ECLI:NL:GHSHE:2026:1110

ECLI:NL:GHSHE:2026:1110

Instantie Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak 23-04-2026
Datum publicatie 23-04-2026
Zaaknummer 20-000563-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBOBR:2025:1013

Samenvatting

Het hof veroordeelt de verdachte wegens doodslag tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar met aftrek van voorarrest en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 10 jaar met aftrek van de tijd dat het rijbewijs ingevorderd of ingehouden is geweest.

Uitspraak

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 20 februari 2025, in de strafzaak met parketnummer 01-250361-24 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2002,

wonende te [adres 1] .

Hoger beroep

De rechtbank heeft de verdachte, bij vonnis waarvan beroep, vrijgesproken van de primair tenlastegelegde ‘doodslag’ en de verdachte ter zake van het subsidiair tenlastegelegde, te weten ‘overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Voorts heeft de rechtbank aan de verdachte een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van drie jaren, met aftrek van de tijd dat de verdachte zijn rijbewijs al heeft ingeleverd, opgelegd.

De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het primair tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte ter zake daarvan zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de verdachte een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen zal opleggen voor de duur van tien jaren, met aftrek van de tijd dat de verdachte zijn rijbewijs al heeft ingeleverd.

De verdediging heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van het primair tenlastegelegde. Voor wat betreft de bewezenverklaring van het subsidiair tenlastegelegde heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. Voorts heeft zij een straftoemetingsverweer gevoerd.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 2 augustus 2024 te Milheeze, gemeente Gemert-Bakel, [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door met een personenauto rijdend over de [locatie] te rijden met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximum snelheid van 80 kilometer per uur en/of (vervolgens) met deze hoge snelheid tegen de voor hem in gelijke richting rijdende personenauto (waarin zich genoemde [slachtoffer] bevond) te rijden;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 2 augustus 2024 te Milheeze, gemeente Gemert-Bakel, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, [locatie] , zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,

- na gebruik van een in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stof als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten, morfine, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994, het gehalte in zijn bloed van de bij die stof vermelde meetbare stof 24 microgram morfine per liter bloed bedroeg, zijnde hoger dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit bij die stof vermelde grenswaarde,

-te rijden met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane snelheid van 80 kilometer per uur en/of (vervolgens) met deze hoge snelheid tegen een voor hem, in gelijke richting, rijdende personenauto te rijden en/of te botsen, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] , inzittende van deze personenauto) werd gedood, terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste, tweede, derde, vierde of vijfde lid van de Wegenverkeerswet 1994, dan wel na het feit niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, zevende of negende lid van genoemde wet.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 2 augustus 2024 te Milheeze, gemeente Gemert-Bakel, [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door met een personenauto rijdend over de [locatie] te rijden met een aanzienlijk hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximum snelheid van 80 kilometer per uur en vervolgens met deze hoge snelheid tegen de voor hem in gelijke richting rijdende personenauto (waarin zich genoemde [slachtoffer] bevond) te rijden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Ten behoeve van de leesbaarheid van dit arrest zijn de bewijsmiddelen opgenomen in de aan dit arrest gehechte bijlage. De bewijsmiddelen maken integraal deel uit van dit arrest.

Bewijsoverwegingen

De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Het standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat het hof het onder 1 primair tenlastegelegde bewezen zal verklaren. De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het rijgedrag van de verdachte veel beter past bij een vorm van opzet, dan bij een vorm van schuld. De verdachte is immers met extreme snelheid recht achterop een voorligger gereden, zonder ook maar iets te doen om (te trachten) de botsing te voorkomen of de gevolgen daarvan af te wenden. Uit het feitelijke rijgedrag van de verdachte moet dan ook worden afgeleid dat hij zich - minst genomen - op geen enkele manier heeft bekommerd om de gevolgen van zijn rijgedrag voor anderen. Met dit soort onverschillig rijgedrag wordt het belang van de ervaringsregel uit het Porsche-arrest, een zaak waarin van een dergelijke onverschilligheid vanwege het herhaaldelijk afbreken van inhaalmanoeuvres nu juist niet bleek, naar de achtergrond gedrongen. Daar komt bij dat er duidelijke aanwijzingen zijn dat de algemene ervaringsregel uit het Porsche-arrest hier niet opgaat. Er zijn immers aanwijzingen dat de verdachte in ieder geval op dat moment zijn leven niet erg waardevol meer vond, aldus de advocaat-generaal.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit van het primair tenlastegelegde. Daartoe is – op gronden zoals verwoord in de pleitnota – aangevoerd dat de verdachte geen opzet – vol noch in voorwaardelijke vorm – heeft gehad op het veroorzaken van een dodelijk ongeluk. Het is geen logische conclusie dat de verdachte zich van het leven wilde beroven. De aanrijding vond immers plaats met een voertuig dat in dezelfde richting reed als de verdachte en niet met een automobilist die in tegengestelde richting reed, of met bijvoorbeeld een naast de weg staande boom. Het is hierbij voorts van belang in aanmerking te nemen dat de verdachte hoop had zijn relatie te herstellen, hij zijn auto voorafgaand aan het ongeval APK heeft laten keuren en hij zijn autogordel droeg. Het zijn indicaties die eerder passen bij het idee dat de verdachte zich niet van het leven wilde beroven, dan dat hij dat wél wilde. Daarnaast heeft de verdediging betoogd dat door de verdachte – voorafgaand aan het ongeval - geen uitlatingen zijn gedaan die de conclusie objectiveren dat hij onverschillig stond tegenover de mogelijkheid bij de aanrijding zelf te overlijden. De verklaringen die de verdachte bij de politie en ter terechtzitting heeft afgelegd, wijzen juist op het tegendeel. Ook het ontwijken van verkeersdeelnemers voorafgaand aan het ongeval wijst daar op. Uit de communicatie met [getuige 1] kan niet worden afgeleid dat de verdachte een ongeluk zou willen veroorzaken. De berichten die de verdachte aan [getuige 1] heeft verzonden, kunnen immers worden geduid op de wijze zoals de verdachte stelt ze te hebben bedoeld, namelijk: het trekken van [getuige 1] ’s aandacht. Wat de verdachte wel deed, was te hard rijden. Dat is echter onvoldoende om te concluderen dat hij onverschillig stond tegenover het verliezen van zijn eigen leven. Voor zover wordt aangenomen dat de verdachte zich tijdens het rijden bewust was van een aanmerkelijke kans om een dodelijk ongeval te veroorzaken, kan niet worden geconcludeerd dat hij die kans op de koop heeft toegenomen. Gegeven alle omstandigheden van het geval lijkt het ongeval te zijn ontstaan door een combinatie van vermoeidheid, emotie en het rijden met een veel te hoge snelheid, aldus de raadsman.

