ECLI:NL:GHSHE:2026:1168

ECLI:NL:GHSHE:2026:1168

Instantie Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak 06-05-2026
Datum publicatie 06-05-2026
Zaaknummer 20-000246-24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBOBR:2024:253

Samenvatting

Op grond van de inhoud van het dossier stelt het hof vast dat de ANØM-data betreffende de verdachte door Nederlandse opsporingsambtenaren zijn verwerkt en geanalyseerd zonder dat daaraan een rechterlijke toetsing vooraf was gegaan. Voor de verwerking en analyse van deze ANØM-data was aldus geen rechterlijke machtiging verstrekt. Het hof is van oordeel dat een dergelijke machtiging, gelet op het hiervoor weergegeven juridische kader, wel vereist was. Het hof stelt vast dat het geschonden voorschrift, de verplichting betreft om onderzoek aan elektronische gegevensdrager(s) en/of geautomatiseerde werk(en) dat een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene(n) met zich brengt, voorafgaand door een rechter(-commissaris) te laten toetsen. Op grond van de inhoud van het dossier stelt het hof vast dat de verdachte en zijn medeverdachten de cryptocommunicatiedienst ANØM doelbewust hebben gebruikt om buiten het zich van de autoriteiten (uitgebreid) te kunnen communiceren over het plannen, beramen en plegen van ernstige, drugsgerelateerde feiten. Uit de ANØM-berichten in het dossier leidt het hof af dat de verdachte en zijn medeverdachten de ANØM-berichtendienst nagenoeg uitsluitend gebruikten voor de communicatie over drugsgerelateerde activiteiten. Ten aanzien van de ernst van het in de onderhavige zaak begane vormverzuim merkt het hof allereerst op dat ten tijde van het onderzoek aan de ANØM-data, het hiervoor genoemde arrest van het HvJ EU (Landeck) nog niet was gewezen. Verder stelt het hof vast dat de politie bij de verwerking en analyse van de ANØM-data zorgvuldig te werk is gegaan. Door het gebruik van specifieke zoektermen betreffende ANØM-gebruikers uit lopende strafrechtelijke onderzoeken naar criminele samenwerkingsverbanden of die naar hun aard wijzen op ernstige criminele activiteiten in georganiseerd verband, is getracht zo veel als mogelijk recht te doen aan de (privacy)rechten van de betrokkenen en eventuele inbreuken op die rechten zo beperkt mogelijk te houden. Het hof is van oordeel dat het gebruik van de ANØM-data betreffende de verdachte voor het bewijs in de onderhavige zaak in overeenstemming is met het recht van de verdachte op een eerlijk proces, als vastgelegd in artikel 6 van het EVRM. Naar het oordeel van het hof is de strafprocedure tegen de verdachte in de onderhavige zaak, in haar geheel bezien, eerlijk geweest.

Uitspraak

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 23 januari 2024 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken onder parketnummers 01-993293-21 en 01-993370-21, tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats en -datum] 1990,

ingeschreven op [adres 1] .

Hoger beroep

Bij het vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de tenlastegelegde feiten bewezen verklaard, gekwalificeerd als:

en aan de verdachte te dier zake opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren met aftrek van de duur van het voorarrest. Voorts heeft de rechtbank de onder de verdachte inbeslaggenomen voorwerpen verbeurdverklaard. Tot slot heeft de rechtbank de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling toegewezen en gelast dat het gedeelte van de bij vonnis van de Rechtbank Oost-Brabant van 23 december 2019 onder parketnummer 01-879227-19 opgelegde vrijheidsstraf dat als gevolg van de toepassing van de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling niet ten uitvoer is gelegd, alsnog wordt ondergaan, te weten voor de duur van 10 maanden.

Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen, omdat de tenlastelegging in hoger beroep is gewijzigd, en, opnieuw rechtdoende, de aan de verdachte tenlastegelegde feiten bewezen zal verklaren en aan de verdachte zal opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof, opnieuw rechtdoende, de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling zal toewijzen en de onder de verdachte inbeslaggenomen voorwerpen, zoals vermeld op de beslaglijst in het dossier, zal verbeurdverklaren.

De raadslieden van de verdachte hebben integrale vrijspraak bepleit van de aan de verdachte tenlastegelegde feiten. Zij hebben op meerdere gronden aangevoerd dat de data afkomstig van de server van cryptocommunicatiedienst ANØM van het bewijs dienen te worden uitgesloten, waarna de conclusie dient te volgen dat de aan de verdachte tenlastegelegde feiten niet wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. Subsidiair hebben de raadslieden een straftoemetingsverweer gevoerd.

Voorafgaand aan de terechtzitting in hoger beroep d.d. 11 maart 2026 hebben de raadslieden van de verdachte verscheidene onderzoekswensen ingediend bij het hof. Ter terechtzitting hebben de raadslieden bij deze onderzoekswensen gepersisteerd en deze nader toegelicht. Het hof heeft vervolgens bepaald dat bij eindarrest dan wel, na een heropening van het onderzoek, bij tussenarrest zal worden beslist op de door de verdediging ingediende onderzoekswensen. De bespreking van en beslissing op deze onderzoekswensen volgen verderop in dit (eind)arrest.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd omdat in hoger beroep de tenlastelegging – en daarmee de grondslag van het onderzoek – is gewijzigd.

