Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
’s-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 19 januari 2024, in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken met parketnummers 01-041912-23 en 01-114929-23, tegen:
[VERDACHTE] ,
geboren te Leiden op [geboortedatum] 1966,
thans gedetineerd in Penitentiaire Inrichting [naam inrichting] , [adres inrichting]
.
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het in de zaak met parketnummer 01-041912-23 primair tenlastegelegde en het in de zaak met parketnummer 01-114929-23 tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als:
de verdachte deswege strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft de rechtbank, in de vorm van maatregelen als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht, een contact- en gebiedsverbod, betreffende het slachtoffer [slachtoffer] en haar woonadres opgelegd, met bepaling dat indien de verdachte niet aan de verboden gevolg zal geven vervangende hechtenis voor de duur van 1 maand zal worden toegepast, met een maximum van 6 maanden. De rechtbank heeft de maatregelen dadelijk uitvoerbaar verklaard. Voorts heeft de rechtbank de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] toegewezen tot een totaalbedrag van € 5.281,72, bestaande uit een bedrag van € 281,72 aan materiële schade en een bedrag van € 5.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 februari 2023 tot aan de dag der algehele voldoening. De benadeelde partij is voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in de vordering, met bepaling dat de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht. De verdachte is door de rechtbank veroordeeld in de kosten van het geding, welke kosten aan de zijde van de benadeelde partij zijn begroot op nihil. Ten slotte heeft de rechtbank ten behoeve van het slachtoffer de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal bevestigen, zulks onder aanvulling van gronden, en het vonnis voor het overige zal vernietigen en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren met aftrek van voorarrest. Tevens heeft de advocaat-generaal gevorderd dat aan de verdachte de vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht, in de vorm van een contactverbod en een locatieverbod wordt opgelegd, te weten een contactverbod met aangeefster [slachtoffer] en een locatieverbod (straal van 1 km) betreffende haar woning, zulks voor de duur van 5 jaren, met 1 week vervangende hechtenis voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan met een maximum van 6 maanden. Daarbij is tevens de dadelijke uitvoerbaarheid van de maatregel gevorderd. De advocaat-generaal heeft het hof voorts in overweging gegeven om daarnaast aan de verdachte de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding en vrijheidsbeperking ex artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.
Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat het hof de vordering tot schadevergoeding integraal zal toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het in beslag genomen breekijzer dient te worden verbeurdverklaard en de klauwhamer kan aan de verdachte worden geretourneerd, aldus de advocaat-generaal.
De raadsvrouw heeft primair integrale vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft zij een strafmaatverweer gevoerd, in welk verband de raadsvrouw tevens verweer heeft gevoerd tegen de oplegging van de maatregelen als bedoeld in de artikelen 38v en 38z van het Wetboek van Strafrecht. Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij heeft de raadsvrouw – in lijn met de door haar bepleite vrijspraak – primair bepleit dat het hof de benadeelde partij daarin niet-ontvankelijk zal verklaren. Subsidiair heeft de raadsvrouw verweer gevoerd op de vordering van de benadeelde partij op de wijze als hierna is vermeld. Aangaande het beslag heeft de raadsvrouw het standpunt ingenomen dat de beslagen voorwerpen aan de verdachte dienen te worden geretourneerd.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis, onder aanvulling en verbetering van de gronden waarop dit berust, met uitzondering van de straf- en maatregeloplegging, alsmede de beslissing op de vordering van de benadeelde partij. In zoverre wordt het vonnis waarvan beroep vernietigd. Bijgevolg zullen de daarmee samenhangende overwegingen van de rechtbank, dus voor zover die zien op de straf- en maatregeloplegging en de beslissing op de vordering van benadeelde partij, alsmede de toepasselijke wettelijke voorschriften, in hun geheel worden vervangen op de wijze als hierna vermeld. Tevens neemt het hof een beslissing omtrent het beslag.
Aanvulling en verbetering bewijsvoering
Mede gelet op hetgeen in hoger beroep aan de orde is gekomen, is het hof van oordeel dat de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen en de bewijsoverwegingen verbetering en aanvulling behoeven. Het hof zal hierna per afzonderlijk feit de bewijsmiddelen en de overwegingen aanvullen en/of verbeteren.
In de zaak met parketnummer 01-114929-23
Aanvulling en/of verbetering bewijsmiddelen
I.
Het hof vult het bewijsmiddel ‘Een proces-verbaal van aangifte van aangeefster [slachtoffer] , opgemaakt en ondertekend door verbalisant [verbalisant 1] d.d. 4 november 2022. dossierpagina 4-10.’, zoals weergegeven op pagina’s 7 en 8 van het vonnis, aan door voor: ‘Op donderdag 3 november (…)’ het volgende toe te voegen:
Ik woon aan de [adres aangeefster] Ik woon daar met mijn man, [verdachte] . We zijn uit elkaar omdat hij mij vorige week in elkaar heeft gestampt. Toen heb ik eindelijk de stap durven zetten om van hem te willen scheiden.
II.
Het hof vult het bewijsmiddel ‘Een proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt en ondertekend door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] d.d. 4 november 2022. dossierpagina 16.’, zoals weergegeven op pagina 8 van het vonnis, aan door na: “(…) [adres aangeefster] ” het volgende toe te voegen:
Op deze locatie zou meldster door haar man zijn bedreigd en tegen haar hoofd zijn geslagen. Tevens zou de man behoorlijk onder invloed zijn. Om 03.39 uur kwamen wij ter plaatse. Hierop klopte wij op de deur maar hier werd in eerste instantie niet op gereageerd. Wij zagen dat er [een] man de deur open deed en dat er achter hem een vrouw in de gang stond. Deze man bleek later verdachte [verdachte] te zijn.
III.
In aanvulling op de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen, komt de bewezenverklaring van dit feit mede te berusten op het navolgende bewijsmiddel:
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 november 2022, (dossierpagina 17), voor zover inhoudende – en waar nodig samengevat weergegeven – als relaas van verbalisant [verbalisant 3] :
Op vrijdag 4 november 2022 was ik doende met de zaak mishandeling met bvh-nummer: 2022240904 (hof: het aan deze zaak gekoppelde nummer). Slachtoffer mevrouw [slachtoffer] .
In bvi-ib heb ik gekeken of er vaker melding is geweest van ruzie/twist.
Dit is het geval. Ik zag dat er op de volgende datums:
- 26-10-2022
- 30-10-2022
- 01-11-2022
- 04-11-2022
ruzie/twist had plaatsgevonden tussen mevrouw en haar man.
Ik zag dat er meerdere meldingen stonden in bvi-ib wat betreft ruzies en of mishandelingen. Dit met meerdere verschillende personen.
Aanvulling bewijsoverwegingen
De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit op de voet dat het dossier onvoldoende steunbewijs bevat voor de aangifte. Ter onderbouwing van dat verweer is – in de kern weergegeven en op de gronden zoals nader in de pleitnota omschreven – aangevoerd dat onduidelijk is hoe en wanneer het letsel bij aangeefster [slachtoffer] is ontstaan. Het letsel, bestaande uit meerdere blauwe plekken, is immers op 4 november 2022 door verbalisanten waargenomen, terwijl het letsel volgens de aangifte op 25 en/of 26 oktober 2022 door de verdachte zou zijn toegebracht. Gelet op dit tijdsverloop kan niet worden uitgesloten dat het letsel op een ander moment is ontstaan. Evenmin is er steunbewijs dat het letsel op 4 november 2022 is toegebracht, nu aangeefster in de aangifte stelt dat zij op die datum enkel op haar hoofd is geslagen, doch zij daar geen zichtbaar letsel aan heeft overgehouden.
Het hof overweegt – en waar nodig in aanvulling op de rechtbank – als volgt.
