ECLI:NL:GHSHE:2026:1111

ECLI:NL:GHSHE:2026:1111

Instantie Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak 23-04-2026
Datum publicatie 24-04-2026
Zaaknummer 20-001912-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot diefstal in vereniging en diefstal in vereniging door over een hek te klimmen, het statiegeldhok te betreden, een zak met statiegeld flessen mee te nemen en een tweede zak met statiegeld flessen proberen mee te nemen. De verdachte heeft hiermee laten zien geen enkel respect te hebben voor de eigendommen van anderen en slechts te handelen uit eigen belang wat voor veel overlast voor het slachtoffer heeft gezorgd. Het hof heeft oog gehad voor de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals deze ter terechtzitting in hoger beroep naar voren zijn gebracht. Het hof is echter van oordeel dat de gewijzigde omstandigheden in onder andere het gedrag van de verdachte niet alleen te maken heeft gehad met het gebruik van de juiste medicatie, maar ook met het geldende strikte regiem in de gevangenis. Het hof is dan ook van oordeel dat de verdachte baat zal hebben bij een nieuw strikt regiem als bedoeld bij de oplegging van de ISD-maatregel. Daarbij kan tevens ingezet worden op behandelingen, therapieën en ondersteuning op alle leefgebieden. Een voorwaardelijke ISD-maatregel zoals door de raadsvrouw voorgesteld acht het hof niet op zijn plaats. Daarvoor is de positieve ontwikkeling in het gedrag van de verdachte te pril en voorheen is gebleken dat de verdachte zich niet heeft gehouden aan de voorwaarden zoals deze golden bij de eerder opgelegde voorwaardelijke straffen. In het belang van het behoud van de effectiviteit van deze maatregel, zal het hof, gebruikmakend van de mogelijkheid die artikel 38n van het Wetboek van Strafrecht biedt, geen rekening houden met de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.

Uitspraak

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

’s-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 25 juli 2025, parketnummer 01-107101-25 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf, parketnummer 20-002354-23, in de strafzaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

thans verblijvende in [detentieadres] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is aan de verdachte ter zake van ‘poging diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van inklimming’ de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 jaren opgelegd. De vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf is afgewezen.

Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen ter zake van poging diefstal in vereniging door middel van inklimming en diefstal in vereniging door middel van inklimming en aan de verdachte zal opleggen de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 jaren.

Namens de verdachte is een strafmaatverweer gevoerd. Voorts heeft de raadsvrouw verzocht de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf af te wijzen.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat in hoger beroep de tenlastelegging – en aldus de grondslag van het onderzoek – is gewijzigd.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep – tenlastegelegd dat:

zij op of omstreeks 7 april 2025 te ‘s-Hertogenbosch tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of haar mededader(s) voorgenomen misdrijf om een plastic tas met lege statiegeldflessen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [bedrijf] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of haar mededader(s) toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder haar/hun bereik te brengen door middel van inklimming,

- over het hekwerk met prikkeldraad is geklommen, en/of

- het hok met lege statiegeldflessen heeft betreden, en/of

- een plastic tas met lege statiegeldflessen uit het hok heeft gehaald,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

en/of

zij op of omstreeks 7 april 2025 te ‘s-Hertogenbosch tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een plastic tas met lege statiegeldflessen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [bedrijf] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of haar mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of haar mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat zij:

op 7 april 2025 te ‘s-Hertogenbosch tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte en/of haar mededader voorgenomen misdrijf om een plastic tas met lege statiegeldflessen, die geheel aan [bedrijf] toebehoorde weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en die weg te nemen goederen onder haar/hun bereik te brengen door middel van inklimming,

- over het hekwerk met prikkeldraad is geklommen, en

- het hok met lege statiegeldflessen heeft betreden, en

- een plastic tas met lege statiegeldflessen uit het hok heeft gehaald,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

en

op 7 april 2025 te ‘s-Hertogenbosch tezamen en in vereniging met een ander, een plastic tas met lege statiegeldflessen, die geheel aan [bedrijf] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of haar mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en die weg te nemen goederen onder haar/hun bereik heeft gebracht door middel van inklimming.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat zij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

De paginanummers die in onderstaande bewijsmiddelen worden genoemd, verwijzen – tenzij anders vermeld – naar pagina’s van het eindproces-verbaal van het onderzoek documentcode PL2100-2025075284 van de eenheid Oost-Brabant, gesloten 8 april 2025 (doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 28).

Met betrekking tot het bewezenverklaarde feit volstaat het hof, gelet op de omstandigheid dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft bekend en dienaangaande geen vrijspraak is bepleit, met de volgende opgave van de bewijsmiddelen conform het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.