Tenlastelegging

In de zaak met parketnummer 01-993293-21 is aan de verdachte – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep – tenlastegelegd dat:

1.hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2021 tot en met 7 juni 2021 te Eindhoven en/of Helmond, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of vervaardigd, althans opzettelijk aanwezig heeft gehad, (een) (grote) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende amfetamine en/of (een) (grote) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende metamfetamine, zijnde amfetamine en/of metamfetamine (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2021 tot en met 7 juni 2021 te Eindhoven en/of Heerlen en/of Helmond, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet (te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren, vervaardigen en/of binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van één of meer hoeveelhe(i)d(en) van (een) materia(a)l(en) bevattende MDMA en/of amfetamine en/of metamfetamine, zijnde (een) middel(len) als vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I en/of één of meer hoeveelhe(i)d(en) van (een) materia(a)l(en) bevattende(een) (ander(e)) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I), voor te bereiden en/of te bevorderen, (telkens)

- één of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen en/of

- zich en/of één of meer anderen gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of

- één of meer voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of één of meer (andere) betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en), althans ernstige reden had(den) om te vermoeden dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en),

immers heeft/hebben hij en/of één of meer van zijn mededaders opzettelijk daartoe (telkens en/of één of meermalen)

- een of meerdere zogenaamde crypto telefoon(s) voorhanden gehad en/of

- via (deze) cryptotelefoon(s) met een of meer anderen (uitgebreid) gecommuniceerd

* over de inrichting van (een) productielocatie(s) van synthetische drugs en/of

* over de productie van synthetische drugs en/of (hierbij) een of meer laboranten voor de productie van synthetische drugs aangestuurd en/of aan een of meer personen het productieproces van (een) middel(en) als bedoeld op lijst I van de Opiumwet uitgelegd en/of voorgehouden en/of

* over de verkoop en/of export van synthetische drugs en/of

- een (productie)locatie (te weten de locatie(s) [adres 2] te Helmond en/of de locatie [adres 3] te Heerlen) gehuurd en/of laten huren en/of voorhanden gehad en/of gebruikt en/of laten gebruiken en/of

- één of meer hoeveelheden chemicaliën en/of hardware voor het produceren/vervaardigen van benzylmethylketon (BMK) en/of voor het produceren/vervaardigen van amfetamine gebouwd en/of bereid en/of besteld en/of aangeschaft en/of vervoerd en/of opgeslagen en/of voorhanden gehad,

- (vervolgens) de productieopstelling(en) opgebouwd en/of gemaakt en/of gebruikt.

In de in eerste aanleg gevoegde zaak met parketnummer 01-993370-21 is aan de verdachte tenlastegelegd dat:

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2021 tot en met 7 juni 2021 te Eindhoven, althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland (al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet) heeft gebracht, één of meer hoeveelhe(i)d(en) van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, waaronder:

- (in totaal) ongeveer 82 kilogram amfetamine, in elk geval één of meer hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende amfetamine (in beslag genomen in Zweden op of omstreeks 10 april 2021) en/of

- (in totaal) ongeveer 100 kilogram amfetamine, in elk geval één of meer hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende amfetamine (in beslag genomen in Zweden op of omstreeks 4 mei 2021) en/of

- (in totaal) ongeveer 60 kilogram amfetamine, in elk geval één of meer hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende amfetamine (in beslag genomen in Zweden op of omstreeks 21 mei 2021)

zijnde (telkens) amfetamine (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 01-993293-21 onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.hij in de periode van 31 januari 2021 tot en met 7 juni 2021 in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen opzettelijk heeft bereid en bewerkt en verwerkt en verkocht en afgeleverd en vervoerd en vervaardigd grote hoeveelheden van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.hij in de periode van 31 januari 2021 tot en met 7 juni 2021 te Eindhoven en/of Heerlen en/of Helmond, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet (te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren, vervaardigen en/of binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van één of meer hoeveelhe(i)d(en) van (een) materia(a)l(en) bevattende MDMA en/of amfetamine, zijnde (een) middel(len) als vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I en/of één of meer hoeveelhe(i)d(en) van (een) materia(a)l(en) bevattende(een) (ander(e)) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I), voor te bereiden en/of te bevorderen, (telkens)

- één of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen of mede te plegen, om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen en

- zich en/of één of meer anderen gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen en

- voorwerpen, stoffen en gelden voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist dat die bestemd waren tot het plegen van dat feit,

immers heeft/hebben hij en/of zijn mededaders opzettelijk daartoe

- zogenaamde crypto telefoons voorhanden gehad en

- via deze cryptotelefoons met anderen (uitgebreid) gecommuniceerd

* over de inrichting van productielocaties van synthetische drugs en

* over de productie van synthetische drugs en hierbij laboranten voor de productie van synthetische drugs aangestuurd en aan personen het productieproces van middelen als bedoeld op lijst I van de Opiumwet uitgelegd en voorgehouden en

* over de verkoop en export van synthetische drugs en/of

- een productielocatie, te weten de locaties [adres 2] te Helmond en de locatie [adres 3] te Heerlen, voorhanden gehad en/of gebruikt en/of laten gebruiken en

- hoeveelheden chemicaliën en hardware voor het produceren/vervaardigen van benzylmethylketon (BMK) en voor het produceren/vervaardigen van amfetamine gebouwd en/of opgeslagen en/of voorhanden gehad,

- vervolgens de productieopstellingen opgebouwd en/of gemaakt en gebruikt.

Voorts acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 01-993370-21 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in de periode van 31 januari 2021 tot en met 7 juni 2021 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen telkens opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, te weten:

- in totaal ongeveer 82 kilogram amfetamine (in beslag genomen in Zweden op of omstreeks 10 april 2021) en

- in totaal ongeveer 100 kilogram amfetamine (in beslag genomen in Zweden op of omstreeks 4 mei 2021) en

- in totaal ongeveer 60 kilogram amfetamine (in beslag genomen in Zweden op of omstreeks 21 mei 2021),

zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

In het geval dat tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op dit arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.

Bewijsoverwegingen

Ten aanzien van het gebruik van de ANØM-data voor het bewijs

Het standpunt van de verdediging

Op gronden zoals in de ter terechtzitting in hoger beroep aan het hof overgelegde pleitnota verwoord, hebben de raadslieden van de verdachte zich (primair) op het standpunt gesteld dat de data afkomstig van de server van cryptocommunicatiedienst ANØM in de onderhavige zaak op grond van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) van het bewijs dienen te worden uitgesloten.