Met de rechtbank acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte aangeefster [slachtoffer] in de periode van 25 oktober 2022 tot en met 4 november 2022 meermalen heeft mishandeld, door haar te slaan en te schoppen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid of de betrouwbaarheid van de aangifte te twijfelen. Anders dan de raadsvrouw, is het hof van oordeel dat de aangifte in voldoende mate wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen in het dossier. Daartoe overweegt het hof dat aangeefster in de aangifte – kort gezegd – heeft verklaard dat de verdachte haar in de nacht van 4 november 2022 heeft mishandeld, door haar een klap te geven tegen het achterhoofd. Aangeefster heeft toen meteen de politie gebeld. Omstreeks 03.29 uur ontvingen verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] van de meldkamer de opdracht om naar het adres van aangeefster te gaan en zij arriveerden daar tien minuten later, om 03.39 uur. De deur van de woning werd toen geopend door de verdachte en achter hem stond aangeefster. Aangeefster vertelde de gearriveerde verbalisanten dat zij die avond c.q. nacht - maar ook eerder - door de verdachte was mishandeld en zij toonde de verbalisanten blauwe plekken op haar lichaam. Het hof is van oordeel dat deze feiten en omstandigheden - bezien in het licht van het korte tijdsverloop tussen de melding en de aankomst van de agenten - steun bieden aan de aangifte.
Aangeefster heeft verder in de aangifte verklaard dat de verdachte haar eerder, te weten op 26 oktober 2022 in de woning heeft mishandeld, door haar op de grond te stampen en waardoor aangeefster met haar rug op de grond viel. Volgens aangeefster heeft de verdachte vervolgens meermalen met zijn voet op haar borst gestampt.
Uit de door de rechtbank tot het bewijs gebezigde medische verklaring komt naar voren dat aangeefster een blauwe plek had op haar linkerborst, een pijnlijke rib had aan de rechterzijde onder de borst en dat sprake was van een kneuzing van de rib. Naar het oordeel van het hof is dit letsel passend bij het meermalen met de voet stampen op de borst en derhalve past dit letsel bij de door aangeefster geschetste feitelijke toedracht. Daarmee vindt de aangifte objectief steun in het dossier.
Nadere ondersteuning van de aangifte kan worden gevonden in de bij de politie ingekomen meldingen van twist en ruzie tussen de verdachte en aangeefster. Deze meldingen zijn – naar het hof begrijpt – gedaan door verschillende personen. Uit het proces-verbaal van bevindingen blijkt dat de politie op zowel op 26 oktober 2022 als op 4 november 2022 meldingen heeft ontvangen van ruzie tussen de verdachte en aangeefster. Nu aangeefster heeft verklaard dat de verdachte haar op deze beide data heeft mishandeld, twijfelt het hof – mede gelet op de overige bewijsmiddelen – er niet aan dat aangeefster op deze door haar genoemde dagen door de verdachte is mishandeld. Bij dit oordeel heeft het hof tevens nog betrokken dat het hof uit het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep niet is gebleken van een andere oorzaak van het letsel. Aan de enkele en niet onderbouwde stelling van de raadsvrouw dat het letsel op een ander moment kan zijn ontstaan, gaat het hof derhalve voorbij.
Het hof verwerpt mitsdien het tot vrijspraak strekkende verweer van de raadsvrouw.
In de zaak met parketnummer 01-041912-23
Aanvulling en/of verbetering bewijsmiddelen
In aanvulling op de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen, komt de bewezenverklaring van dit feit mede te berusten op de navolgende bewijsmiddelen:
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 februari 2023 (dossierpagina’s 55-57), voor zover – en waar nodig samengevat weergegeven – inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] :
Op 10 februari 2023 omstreeks 15:00 uur kregen wij het verzoek van de centrale meldkamer om te gaan naar de [adres ziekenhuis] . Aldaar is het [naam ziekenhuis] Ziekenhuis gevestigd. De melder, genaamd: [slachtoffer] , was zojuist mishandeld door haar ex-man betreffende: Dhr. [verdachte] . Hij zou haar flink mishandeld hebben.
Wij gingen ter plaatse en spraken met [slachtoffer] . Wij troffen haar op de spoedeisende hulp aan en ze werd behandeld in één van de behandelkamers. Wij zagen dat [slachtoffer] flink letsel had aan haar hoofd. Wij zagen dat zij twee flinke wonden op haar voorhoofd had zitten, een blauw oog had en volledig onder het bloed zat. Op de vraag hoe het met het slachtoffer ging, antwoordde zij: Ik ben mishandeld door mijn ex-man, [verdachte] . Hij is mijn woning, via de achterdeur, binnen gekomen. Deze deur zat niet op slot, maar hij is wel de woning binnen gedrongen. In de woning heeft hij mij in elkaar geslagen. Eerst met zijn vuisten en nadat ik op de grond lag heeft hij mij meerdere malen geslagen met een ijzeren pijp. Hij heeft tijdens het slaan meerdere keren gezegd dat hij mij ging vermoorden, mijn bekken en knieën wilde breken en mijn hond wilde vermoorden. Ik kon wegrennen, via de achtertuin, maar hij rende achter mij aan. In de brandgang heeft hij mij weer geslagen en geschopt, waarna ik op de grond viel.
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 februari 2023 (dossierpagina’s 91-92), voor zover – en waar nodig samengevat weergegeven – inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 6] :
Op 14 februari 2023 omstreeks 09.00 uur haalde ik [slachtoffer] op bij haar woning.
Ik vroeg haar waarmee zij geslagen was. [slachtoffer] zei dat ze geslagen was met een gereedschap wat plat was, ongeveer 40 centimeter lang, bruin van kleur en met een kromming aan het eind.
Ik herkende uit haar beschrijving duidelijk de koevoet welke ik eerder in [de] kofferbak van de auto van verdachte door mij en mijn collega werd aangetroffen.
De kennisgeving van inbeslagneming registratienummer: PL2100-2023031308-11, (dossierpagina 34), voor zover inhoudende:
Inbeslagneming
Plaats: [adres]
Datum en tijd: 14 februari 2023
Omstandigheden: aangetroffen in de kofferbak van de auto van verdachte
Beslagene
Achternaam: [achternaam verdachte]
Voornamen: [voornaam verdachte]
Geboren: [geboortedatum] 1966
Geboorteplaats: [geboorteplaats]
Volgnummer 1
Goednummer: PL2100-2023031308-2032231
Categorie omschrijving: Gereedschap
Object: Handgereedschap (Breekijzer)
Kleur: bruin
Het proces-verbaal van veiligstellen en overdracht DNA-sporendrager(s) tbv DNA-kit d.d. 14 februari 2023 (dossierpagina-s 34-35), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 7] :
Proces-verbaalnummer: PL2100-2023031308-11
Naar aanleiding poging doodslag/zware mishandeling op het adres [adres aangeefster] heb ik op 14 februari 2023 de volgende sporendrager in beslag genomen:
Omschrijving sporendrager: Breekijzer 36 cm.
Het proces-verbaal van verhoor getuige bij de raadsheer-commissaris d.d. 26 februari 2025, voor zover – en waar nodig samengevat weergegeven – inhoudende als verklaring van getuige [slachtoffer] :
Op de vragen van de raadsheer-commissaris antwoordt de getuige als volgt:
Raadsheer-commissaris: Het gaat over wat er gebeurd is op 10 februari 2023. U bent naar het ziekenhuis gebracht door uw vriendin. Daar was al politie toch?
Getuige: Ja.
Raadsheer-commissaris: Daar heeft u met de politie gesproken?
Getuige: Ja.
Raadsheer-commissaris: Daarna is er nog een verhoor afgenomen. Heeft u toen de waarheid verklaart en blijft u daarbij?
Getuige: Ja.
Advocaat-generaal: Ik realiseer me dat 10 februari 2023 lang geleden is. Maar kunt u zich nog herinneren wat de verdachte aanhad die dag?
