waarin verslag wordt gedaan van een gesprek met [naam] , die verklaarde dat verdachte meehielp bij het verzorgen van de dieren. Nu zowel verdachte als [medeverdachte] een wezenlijke rol hadden in de verzorging van de dieren is naar het oordeel van de rechtbank sprake van medeplegen en moet ook verdachte als houder van de dieren worden aangemerkt.”
Voorts overweegt het hof dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep op 7 april 2026 heeft verklaard dat zij af en toe heeft meegeholpen met de verzorging van de dieren.
Ten aanzien van de vraag of de verdachte als houder van de dieren kan worden aangemerkt, wijst het hof op de volgende passage uit de wetsgeschiedenis (memorie van toelichting bij de Wet aanpak dierenmishandeling en dierenverwaarlozing, dossiernummer 35892, nr. 3, vergaderjaar 2020-2021):
“Het houden van dieren kan eigendom impliceren, maar dit civielrechtelijke begrip is niet doorslaggevend voor de vraag of een houdverbod kan worden opgelegd. Met het oog op de bescherming van dierenwelzijn moet worden voorkomen dat de verdachte op enigerlei wijze dieren zodanig in zijn beschikkingsmacht heeft of krijgt dat het mogelijk wordt die dieren pijn of letsel toe te brengen of het welzijn van die dieren aan te tasten. Het is hiervoor niet noodzakelijk dat de verdachte in juridische zin eigenaar is. Ook het (al dan niet op verzoek van iemand anders) verzorgen of anderszins onder zich hebben van dieren valt onder de reikwijdte van deze bepaling.”
Op basis van de wetsgeschiedenis en de hierboven vermelde feiten en omstandigheden, merkt het hof de verdachte aan als houder in de zin van (artikel 2.2, achtste lid, van) de Wet dieren. De verdachte had de dieren immers onder zich in haar woning en/of op haar erf en zij heeft meerdere keren meegeholpen met de verzorging van de dieren. Nu de verdachte (samen met de medeverdachte) als houder van de dieren kan worden aangemerkt, kan het tenlastegelegde medeplegen onder feit 1 en 2 naar het oordeel van het hof wettig en overtuigend worden bewezen. Het hof verwerpt het andersluidende verweer.
Onthouden medische zorg (feit 2)
Bij de controle op 16 februari 2021 troffen de inspecteurs een hond aan met een flinke wond. Deze hond was ongeveer één week daarvoor gebeten. De eigen dierenarts is op 16 februari 2021 bij de inspectie ter plaatse gekomen. Volgens deze dierenarts zag de wond er nu een stuk erger uit dan toen zij de wond voor het eerst zag. Verder volgt uit de verklaring van de NVWA- [dierenarts] , dat volgens de eigen dierenarts het behandeladvies voor de wond niet is opgevolgd (politiedossier pagina 75). De eigen dierenarts heeft geen eigen getuigenverklaring willen afleggen (zo volgt uit het dossier), maar zij was wel ter plaatse bij de inspectie op 16 februari 2021. De NVWA- [dierenarts] heeft in de veterinaire verklaring onder vraag 7 de bevindingen uit het contact met de eigen praktiserend dierenarts opgenomen, waaronder de mededeling van de eigen dierenarts dat de dierhouder het behandeladvies voor de hond met de bijtwond op de rug niet had opgevolgd.
Het hof constateert op basis van deze stukken dat de medeverdachte weliswaar de eigen dierenarts heeft geraadpleegd over de wond en dat er een behandeladvies is gegeven, maar dat de verdachte en de medeverdachte het behandeladvies van de dierenarts niet hebben opgevolgd en dat de wond daarna verslechterde. Onder deze omstandigheden verwerpt het hof het verweer, dat er geen sprake was van het onthouden van de noodzakelijke zorg zoals tenlastegelegd onder feit 2.
Bewijsmiddelen
Naast de door de eerste rechter gebruikte bewijsmiddelen, komt bewezenverklaring mede te berusten op:
1
De verklaring van de verdachte ter terechtzitting van dit hof op 7 april 2026, voor zover inhoudende:
U houdt mij voor dat de inspectie bij de controle heeft gezien dat ik ook aan het werk was bij de dieren. Ik hielp af en toe.
(…)
U houdt mij voor dat getuige [naam] bij een controle heeft medegedeeld dat ik samen met mijn zoon in de fokkerij werk en dat ik dit bij de rechtbank heb ontkend. Ik hielp af en toe mee.
2
De veterinaire verklaring met betrekking tot de inspectie op 16 februari 2021, opgesteld door drs. [dierenarts] , senior inspecteur NVWA, politiedossier pagina 75, voor zover inhoudende:
Vraag 7: Is er contact geweest met eigen praktiserend dierenarts en/of externen? Toelichting.
Antwoord: Ja, de praktiserende dierenarts kwam tijdens de controle op locatie. Zij was geschrokken van de situatie. Ze gaf aan de verblijven nog nooit gezien te hebben, de honden, die ze behandelen moest werden altijd naar de keuken gebracht. Volgens haar had de dierhouder het behandeladvies voor de hond met de bijtwond op de rug niet opgevolgd.