Daartoe hebben de raadslieden primair aangevoerd dat (vertegenwoordigers van) het Nederlandse OM de verdediging (jarenlang) onjuist hebben/heeft geïnformeerd over de betrokkenheid van de Nederlandse politie bij de verwerking en analyse van ANØM-data voorafgaand aan de ‘spontane’ verstrekking van deze data door de Amerikaanse autoriteiten aan Nederland vanaf 23 maart 2021. Onder verwijzing naar diverse bronnen stellen de raadslieden dat Nederlandse politieambtenaren al sinds de zomer van 2020 toegang hadden tot het systeem van de Verenigde Staten (hierna: VS) waarin de ANØM-data werd geüpload, teneinde de data van Nederlandse gebruikers van de cryptocommunicatiedienst ANØM te analyseren. De tenlastegelegde periode in de onderhavige zaak start op 1 januari 2021, dus vóór de ‘spontane’ verstrekking van ANØM-data door de VS, zodat zonder meer aannemelijk is dat Nederlandse politieambtenaren reeds voorafgaand aan deze spontane verstrekking betrokken zijn geweest bij de verwerking en analyse van de ANØM-data in de onderhavige zaak. Door de verdediging hierover onjuist te informeren, heeft het Nederlandse OM de verdediging haar recht ontnomen om de rechtmatigheid van de verkrijging van de ANØM-data te toetsen. De raadslieden hebben zich op het standpunt gesteld dat, gelet op het voorgaande, het gebruik in de onderhavige zaak van de ANØM-data voor het bewijs in strijd is met het recht op een eerlijk proces, zoals vastgelegd in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM).

Subsidiair hebben de raadslieden aangevoerd dat zowel de interceptie als de verwerking van de ANØM-data heeft plaatsgevonden in strijd met het Europees en het Nederlands recht.

Uit de ter terechtzitting d.d. 11 maart 2026 door de verdediging aan het hof overgelegde stukken blijkt, aldus de verdediging, dat de interceptie van de ANØM-data plaatsvond in Litouwen, een lidstaat van de Europese Unie. Dit betekent dat de Litouwse autoriteiten op grond van artikel 31, eerste lid, van Richtlijn 2014/41/EU van 3 april 2014 betreffende het Europees onderzoeksbevel in strafzaken (hierna: EOB-richtlijn) de Nederlandse autoriteiten in kennis hadden moeten stellen van de interceptie van ANØM-data betreffende Nederlandse gebruikers. Nu dit is nagelaten, is in strijd met artikel 31 van de EOB-richtlijn gehandeld. Daar komt bij dat het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU) in zijn arrest van 30 april 2024 heeft overwogen dat “artikel 31 van richtlijn 2014/41 […] niet alleen [beoogt] te waarborgen dat de soevereiniteit van de in kennis gestelde lidstaat wordt geëerbiedigd, maar ook dat het in die lidstaat gewaarborgde beschermingsniveau met betrekking tot de interceptie van telecommunicatie niet in gevaar wordt gebracht” en dat “dit doel […] zich uit[strekt] tot het gebruik van de gegevens ten behoeve van strafvervolging in de in kennis gestelde lidstaat.” Dit betekent dat, teneinde het door het HvJ EU beoogde niveau van rechtsbescherming te garanderen, (de rechtmatigheid van) de interceptie van ANØM-data betreffende Nederlandse gebruikers, onder wie de verdachte, had moeten worden beoordeeld naar Nederlands recht door een Nederlandse rechter(-commissaris). Een dergelijke beoordeling zou hebben opgeleverd dat het Nederlandse (straf)recht geen wettelijke grondslag kent voor het op grote schaal intercepteren van telecommunicatie, metadata en GPS-gegevens ten aanzien van niet-geïdentificeerde personen jegens wie, voorafgaand aan de interceptie, geen verdenking van schuld aan enig strafbaar feit bestaat, oftewel voor de wijze van interceptie als toegepast door Litouwse opsporingsambtenaren ten aanzien van de gebruikers van ANØM. Voorts geldt, aldus de raadslieden, dat voor een dergelijke interceptie ook geen rechtmatige basis kan bestaan, omdat deze zonder meer in strijd zou zijn met het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel. Gelet op het voorgaande, heeft de interceptie van ANØM-data in Litouwen zowel in strijd met het Europees als het Nederlands recht plaatsgevonden. Weliswaar heeft/hebben (een) Litouwse rechter(s) machtigingen afgegeven voor het driemaal per week maken van een kopie of ‘image’ van de ANØM-server. Echter, deze machtiging(en) is/zijn op basis van onjuiste informatie verstrekt. Daarmee is het systeem van rechtsbescherming tot in haar fundament aangetast, aldus de raadslieden. Ook om de hiervoor genoemde redenen dient de ANØM-data in de onderhavige zaak van het bewijs te worden uitgesloten.

Ten aanzien van de verwerking van de ANØM-data van gebruikers in Nederland geldt dat het Nederlandse (straf)recht daarvoor evenmin een wettelijke grondslag biedt. Aan de vereisten van artikel 10 van de Wet politiegegevens (hierna: Wpg) in samenhang met artikel 3 Wpg is in elk geval niet voldaan. Bovendien was bij (aanvang van) de verwerking van de ANØM-data sprake van een zogenoemde ‘fishing expedition’. Om die reden heeft de verwerking van de data eveneens in strijd met het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel plaatsgehad. Tot slot is voor de verwerking van de data betreffende Nederlandse gebruikers van ANØM geen rechterlijke machtiging afgegeven, hetgeen op grond van het arrest van het HvJ EU van 4 oktober 2024 (Landeck) wel is vereist. Gelet op het voorgaande, is ook de verwerking van de ANØM-data in de onderhavige zaak onrechtmatig gebeurd, zodat deze data ook om die reden van het bewijs dienen te worden uitgesloten, aldus de raadslieden.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de data afkomstig van de server van cryptocommunicatiedienst ANØM in de onderhavige zaak niet dienen te worden uitgesloten van het bewijs.