Getuige: Ik zie het allemaal precies voor me. Die binnenstorming. Ik had pas sinds twee dagen de deur open. Hij had een zwarte jas aan. Hij had een zonnebril op.
Advocaat-generaal: Kunt u zich die zwarte jas nog herinneren?
Getuige: Ja. Ik denk zo’n soort jas. De getuige laat haar eigen jas zien. Het is een gewatteerde soort van windjack.
Advocaat-generaal: Ik wil graag de persoon op de beelden laten zien en de getuige vragen of de persoon haar iets zegt. Ik heb de bewegende beelden opgevraagd, maar van die bewegende beelden zitten stills in het dossier (zie p. 83 e.v. van het politiedossier).
Raadsheer-commissaris: Mevrouw [slachtoffer] . Het gaat om deze beelden (de getuige en de raadsvrouw en de advocaat-generaal kijken op de computer van de raadsheer-commissaris naar de beelden op pagina 83 e.v. van het politiebureau). Ik toon u eerst de tweede foto op pagina 83 van het dossier. Herkent u deze persoon?
Getuige: Ja. Dat is [voornaam verdachte] .
Het proces-verbaal van verhoor getuige bij de raadsheer-commissaris d.d. 17 december 2025, voor zover – en waar nodig samengevat weergegeven – inhoudende als verklaring van getuige [getuige 1] :
Raadsheer-commissaris: Het gaat om wat er gebeurd is op 10 februari 2023. Dat was op een vrijdagmiddag. Wat kunt u zich daar nog van herinneren?
Getuige: Er was een hoop paniek.
Raadsheer-commissaris: Hoe kwam die paniek?
Getuige: Ik werd gebeld en ik hoorde: help, help. Toen ben ik naar haar toegereden en zijn we naar het ziekenhuis gegaan. Zij is geholpen daar. Dat was het.
Raadsheer-commissaris: Door wie werd u gebeld?
Getuige: Dat weet ik niet meer, het was zo’n paniek.
Raadsheer-commissaris: Weet u nog welke telefoon in uw display stond?
Getuige: Ja. Van [slachtoffer] .
Raadsheer-commissaris: Ze heeft niet verteld hoe ze aan die verwondingen is gekomen?
Getuige: Ja. Zij zei: [voornaam verdachte] heeft dat gedaan.
Het proces-verbaal van verhoor getuige bij de raadsheer-commissaris d.d. 17 december 2025, voor zover – en waar nodig samengevat weergegeven – inhoudende als verklaring van getuige [getuige 2] :
Raadsheer-commissaris: Heeft u gehoord dat er in februari 2023 tussen meneer [verdachte] en mevrouw [slachtoffer] iets zou hebben plaatsgevonden?
Getuige: Ja.
Raadsheer-commissaris: Van wie heeft u dat gehoord?
Getuige: Van [slachtoffer] Zij lag in het ziekenhuis. Zij vertelde dat.
Raadsheer-commissaris: heeft ze verteld dat [voornaam verdachte] haar het ziekenhuis had ingewerkt? Getuige: Ja. Dat heeft ze gezegd.
Een geschrift, te weten een Forensisch geneeskundig onderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag, d.d. 16 januari 2025 (los gevoegd), nummer 2023.04.17.138, opgemaakt door de NFI-deskundige [naam deskundige] forensisch arts, inhoudende – en waar nodig samengevat weergegeven – als relaas van rapporteur:
Onderzoeksresultaten
Op het fotomateriaal zijn de volgende letsels en overige bijzonderheden zichtbaar:
A. Onscherp begrensde roodpaarse, paarsblauwe en gele deels samenvloeiende
huidverkleuringen met afmetingen variërend van circa 1 tot 15 cm:
- aan het voorhoofd
- aan de linkergelaatshelft
- langs de onderoogkasranden (links meer dan rechts)
- rond de linkerelleboog
- bovenop de linkerschouder
- zijwaarts hoog aan de buitenzijde van de linkerbovenarm (vier in de lengterichting
gerangschikte ovaalronde huidverkleuringen van circa 1 cm en onderlinge afstanden van circa 1 cm)
- aan de buigzijde van de linkeronderarm
- aan de strekzijde van de linkeronderarm, enkele centimeters onder de elleboog
- aan de buitenzijde van de rechterbovenarm
- aan de strekzijde van de rechteronderarm, aan de pinkwaartse zijde
- in de rechterflank een langwerpige huidverkleuring
- links op de borst
- op de linkerheup
B. Langwerpige huidbeschadigingen voorzien van hechtmateriaal en deels bedekt
met op geronnen bloed gelijkende substantie.
- een schuin verlopende, rechts aan het voorhoofd, met een lengte van circa 4 cm
- een schuin verlopende, boven de linkerwenkbrauw, met een lengte van circa 1 cm
- een schuin verlopende, aan het eindkootje van de linkerduim, met een lengte van
circa 1 cm.
C. Grillig gevormde oppervlakkige huidbeschadigingen met korstvorming, met afmetingen van enkele millimeters tot circa 2-3 cm:
- naast de linkerelleboog
- op de linkerhandrug, linkerhandpalm en linkerduim
- op de rechterhandrug
- links zijwaarts aan de linkerknie
Letselinterpretatie
De onder A. beschreven onscherp begrensde roodpaarse, paarsblauwe en gele deels samenvloeiende huidverkleuringen berusten, gezien hun kleur en onscherpe
begrenzing op bloeduitstortingen. Bloeduitstortingen oftewel ‘blauwe plekken’ ontstaan als door mechanische beschadiging van de bloedvatwand bloed uittreedt in de omringende weefsels. Bloeduitstortingen kunnen in algemene zin verklaard worden door de inwerking van botsend uitwendig mechanisch geweld, zoals bijvoorbeeld wordt opgeleverd door (zich) stoten of geslagen worden met een hard voorwerp.
Aan de rechterflank was er een langwerpige bloeduitstorting, suggestief voor een langwerpig veroorzakend voorwerp.
De onder B. beschreven huidbeschadigingen betreffen gezien de aanwezigheid van chirurgisch hechtmateriaal huidbeschadigingen door alle huidlagen. Deze kunnen berusten op gladrandige huidbeschadigingen (snijwonden) of ruwrandige huidbeschadigingen (huidverscheuringen).
Huidverscheuringen worden gekenmerkt door onregelmatige wondranden, met tekenen van kneuzing en/of oppervlakkige huidbeschadiging van de wondranden, en zijn het resultaat van stomp en/of kantig botsend geweld. Omdat in onderhavig geval een situatie na medisch handelen bestond en de verwondingen deels bedekt waren met een op bloed gelijkende substantie, waardoor de oorspronkelijke aard van de wondranden niet meer kan worden beoordeeld, kan geen onderscheid gemaakt worden tussen stomp of kantig botsend geweld of scherprandig geweld (of een combinatie van beide).
Beantwoording vraagstelling
Is het letsel in lijn met het door aangeefster gebruik van de koevoet? Past het letsel bij het geweld waarover zij heeft verklaard?
Het op het fotomateriaal waargenomen letsel kan verklaard worden door botsend geweld, al dan niet in combinatie met kantig en/of scherprandig geweld op het gelaat en de linkerduim, in combinatie met stomp botsend geweld en/of mogelijk samendrukkend geweld op de romp en de ledematen, en schavend geweld ter hoogte van de linkerhand, linkerelleboog en linkerknie. Slaan met een breekijzer, hetgeen gepaard kan gaan met zowel stomp en kantig botsend als schavend geweld behoort derhalve tot de mogelijke oorzaken.
Aanvulling bewijsoverwegingen
De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit. Daartoe is – op de gronden zoals nader in de pleitnota verwoord – het navolgende aangevoerd.