Het oordeel van het hof

Op basis van de door het hof gebezigde bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang bezien – stelt het hof allereerst de navolgende feiten en omstandigheden vast. Bij de beoordeling van de hiervoor vermelde verweren van de verdediging zal het hof van die feiten en omstandigheden uit gaan.

De feiten en omstandigheden

In de nacht van 1 op 2 augustus 2024 heeft [getuige 1] , verdachtes voormalige vriendin, haar relatie met de verdachte verbroken. Blijkens de getuigenverklaring van [getuige 1] (hierna: [getuige 1] ) heeft de verdachte toen gedreigd zichzelf dood te zullen rijden. Reeds eerder in de relatie zou de verdachte ooit hebben gezegd zijn leven te beëindigen als de relatie verbroken zou worden.

Die nacht, omstreeks 01:30 uur, nadat de verdachte en [getuige 1] elkaar op zijn verzoek hadden gesproken en in welk gesprek [getuige 1] had duidelijk gemaakt de relatie te willen beëindigen, stuurde de verdachte [getuige 1] de volgende chat-berichten: ‘Watch my location after and call the cops. They won't catch me. And if u call them now and I see police lights. I will do it harder. If I get in a wheelchair. Take care of me. If not. Tell my mom. Goodbye [getuige 1] . I’m scared. I don’t think I can do it. I will. I’m shaking o (I) don’t wanna do it. Don’t let me die.’ Daarna vraagt [getuige 1] hem haar met rust te laten en haar wens te respecteren. Niettemin is de verdachte na een paar uren die ochtend vroeg weer begonnen met het sturen van berichten naar [getuige 1] . Hij heeft daarin ook laten weten (omstreeks 10:50 uur) dat hij wist dat [getuige 1] (na haar rijles) bij haar moeder thuis was afgezet en dat haar vader haar daar zou ophalen.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij die nacht nog hoop had dat de relatie hersteld zou worden. De volgende ochtend werd hem echter duidelijk dat de relatie voorgoed ten einde was. Die ochtend (omstreeks 10:11 uur) liet de vader van [getuige 1] , middels een Whatsappbericht, weten dat de verdachte geen contact meer met hem, of een van zijn dochters, op diende te nemen. De vader sloot het bericht af met de mededeling dat hij de verdachte zou blokkeren. Naar aanleiding van dit bericht nam de verdachte contact met [getuige 1] op. Hij liet haar onder meer weten: ‘Ur dad is so mad and he doesn't forgive me. I don't know what to do. I'm lost’ (omstreeks 10:25 uur). Vervolgens (omstreeks 10:55 uur) maakt [getuige 1] hem duidelijk dat het haar eigen beslissing is dat ze het hem eigenlijk afgelopen nacht al had verteld dat ze de relatie verbrak: ‘That’s why you wanted to kill urself”. [getuige 1] zegt hem dat ze wel degelijk goede redenen heeft de relatie te beëindigen terwijl de verdachte dat weerspreekt en de berichten verstuurt: ‘I will end this all. So forever – Until we die – You won’t be my wife, my mommy, my soulmate and best friend? Ever again? But so no hope anymore?’ (vanaf omstreeks 10:56 tot 10:57 uur).

De verdachte is in de loop van de ochtend in zijn BMW [model] voorzien van het kenteken [kenteken 1] , richting het huis van de moeder van [getuige 1] gereden en is tegenover het huis in zijn auto blijven wachten. [getuige 1] zou daar, na haar rijles, door haar vader worden opgehaald, hetgeen de verdachte bekend was. De verdachte heeft verklaard dat hij in een zijstraat van en nabij de rotonde is gaan staan omdat hij niet wilde dat [getuige 1] vader hem al zou zien. Om 11:02:20 uur stuurt de verdachte [getuige 1] het berichtje dat haar vader hem (toch) heeft gezien. De verdachte was bang dat, als de vader hem al zou zien, hij op straat ‘halverwege’ zou stoppen en de verdachte niet in staat zou worden gesteld om zijn spullen die nog in het huis van vader op het woonpark lagen, op te halen. [getuige 1] stuurde om 11:02:46 uur het bericht terug dat haar vader was gearriveerd, en om 11:03:01 dat ze vertrok. Omstreeks 11:03 uur bericht de verdachte: ‘Is anything I can do – To have a chance – Ever again?’ En een minuut later: ‘Watch me’ met daaraan toegevoegd twee hartjes.

De verdachte heeft voorts verklaard dat, nadat [getuige 1] en haar vader vertrokken en de rotonde opreden, hij vanuit zijn parkeerplek ook is gaan rijden. Op de rotonde heeft hij bewust twee auto’s voor hem laten rijden. Naar eigen zeggen deed hij dit omdat hij niet te dicht achter de vader aan wilde rijden. De kans dat de vader hem dan al gauw zou zien en zou stoppen, aldus de verdachte, zou dan immers groter zijn. Hierna is de verdachte – op afstand – achter het voertuig van de vader aan gereden.