Daartoe heeft de advocaat-generaal ten eerste aangevoerd dat ten aanzien van de verkrijging van de ANØM-data het interstatelijk vertrouwensbeginsel van toepassing is. Uit het procesdossier volgt namelijk dat Nederland deze data niet zelf heeft verkregen, noch dat Nederland deze data door middel van (een) rechtshulpverzoek(en) heeft doen verkrijgen. Nederland is op geen enkele wijze betrokken geweest bij de verkrijging van de ANØM-data, laat staan dat een Nederlandse officier van justitie het feitelijk gezag heeft gehad over de verkrijging van deze data. De toepasselijkheid van het interstatelijk vertrouwensbeginsel betekent dat er in Nederland vanuit moet worden gegaan dat de buitenlandse opsporingsautoriteiten rechtmatig hebben gehandeld. Dat is alleen anders als in dat buitenland onherroepelijk is komen vast te staan dat het onderzoek in kwestie in strijd met de daarvoor geldende rechtsregels heeft plaatsgevonden. Van dat laatste is in casu niet gebleken.

Zelfs als de stelling van de verdediging, dat Nederland eerder dan de spontane verstrekking van de ANØM-data door de VS toegang had tot deze data, juist is, laat dat de toepasselijkheid van het vertrouwensbeginsel onverlet. Het eerder mogen inzien van in het buitenland verkregen data maakt immers niet dat een Nederlandse officier van justitie op enigerlei wijze feitelijk het gezag krijgt over de verkrijging van die data. Daar komt bij dat voornoemde stelling van de verdediging in de onderhavige zaak in elk geval niet opgaat. Uit het dossier kan namelijk worden afgeleid dat de ANØM-data in de onderhavige zaak (pas) na de start van het opsporingsonderzoek ‘26Eagles’ en dus na de spontane verstrekking van die data door de VS aan Nederland vanaf 23 maart 2021 aan het onderzoeksteam is verstrekt.

Ten tweede geldt dat artikel 31 van de EOB-richtlijn in de onderhavige zaak niet van toepassing is, omdat van interceptie zoals bedoeld in dat artikel geen sprake is geweest. Daar komt bij dat een Nederlandse rechter-commissaris bij een kennisgeving op grond van artikel 31 van de EOB-richtlijn het verzochte onderzoek niet had mogen weigeren. In soortgelijke zaken waarin cryptocommunicatiediensten EncroChat en Sky ECC een rol speelden, zijn immers ook machtigingen afgegeven tot het inzetten van opsporingsbevoegdheden en het doen van onderzoek. Voorts heeft de advocaat-generaal aangevoerd dat in de onderhavige zaak geen sprake was van bulkinterceptie als bedoeld in onder andere het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) d.d. 25 mei 2021, omdat de ‘interceptie’ van ANØM-data heeft plaatsgevonden naar aanleiding van een verdenking van schuld aan ernstige strafbare feiten. Bij de Amerikaanse autoriteiten waren immers geen niet-criminele gebruikers van ANØM bekend.

Het oordeel van het hof

In het dossier van de onderhavige zaak zitten processen-verbaal die betrekking hebben op data (telecommunicatie, metadata en GPS-gegevens), afkomstig van de server van cryptocommunicatiedienst ANØM. Verschillende van deze processen-verbaal zijn door de rechtbank gebruikt voor het bewijs van de tenlastegelegde feiten. De verdediging heeft bepleit dat de ANØM-data van het bewijs dienen te worden uitgesloten.

Alvorens het oordeel van het hof met betrekking tot het verweer van de verdediging tot bewijsuitsluiting kenbaar te maken – waarbij het hof onderscheid maakt tussen de verkrijging van de ANØM-data en de verwerking en analyse van die data –, acht het hof het voor een beter begrip van de zaak van belang om kort in te gaan op de (algemene) werking en kenmerken van de cryptocommunicatiedienst ANØM.

De werking en kenmerken van ANØM

In het procesdossier in de onderhavige zaak bevindt zich een document waarin de technische details van ‘Operation Trojan Shield’ (i.e. de naam van de onder leiding van de Amerikaanse opsporingsdiensten opgezette en uitgevoerde ANØM-operatie), alsmede van de cryptocommunicatiedienst ANØM-zijn opgenomen (dit document is laatstelijk gewijzigd op 31 augustus 2021). Uit dit document leidt het hof de volgende, voor de onderhavige zaak relevante informatie met betrekking tot de werking en kenmerken van ANØM af.

ANØM is een cryptocommunicatiedienst die op initiatief en onder leiding van de Amerikaanse opsporingsdiensten is opgezet en geëxploiteerd. De communicatie via ANØM is end-to-end versleuteld en kan derhalve enkel worden ingezien door de verzender en de ontvanger(s) van die communicatie. Omdat ANØM op initiatief en onder leiding van de Amerikaanse opsporingsdiensten is opgezet, beschikken de Amerikaanse opsporingsdiensten over de benodigde gegevens om de communicatie via ANØM te decoderen. De ANØM-gebruikers waren daarvan evenwel niet op de hoogte. Voorts kan de communicatie via ANØM enkel bestaan uit tekst en bijlagen, zoals afbeeldingen, video’s, notities en korte spraakberichten. ANØM betreft een gesloten communicatienetwerk en beschikt niet over een open internetverbinding of sociale-media-apps. Dit betekent dat gebruikers van ANØM alleen kunnen communiceren met andere gebruikers van en via ANØM.

Om gebruik te kunnen maken van ANØM moet een speciale smartphone, ook wel ‘handset’ genoemd, worden aangeschaft die specifiek is geconfigureerd voor communicatie via de ANØM-app. Alleen ‘handsets’ die dienovereenkomstig zijn ingesteld, kunnen deelnemen aan de cryptocommunicatiedienst. Afgezien van de mogelijkheid om tekst- en spraakberichten, foto’s, video’s en notities te versturen, beschikken de ANØM-toestellen niet over functionaliteiten die bij regulier gebruik van een telefoontoestel min of meer noodzakelijk en gebruikelijk zijn, zoals de mogelijkheid om te bellen, apps te installeren en te gebruiken et cetera. Wel bevatten de via ANØM verstuurde berichten – gedeeltelijk op verzoek van de Amerikaanse opsporingsdiensten – aanvullende metadata die niet zichtbaar waren voor de verzender of de ontvanger(s) van de berichten. Het gaat dan bijvoorbeeld om IMEI-nummers en locatiegegevens. Sommige ANØM-toestellen beschikken voorts over de functie om (de inhoud van) het toestel op afstand te wissen of te resetten. De ANØM-toestellen waren niet vrij verkrijgbaar, meer in het bijzonder werden deze niet in het ‘openbaar’ in reguliere winkels verkocht maar via distributeurs en wederverkopers (agenten) aan eindgebruikers geleverd. Door distributeurs werden in dat verband teksten gebezigd als “gebouwd door criminelen voor criminelen”. Voor het gebruik van de ANØM-berichtendienst betaalden de eindgebruikers hoge abonnementskosten. Deze abonnementskosten werden veelal contant betaald.