Het dossier bevat onvoldoende wettig en overtuigend bewijs om tot daderschap van de verdachte te concluderen. De verdachte ontkent betrokkenheid bij de poging tot doodslag en zijn beweerde betrokkenheid is enkel gebaseerd op de aangifte van aangeefster [slachtoffer] . Haar aangifte vindt echter onvoldoende steun in het dossier. Het bij aangeefster geconstateerde letsel kan niet als steunbewijs worden aangemerkt, omdat het niet passend is bij de door haar geschetste feitelijke toedracht. Bloeduitstortingen en enkele huidbeschadigingen zijn immers – en anders dan fracturen, waarvan het bestaan niet is gebleken – onvoldoende ernstig en niet passend bij het met kracht slaan met een ijzeren buis tegen het lichaam of het hoofd. Ook de camerabeelden vormen geen steunbewijs, nu daarop geen specifieke of identificerende kenmerken van de dader zichtbaar zijn. De verdachte is ook niet op de camerabeelden herkend en anders dan de rechtbank heeft overwogen, droeg de verdachte tijdens zijn aanhouding geen soortgelijke kleding als de persoon op de beelden. Daarbij heeft de raadsvrouw nog opgemerkt dat de verdachte drie dagen na het feit is aangehouden en het overigens weinig onderscheidende kleding betrof. Ook is de kleding van de verdachte niet onderzocht op relevante sporen. Aan de hand van de camerabeelden kan evenmin tot een herkenning worden gekomen van het merk of type auto, waarmee de dader vermoedelijk in de omgeving van de woning is gearriveerd. De stelling van de politie dat het een [auto merk en type] betrof is om die reden oncontroleerbaar en overigens niet veelzeggend, daar dat een veelvoorkomend model betreft. De omstandigheid dat bij de aanhouding van de verdachte in de kofferbak van zijn auto een breekijzer is aangetroffen, is niet redengevend voor het bewijs, mede omdat de verdachte dat breekijzer nodig had voor zijn werk en omdat ook op dat breekijzer geen relevante sporen zijn aangetroffen.
Mocht het hof, in weerwil van de verweren, toch oordelen dat het de verdachte is geweest die aangeefster in haar woning met een breekijzer heeft aangevallen, dan heeft de raadsvrouw - bij wijze van subsidiair standpunt - bepleit dat het bewijs van (voorwaardelijk) opzet op de poging tot doodslag, tekortschiet omdat – onder verwijzing naar het geringe letsel en het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: het NFI) – onvoldoende vaststaat dat er met kracht is geslagen.
Het hof overweegt – al dan niet in aanvulling op de rechtbank – als volgt.
Anders dan de raadsvrouw, doch met de rechtbank en de advocaat-generaal, is het hof van oordeel dat het dossier voldoende wettig en overtuigend bewijs bevat om in rechte tot daderschap van de verdachte te concluderen.
Het hof heeft geen reden om te twijfelen aan de juistheid of de betrouwbaarheid van de aangifte van aangeefster [slachtoffer] Zij heeft een gedetailleerde aangifte gedaan en nadien consistent verklaard, zowel bij de politie als bij de raadsheer-commissaris. Daarnaast vindt haar aangifte op meerdere punten steun in het dossier. Aangeefster heeft verklaard dat de verdachte op voormelde datum haar woning is binnengedrongen en dat hij haar heeft aangevallen. Aangeefster noemt de verdachte daarbij met naam. Volgens aangeefster heeft de verdachte haar meermalen met diens vuisten in het gezicht geslagen en is zij tijdens de aanval op de grond beland. Op enig moment gedurende de aanval heeft de verdachte uit de binnenkant van zijn jas een bruine stalen pijp gepakt en aangeefster hoorde dat de verdachte schreeuwde dat hij haar ging vermoorden. Aangeefster voelde dat de verdachte met kracht met de ijzeren buis op haar hoofd sloeg. Uit de aangifte komt verder naar voren dat er tijdens de aanval via de mobiele telefoon van aangeefster contact is geweest met haar vriendin, [getuige 1] .
Aangeefster is met hulp van haar gealarmeerde vriendin, de getuige [getuige 1] , naar het [naam ziekenhuis] vervoerd en aldaar trof de politie het slachtoffer aan met flink letsel aan haar hoofd en zij zat onder het bloed. In het ziekenhuis zijn twee open wonden op het voorhoofd van aangeefster en een wond aan haar linkerduim gehecht. Aangeefster verklaarde in het ziekenhuis tegen de verbalisanten dat zij in haar woning was aangevallen door de verdachte en dat hij haar met een stalen buis tegen het hoofd had geslagen. [getuige 1] is bij de raadsheer-commissaris gehoord en zij heeft verklaard dat zij gebeld werd door – naar het hof begrijpt: het nummer van – aangeefster en zij hoorde: “help, help”. Volgens de getuige was er sprake van paniek. Getuige [getuige 1] is vervolgens naar de woning van aangeefster gegaan en zij heeft aangeefster daar gewond aangetroffen. Met aangeefster is zij naar het ziekenhuis gegaan en onderweg in de auto heeft aangeefster tegen haar gezegd dat zij was aangevallen door de verdachte. Aldus vindt de aangifte op het punt van zowel het telefonisch contact alsmede met betrekking tot het noemen van de naam van de verdachte als de aanvaller, steun in de getuigenverklaring.
Het hof merkt in dit verband op dat aangeefster ook tegen de op 17 december 2025 bij de raadsheer-commissaris gehoorde getuige [getuige 2] heeft verklaard dat zij door de verdachte was aangevallen.
Op 14 februari 2023 is aangeefster forensisch medisch onderzocht. Blijkens de letselverklaring had aangeefster twee hechtwonden op haar voorhoofd en een hechtwond aan haar linkerduim. Daarnaast had aangeefster meerdere bloeduitstortingen in het gezicht. Door de forensisch arts is geconcludeerd dat het aangetroffen letsel goed past bij de door aangeefster geschetste feitelijke toedracht, te weten een aanval met een metalen buis. In hoger beroep heeft een deskundige van het NFI het letsel beoordeeld en, kort gezegd, gerapporteerd (d.d. 16 januari 2025) dat het letsel bij aangeefster kan zijn veroorzaakt door het slaan met een ijzeren voorwerp, zoals een breekijzer (waarover hierna meer).
Anders dan de raadsvrouw, en onder verwijzing naar bovenstaande conclusies van de forensisch artsen, is het hof van oordeel dat het letsel bij aangeefster passend is bij de door haar geschetste toedracht. Naar het oordeel van het hof zijn de twee open wonden op het voorhoofd van aangeefster, welke gehecht moesten worden, dan ook passend bij het met kracht slaan met een ijzeren voorwerp tegen het hoofd. De omstandigheid dat er bij aangeefster geen ernstiger letsel (fracturen of hersenletsel) is geconstateerd, zoals door de raadsvrouw is aangevoerd, doet aan dat oordeel niet af. Daarbij heeft het hof betrokken de omstandigheid dat aangeefster heeft verklaard dat zij zich tegen verdachtes aanval heeft verweerd, door haar armen voor haar hoofd te brengen. Het hof acht het alleszins aannemelijk dat het afwerend handelen van aangeefster de impact van de slag met het ijzeren voorwerp – hierna wordt overwogen dat het een breekijzer betrof – heeft gedempt, hetgeen derhalve de afwezigheid van ernstiger letsel kan verklaren. In dat verband acht het hof het eveneens aannemelijk dat de open wond aan de linkerduim is ontstaan toen aangeefster zich verdedigde. Zo bezien kan die wond als afweerletsel worden beschouwd en daarmee acht het hof ook dit letsel passend bij de door aangeefster geschetste toedracht.