Getuige [getuige 2] , komende vanuit Bakel en rijdende richting de rotonde, heeft verklaard dat een BMW (het hof begrijpt telkens: het voertuig van de verdachte) hem tegemoet kwam en plotseling voor zijn auto naar links afsloeg waardoor hij moest afremmen. De BMW keerde op de weg als het ware. Vervolgens bleef de BMW daar staan, liet de getuige richting de rotonde rijdend voorgaan en ging daarna achter het voertuig van de getuige aan rijden. Kort na de rotonde werd [getuige 2] ingehaald door de BMW. Tijdens die inhaalactie moest een tegemoetkomende quad zijn snelheid inhouden. De BMW ging vervolgens weer naar de rechterrijstrook en accelereerde flink. Getuige [getuige 2] verklaarde dat er flinke rookwolken uit de uitlaat kwamen en de BMW zeker harder dan 100 kilometer per uur moet hebben gereden.

Een soortgelijk beeld met betrekking tot de inhaalmanoeuvre komt naar voren uit de getuigenverklaring van [getuige 3] . [getuige 3] heeft verklaard dat een BMW hem, net als de auto achter hem, met hoge snelheid inhaalde. De getuige verklaarde dat de BMW vervolgens met hoge snelheid over een verhoging in het wegdek reed, als gevolg waarvan de auto even van de grond loskwam. De BMW zou minimaal 100 of 120 kilometer per uur hebben gereden. De verdachte heeft hieromtrent ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat, nadat hij over de verkeersdrempel was gereden, zijn wielen met een klap tegen de weg sloegen. [getuige 3] verklaarde voorts dat de bestuurder van de quad, die zich op de linkerrijstrook bevond, een beetje moest uitwijken om een aanrijding met de BMW te voorkomen.

Het hof stelt vast dat de verdachte omstreeks 11:04 uur vanaf de rotonde te Bakel fel accelererend over de openbare weg Roessel die overgaat in de [locatie] , in de richting van Milheeze is gaan rijden. Gaandeweg die rit heeft een beveiligingscamera behorend bij perceel [adres 2] de BMW van de verdachte geregistreerd. Aan de hand van die camerabeelden is over een deel van het door de verdachte met zijn BMW gereden traject de snelheid berekend en is vastgesteld dat het eerste gedeelte van die afstand werd gereden met een snelheid van 171 km/uur en het tweede gedeelte met een snelheid van 176 km/uur; op dat deel van het door de verdachte gereden traject – relatief kort voordat de aanrijding plaats vond - was hij nog steeds aan het accelereren.

Omstreeks 11:05 uur reed de verdachte over de [locatie] . Op de [locatie] , ter hoogte van huisnummer [huisnummer] , heeft een aanrijding plaatsgevonden, waarbij de verdachte, als bestuurder van de BMW, en de Opel [model 2] met het kenteken [kenteken 2] , met daarin de heer [slachtoffer] , waren betrokken. De verdachte is rijdende op de rechterrijstrook met de voorzijde van zijn auto recht achterop de auto van de heer [slachtoffer] gereden. De Opel werd hierdoor naar de linkerzijde van rijbaan gelanceerd, botste tegen een lantaarnpaal en kwam uiteindelijk op een fietspad naast de rijbaan tot stilstand. De auto van [slachtoffer] brandde volledig uit. Hierbij kwam de heer [slachtoffer] om het leven. De verdachte reed op dat moment ongeveer 174 kilometer per uur, terwijl de maximumsnelheid ter plaatse 80 kilometer per uur betrof. Vastgesteld is dat de verdachte op geen enkel moment heeft geremd, of een (noemenswaardige) stuurbeweging heeft gemaakt teneinde de Opel te ontwijken. Kort voor het fatale ongeluk stuurde de verdachte de volgende berichten naar [getuige 1] : ‘To have a chance. Ever Again?’ (omstreeks 11:03 uur) gevolgd door ‘Watch me’ (omstreeks 11:04 uur).

Juridisch kader

De verdachte wordt onder feit 1 primair doodslag tenlastegelegd. Voor een bewezenverklaring van doodslag moet wettig en overtuigend bewezen kunnen worden dat de verdachte met zijn rijgedrag de heer [slachtoffer] opzettelijk heeft gedood. De verdachte wordt onder feit 1 subsidiair tenlastegelegd, indien doodslag niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dood door schuld, door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend rijgedrag, onder strafverzwarende omstandigheden.

Opzettelijk iemand doden impliceert dat de verdachte door zijn rijgedrag gewild en geweten heeft dat daardoor iemand om het leven zou komen, dan wel dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden dan wel bewust de aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer heeft aanvaard of op de koop heeft toegenomen (zogenoemd ‘voorwaardelijk opzet’). Dat de verdachte niet specifiek een bedoeling had in de betekenis van motief bij zijn handelen of dat een specifieke bedoeling dan wel wat hij uiteindelijk met zijn handelen heeft willen bereiken niet is komen vast te staan, staat aan de bewezenverklaring van het opzet niet in de weg (vgl. HR 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1769, rov. 3.3.).

Voor het subsidiair tenlastegelegde dood door schuld in het verkeer, door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend rijgedrag, onder strafverzwarende omstandigheden, moet wettig en overtuigend bewezen worden dat de verdachte met zijn roekeloze dan wel zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend rijgedrag de heer [slachtoffer] heeft gedood.