Onderzoek door de Amerikaanse opsporingsdiensten wees uit dat elk van de 530 in Nederland gelokaliseerde ANØM-toestellen werd gebruikt voor de communicatie inzake ernstige strafbare feiten, zo volgt uit de brief van het Landelijk Parket d.d. 11 juni 2021.

De verkrijging van de ANØM-data

- De feiten en omstandigheden

Op grond van de inhoud van het dossier stelt het hof vast dat de ANØM-data, waaronder de data die deel uitmaken van het dossier in de onderhavige zaak, de resultaten zijn van strafvorderlijk onderzoek dat op initiatief en onder leiding van de Amerikaanse opsporingsdiensten is uitgevoerd. De ANØM-data zijn naar aanleiding van een rechtshulpverzoek van de Amerikaanse opsporingsdiensten verkregen via een server in een Europees land. Op grond van de door de verdediging overgelegde, in het dossier gevoegde stukken en ten faveure van de verdediging wil het hof aannemen dat dit Europese land Litouwen betreft en zal het daar bij de beoordeling van de verweren van uitgaan. Vanaf 7 oktober 2019 hebben Litouwse politieambtenaren twee of drie keer per week kopieën of ‘images’ gemaakt van de ANØM-data op de desbetreffende server, waarna deze kopieën of ‘images’ op grond van een verdrag inzake wederzijdse rechtshulp met de Amerikaanse autoriteiten zijn gedeeld. Voor het maken van de kopieën of ‘images’ waren meerdere machtigingen afgegeven door (een) Litouwse rechter(s).

Uit een brief van het Landelijk Parket d.d. 11 juni 2021, die in het dossier is gevoegd, volgt voorts dat de Amerikaanse autoriteiten, via tussenkomst van een in Nederland gestationeerde Amerikaanse ‘liaison officer’, het Landelijk Internationaal Rechtshulp Centrum (onderdeel van het Openbaar Ministerie (hierna: OM)) erover hebben ingelicht dat de Amerikaanse opsporingsdiensten beschikken over data afkomstig van de server van cryptocommunicatiedienst ANØM, dat zich in Nederland circa 530 niet-geïdentificeerde gebruikers van deze cryptocommunicatiedienst bevonden en dat deze gebruikers zich vermoedelijk schuldig maakten aan ernstige strafbare feiten, zoals de internationale handel in drugs, witwassen, moord, ontvoering, fraude, economische delicten, wapenhandel, en corruptie. Daarbij deelden de Amerikaanse autoriteiten mede dat de ANØM-data op rechtmatige wijze waren verkregen en door Nederlandse opsporingsdiensten in (een) strafrechtelijk(e) onderzoek(en) mogen worden gebruikt.

Naar aanleiding van voornoemde informatie van de VS is het Nederlandse OM op 26 maart 2021 het opsporingsonderzoek ‘26Eagles’ gestart. Vanaf dat moment ontvingen de Nederlandse autoriteiten driemaal per week van de Amerikaanse opsporingsdiensten een set met volledig ontsleutelde data betreffende niet-geïdentificeerde gebruikers van ANØM in Nederland. Binnen het onderzoek ‘26Eagles’ zijn deze data geanalyseerd en zijn meerdere ANØM-gebruikers geïdentificeerd. Zo ook de verdachte in de onderhavige zaak. Op grond van artikel 126dd Sv hebben de officieren van justitie die de leiding hadden over onderzoek ‘26Eagles’ bepaald dat de in dat onderzoek verkregen ANØM-data betreffende de verdachte in de onderhavige zaak kunnen worden gebruikt in het strafrechtelijk onderzoek tegen deze verdachte, waarna deze data zijn verstrekt aan de zaaksofficier van justitie in het onderhavige onderzoek.

Op grond van de inhoud van het dossier inclusief de door de verdediging overgelegde stukken oordeelt het hof dat niet aannemelijk is geworden dat het Nederlandse OM en/of de Nederlandse politie strafvorderlijk betrokken is/zijn geweest bij de verkrijging van de data betreffende gebruikers van ANØM in Nederland. Dat volgens de verdediging uit een non-fictieboek van een Amerikaanse onderzoeksjournalist en mededelingen (in de pers) van (een) (politie)functionaris(sen) het tegendeel zou blijken, wat hiervan verder zij, legt naar het oordeel van het hof in dit verband onvoldoende gewicht in de schaal. Aldus hanteert het hof als uitgangspunt dat de ANØM-data naar aanleiding van een rechtshulpverzoek van de Amerikaanse opsporingsdiensten met de toepassing van een opsporingsbevoegdheid in Litouwen zijn verkregen. Vervolgens zijn een deel van deze data spontaan, dus langs de weg van de klassieke rechtshulp, door de Amerikaanse opsporingsdiensten aan het Nederlandse OM en/of de Nederlandse politie verstrekt. Daaraan ging geen rechtshulpverzoek van Nederland vooraf.

- Het interstatelijk vertrouwensbeginsel

Het hof stelt in verband met het voorgaande het volgende voorop.