Aangeefster is op 26 februari 2025 bij de raadsheer-commissaris gehoord en zij is toen bij haar aangifte gebleven. Dit maakt in de eerste plaats dat het hof van oordeel is dat aangeefster consistent heeft verklaard. Voorts heeft aangeefster toen een beschrijving gegeven van de tijdens de aanval door de verdachte gedragen kleding. De verdachte droeg volgens aangeefster een zwarte (gewatteerde) jas en een zonnebril. Op 14 februari 2023 heeft aangeefster aan de politie een gedetailleerde omschrijving gegeven van het voorwerp waarmee de verdachte haar zou hebben aangevallen. Aangeefster beschrijft het voorwerp als plat gereedschap, ongeveer 40 centimeter lang, bruin van kleur en met een kromming aan het einde.
Het dossier bevat camerabeelden, gemaakt in de straat achter de woning van aangeefster. De camerabeelden dateren van ten tijde van het tenlastegelegde. De camerabeelden zijn door de politie beschreven en op de camerabeelden kan volgens de politie worden waargenomen dat er om 14.02 uur in het hofje (hof: dit hofje bevindt zich aan het einde van de desbetreffende straat) een [auto merk en type] komt aangereden. Niet veel later wordt door de politie op de camerabeelden waargenomen dat uit diezelfde richting een man komt aangelopen. Die man draagt een wit petje, een zwarte jas en heeft een zonnebril op. Om 14.09 uur kan op de camerabeelden worden waargenomen dat diezelfde man – hof: die blijkens de beelden dan weer terug rent in de richting van het hofje en in de richting van de [auto merk en type] – een langwerpig voorwerp aan de achterzijde van zijn broek gestoken heeft zitten.
De verdachte is op 13 februari 2023 aangehouden. Ten tijde van zijn aanhouding reed de verdachte in een grijze [auto merk en type] en droeg hij een wit petje, een donkere jas en ook had hij een zonnebril op. In de kofferbak van de auto van de verdachte heeft de politie een breekijzer aangetroffen. Dit breekijzer was volgens de politie 36 centimeter lang en bruin van kleur.
Het hof stelt op grond van het vorenstaande vast dat de door aangeefster gegeven omschrijving van de kleding van de dader nagenoeg geheel overeenkomt met de kleding van de persoon op de camerabeelden, alsmede met de kleding die de verdachte ten tijde van diens aanhouding droeg, te weten: een wit petje, een zwarte jas en een zonnebril. Anders dan de raadsvrouw, acht het hof deze kleding – en dan met name vanwege de combinatie van het geheel – wel degelijk voldoende onderscheidend en derhalve redengevend voor het bewijs. Daarbij betrekt het hof de omstandigheid dat door de politie is gerelateerd dat op de camerabeelden een [auto merk en type] kan worden waargenomen en dat de man op de camerabeelden, blijkens de camerabeelden, met die [auto merk en type] in de omgeving van de woning van aangeefster lijkt te zijn gearriveerd. In weerwil van het ter zake gevoerde verweer, heeft het hof geen reden om te twijfelen aan de herkenning door de politie van het soort en type auto op de camerabeelden. Dat het desbetreffende proces-verbaal de precieze gronden waarop de herkenning is gestoeld onvermeld laat, maakt dat niet anders.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte ten tijde van zijn aanhouding reed in een grijze [auto merk en type] en in de kofferbak van die auto heeft de politie een breekijzer aangetroffen. Het hof stelt op grond van het vorenstaande vast dat de omschrijving van aangeefster van het door de dader gebruikte stuk gereedschap naadloos aansluit op de beschrijving van het breekijzer die in de kofferbak van verdachtes auto is aangetroffen. Sterker nog: verbalisant [verbalisant 6] heeft gerelateerd dat zij in aangeefsters omschrijving van het stuk gereedschap, waarvan aangeefster zegt dat zij daarmee is geslagen, duidelijk het breekijzer herkent, dat zij in de kofferbak van verdachtes auto heeft aangetroffen.
Op grond van bovenstaande feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang en (tijds)verband bezien, trekt het hof dan ook de conclusie dat de verdachte de persoon is die op de camerabeelden kan worden waargenomen en dat hij de persoon is die aangeefster in haar woning heeft aangevallen en haar met kracht met een breekijzer tegen het hoofd heeft geslagen.
De overige door de raadsvrouw aangevoerde argumenten die zouden moeten leiden tot vrijspraak, leggen afzonderlijk, noch bij elkaar genomen voldoende gewicht in de schaal om tot een ander oordeel te komen.
In bovenstaand oordeel van het hof ligt voorts besloten dat het hof voorbijgaat aan de door en namens de verdachte geschetste alternatieve scenario’s, voor zover daarvan überhaupt kan worden gesproken. De lezing dat aangeefster de verdachte valselijk beschuldigt uit wraak, omdat de verdachte is vreemdgegaan, zodat niet hij maar een ander verantwoordelijk is voor de aanval of dat zij is aangevallen door een drugsdealer, wegens een niet betaalde drugsschuld, acht het hof strijdig met de bewijsmiddelen en ook anderszins acht het hof dit alles niet aannemelijk geworden, nu uit het onderzoek ter terechtzitting hiervoor geen enkel aanknopingspunt is gebleken.
Anders dan de raadsvrouw, is het hof voorts van oordeel dat de verdachte, met diens krachtige slag met het breekijzer tegen het hoofd van slachtoffer – voor zover hij niet reeds vol opzet heeft gehad – voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer. Het hof overweegt daartoe het volgende.
Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg - in dit geval de dood van het slachtoffer - is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zo’n kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg heeft aanvaard.
Door het slachtoffer met kracht met een breekijzer tegen het hoofd te slaan, heeft de verdachte de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer ten gevolge daarvan zou komen te overlijden. Naar algemene ervaringsregels roept een krachtige slag met een breekijzer tegen het hoofd de aanmerkelijke kans, dat wil zeggen een in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid, in het leven dat het slachtoffer daardoor komt te overlijden. Door de slag had de verdachte ernstig en levensbedreigend hersenletsel kunnen veroorzaken. Hierbij neemt het hof in het bijzonder in aanmerking dat het hoofd een kwetsbaar lichaamsdeel betreft, met daarin vitale onderdelen, zoals de hersenen en bloedvaten en dat het slachtoffer ten tijde van het slaan op de grond lag. Dat de verdachte met kracht heeft geslagen leidt het hof af uit de aangifte, alsmede uit de omstandigheid dat aangeefster open wonden had op haar voorhoofd, die gehecht moesten worden. Het verweer van de raadsvrouw dat de verdachte niet met kracht heeft geslagen, omdat geen sprake was van voldoende ernstig letsel, wordt verworpen. Het hof verwijst daarvoor naar hetgeen het hof hierboven reeds op dat punt heeft overwogen.
Nu het algemene ervaringsregels betreft, heeft eenieder - en dus ook verdachte - wetenschap van het bestaan van deze aanmerkelijke kans. Het op voormelde wijze slaan met een breekijzer tegen het hoofd van het slachtoffer door de verdachte is naar de uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het bewerkstelligen van de dood van het slachtoffer, dat hieruit volgt dat de verdachte die aanmerkelijke kans op dit gevolg ook heeft aanvaard. Van contra-indicaties waaruit zou blijken dat de verdachte die aanmerkelijke kans niet heeft aanvaard, is het hof niet gebleken. Aldus acht het hof poging tot doodslag bewezen.
Het hof verwerpt mitsdien de tot vrijspraak strekkende verweren van de verdediging in al hun onderdelen.
Op te leggen straf en maatregelen
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat aan de verdachte wordt opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren met aftrek, alsmede dat aan hem wordt opgelegd de maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht, bestaande uit – kort gezegd – een contact- en locatieverbod betreffende aangeefster [slachtoffer] .