Op grond van bestendige rechtspraak ligt de ondergrens van het begrip ‘schuld’ in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 bij een aanmerkelijke mate van onvoorzichtigheid en/of onachtzaamheid en/of onoplettendheid, ook wel omschreven als ‘aanmerkelijke schuld’. Het komt er daarbij op aan of de verdachte tekortschoot in vergelijking met een gemiddelde andere persoon in vergelijkbare omstandigheden en met een vergelijkbare hoedanigheid. Eveneens kan uit deze rechtspraak worden afgeleid dat voor de beoordeling of de schuld van de verdachte aan het verkeersongeval uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid, de afweging gebaseerd dient te zijn op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Dat heeft tot gevolg dat in zijn algemeenheid niet valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van aanmerkelijke onoplettendheid en/of onachtzaamheid en dus van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, omdat daarvoor ook andere factoren van belang zijn, zoals de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Echter, duidelijk is dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin (vgl. onder meer HR 1 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5822/NJ 2005, 252; HR 5 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2208/NJ 2011, 172; HR 4 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3105; HR 2 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:128 en HR 15 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1398, rov. 2.6.1 en 2.6.2).

Voor bewezenverklaring van roekeloosheid bij het subsidiair tenlastegelegde dood door schuld dient te worden vastgesteld dat de verdachte zeer onvoorzichtig rijgedrag heeft vertoond waarbij welbewust met ernstige gevolgen onaanvaardbare risico’s zijn genomen. Het betreft handelen dat niet slechts aanmerkelijk onvoorzichtig is, maar blijk geeft van een zeer ernstig gebrek aan zorgvuldigheid (zie Kamerstukken II 2001-02, 28 484, nr. 3, p. 10-12). Met de op 1 januari 2020 in werking getreden Wet aanscherping strafrechtelijke aansprakelijkheid ernstige verkeerdelicten (Stb. 2019, 413) is de reikwijdte van ‘roekeloosheid’ als vorm van schuld via artikel 175, tweede lid, Wegenverkeerswet 1994 (tevens) gekoppeld aan artikel 5a Wegenverkeerswet. De vaststelling dat sprake is van opzettelijk zeer gevaarlijk rijgedrag als bedoeld in artikel 5a Wegenverkeerswet 1994, dat heeft geleid tot een verkeersongeval met dodelijke afloop of letsel kan vervolgens dienen ter vaststelling dat sprake is van roekeloosheid als bedoeld in artikel 175, tweede lid, Wegenverkeerswet 1994. Dit betekent in essentie dat bepaald welbewust zeer gevaarlijk rijgedrag in elk geval de zwaarste vorm van schuld (roekeloosheid) oplevert als die gedragingen het gevolg hebben veroorzaakt, terwijl de verdachte zich bewust had moeten zijn van het ernstige gevaar dan wel zich bewust was van de mogelijkheid van het gevolg, maar ernstig verwijtbaar (en naar is gebleken ten onrechte) heeft geoordeeld dat het wel goed zou aflopen (zie Kamerstukken II 2018-19, 35 086, nr. 3, p. 8 en 14-15 en HR 15 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1405, rov. 2.7.1-2.7.4).

Het hof dient tegen deze juridische achtergrond te bepalen welk strafbaar feit het in casu bewezen acht. Het hof stelt daarbij het volgende voorop. De strafrechter die over de feiten oordeelt, beslist wat hij van het beschikbare bewijsmateriaal betrouwbaar en bruikbaar vindt en aan welk bewijsmateriaal hij geen waarde toekent. De feitenrechter hoeft deze beslissingen over de selectie en waardering van het bewijsmateriaal niet te motiveren, behalve in bijzondere gevallen. Bij de beoordeling van het beschikbare bewijsmateriaal kan de feitenrechter volgens bestendige jurisprudentie betekenis toekennen aan onder meer de onderlinge samenhang van dit bewijsmateriaal en de mate waarin bewijsmateriaal steun vindt in ander bewijsmateriaal (vgl. o.a. HR 4 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5061 en meer recent HR 17 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:452 en 454 en HR 4 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:498).

Ten aanzien van de vraag of de verkeersgedraging van de verdachte doodslag oplevert, zoals de advocaat-generaal heeft gesteld, overweegt het hof als volgt.

Zoals hiervoor reeds aangegeven gaat het bij voorwaardelijk opzet om de afweging of de verdachte bewust de aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer heeft aanvaard of op de koop heeft toegenomen. Deze afweging vergt dat wordt nagegaan of er door het rijgedrag van de verdachte en de omstandigheden waaronder dit plaatsvond ten tijde van het incident; a) een aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer bestond, b) of de verdachte zich bewust was van deze aanmerkelijke kans en c) of hij die kans willens en wetens of bewust heeft aanvaard dan wel op de koop toe heeft genomen.

Ter zake van a) de aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer

De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is volgens bestendige jurisprudentie afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging, al dan niet beoordeeld naar de uiterlijke verschijningsvorm, en aan de omstandigheden waaronder deze is verricht. Er is geen grond de inhoud van het begrip ‘aanmerkelijke kans’ afhankelijk te stellen van de aard van het gevolg. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Onder ‘de naar algemene ervaringsregels aanmerkelijke kans’ dient te worden verstaan de in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid. Met de thans gebruikelijke formulering van de maatstaf van de aanmerkelijke kans is geen wezenlijk andere of grotere mate van waarschijnlijkheid tot uitdrukking gebracht dan met de in oudere rechtspraak (vgl. HR 9 november 1954, ECLI:NL:HR:1954:1/NJ 1955, 55) gebruikte formulering ‘de geenszins als denkbeeldig te verwaarlozen kans’. Algemene regels over de exacte grootte van de kans die in het algemeen of voor een bepaald type delict minimaal vereist zou zijn, kunnen niet worden gegeven, laat staan deze kans in een percentage uitdrukken (vgl. onder meer HR 25 maart 2003, ECLI:HR:2003:AE9049/NJ 2003, 552; HR 29 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:718; HR 23 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1747; HR 12 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:982; HR 11 juli 2023, ECLI:NL:HR:2023:1043; HR 15 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1407 en HR 11 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:141).