Waar het gaat om de beoordeling van verweren die betrekking hebben op de rechtmatigheid van onderzoekshandelingen die hebben plaatsgevonden in het buitenland, verschillen de aard en de omvang van de rechterlijke toetsing van de rechtmatigheid van die onderzoekshandelingen naargelang deze onderzoekshandelingen zijn uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van de buitenlandse autoriteiten, dan wel onder verantwoordelijkheid van de Nederlandse autoriteiten. In het geval dat de onderzoekshandelingen zijn uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van buitenlandse autoriteiten – daarvan is doorgaans sprake in het kader van de klassieke rechtshulp – en het daarbij tevens gaat om de autoriteiten van een staat die tot het EVRM is toegetreden, geldt dat het niet tot de taak van de Nederlandse strafrechter behoort om te toetsen of de wijze waarop het onderzoek onder verantwoordelijkheid van de buitenlandse autoriteiten is uitgevoerd, strookt met de rechtsregels die in het desbetreffende land gelden voor het uitvoeren van dat onderzoek. Om deze redenen worden de beslissingen van de buitenlandse autoriteiten die aan het verrichte onderzoek ten grondslag liggen, gerespecteerd en wordt ervan uitgegaan dat het onderzoek rechtmatig is verricht. Dat is uitsluitend anders als in het desbetreffende land onherroepelijk is komen vast te staan dat het onderzoek niet in overeenstemming met de daarvoor geldende rechtsregels is verricht. In dat geval beoordeelt de Nederlandse strafrechter – aan de hand van de in artikel 359a, tweede lid, Sv genoemde beoordelingsfactoren, waaronder het belang van het geschonden voorschrift en het concreet voor de verdachte en ook na aanwending van het rechtsmiddel in het betreffende buitenland nog resterende nadeel – of die onherroepelijke vaststelling aanleiding geeft tot het verbinden van een rechtsgevolg aan het betreffende verzuim.

Het vorenstaande brengt in relatie tot het recht op eerbiediging van het privéleven, zoals dat wordt gewaarborgd door artikel 8, eerste lid, van het EVRM, met zich dat de Nederlandse strafrechter niet beoordeelt of in het recht van het land onder wiens verantwoordelijkheid het onderzoek is verricht, al dan niet een toereikende wettelijke grondslag bestond voor de eventueel bij het verrichten van het onderzoek gemaakte inbreuk op het recht van de verdachte op respect voor zijn privéleven, en ook niet of die inbreuk geacht kan worden noodzakelijk te zijn, zoals bedoeld in het tweede lid van artikel 8 van het EVRM.

Het hof stelt vast dat noch in Litouwen, noch in de VS onherroepelijk is komen vast te staan dat de verkrijging van de ANØM-data niet in overeenstemming met de daarvoor aldaar geldende rechtsregels is verricht. Het hof is dan ook – gelet op hetgeen hiervoor is overwogen van oordeel dat op de verkrijging van de data betreffende gebruikers van ANØM in Nederland het interstatelijk vertrouwensbeginsel onverkort van toepassing is. Dat geldt zowel ten aanzien van Litouwen, dat is toegetreden tot het EVRM, als ten aanzien van de VS. Hoewel de VS niet zijn toegetreden tot het EVRM, zijn zij wel verdragspartij bij het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (hierna: IVBPR). Dat verdrag garandeert op eenzelfde wijze de mensenrechten die in de onderhavige zaak van belang zijn, in het bijzonder het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer en het recht op toegang tot een onafhankelijke rechter.

Dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel van toepassing is, brengt met zich dat het niet tot de taak van het hof behoort om te toetsen of de wijze waarop de ANØM-data (betreffende gebruikers in Nederland) op verzoek van de Amerikaanse opsporingsdiensten in Litouwen zijn verkregen, strookt met de rechtsregels die gelden in die landen. In het bijzonder is het niet de taak van het hof om te beoordelen of in het Litouwse en Amerikaanse (straf)recht al dan niet een toereikende wettelijke grondslag bestaat voor de eventueel gemaakte inbreuken op het recht van ANØM-gebruikers op respect voor hun privéleven, en ook niet of die inbreuken geacht kunnen worden noodzakelijk te zijn.

Gelet op het voorgaande, zal het hof de beslissingen van de Litouwse en Amerikaanse autoriteiten die aan de verkrijging van de ANØM-data (betreffende gebruikers in Nederland) ten grondslag liggen, respecteren en gaat het hof ervanuit dat die verkrijging rechtmatig is verricht. Het beginsel van wederzijdse erkenning, zoals dat onder meer tot uitdrukking komt in artikel 82 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, voor zover dit reeds een andere inhoud zou hebben dan het interstatelijk vertrouwensbeginsel, geldt gelet op de hiervoor weergegeven feiten en juridische argumenten eveneens onverkort. Daar komt nog bij hetgeen hierna wordt overwogen over de niet-toepasselijkheid van de EOB-richtlijn in deze zaak. Wel zal het hof toetsen of het gebruik van de ANØM-data in de onderhavige zaak voor het bewijs in overeenstemming is met het recht van de verdachte op een eerlijk proces, als vastgelegd in artikel 6 van het EVRM. Het oordeel van het hof hieromtrent wordt verderop in dit arrest besproken.

- Artikel 31 van de EOB-richtlijn

Door de verdediging is een beroep gedaan op het bepaalde in artikel 31 van de EOB-richtlijn. Het hof is van oordeel dat de EOB-richtlijn, zoals de naam reeds doet vermoeden, enkel van toepassing is op (Europese) strafzaken waarin een Europees onderzoeksbevel aan de orde is. Dat is in de onderhavige zaak niet het geval. Het rechtshulpverzoek van de Amerikaanse autoriteiten aan Litouwen kwalificeert immers niet als een Europees onderzoeksbevel in de zin van de EOB-richtlijn. Het hof is dan ook van oordeel dat de EOB-richtlijn in zijn algemeenheid en artikel 31 van deze richtlijn in het bijzonder niet van toepassing is/zijn op de onderhavige zaak. Of het bepaalde in artikel 31 van de EOB-richtlijn is nageleefd, doet derhalve niet ter zake.

Als het hof er evenwel met de verdediging en ten faveure van de verdediging van uitgaat dat artikel 31 van de EOB-richtlijn in de onderhavige zaak wel van toepassing is, dan stelt het hof het volgende voorop.