Verder voegt het hof aan voetnoot 5 in het vonnis de paginanummers 82 en 85 toe.
Op te leggen sanctie
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
De verdachte heeft zich samen met haar zoon schuldig gemaakt aan verwaarlozing van
dieren. Bij drie inspecties in en rondom de woning waar de verdachte de dieren hield, zijn
ernstige misstanden geconstateerd. Uit de stukken komt een zeer zorgelijke situatie naar
voren. Veel dieren hadden geen droge en schone schuilplaats en moesten in hun eigen urine
en ontlasting staan en liggen. Veel dieren hadden geen toegang tot (schoon) drinkwater. Een
groot deel van de honden had te weinig bewegings- en uitlaatmogelijkheden en er hing een
indringende ammoniaklucht in bijna iedere ruimte. Adequate huisvesting en verzorging is
vanuit welzijnsoogpunt van groot belang voor ieder dier. Dat dit grote gevolgen had voor
veel dieren was duidelijk te zien aan hun lichamelijke conditie. Veel honden hadden een
slecht gebit, een vervilte vacht, vieze oren, lange nagels en vervuilde ogen. Ook veel andere
dieren waren in een slechte toestand; een groot aantal kippen had kalkpoten, een nandoe liep
slecht wegens calciumgebrek en paarden en ezels hadden te lange hoeven.
Het houden van dieren is niet vrijblijvend. Wie dieren houdt, draagt daarvoor ook de
verantwoordelijkheid. De verdachte heeft de dieren de benodigde zorg onthouden en is in
diverse opzichten (zeer) ernstig tekortgeschoten in de verzorging van de van haar
afhankelijke dieren.
In het kader van de straftoemeting houdt het hof rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals ter terechtzitting in hoger beroep op 7 april 2026 gebleken waaronder:
Alles afwegende is het hof van oordeel dat een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met bijzondere voorwaarden in combinatie met een werkstraf voor de duur van 20 uren, te vervangen door 10 dagen hechtenis, passend en geboden is.
Het hof acht het van groot belang dat herhaling van de strafbare feiten, waardoor wederom groot dierenleed zou worden veroorzaakt, wordt voorkomen. Aan de voorwaardelijke gevangenisstraf zullen daarom de hierna te noemen voorwaarden worden verbonden om toekomstige controles op het dierenwelzijn gedurende langere tijd mogelijk te maken en om het risico te beperken dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat de gezondheid en het welzijn van dieren ernstig benadeelt. Een houdverbod ligt daarom in de rede. Het hof legt dit houdverbod op, op basis van de bepalingen die golden ten tijde van de bewezenverklaarde feiten. Dat wil zeggen dat het houdverbod wordt opgelegd als een bijzondere voorwaarde met de maximale proeftijd van 10 jaren. Met de advocaat-generaal overweegt het hof dat artikel 14b, derde lid, Sr weliswaar is vervallen bij het van kracht worden op 1 januari 2024 van een nieuwe strafmodaliteit in artikel 8.11a Wet dieren, maar dat, omdat die nieuwe strafmodaliteit niet als gunstiger kan worden beschouwd, het houdverbod in het onderhavige geval in het voordeel van de verdachte als bijzondere voorwaarde wordt opgelegd. Voorts zal het hof de dieren die ten tijde van de terechtzitting in hoger beroep op 7 april 2026 reeds in het bezit van de verdachte en de medeverdachte waren, uitzonderen van het houdverbod.
De onvoorwaardelijke werkstraf dient er mede toe aan de verdachte duidelijk te maken dat
haar handelen laakbaar en strafbaar is geweest. Toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht of het afzien van een onvoorwaardelijke straf, is derhalve niet aan de orde. Het hof is voorts niet gebleken dat de verdachte geen taakstraf kan uitvoeren.
Redelijke termijn
De raadsvrouw heeft betoogd dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden en dat deze overschrijding moet worden verdisconteerd in de strafoplegging.
Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling op zitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte en/of haar raadsvrouw op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.
Het hof heeft geconstateerd dat namens de verdachte hoger beroep is ingesteld tegen het beroepen vonnis op 22 september 2023 en dat dit arrest – na twee eerdere schorsingen in hoger beroep op verzoek van de verdediging – is gewezen op 21 april 2026.
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen is de het hof van oordeel dat de redelijke termijn in hoger beroep weliswaar is overschreden met ongeveer 7 maanden, maar dat de hoogte van de op te leggen straf in de weg staat aan vermindering. Het hof volstaat daarom met de enkele constatering dat inbreuk is gemaakt op artikel 6, eerste lid, EVRM.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 10 (tien) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 10 (tien) jaren ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat:
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 20 (twintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door:
mr. drs. M.C.C. van de Schepop, voorzitter,
mr. S.V. Pelsser en mr. C.N.G.M. Starmans, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. R.R.A.C. Dinnissen, griffier,
en op 21 april 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. C.N.G.M. Starmans is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.