Bewijsoverwegingen

De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van inklimming.

en

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van inklimming.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

Op te leggen sanctie

De rechtbank heeft de plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD) voor de duur van twee jaren gelast. De advocaat-generaal heeft zich achter deze maatregel geschaard. Ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 9 april 2026 heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de verdachte het niet eens is met de oplegging van de ISD-maatregel en heeft ze namens de verdachte verzocht om oplegging van een voorwaardelijke ISD-maatregel.

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot diefstal in vereniging en diefstal in vereniging door over een hek te klimmen, het statiegeldhok te betreden, een zak met statiegeld flessen mee te nemen en een tweede zak met statiegeld flessen proberen mee te nemen. De verdachte heeft hiermee laten zien geen enkel respect te hebben voor de eigendommen van anderen en slechts te handelen uit eigen belang wat voor veel overlast voor het slachtoffer heeft gezorgd.

Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof gelet op de inhoud van het haar betreffende uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 20 januari 2026 waaruit volgt dat de verdachte reeds eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van vermogensdelicten. Er is dus sprake van relevante recidive. Daarnaast volgt uit genoemd uittreksel dat alle voorwaardelijk opgelegde straffen ten uitvoer zijn gelegd en dat van de opgelegde taakstraffen steeds de vervangende hechtenis is ondergaan.

Voorts heeft het hof acht geslagen op hetgeen door en namens de verdachte ter terechtzitting naar voren is gebracht. De verdachte zit sinds enige tijd gedetineerd, heeft bijstand van hulpverlening ([instantie]) en staat bovenaan de wachtlijst voor de plaatsing voor een kamer bij voorziening langdurig verblijf. De verdachte gebruikt antipsychotica en heeft sinds haar verblijf bij het PPC (binnen [detentieadres] ) niet meer positief getest op drugs. Door de medicatie is het nu rustig in het hoofd van de verdachte en staat de verdachte open voor behandeling.

Tot slot heeft het hof ten aanzien van de persoonlijke omstandigheden de verdachte betreffende bij zijn oordeel de inhoud betrokken van het reclasseringsadvies d.d. 20 februari 2026.

Het reclasseringsadvies vermeld onder meer het navolgende:

[verdachte] is een [leeftijd] vrouw die ervan wordt verdacht, samen met een medeverdachte, onrechtmatig te zijn binnengedrongen bij een horecagelegenheid, waarbij gepoogd is lege flessen te stelen. Betrokkene bekent deze feiten. Betrokkene heeft inmiddels een uitgebreid delictverleden, waarbij met name vermogensdelicten, al dan niet in combinatie met misdrijven tegen het gezag, werden gepleegd. Er is derhalve dan ook sprake van een delictpatroon. Betrokkene is in eerste aanleg veroordeeld tot een onvoorwaardelijke ISD maatregel. Zij heeft hiertegen hoger beroep aangetekend. Gevraagd naar de reden daarvan geeft ze aan dit niet goed te weten. Ze geeft aan naar haar dochter te willen gaan, maar heeft geen huisvesting of andere zaken in haar leven geregeld.

De reclassering ziet op vrijwel alle leefgebieden problemen, die voor een belangrijk deel samen lijken te hangen met het delictgedrag van betrokkene. Met name het feit dat [verdachte] niet beschikt over een dagbesteding en huisvesting, zij afhankelijk is van een uitkering en zij al jarenlang afhankelijk is van het gebruik van middelen, maakt dat de risico's op herhaald delictgedrag als hoog worden ingeschat. Betrokkene leeft van criminaliteit, doordat zij diefstallen pleegt om in haar dagelijkse behoefte van eten, drinken en drugs te voorzien. Zij is al langere tijd zonder vaste woon- of verblijfplaats en zij verblijft op wisselende slaapplekken, waarvan onbekend waar dit precies is. Er worden tot slot problemen gezien op het psychosociaal functioneren en de houding; in het dossier is te lezen dat betrokkene onvoorspelbaar en grensoverschrijdend gedrag laat zien, snel boos kan worden en zij legt de oorzaak van haar problemen veelal buiten zichzelf. De afgelopen paar jaar hebben zowel de reclassering als andere hulpverleningsinstanties geprobeerd in te zetten op gedragsverandering, onder andere met een klinische opname voor een detox. Er zijn nagenoeg geen beschermende factoren aan te wijzen.

Het lukt [verdachte] echter structureel niet zich aan regels en afspraken te houden, waardoor trajecten spaak lopen, zij haar leven niet op orde krijgt en herhaaldelijk in de problemen komt. Wij zien dan ook geen meerwaarde in het opnieuw inzetten van een reclasseringstoezicht of vergelijkbare interventies.