Voor de beantwoording van deze vraag gaat het hof uit van de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden en overweegt ten aanzien van de gedragingen van de verdachte aanvullend het navolgende.

Op basis van de verkregen camerabeelden van kort voor het verkeersongeval is over een afstand van 139,29 meter een gevalideerde gemiddelde snelheid van de BMW bepaald van 174 km/uur, waarbij over de eerste 60,03 meter de snelheid 171 km/uur bedroeg en over de volgende 79,26 meter 176 km/uur. Dit betekent dat de verdachte over die afstand nog aan het accelereren was, terwijl daar op die weg een maximumsnelheid gold van 80 km/uur. Gelet de vergelijking met de in reconstructie ter validatie geregistreerde testritten van het testvoertuig van de politie waarbij de snelheid met een lasergun werd vastgelegd op 183 km/uur en de remvertragingsmeter een snelheid van 184 km/uur aangaf, gaat het hof ervan uit dat de verdachte met een snelheid van tussen 176 km/uur en 184 km/uur heeft gereden.

Op basis van dezelfde camerabeelden is van de Opel een indicatieve gemiddelde snelheid bepaald. Uit de berekeningen bleek dat de bestuurder van de Opel reed met een indicatieve gemiddelde snelheid van 78,9 kilometer per uur.

Dat de verdachte de snelheid van zijn BMW onvoldoende heeft aangepast aan de omstandigheden op de weg en het (mogelijke) weggedrag van zijn medeweggebruikers, bovendien in het geheel niet heeft afgeremd of een (noemenswaardige) stuurbeweging heeft gemaakt, is door de verdediging niet betwist en blijkt immers ook uit het feit dat de verdachte recht achterop de voor hem rijdende Opel is gebotst (p.47). Evenmin is betwist dat het begin van het door de verdachte gereden traject een rechte weg betreft en dat pas een paar honderd meter vóór de plaats van het ongeval er een flauwe bocht naar links is en ter hoogte van de plaats van het ongeval een lichte bocht naar rechts. Voorts heeft niet ter discussie gestaan dat de verdachte met een enorm snelheidsverschil tegen de auto van de heer [slachtoffer] is aangereden. De verdachte is tegen de achterzijde van de Opel aangereden, terwijl hij op dat moment met een ongeveer 100 kilometer per uur hogere snelheid reed dan de Opel.

Het hof is van oordeel dat voornoemd handelen van de verdachte extreem gevaarlijk is geweest en de aanmerkelijke kans in het leven heeft geroepen dat andere weggebruikers om het leven zouden komen. De verdachte reed immers veel sneller dan het overige verkeer en zijn snelheid was zo hoog dat hij (door die snelheid) niet in staat was voor de verkeersveiligheid relevante informatie te verwerken en zijn rijgedrag daarop aan te passen.

Ter zake van b) of de verdachte zich bewust was van deze aanmerkelijke kans en c) of de verdachte die kans willens en wetens of bewust heeft aanvaard dan wel op de koop toe heeft genomen

Voorafgaand aan de beoordeling van de vereisten onder b) en c), wijst het hof op het volgende. Op grond van bestendige jurisprudentie geldt dat voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan een aanmerkelijke kans, niet alleen is vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). Uit de enkele omstandigheid dat die wetenschap bij de verdachte aanwezig is dan wel bij hem moet worden verondersteld, kan niet zonder meer volgen dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg ook bewust heeft aanvaard, omdat in geval van die wetenschap ook sprake kan zijn van bewuste schuld. Van degene die weet heeft van de aanmerkelijke kans op het gevolg, maar die naar het oordeel van de rechter ervan is uitgegaan dat het gevolg niet zal intreden, kan wel worden gezegd dat hij met (grove) onachtzaamheid heeft gehandeld maar niet dat zijn opzet in voorwaardelijke vorm op dat gevolg gericht is geweest.

Of in een concreet geval moet worden aangenomen dat sprake is van bewuste schuld dan wel van voorwaardelijk opzet zal, indien de verklaringen van de verdachte en/of bijvoorbeeld eventuele getuigenverklaringen geen inzicht geven omtrent hetgeen ten tijde van de gedraging in de verdachte is omgegaan, afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval. Daarbij zijn de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht, van belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard (vgl. onder meer HR 25 maart 2003, ECLI:HR:2003:AE9049/NJ 2003, 552; HR 15 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1407 en HR 11 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:141).

De verdachte heeft zowel in eerste aanleg als in hoger beroep verklaard dat hij zich vrijwel niets van het ongeval kan herinneren. De verdachte kan zich enkel herinneren dat hij op enig moment over een verkeersdrempel reed. Hetgeen hij zich hierna herinnert, is het horen van vrouwenstemmen nadat het ongeval had plaatsgevonden. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij zich tot aan de verkeersdrempel goed voelde en zijn zicht goed was, maar dat dit na de drempel verslechterde. De verdachte zou zich niet goed hebben gevoeld omdat hij die nacht ervoor niet zou hebben geslapen. De verdachte zou het voertuig van de heer [slachtoffer] niet hebben gezien.

