Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 16 oktober 2024, in de strafzaak met parketnummer
02-172038-23, en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf onder parketnummer
02-069983-22, tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,
thans verblijvende in [P.I.] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de verdachte vrijgesproken van het onder 1 primair tenlastegelegde, het overige tenlastegelegde bewezenverklaard en dat gekwalificeerd als:
de verdachte deswege strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren en 6 maanden met aftrek van het voorarrest. Daarnaast heeft de rechtbank de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf onder parketnummer 02-069983-22 afgewezen. Tenslotte heeft de rechtbank een beslissing genomen op de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] .
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Omvang van het hoger beroep
Het hof stelt uit het dossier vast dat [benadeelde 2] en [benadeelde 1] partners zijn en ten tijde van het onder 1 tenlastegelegde samenwoonden aan de [adres] . Beiden hebben aangifte gedaan van een overval in hun woning op 23 juni 2023 en hebben zich ieder afzonderlijk als benadeelde partij in de onderhavige strafzaak gevoegd met een vordering tot schadevergoeding ter zake feit 1.
Bij het vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] gedeeltelijk toegewezen en de verdachte hoofdelijk veroordeeld tot betaling aan die benadeelde partij van een bedrag van € 860,00 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De rechtbank heeft de benadeelde partij [benadeelde 1] voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in de vordering en bepaald dat de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht. Daarnaast heeft de rechtbank de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] gedeeltelijk toegewezen en de verdachte hoofdelijk veroordeeld tot betaling aan die benadeelde partij van een bedrag van € 288,00 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en de vordering voor het overige afgewezen.
Bij wensenformulier van 26 januari 2025 heeft de benadeelde partij [benadeelde 1] aangegeven dat hij zijn vordering wenst te verlagen met € 0,00 en als reden daarvoor opgegeven: “bij nader inzien wil ik niet geconfronteerd worden met bedragen via de dader”. Ook de benadeelde partij [benadeelde 2] heeft bij wensenformulier van 26 januari 2026 te kennen gegeven dat hij zijn vordering wenst te verlagen met het gehele bedrag, met als reden: “wij willen geen schadevergoeding”. Uit het voorgaande leidt het hof af dat beide benadeelde partijen kennelijk hun vorderingen tot schadevergoeding niet langer meer in hoger beroep wensen te handhaven en dus die vorderingen hebben ingetrokken. Om die reden worden de vorderingen van de benadeelde partijen beiden geacht niet meer aan de orde te zijn in hoger beroep.
Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het bestreden vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen met uitzondering van de beslissing op de vorderingen van de benadeelde partijen en de ten behoeve van deze benadeelde partijen opgelegde schadevergoedingsmaatregelen. Daartoe heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof, in zoverre opnieuw rechtdoende, de vorderingen van de benadeelde partijen in ieder geval niet zal toewijzen en geen schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte zal opleggen.
Door de verdediging is integrale vrijspraak bepleit van het onder 1 tenlastegelegde. Voor wat betreft het onder 2 tenlastegelegde heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. Voorts heeft de verdediging aan het hof verzocht om de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 02-069983-22 af te wijzen. Ten slotte zijn opmerkingen gemaakt ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – met het beroepen vonnis, met uitzondering van de kwalificatie van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde en de ten behoeve van de benadeelde partijen opgelegde schadevergoedingsmaatregelen, met dien verstande dat het hof:
De toepasselijke wettelijke voorschriften worden dientengevolge opnieuw opgenomen.
Verbeterde lezing bewezenverklaring
Het hof verbetert de bewezenverklaring van feit 1 subsidiair, in die zin dat het hof op pagina 6 van het vonnis, regel 13 van deze bewezenverklaring, “enf” vervangt door “en”.
De verdachte is door deze verbeterde lezing niet in enig verdedigingsbelang geschaad.
Aanvulling en verbetering van de bewijsvoering
Bewijsmiddelen
Het hof verenigt zich met de in het vonnis van de meervoudige kamer van 16 oktober 2024 gebezigde bewijsmiddelen, zoals weergeven onder bijlage II van het vonnis op pagina’s 15 tot en met 29, met aanvulling en verbetering van het volgende.
I.
Het hof schrapt in het bewijsmiddel 13.15, onder het kopje ‘ [adres 2] te Goes’ (pagina 25 van het vonnis), de zin: “Opvallend hierbij zijn de zwaaiende armbewegingen van de persoon terwijl hij door het beeld loopt”.
II.
Het hof verbetert de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddel 13.19 (pagina 28 van het vonnis), in die zin dat het hof:
- onder het kopje ‘Bevindingen’, vierde regel, “scholbreker” vervangt door “schokbreker”;
- onder het kopje ‘Bevindingen’, elfde en twaalfde regel, de zinssnede “door middel van inklimming” schrapt;
- onder het kopje ‘Biologische sporen:’, vierde regel van onderen, “Vloe voor dressoirkast , (achter)i n kantoorruimte” vervangt door “Vloer voor dressoirkast, (achter-)in kantoorruime”.
III.
In aanvulling op de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen ten aanzien van feit 1, zoals weergegeven op pagina’s 15 tot en met en 27 van het beroepen vonnis, komt de bewezenverklaring voor wat betreft feit 1 mede te berusten op de navolgende bewijsmiddelen:
- Het proces-verbaal van de openbare terechtzitting van de meervoudige kamer op 2 oktober 2024 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, voor zover inhoudende de verklaring van de verdachte:
Het klopt dat ik eigenaar ben van de Ford Fiësta met [kenteken] .
- Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 1 augustus 2023, pagina’s 340 tot en met 342, voor zover inhoudende als verklaring van getuige [getuige] :
Ik begrijp dat u mij wenst te horen over mijn ex-partner [verdachte] . (…) Ik weet dat hij een auto heeft. De auto is een Ford. Hij heeft hem al ongeveer 1 jaar, vanaf toen hij zijn rijbewijs had. Hij gebruikt de auto alleen. Toen wij een relatie hadden liet hij nooit iemand in zijn auto rijden.
Bewijsoverwegingen
Het hof stelt voorop dat het zich eveneens verenigt met de bewijsoverwegingen van de rechtbank op pagina’s 2 tot en met 5 van het vonnis (onder het kopje ‘4.3.2 De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs’), waarin de verweren van de verdediging die ook in hoger beroep zijn gevoerd ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde zijn besproken en verworpen. Wel brengt het hof daarop de navolgende aanvullingen aan.
I.
Op pagina 2 van het vonnis onder het kopje 4.3.2, tweede zin, voegt het hof na 23 juni 2023 toe: rond 03.00 uur
Op pagina 3 van het vonnis, in de derde alinea, voegt het hof na de laatste zin nog toe:
“In dat kader wijst het hof ook op de verklaring van de verdachte dat hij de eigenaar is van de Ford Fiësta met [kenteken] , alsmede de verklaring van zijn ex-vriendin dat de verdachte als enige die auto gebruikt en deze bovendien nooit aan iemand anders uitleende. Tegen die achtergrond stelt het hof ook vast dat de auto van de verdachte rond 03.19 uur – en dus vlak na de overval – geparkeerd is op een voor de verdachte hoogst ongebruikelijke plek, namelijk nabij een Mbo-school te Goes. Immers verbleef de verdachte ten tijde van het tenlastegelegde bij zijn zus in Veere. Vervolgens is de auto de volgende dag door verdachte (zie hierna), die kennelijk wist waar de auto was geparkeerd en die de auto mogelijk in verband met het bemoeilijken van de opsporing op een ongebruikelijke plek had geparkeerd, opgehaald.
II.
Op pagina 3 van het vonnis, in de vierde alinea, voegt het hof na de laatste zin nog toe:
“Die tijdstippen van de camerabeelden komen nagenoeg exact overeen met de door de aangevers beschreven tijdspanne waarin de overval heeft plaatsgevonden.”
III.
Op pagina 5 van het vonnis, in de derde alinea, voegt het hof na de laatste zin nog toe:
“Bij het vorenstaande neemt het hof in overweging dat de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, in onderling (tijds)verband en samenhang bezien, om een uitleg van de verdachte “schreeuwen”. In plaats daarvan heeft de verdachte gedurende het gehele strafproces, naast de loutere ontkenning van zijn betrokkenheid, gebruik gemaakt van zijn zwijgrecht en geen enkele verklaring willen geven voor de aanwezigheid van het voor hem zeer belastende bewijsmateriaal. Er is met andere woorden van de zijde van de verdachte tot op heden geen redelijke, de redengevendheid ontzenuwende verklaring gekomen.”
Strafbaarheid van het onder 1 bewezenverklaarde
Het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning, terwijl de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van inklimming.
Aanvulling en verbetering van de overwegingen omtrent de opgelegde straf
Het hof verenigt zich met het oordeel van de rechtbank dat, gelet op de ernst van de feiten in verband met een juiste normhandhaving, niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren en 6 maanden met aftrek van het voorarrest. Het hof verwijst hiervoor de naar de uitgebreide overwegingen van de rechtbank, zoals weergeven op pagina’s 6 tot en met 8 van het beroepen vonnis (onder het kopje ‘6. De strafoplegging’), en maakt deze tot de zijne, met aanvulling en verbetering overeenkomstig het volgende.
I.
Op pagina 7 van het vonnis, vierde alinea, derde regel, wordt “de onherroepelijke” ingevoegd voorafgaand aan het woord “veroordelingen”.
II.
In hoger beroep heeft de raadsvrouw nog betoogd – op gronden zoals verwoord in de pleitnota – dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in hoger beroep is overschreden en dat deze overschrijding moet worden verdisconteerd in de strafoplegging.
Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een afdoening van zijn strafzaak binnen een redelijke termijn. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven.
Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling op zitting moet zijn afgerond met een eindarrest binnen zestien maanden nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsvrouw op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. Verdachte heeft in verband met de bewezenverklaarde feiten langer dan zestien maanden in voorlopige hechtenis verkeerd.
In dit geval heeft het in hoger beroep gedane verzoek van de verdediging tot het horen van vier getuigen geleid tot vertraging in de afdoening van de zaak. Daarbij wijst het hof ook op het gegeven dat de getuigenverhoren in eerste instantie gepland stonden op een eerdere datum, maar dat de verdediging heeft verzocht om de getuigenverhoren te verplaatsen naar een latere datum, nu getuige [getuige] verhinderd was en de verdediging het wenselijk achtte dat alle vier de getuigen op dezelfde dag zouden worden gehoord. Deze vertraging komt naar het oordeel voor rekening van de verdediging. Het hof is daarom van oordeel, dat, hoewel sprake is van een langdurige procedure, de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM in dit geval niet is overschreden.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 57, 63, 311, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de ten behoeve van de benadeelde partijen opgelegde schadevergoedingsmaatregelen, en doet in zoverre opnieuw recht:
verklaart vervallen de beslissing van de rechtbank ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] , alsmede de ten behoeve van deze benadeelde partijen opgelegde schadevergoedingsmaatregelen;
bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door:
mr. S.C. van Duijn, voorzitter,
mr. M.L.P. van Cruchten en mr. A.C. van Campen, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. L. van Harskamp en mr. N. van der Meer, griffiers,
en op 29 april 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.