Artikel 31, eerste lid, van de EOB-richtlijn richt zich op de situatie waarin de bevoegde autoriteit van een bepaalde EU-lidstaat ten behoeve van de uitvoering van een onderzoeksmaatregel toestemming heeft gegeven voor de interceptie van telecommunicatie van een persoon van wie het communicatieadres in gebruik is op het grondgebied van een andere EU-lidstaat en de interceptie kan worden uitgevoerd zonder de technische bijstand van die lidstaat. In een dergelijk geval moet eerstgenoemde lidstaat de bevoegde autoriteit van laatstgenoemde lidstaat van de interceptie in kennis stellen.

Uit het arrest van het HvJ EU van 30 april 2024 volgt dat artikel 31 van de EOB-richtlijn niet alleen beoogt te waarborgen dat de soevereiniteit van de in kennis gestelde lidstaat wordt geëerbiedigd, maar ook dat het in die lidstaat gewaarborgde beschermingsniveau met betrekking tot de interceptie van telecommunicatie niet in gevaar wordt gebracht. Aangezien een maatregel tot interceptie van telecommunicatie een inmenging vormt in het in artikel 7 van het Handvest verankerde recht op de eerbiediging van het privéleven en van de communicatie van de persoon op wie de interceptie betrekking heeft, zo overweegt het HvJ EU, wordt met artikel 31 van de EOB-richtlijn ook de bescherming beoogd van de rechten van gebruikers op wie een dergelijke maatregel is gericht. Dit doel strekt zich uit tot het gebruik van de gegevens ten behoeve van strafvervolging in de in kennis gestelde lidstaat.

Het voorgaande betekent dat als sprake is van interceptie van telecommunicatie zonder dat daarbij de voorschriften van artikel 31 van de EOB-richtlijn worden nageleefd, de persoon op wie de interceptie betrekking heeft, wordt aangetast in zijn rechten, en dat dit een relevant gezichtspunt kan vormen bij de beantwoording van de vraag of en, zo ja, welk rechtsgevolg moet worden verbonden aan de niet-naleving van die voorschriften. In dit verband kan van belang zijn of het – in het licht van de feiten en omstandigheden van het concrete geval – te verwachten zou zijn geweest dat, als de intercepterende lidstaat wel tijdig de autoriteit van de andere lidstaat in kennis had gesteld van de interceptie, door die autoriteit tegen die interceptie bezwaar zou zijn gemaakt.

Het hof stelt vast dat de Litouwse autoriteiten de Nederlandse autoriteiten niet in kennis hebben gesteld van de ‘interceptie’ van data van ANØM-gebruikers in Nederland, onder wie de verdachte in de onderhavige zaak. Daarmee is (in zoverre) niet voldaan aan het bepaalde in artikel 31 van de EOB-richtlijn. Het hof is evenwel van oordeel dat aan dit verzuim geen rechtsgevolgen behoeven te worden verbonden. Daarbij heeft het hof het volgende in aanmerking genomen.

Ten eerste acht het hof van belang dat in Nederland in soortgelijke zaken als de onderhavige, waarin cryptocommunicatiediensten EncroChat en Sky ECC een rol speelden, machtigingen zijn afgegeven door rechters-commissarissen voor het binnendringen in een geautomatiseerd werk (artikel 126uba Sv) en/of voor het tappen van telecommunicatie (artikel 126t Sv). Ook in die zaken was voorafgaand aan het afgeven van de machtigingen niet (telkens) sprake van concrete verdachten en/of concrete strafbare feiten. In het verlengde hiervan acht het hof het aannemelijk dat de bevoegde Nederlandse autoriteiten, als deze op grond van artikel 31 van de EOB-richtlijn in kennis waren gesteld van de ‘interceptie’ in Litouwen van data van Nederlandse ANØM-gebruikers, geen bezwaar zouden hebben gemaakt tegen deze ‘interceptie’. Bekend was immers dat de (Nederlandse) ANØM-gebruikers zich vermoedelijk schuldig maakten aan ernstige strafbare feiten. ‘Interceptie’ van de data van ANØM-gebruikers was noodzakelijk om (de daders van) deze feiten op te sporen en was bovendien evenredig aan dat doel.

Ten tweede acht het hof het volgende van belang. Met artikel 31 van de EOB-richtlijn is onder meer beoogd om de rechten van gebruikers op wie een maatregel van interceptie is gericht, te beschermen. Het gaat daarbij in het bijzonder om het in artikel 7 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest) verankerde recht op eerbiediging van het privéleven en van communicatie. Het hof wijst erop dat het buiten het zicht van de autoriteiten kunnen communiceren over het plannen, beramen en plegen van strafbare feiten geen belang is dat door voornoemde rechten wordt beschermd.

Op grond van de inhoud van het dossier stelt het hof vast dat de verdachte met verschillende accounts gebruik heeft gemaakt van de cryptocommunicatiedienst ANØM. Ook de in het dossier vermelde medeverdachten maakten gebruik van ANØM. Uit de ANØM-berichten in het dossier leidt het hof af dat de verdachte en zijn medeverdachten de ANØM-berichtendienst op een verwaarloosbare uitzondering na uitsluitend gebruikten voor de communicatie over drugsgerelateerde activiteiten. Immers, de chatgesprekken in het dossier hebben zonder uitzondering betrekking op de productie en export van synthetische drugs en diverse daarmee samenhangende criminele activiteiten. In de onderhavige zaak is nauwelijks gebleken van privécommunicatie via ANØM. Hoogstens zijdelings en altijd in het kader van zijn criminele activiteiten heeft de verdachte zeer sporadisch een privéaangelegenheid benoemd, zoals de datum van zijn verjaardag of een foto van een pizzaoven en een te leggen vloer verzonden. Gelet op het voorgaande alsook op hetgeen hiervoor onder ‘De werking en kenmerken van ANØM’ over ANØM in het algemeen is overwogen, is het hof van oordeel dat de verdachte, als gevolg van een eventuele niet-naleving van de voorschriften van artikel 31 van de EOB-richtlijn door Litouwen, niet of nauwelijks in zijn recht op eerbiediging van het privéleven en van communicatie, zoals vastgelegd in artikel 7 van het Handvest, is geschaad. Het feit dat naast de digitale communicatie via het ANØM-toestel tevens zicht kon worden verkregen op metadata, zoals IMEI-nummers en locatiegegevens, maakt dit oordeel niet anders, terwijl het hof dienaangaande, zoals later in dit arrest zal blijken, in een mogelijk tekort aan rechtsbescherming op dit vlak zal voorzien.