De raadsvrouw van de verdachte heeft onder verwijzing naar de persoonlijke omstandigheden van de verdachte het hof verzocht om te volstaan met oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Onder verwijzing naar een arrest van dit hof d.d. 29 december 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:4935, waarin volgens de raadsvrouw sprake was van ernstiger geweld en medeplegen van poging tot doodslag, heeft de raadsvrouw bepleit dat de oplegging van een hogere gevangenisstraf niet passend is.
Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich op 10 februari 2023 schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag op [slachtoffer] . De verdachte is die dag de woning van het slachtoffer, diens ex-partner, binnengedrongen en heeft haar aangevallen. Daarbij heeft de verdachte het slachtoffer meermalen met kracht in haar gezicht geslagen en haar, toen zij op de grond lag, met kracht met een breekijzer tegen het hoofd geslagen. Uit de bewijsmiddelen leidt het hof af dat de verdachte zeer fors geweld heeft gebruikt jegens het slachtoffer en haar op beestachtige wijze heeft toegetakeld. Een en ander blijkt mede uit het feit dat het slachtoffer twee open wonden had op haar voorhoofd, die gehecht moesten worden. Daarnaast had het slachtoffer een open wond aan haar linkerduim en had zij tal van bloeduitstortingen verspreid over haar lichaam, waaronder forse bloeduitstortingen in het gezicht. Het feit dat het slachtoffer door de brute handelwijze van de verdachte geen ernstiger lichamelijk letsel heeft bekomen of de aanval van de verdachte zelfs met de dood heeft moeten bekopen, is een gelukkige omstandigheid die geenszins aan de verdachte is te danken, maar aan het slachtoffer. Zij heeft getracht zich te verweren tegen de aanval en kans gezien de woning en de verdachte te ontvluchten.
Daarnaast is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat hij [slachtoffer] eerder, te weten in periode van 25 oktober 2022 tot en met 4 november 2022, in de echtelijke woning heeft mishandeld door haar te slaan en te schoppen. Aldus heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan mishandeling begaan tegen zijn echtgenote, meermalen gepleegd.
Met zijn handelen heeft de verdachte op ingrijpende wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en haar pijn en letsel toegebracht. Ook heeft hij bij haar gevoelens van angst en onveiligheid teweeggebracht. Met name de poging tot doodslag, met daarbij gebruik van een breekijzer, acht het hof bijzonder ernstig en zorgwekkend. De beide feiten vonden bovendien plaats in de eigen woning van het slachtoffer, die – in het geval van de mishandeling – op dat moment door hen beiden werd bewoond en derhalve binnen de relationele sfeer. Bij huiselijk geweld wordt het veiligheidsgevoel van de slachtoffers in de huiselijke omgeving aangetast. Juist in een relatie en in de huiselijke sfeer behoort eenieder zich veilig te voelen. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals is bewezenverklaard, te meer nu de verdachte tegen beter weten in volhardt in zijn ontkenning en daarmee te kennen geeft het laakbare van zijn handelen niet in te willen zien.
Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 22 januari 2026, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte. Uit dit uittreksel blijkt dat de verdachte eerder meermalen wegens ernstige strafbare feiten met een geweldscomponent is veroordeeld tot gevangenisstraffen van zeer geruime duur. Zo is de verdachte op 18 juli 2013 door het hof Den Haag wegens – kort gezegd – (1) vrijheidsberoving en bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht, (2) poging tot diefstal met geweld en afpersing, beide gepleegd door verenigde personen, (3) diefstal met geweld in vereniging (4) diefstal en (5) vuurwapenbezit, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren en 6 maanden. Op 4 augustus 1995 is de verdachte door dit hof ter zake van doodslag en een poging tot doodslag veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 jaren. Uit verdachtes strafblad komt het beeld naar voren dat hij geweld jegens personen en goederen niet schuwt. En hoewel voormelde veroordelingen van enige tijd geleden dateren, staat die omstandigheid – gelet op de aard en ernst van de feiten en de opgelegde straffen, bezien in het licht van de onderhavige feiten – er niet aan in de weg dat hof een en ander in het nadeel van de verdachte meeweegt bij het bepalen van de aan hem op te leggen straf.
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft het hof voorts nog acht geslagen op de inhoud van het reclasseringsadvies d.d. 18 september 2025 en de Pro-Justitia Rapportage van het Pieter Baan Centrum (hierna: PBC) d.d. 11 september 2023.
De reclassering kan het recidiverisico niet inschatten omdat er te weinig zicht is op verdachtes psychosociaal functioneren, waarbij de reclassering door de houding van de verdachte beperkte mogelijkheid ziet om hier aanvullend inzicht in te krijgen. In algemene zin ziet de reclassering een verhoogd risico uitgaande van het delictverleden van de verdachte, de langdurige detenties, de afwezigheid van beschermende factoren en dat er relatief weinig sprake is van stabiliteit op de leefgebieden.
De verdachte heeft in het PBC iedere medewerking geweigerd. De onderzoekers schrijven in het rapport dat er uit het onderzoek nauwelijks zicht is verkregen op verdachtes achtergrond, ontwikkelingsgeschiedenis en levensloop. De deskundigen schrijven dat de verdachte evenmin heeft deelgenomen aan activiteiten op de afdeling, waardoor ook de groepsleiding beperkt zicht op hem heeft verkregen. De groepsleiding beschrijft de verdachte als een ongrijpbare man die zich als het ware onzichtbaar houdt. De deskundigen verhalen in dat verband dat de verdachte in staat is geweest zijn weigering zes weken lang op een standvastige en consequente wijze vorm te geven. Hiermee hebben de groepsleiding en de individuele onderzoekers geen zicht gekregen op de innerlijke belevingswereld van de verdachte. Op forensisch relevante zaken als zelfbeeld en identiteitsontwikkeling, emotie- en agressiehuishouding, copingstijlen, cognities, empathische functies en de gewetensfuncties is om deze reden geen zicht verkregen. Er is volgens de deskundigen geen aanleiding te vermoeden dat er sprake zou kunnen zijn van (ernstige) psychiatrische problematiek, zoals een psychotische stoornis, een stemmingsstoornis, ADHD, of autismespectrumproblematiek. Er is geen enkel zicht verkregen op de intelligentie van de verdachte: het is onduidelijk of er al of niet sprake zou kunnen zijn van een forensisch relevante beperking in de intelligentie. De verdachte heeft zich zo onzichtbaar opgesteld, dat hier zelfs geen klinische indrukken van te benoemen zijn. Wat de persoonlijkheid van de verdachte betreft, doet volgens de deskundigen zich de vraag voor of het patroon van geweldsincidenten een samenhang zou kunnen vertonen met persoonlijkheidsproblematiek dan wel een persoonlijkheidsstoornis. Bovendien doet zich op grond van het dossier de vraag voor of de verdachte in het sociaal maatschappelijk opzicht (wonen, werk, relaties) ooit adequaat heeft gefunctioneerd, wat de relevantie van persoonlijkheidsdiagnostiek onderstreept. Dit alles kon echter wegens de weigering van de verdachte aan het onderzoek mee te werken niet nader worden onderzocht, waardoor er weliswaar aanknopingspunten zijn om het bestaan van persoonlijkheidsproblematiek dan wel een persoonlijkheidsstoornis te vermoeden, maar deze hypothese door gebrek aan onderzoek noch kan worden bevestigd noch kan worden verworpen.
Het hof acht vorenomschreven bevindingen van de deskundigen van het PBC, en dan met name de wijze waarop de verdachte in staat is gebleken om zich gedurende 6 weken, ondanks intensieve observatie onzichtbaar te houden, zorgwekkend: dit baart het hof zorgen voor de toekomst.
Ten slotte heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan gedurende het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Naar het oordeel van het hof kan, gelet op de ernst van het bewezenverklaarde, het justitiële verleden van de verdachte en in verband met een juiste normhandhaving, niet worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.