Gezien de complexe en al jarenlang bestaande problematiek van betrokkene, waarvoor langdurige en intensieve hulp en begeleiding nodig wordt geacht, en gelet op de hoge frequentie van het delictgedrag lijkt detentie weinig invloed te hebben op het recidiverisico. Het is dan ook de verwachting van de reclassering dat betrokkene zal blijven recidiveren als er geen andere interventies worden ingezet dan gevangenisstraf.

Om die reden blijven wij bij ons eerder gegeven advies, te weten een onvoorwaardelijke ISD maatregel. Indien geïndiceerd kan [verdachte] in dat kader een klinische behandeling gericht op haar psychiatrische problemen (het stabiliseren daarvan en het geven van inzicht in het ziektebeeld) en haar middelenproblematiek ondergaan, waarna er ingezet kan worden op het realiseren van huisvesting, een gezonde financiële situatie en het verkrijgen van een zinvolle en structurele dagbesteding.

Wij zien geen mogelijkheden deze zaken te organiseren in het kader van een voorwaardelijke veroordeling met voorwaarden. [verdachte] is al jaren zorgmijdend, waardoor er tot op heden geen trajecten succesvol afgerond zijn.

Het hof stelt vast dat ten aanzien van de bewezen geachte feiten aan alle voorwaarden is voldaan die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht aan het opleggen van de ISD-maatregel stelt. De hiervoor bewezenverklaarde misdrijven betreffen feiten waarvoor de voorlopige hechtenis is toegelaten. Uit het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 20 januari 2026 blijkt dat de verdachte gedurende de vijf jaren voorafgaand aan 7 april 2025 ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel, terwijl de in dit arrest bewezenverklaarde feiten zijn begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen of maatregel en er, zoals blijkt de hiervoor genoemde rapportage, ernstig rekening moet worden gehouden met het feit dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan.

Daarnaast volgt uit de Justitiële Documentatie dat ook is voldaan aan de eisen die de Richtlijn voor Strafvordering bij meerderjarige veelplegers van het Openbaar Ministerie stelt: de verdachte is een zeer actieve veelpleger, die over een periode van vijf jaren processen­verbaal tegen zich opgemaakt zag worden voor meer dan tien misdrijven, waarvan tenminste één de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gelegen feit.

Het hof heeft oog gehad voor de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals deze ter terechtzitting in hoger beroep naar voren zijn gebracht. Het hof is echter van oordeel dat de gewijzigde omstandigheden in onder andere het gedrag van de verdachte niet alleen te maken heeft gehad met het gebruik van de juiste medicatie, maar ook met het geldende strikte regiem in de gevangenis. Het hof is dan ook van oordeel dat de verdachte baat zal hebben bij een nieuw strikt regiem als bedoeld bij de oplegging van de ISD-maatregel. Daarbij kan tevens ingezet worden op behandelingen, therapieën en ondersteuning op alle leefgebieden. Een voorwaardelijke ISD-maatregel zoals door de raadsvrouw voorgesteld acht het hof niet op zijn plaats. Daarvoor is de positieve ontwikkeling in het gedrag van de verdachte te pril en voorheen is gebleken dat de verdachte zich niet heeft gehouden aan de voorwaarden zoals deze golden bij de eerder opgelegde voorwaardelijke straffen. In het belang van het behoud van de effectiviteit van deze maatregel, zal het hof, gebruikmakend van de mogelijkheid die artikel 38n van het Wetboek van Strafrecht biedt, geen rekening houden met de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij arrest van het gerechtshof te Oost-Brabant van 6 februari 2024 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 weken. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat gelet op de op te leggen maatregel de vordering tot tenuitvoerlegging zal worden afgewezen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 38m, 38n, 45 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;

legt op de maatregel tot plaatsing van de verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 (twee) jaren;

wijst af de vordering van de officier van justitie van het arrondissement Oost-Brabant van 6 mei 2025, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij arrest van het gerechtshof

’s-Hertogenbosch van 6 februari 2024, parketnummer 20-002354-23, voorwaardelijk opgelegde een gevangenisstraf voor de duur van zes (6) weken.

Aldus gewezen door:

mr. G.M. Goes, voorzitter,

mr. O.A.J.M. Lavrijssen en mr. J.C. Gillesse, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. R.M. Gloudemans, griffier,

en op 23 april 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. G.M. Goes
  • mr. O.A.J.M. Lavrijssen
  • mr. J.C. Gillesse

Griffier

  • mr. R.M. Gloudemans

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?