Het hof acht deze verklaring ongeloofwaardig. Het hof stelt vast dat de door de verdachte afgelegde weg, hoewel deze een vrij recht verloop heeft, op een gegeven moment een bocht naar links heeft. Het ongeval heeft pas ná deze bocht, waar de weg licht naar rechts buigt, plaatsgevonden. Het nemen van deze bocht naar links vergt naar het oordeel van het hof – zeker gelet op de hoge snelheid en de weginrichting ter plaatse – een bewuste en gecontroleerde stuurbeweging. Het hof leidt daaruit af dat de verdachte zijn aandacht aldus op de weg moet hebben gehad om de auto op de weg te houden. De verdachte had deze bocht naar links anders, temeer gelet op zijn extreem hoge snelheid, niet met succes kunnen nemen. Hij zou dan rechtdoor gereden zijn. Bij die mate van vereiste controle past niet de mogelijke optie dat de verdachte er niet helemaal bij was en (ineens) slecht zicht had, zodat het hof dat niet aannemelijk acht. Hiernaast heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep verklaard zich wel te kunnen herinneren een auto, met gekoppelde aanhanger, net na de rotonde ingehaald (en aldus gezien) te hebben en een verkeersdrempel te hebben genomen. Tevens verklaarde de verdachte dat hij één seconde voor het ongeval wel het dak van een huis rechtsvoor hem gezien heeft. Naar het oordeel van het hof kan het – in tegenstelling tot hetgeen de verdachte heeft verklaard – niet anders zijn dan dat de verdachte kort voorafgaand aan het incident het voertuig van de heer [slachtoffer] heeft gezien en er terdege rekening mee heeft gehouden dat hij het voertuig zou raken.

De verdachte heeft bovendien verklaard dat hij goed bekend was met de situatie ter plaatse, omdat hij daar vaker reed. Hij was op de hoogte van de geldende maximumsnelheid van 80 kilometer per uur. Over (de rijeigenschappen van) het voertuig waarin hij reed, heeft hij verklaard dat het een hele snelle auto betrof met een acceleratievermogen van 306 tot 400 pk. Het hof concludeert hieruit dat verdachte op de hoogte was van de verkeerssituatie en de verkeersregels ter plaatse en van de eigenschappen van het voertuig waarmee hij reed. Voorts heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij zich er in zijn algemeenheid van bewust is dat het rijden met een zeer hoge snelheid (zeer) ernstige ongevallen tot gevolg kan hebben.

Over de snelheid waarmee de verdachte kort voor en/of ten tijde van het ongeval reed, zijn naast de objectieve gegevens uit de gereden referentieritten, meerdere getuigenverklaringen in het dossier aanwezig. De snelheid maakte veel indruk op omstanders. Diverse getuigen beschrijven hoe zij zijn geschrokken van de wijze waarop verdachte reed, waarbij door hen beschrijvingen worden gegeven als ‘erg hard’, ‘wat een gek’, ‘levensgevaarlijk’, ‘erg asociaal’ , ‘vuurpijlen’, ‘een streep met stof’. Dat de verdachte niet in de gaten had/wist dat hij, zoals hij zelf stelt, in aanloop naar het ongeval reed met een dermate hoge snelheid, stelt het hof onder verwijzing naar deze getuigenverklaringen, het hiervoor overwogene over zijn wetenschap van de voertuigeigenschappen en het feit dat het gaspedaal vol ingetrapt moet zijn geweest, wat nauwelijks ongemerkt kan gaan, als ongeloofwaardig terzijde.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de verdachte gezien de aard van zijn rijgedrag en de omstandigheden waaronder dit is verricht, kort voorafgaand aan het ongeval wetenschap moet hebben gehad van de aanmerkelijke kans dat het gevolg (een ongeval met dodelijke afloop) zou intreden. Dat kan hem eenvoudigweg niet zijn ontgaan, omdat hij zich in het leven – naar moet worden aangenomen – vrijwel dezelfde algemene ervaringsregels heeft eigen gemaakt als nagenoeg ieder ander. Tevens volgt uit de verklaring van de verdachte dat hij een andere verkeersgebruiker (te weten: [getuige 2] ) heeft waargenomen. Het kan daarom niet anders zijn dan dat de verdachte zich kort vóór het ongeval ervan bewust was dat hij mogelijk verkeersdeelnemers op de weg zou kunnen treffen, verkeersdeelnemers die geen rekening konden en ook niet hoefden te houden met een automobilist, verdachte, die daar met een snelheid van tussen de 176 km/uur en 184 km/uur reed.

Ten slotte de beantwoording van de vraag of door de verdachte deze kans ten tijde van de gedraging bewust is aanvaard (op de koop toe is genomen).

Het hof heeft – gelet op het voorgaande – uit de verklaringen van de verdachte met betrekking tot wat hij zich van het incident nog herinnerde, slechts een beperkt beeld kunnen krijgen van hetgeen in de verdachte is omgegaan ten tijde van de hem verweten gedraging. Het hof zal zich ter beantwoording van de vraag of bij de verdachte sprake is geweest van het bewust aanvaarden van de aanmerkelijke kans op een ongeval met dodelijke afloop, dan ook baseren op de aard en uiterlijke verschijningsvorm van de gedraging(en) van de verdachte en de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden. Daarbij acht het hof de uitleg van het ‘bewust aanvaarden van de aanmerkelijke kans’ zoals in casu met betrekking tot het van het leven beroven van iemand, niet hetzelfde, maar ruimer dan het enkele ‘willen van het gevolg’.

Het hof stelt vast dat wanneer het rijgedrag en de houding van de verdachte voorafgaand aan en ten tijde van de aanrijding in samenhang wordt bekeken, een beeld naar voren komt van iemand die over een langer traject verkeersovertredingen – waaronder het begaan van forse snelheidsovertredingen en een gevaarlijke inhaalactie – heeft begaan, die zich kennelijk niets heeft aangetrokken van de ter plaatse ten behoeve van de verkeersveiligheid geldende verkeersregels en voor wie het belang van de overige verkeersdeelnemers kennelijk volkomen ondergeschikt is geweest aan zijn eigen belang om met een aanzienlijke snelheid te kunnen blijven doorrijden. Het hof overweegt hiertoe dat, voorafgaand aan het fatale ongeval, ook andere verkeersdeelnemers zijn geconfronteerd met het gevaarlijke rijgedrag van de verdachte. Zo heeft de bestuurder van de quad, een zwakkere verkeersdeelnemer, uit moeten wijken teneinde een botsing met de verdachte te voorkomen. Ook getuige [getuige 2] heeft moeten afremmen op het moment de verdachte zijn auto plotseling naar links gooide. Desondanks heeft de verdachte zijn rijgedrag niet aangepast, en is hij zelfs buitensporig hard gaan rijden.