Alles afwegende acht het hof in beginsel de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren, passend en geboden.
In hetgeen de raadsvrouw met betrekking tot de op te leggen straf naar voren heeft gebracht, waaronder het door haar aangehaalde arrest van dit hof, ziet het hof geen reden om tot een lagere strafoplegging te komen. Het hof acht het door de raadsvrouw aangehaalde arrest niet vergelijkbaar met de onderhavige zaak. Zo is het hof in die zaak over de band van het medeplegen tot een bewezenverklaring van een poging tot doodslag gekomen en heeft het hof in die zaak vastgesteld dat de verdachte niet eigenhandig geweldshandelingen heeft verricht. Dat is in deze zaak nadrukkelijk anders, zodat reeds daarom de vergelijking mank gaat.
Het hof overweegt met betrekking tot het procesverloop in hoger beroep evenwel nog het volgende.
Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 EVRM. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen 16 maanden, aangezien sprake is van een in voorlopige hechtenis genomen verdachte, nadat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld, alsmede dat de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep dient te zijn afgerond met een eindarrest binnen 16 maanden nadat hoger beroep is ingesteld, nu de verdachte ook in de fase van het hoger beroep in voorarrest verblijft, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman of raadsvrouw op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.
In onderhavige zaak is het hof gebleken dat de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden. Namens de verdachte is immers op 22 januari 2024 hoger beroep ingesteld, terwijl het hof heden – op 4 mei 2026 – en derhalve niet binnen 16 maanden na het instellen van het hoger beroep – arrest wijst. De redelijke termijn in hoger beroep is hierdoor met ruim 11 maanden overschreden. Het hof zal deze overschrijding ten faveure van de verdachte verdisconteren in de straftoemeting, in die zin dat het hof de op te leggen onvoorwaardelijke gevangenis zal matigen. In beginsel acht hof een matiging van 8 maanden op zijn plaats.
In hoger beroep heeft de verdediging evenwel een en ander maal onderzoekswensen ingediend. Zo is op meerdere momenten in de procedure verzocht om getuigen te horen bij de raadsheer-commissaris. Daarnaast is verzocht om het voegen van stukken, alsmede het verrichten van aanvullend onderzoek, welke onderzoekswensen door het hof (al dan niet gedeeltelijk) zijn gehonoreerd. Het hof is van oordeel dat de door de verdediging gedane verzoeken een deel van het tijdsverloop verklaart en dat het handelen van de verdediging van invloed is geweest op de duur van het onderzoek en de procedure. Naar het oordeel van het hof dient derhalve een deel van de termijnoverschrijding voor rekening van de verdediging te komen. Mitsdien zal het hof de op te leggen gevangenisstraf matigen met 4 maanden.
Het voorgaande leidt, alles afwegende, tot de slotsom dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren en 8 maanden met aftrek van voorarrest.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht
Op grond van het verhandelde ter terechtzitting ziet het hof voorts – evenals de advocaat-generaal – aanleiding om, ter voorkoming van nieuwe strafbare feiten, aan de verdachte de vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht op te leggen voor de duur van 5 jaren, inhoudende een contactverbod met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum slachtoffer] , en een gebiedsverbod, inhoudende dat de verdachte zich niet zal ophouden in een straal van 1000 meter rondom de woning aan de [adres aangeefster] (zijnde het huidige adres van aangeefster [slachtoffer] ). Dit gebied is aangegeven op de bij dit arrest gevoegde kaart, opgenomen in bijlage I.
Het hof zal daarbij bepalen dat voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, hechtenis voor de duur van 1 week, met een maximum van 6 maanden, zal worden toegepast. Toepassing van de hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de maatregel niet op.
Het hof zal – net als de rechtbank – bepalen dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is, nu er, gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan, ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend zal gedragen jegens het slachtoffer [slachtoffer] . Daarbij heeft hof, in aanvulling op het vorenoverwogene, mede in aanmerking genomen het feit dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 01-114929-23 bewezenverklaarde heeft begaan, terwijl aan hem een gebiedsverbod was uitgereikt alsmede dat de verdachte tijdens zijn voorarrest voor de zaak met parketnummer 01-041912-23 tot tweemaal toe contact heeft opgenomen met het slachtoffer.
Het hof zal bepalen dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit arrest al onderworpen is geweest aan de vergelijkbare, door de rechtbank dadelijk uitvoerbaar verklaarde vrijheidsbeperkende maatregel, bij de uitvoering van de maatregel in mindering wordt gebracht.
Maatregel als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht
Het hof acht het voorts passend en geboden om aan de verdachte de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z, lid 1, van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.
Aan de wettelijke vereisten voor de oplegging van een dergelijke maatregel is voldaan. De verdachte heeft zich immers – na de invoering van artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht op 1 januari 2018 – schuldig gemaakt aan een misdrijf gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen, waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld, te weten de beide bewezenverklaarde feiten. Aan verdachte wordt ter zake daarvan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd.
Bovendien is naar het oordeel van het hof, mede gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de omstandigheden waaronder zij zijn begaan, alsmede verdachtes strafblad waaruit blijkt van eerdere veroordelingen voor ernstige geweldsdelicten waarvoor aan de verdachte jarenlange gevangenisstraffen zijn opgelegd, en hetgeen hiervoor omtrent de persoon van de verdachte is overwogen, de oplegging van de maatregel geboden in het belang van de bescherming van de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen, ter beperking van toekomstig recidiverisico.
Beslag
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat een in beslag genomen breekijzer verbeurd zal worden verklaard en dat een klauwhamer aan de verdachte wordt geretourneerd.
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat het breekijzer en de klauwhamer aan de verdachte dienen te worden geretourneerd.
Het hof overweegt als volgt.
Hoewel de beslaglijst geen melding maakt van een in beslag genomen breekijzer, volgt uit de kennisgeving van inbeslagneming (dossierpagina 34) dat op 14 februari 2023 onder de verdachte een breekijzer in beslag is genomen. Het breekijzer is aangetroffen in de kofferbak van de auto van verdachte. De kennisgevingen van inbeslagneming maken daarentegen geen melding van een klauwhamer. Nu het hof ook anderszins niet is gebleken dat er een klauwhamer in beslag is genomen, zal het hof derhalve omtrent de klauwhamer geen beslissing nemen.
Het in beslag genomen en nog niet teruggegeven breekijzer (PL2100-2023031308-2032231), welk voorwerp naar het oordeel van het hof aan de verdachte toebehoort, is vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het hof van oordeel is dat de verdachte het breekijzer heeft gebruikt bij de door hem gepleegde poging tot doodslag en het aldus een voorwerp betreft met behulp van welke het in de zaak met parketnummer 01-041912-23 primair bewezenverklaarde is begaan.
Het hof zal dit voorwerp daarom verbeurdverklaren en heeft daarbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte, voor zover het hof daarvan is gebleken.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in eerste aanleg in de zaak met het parketnummer 01-041912-23 (de poging tot doodslag) een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 8.281,72, te vermeerderen met de wettelijke rente tot aan de dag der algehele voldoening. De vordering ziet op een bedrag van € 281,72 aan materiële schade (kosten wegens eigen risico) en een bedrag van € 8.000,- aan immateriële schade.
De rechtbank heeft de vordering bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 5.281,72, bestaande uit € 281,72 aan materiële schade en € 5.000,00 als vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 februari 2023 tot aan de dag der algehele voldoening. Voor het overige heeft de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering, met bepaling dat de vordering in zoverre bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.
De benadeelde partij heeft te kennen gegeven de gehele vordering in hoger beroep te handhaven.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het hof de vordering integraal zal toewijzen.