De verdachte was voorafgaande aan het incident zich bewust van de aanmerkelijke kans op het veroorzaken van een ongeval met dodelijk afloop maar heeft blijkens zijn rijgedrag en de omstandigheden waaronder dit plaatsvond niettemin gehandeld ongeacht of dat gevolg zou intreden. Hoewel het hof niet kan vaststellen wat het motief van de verdachte is geweest, is het hof van oordeel dat de gedragingen van de verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm zodanig gericht waren op het veroorzaken van een potentieel dodelijk ongeval, dat daaruit volgt dat de verdachte op zijn minst genomen de aanmerkelijke kans daarop bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen).

Ten slotte wijst het hof op de omstandigheid dat het in zijn oordeel heeft betrokken dat op grond van de jurisprudentie in een geval als het onderhavige, dat zich hierdoor kenmerkt dat de gebezigde bewijsmiddelen nopen tot de gevolgtrekking dat de verdachte door zijn handelwijze ook zelf aanmerkelijk levensgevaar heeft gelopen – behoudens aanwijzingen voor het tegendeel – naar ervaringsregelen niet waarschijnlijk is dat de verdachte de aanmerkelijke kans dat een (frontale) botsing met een auto zal plaatsvinden, en hij als gevolg van zijn gedraging zelf het leven zal verliezen, eveneens op de koop toe neemt (vgl. HR 15 oktober 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0139/NJ 1997, 199, rov. 5.4.).

Op grond van het voorliggende dossier en het onderzoek ter terechtzitting stelt het hof dienaangaande vast dat aanwijzingen bestaan dat de verdachte de aanmerkelijke kans dat een botsing zou plaatsvinden waarbij hij ook zijn eigen leven zou verliezen, bewust heeft aanvaard. Niet is gebleken dat de gedragingen van de verdachte erop gericht waren een aanrijding met het voor hem rijdende voertuig waarin zich - naar later bleek - [slachtoffer] bevond – met mogelijk fatale gevolgen voor zichzelf – te voorkomen. Het hof wijst er hierbij op dat de verdachte compleet heeft nagelaten te remmen, en evenmin stuurbewegingen heeft gemaakt teneinde de Opel proberen te ontwijken. De door de verdediging genoemde omstandigheid dat de verdachte niet op een tegenligger of een van de aanwezige bomen is gereden, levert onder de gegeven omstandigheden in ieder geval niet zo’n gedraging op waaruit volgt dat hij niet zijn eigen leven in de waagschaal heeft willen stellen. Daar komt bij dat er meer aanwijzingen zijn dat de verdachte risico’s voor zijn eigen gezondheid op de koop heeft toegenomen. Zo heeft de verdachte in de nacht voorafgaand aan het ongeluk in een chat-gesprek met [getuige 1] gedreigd zichzelf dood te zullen gaan rijden, en heeft hij kort voor het fatale ongeluk berichten verstuurd die erop kunnen duiden dat de verdachte voor zichzelf geen hoop meer zag en zich van het leven wilde beroven, althans daartegenover geheel onverschillig stond. Uit de getuigenverklaring van [getuige 1] blijkt dat de verdachte zich eerder op die wijze heeft uitgelaten. Ten slotte overweegt het hof dat de omstandigheid dat de verdachte zijn auto voorafgaand aan het ongeval – conform de daartoe eerder gemaakte afspraak – nog heeft laten keuren, en de omstandigheid dat hij zijn autogordel droeg, nog niet zonder meer maken dat de verdachte geen opzet, zoals hiervoor bedoeld, zou hebben gehad. Anders dan de verdediging ziet het hof in de genoemde handelingen geen contra-indicaties voor de bewuste aanvaarding.

Op grond van de bewijsmiddelen, het verhandelde ter terechtzitting en al het vorenstaande kan het hof niet tot de conclusie komen dat de verdachte er ten tijde van of kort voorafgaand aan het incident van uit is gegaan dat het ongeval met potentieel dodelijk gevolg niet zou intreden. Het hof is juist van oordeel dat uit deze genoemde feitelijke omstandigheden het bewust aanvaarden van de aanmerkelijke kans volgt, dan wel duiden deze gedragingen en omstandigheden minst genomen op totale onverschilligheid ten aanzien van de mogelijke consequenties van zijn rijgedrag en van een daardoor mogelijk veroorzaakt ongeval.

Het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging wordt derhalve in al zijn onderdelen verworpen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

doodslag.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

Op te leggen sanctie

De advocaat-generaal heeft gevorderd om, conform de eis van de officier van justitie in eerste aanleg, de verdachte te veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van acht jaren, met aftrek van voorarrest, alsmede een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van tien jaren, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs ingevorderd is geweest.

De verdediging heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep aangesloten bij de strafoplegging door de rechtbank, bestaande uit een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, met aftrek van voorarrest, evenals een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van drie jaren, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs ingevorderd is geweest.

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Het hof heeft in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

De ernst van het bewezenverklaarde

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan doodslag. De verdachte reed over de [locatie] met een snelheid van tussen de 176 en 184 kilometer per uur, een weg waar een maximumsnelheid geldt van 80 kilometer per uur. Op diezelfde weg reed op dat moment ook de heer [slachtoffer] . Door het volstrekt onverantwoorde rijgedrag van de verdachte is de verdachte met zijn BMW achter op de Opel van de heer [slachtoffer] geklapt. De Opel is vervolgens van de rijbaan gelanceerd, tegen een lantaarnpaal gebotst en uiteindelijk naast de rijbaan tot stilstand gekomen, waarna het voertuig in brand is gevlogen. Ten gevolge van deze aanrijding is de heer [slachtoffer] om het leven gekomen.

Door zijn handelen heeft de verdachte de heer [slachtoffer] van het leven beroofd en daarmee een zeer geliefde man, (schoon)vader en opa het meest kostbare dat een mens bezit, het recht op leven, ontnomen. De dood van het slachtoffer betekent voor de nabestaanden het immens pijnlijke en onomkeerbare verlies van hun dierbare die op een compleet onverwacht moment op gruwelijke wijze uit hun leven is weggerukt. Het leed dat hen daarmee is aangedaan, is niet in woorden te omschrijven. Leed dat zonder twijfel hun verdere bestaan zal blijven overschaduwen. Blijkens de slachtofferverklaringen die in eerste aanleg en in hoger beroep zijn voorgelezen, heeft het gebeurde diep ingegrepen in het leven van de nabestaanden. De nabestaanden hebben op indringende wijze verwoord hoe het onverwachte verlies van hun (schoon)vader in hun leven heeft ingegrepen en nog elke dag diep voelbaar is. Het hof realiseert zich dat geen enkele straf die aan de verdachte zal worden opgelegd volledig recht zal doen aan dit leed van de nabestaanden.

De persoon van de verdachte

Het hof stelt vast dat de verdachte ten tijde van het begaan van het bewezenverklaarde de leeftijd van achttien jaren doch niet die van drieëntwintig jaren had bereikt. Bij de strafoplegging ziet het hof zich voor de vraag gesteld of het volwassenenstrafrecht, dan wel het adolescentenstrafrecht moet worden toepast. Evenals de rechtbank acht het hof de toepassing van het volwassenenstrafrecht ten aanzien van de verdachte op zijn plaats, gelet ook op het onderbouwde advies van de reclassering in het rapport van 20 en 27 augustus 2024, waarin toepassing van het volwassenenstrafrecht wordt geadviseerd nu de verdachte zelfstandig leeft, werk heeft en niet afhankelijk is van zijn ouders of andere volwassenen, en in staat is zijn leven zelfstandig vorm te geven. Er zijn onvoldoende aanwijzingen dat de verdachte onvoldoende handelingsvaardigheden heeft of dat er behoefte bestaat aan pedagogische beïnvloeding.

Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op een zijn betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 16 december 2025. Uit dit uittreksel blijkt dat de verdachte voorafgaand aan het bewezenverklaarde handelen en ook daarna niet ter zake van een ander strafbaar feit met politie en/of justitie in Nederland in aanraking is gekomen.

Voorts heeft het hof zich rekenschap gegeven van de overige in het dossier aanwezige stukken die betrekking hebben op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder de reclasseringsadviezen van 20 augustus 2024, 4 december 2024 en 20 januari 2025 en het trajectconsult van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie van 27 augustus 2024.

Uit de reclasseringsadvies van 20 januari 2025 blijkt onder meer dat de verdachte in de aanloop naar het ongeluk veel niet-helpende keuzes heeft gemaakt. De verdachte lijkt over gebrekkige vaardigheden in het oplossen van (interpersoonlijke) problemen te beschikken. Tevens laat hij volgens de reclassering (met momenten) impulsief gedrag zien. De reclassering adviseert bij een veroordeling een straf zonder bijzondere voorwaarden. Zij zien geen mogelijkheden om met interventies of toezicht de risico's te beperken of het gedrag te veranderen. Voorts heeft de reclassering opgemerkt dat er geen zwaarwegende negatieve consequenties zijn bij de oplegging van een gevangenisstraf.

Ten slotte heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals deze ter terechtzitting zijn gebleken, de jeugdige leeftijd en de impact die het ongeval ook zal hebben op het leven van de verdachte.

Conclusie op te leggen gevangenisstraf en maatregel

Doodslag – zoals is bewezenverklaard – wordt algemeen beschouwd als één van de ernstigste commune delicten, nu het opzettelijk benemen van iemands leven de meest ernstige en onomkeerbare aantasting van het hoogste rechtsgoed, het recht op leven, is of kan zijn. Gelet daarop en op de hierboven omschreven aard en ernst van het bewezenverklaarde, kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van aanzienlijke duur met zich mee brengt.

Gelet op het vorenstaande, rekening houdend met alle omstandigheden van het geval, te weten de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit en de jeugdige leeftijd van de verdachte, acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

De ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen

Gelet op de ernst van het bewezenverklaarde en ter bescherming van de verkeersveiligheid zal het hof tevens een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen opleggen voor de duur van tien jaren.

De tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 ingevorderd of ingehouden is geweest, zal op de duur van deze bijkomende straf in mindering worden gebracht, terwijl voorts in het kader van de tenuitvoerlegging van deze bijkomende straf de termijn van de ontzegging op grond van artikel 180, zevende lid van de Wegenverkeerswet 1994 wordt verlengd met de tijd dat de verdachte gedurende de ontzegging rechtens zijn vrijheid is ontnomen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 179a van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Ontzegt de verdachte ter zake van het bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 10 (tien) jaren.

Bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179a van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.

Aldus gewezen door:

mr. M.J.M.A. van der Put, voorzitter,

mr. A.C. Bosch en mr. W.F. Koolen, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. L. Beskers, griffier,

en op 23 april 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. M.J.M.A. van der Put
  • mr. A.C. Bosch
  • mr. W.F. Koolen

Griffier

  • mr. L. Beskers

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?