De raadsvrouw heeft, ingeval van een bewezenverklaring, bepleit dat de materiële en immateriële schade gematigd dient te worden, omdat – kort gezegd – het causaal verband tussen de (gehele) opgevoerde medische kosten en het tenlastegelegde, alsmede het verband tussen de PTSS en het tenlastegelegde onvoldoende vaststaat. Voor het geval het hof mocht oordelen dat er wel een causaal verband bestaat tussen het geestelijk letsel en het tenlastegelegde, heeft de raadsvrouw bepleit dat het toe te kennen bedrag wordt beperkt tot € 3.000,-.
Het hof overweegt als volgt.
Materiële schade (eigen risico)
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof genoegzaam gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer] als gevolg van verdachtes bewezenverklaarde handelen in de zaak met het parketnummer 01-041912-23 rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 281,72.
Het hof acht immers bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag op de benadeelde partij en dat hij haar met vuisten in het gezicht heeft geslagen en haar met een breekijzer op het hoofd heeft geslagen. Hierdoor heeft het slachtoffer letsel opgelopen en zij heeft daarvoor medische behandeling ondergaan. De gevorderde schade houdt daarmee verband. Het hof acht het gevorderde bedrag voldoende onderbouwd, zodat de materiële schade integraal wordt toegewezen. In hetgeen de raadsvrouw ter zake van de medische kosten heeft aangevoerd, ziet het hof, de met bescheiden gestaafde onderbouwing in aanmerking genomen, geen grond om tot een ander oordeel te komen.
Immateriële schade
Op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat (hierna ook te noemen: immateriële schade) recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding, indien, zoals hier aan de orde, de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen.
Vaststaat dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag op [slachtoffer] . De verdachte is de woning van de benadeelde partij binnengedrongen en heeft het slachtoffer met fors geweld aangevallen. De verdachte heeft het slachtoffer met vuisten in het gezicht geslagen en haar met kracht met een breekijzer tegen het hoofd geslagen. Hierdoor heeft het slachtoffer fors lichamelijk letsel opgelopen, waaronder twee open wonden op haar voorhoofd, die gehecht moesten worden. Uit de stukken volgt dat het slachtoffer aan de aanval een blijvend litteken op haar voorhoofd heeft overgehouden en dat de benadeelde partij ter zake daarvan is doorverwezen naar een plastisch chirurg.
Bij de begroting van de immateriële schadevergoeding wegens lichamelijk letsel, mogen de psychische gevolgen van lichamelijk letsel reeds worden betrokken zonder dat daarvoor geestelijk letsel in rechte hoeft te zijn vastgesteld, mits de psychische gevolgen voldoende verband houden met het lichamelijk letsel. Ook is niet nodig dat de aard en de ernst van de normschending en de in dat verband relevante gevolgen voor het slachtoffer kunnen worden aangemerkt als persoonsaantasting op andere wijze. In dit geval blijkt echter dat de benadeelde als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte niet alleen meerdere lichamelijke letsels maar, zoals het hof hierna zal overwegen, tevens geestelijk letsel heeft opgelopen, zodat ook sprake is van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’.
De benadeelde partij heeft in de schriftelijke onderbouwing, waaronder de aanvulling in hoger beroep bij e-mailbericht van 17 april 2026, gesteld – en middels de mondelinge toelichting op haar vordering door haar advocaat ter terechtzitting in hoger beroep nader toegelicht – dat het bewezenverklaarde een zeer grote impact op haar heeft gehad. De benadeelde partij heeft tijdens de aanval doodsangsten uitgestaan en tot op heden heeft zij last van angstgevoelens.
Uit de onderbouwing en de medische stukken, waaronder een behandelplan van 30 juni 2023 en een brief van de psycholoog d.d. 6 december 2023 volgt dat bij het slachtoffer PTSS is vastgesteld. Het slachtoffer heeft zich ter zake daarvan onder behandeling laten stellen, bestaande in onder meer EMDR-therapie. Anders dan de raadsvrouw, acht het hof, gelet op de onderbouwing en de stukken, het causaal verband tussen het bewezenverklaarde en de PTSS voldoende aannemelijk geworden.
De benadeelde heeft derhalve recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding.
Gelet op de aard, de omvang en de ernst van het bewezenverklaarde feit, het forse lichamelijke letsel en geestelijke letsel dat slachtoffer als gevolg hiervan heeft opgelopen, begroot het hof de schadevergoeding naar billijkheid op het gevorderde bedrag van € 8.000,00. Bij de begroting heeft het hof gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. Tot slot heeft het hof acht geslagen op de ‘Rotterdamse Schaal’, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen, waarnaar al vaker door andere rechters in Nederland is verwezen bij de begroting van schade als hier aan de orde.
Het toe te wijzen totaalbedrag zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente, tot aan de dag der algehele voldoening. Het hof stelt de ingangsdatum van de wettelijke rente wat de immateriële schade betreft vast op 10 februari 2023, zijnde de datum van het bewezenverklaarde feit. De ingangsdatum van de wettelijke rente met betrekking tot de materiële schade stelt het hof vast op 24 mei 2023, zijnde de datum waarop het eigen risico door zorgverzekeraar is aangesproken. De schade wordt geacht op die dagen te zijn geleden.
De verdachte zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten, op de wijze als in het dictum van dit arrest is bepaald.
Schadevergoedingsmaatregel
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte in de zaak met het parketnummer 01-041912-23 rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer] is toegebracht tot een bedrag van € 8.281,72. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente op de wijze als voormeld, tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 33, 33a, 36f, 38v, 38w, 38z, 45, 57, 287, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep, doch uitsluitend ten aanzien van de straf- en maatregeloplegging en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en doet in zoverre opnieuw recht:
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren en 8 (acht) maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de veroordeelde voor de duur van 5 jaren:
- op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum slachtoffer] ;
- zich niet zal ophouden in het gebied binnen een straal van 1000 meter rondom de woning aan de [adres aangeefster] , zoals afgebeeld op de in de bijlage opgenomen afbeelding;
beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor iedere keer dat de verdachte de maatregel overtreedt. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 1 (een) week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan met een totale duur van ten hoogste 6 (zes) maanden;
toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op;
beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is;
beveelt dat de tijd die de verdachte al onderworpen is geweest aan de door de rechtbank opgelegde en dadelijk uitvoerbaar verklaarde vrijheidsbeperkende maatregel bij de uitvoering van de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel in mindering zal worden gebracht;
heft op het door de rechtbank gegeven bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van de door de rechtbank opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht;
legt aan de verdachte op de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht;
verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
- koevoet (breekijzer) PL2100-2023031308-2032231.
wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het in de zaak met parketnummer 01-041912-23 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 8.281,72 (zegge: achtduizend tweehonderdeenentachtig euro en tweeënzeventig cent) bestaande uit € 281,72 (zegge: tweehonderdeenentachtig euro en tweeënzeventig cent) als vergoeding van materiële schade en een bedrag van € 8.000,00 (zegge: achtduizend euro) als vergoeding van immateriële schade, te vermeerderden met de wettelijke rente op de wijze als hierna is vermeld;
veroordeelt de verdachte in de kosten en de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil;
legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat der Nederlanden, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 01-041912-23 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 8.281,72 (zegge: achtduizend tweehonderdeenentachtig euro en tweeënzeventig cent) bestaande uit een bedrag van € 281,72 (zegge: tweehonderdeenentachtig euro en tweeënzeventig cent) als vergoeding van materiële schade en bedrag van € 8.000,00 (zegge: achtduizend euro) als vergoeding van immateriële schade, te vermeerderden met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdata tot aan de dag der voldoening, en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 66 (zesenzestig) dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat der Nederlanden ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;
bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op
24 mei 2023 en van de immateriële schade op 10 februari 2023;
bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het vorenoverwogene.
Aldus gewezen door:
mr. S. Riemens, voorzitter,
mr. J. Platschorre en mr. K.J. van Dijk, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. T.S. Vos, griffier,
en op 4 mei 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.