De verwerking en analyse van de data betreffende ANØM-gebruikers in Nederland

Zoals hiervoor onder ‘De verkrijging van de ANØM-data’ reeds is overwogen, is het Nederlandse OM, naar aanleiding van informatie van de Amerikaanse autoriteiten over ANØM, op 26 maart 2021 het opsporingsonderzoek ‘26Eagles’ gestart. Uit de brief van het Landelijk Parket d.d. 11 juni 2021 volgt dat onderzoek ‘26Eagles’ een voorbereidend strafrechtelijk onderzoek is naar niet-geïdentificeerde verdachten die zich vermoedelijk schuldig maakten aan het in georganiseerd verband beramen en plegen van ernstige strafbare feiten. Vanaf 23 maart 2021 ontvingen de Nederlandse autoriteiten driemaal per week van de Amerikaanse opsporingsdiensten een set met volledig ontsleutelde data betreffende niet-geïdentificeerde gebruikers van ANØM in Nederland. Binnen het onderzoek ‘26Eagles’ zijn deze data door Nederlandse opsporingsambtenaren verwerkt en geanalyseerd. Uit de hiervoor genoemde brief van het Landelijk Parket volgt dat voor het onderzoek aan de ANØM-data de volgende uitgangspunten zijn gehanteerd:

1. De data worden onderzocht met toepassing van zoeksleutels, zoals

a. informatie over ANØM-gebruikers (en hun contacten en eventueel daar weer de contacten van) uit lopende onderzoeken naar criminele samenwerkingsverbanden;

b. zoektermen (steekwoorden) en/of afbeeldingen die naar hun aard wijzen op ernstige criminele activiteiten in georganiseerd verband.

2. Het onderzoek moet zo worden ingericht dat achteraf reproduceerbaar en verifieerbaar is welke resultaten/dataset de zoekslag heeft opgeleverd.

3. Bij het onderzoek aan de data wordt recht gedaan aan het verschoningsrecht van geheimhouders waaronder advocaten. Communicatie van en met geheimhouders wordt zoveel mogelijk actief uitgefilterd.

Hoewel dit niet expliciet uit het dossier, inclusief de twee brieven van het Landelijk Parket over (de verwerking en analyse van) de ANØM-data, blijkt, gaat het hof ervanuit dat de door de VS ontvangen ANØM-data werden opgeslagen op (een) elektronische gegevensdrager(s) en/of geautomatiseerd werk(en) en vanaf die elektronische gegevensdrager(s) en/of dat geautomatiseerd werk(en) werden ingezien en onderzocht.

Op grond van artikel 126dd Sv hebben de officieren van justitie die de leiding hadden over onderzoek ‘26Eagles’ bepaald dat de in dat onderzoek verkregen ANØM-data betreffende de verdachte in de onderhavige zaak kunnen worden gebruikt in het strafrechtelijk onderzoek tegen deze verdachte, waarna deze data (digitaal) zijn verstrekt aan de zaaksofficier van justitie in het onderhavige onderzoek.

Ten aanzien van het onderzoek door Nederlandse politieambtenaren met betrekking tot de data van ANØM-gebruikers in Nederland stelt het hof het volgende voorop.

De algemene wettelijke bevoegdheden van opsporingsambtenaren bieden voldoende legitimatie voor een onderzoek aan voorwerpen – waaronder ook elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken – als de met dat onderzoek samenhangende inbreuk op de persoonlijke levenssfeer als beperkt kan worden beschouwd. De wet vereist in zo’n geval geen voorafgaande rechterlijke toetsing of tussenkomst van de officier van justitie. Van zo’n beperkte inbreuk kan – naast onderzoek dat slechts strekt tot het identificeren van de gebruiker – bij het verrichten van onderzoek aan een elektronische gegevensdrager of een geautomatiseerd werk bijvoorbeeld sprake zijn als een opsporingsambtenaar een bij een verdachte aangetroffen elektronische gegevensdrager of geautomatiseerd werk bekijkt en daarbij enkele beperkte waarnemingen doet over het feitelijk gebruik daarvan op dat moment of direct daaraan voorafgaand, bijvoorbeeld door na te gaan welke contacten de gebruiker van een telefoon kort tevoren heeft gelegd.

Van een beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer is echter al geen sprake meer als op voorhand is te voorzien dat door het onderzoek aan de smartphone (of andere elektronische gegevensdrager of geautomatiseerd werk) inzicht wordt verkregen in verkeers- en locatiegegevens, maar ook in andersoortige gegevens (zoals foto’s, de browsergeschiedenis, de inhoud van via die smartphone uitgewisselde communicatie, en gevoelige gegevens). Als politie en justitie in zo’n geval onderzoek willen verrichten aan inbeslaggenomen elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken, dan is voor dat onderzoek – behalve in spoedeisende gevallen – een voorafgaande toetsing door de rechter-commissaris vereist. Deze toetsing vergt een beoordeling of de inbreuk die door het onderzoek wordt gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de gebruiker, is gerechtvaardigd mede gelet op de ernst van het strafbare feit waarop de verdenking betrekking heeft en het belang van het onderzoek aan de elektronische gegevensdrager of het geautomatiseerde werk voor de waarheidsvinding.

- Vormverzuim en gevolgen vormverzuim

Op grond van de inhoud van het dossier stelt het hof vast dat de ANØM-data betreffende de verdachte door Nederlandse opsporingsambtenaren zijn verwerkt en geanalyseerd zonder dat daaraan een rechterlijke toetsing vooraf was gegaan. Voor de verwerking en analyse van deze ANØM-data was aldus geen rechterlijke machtiging verstrekt.

Het hof is van oordeel dat een dergelijke machtiging, gelet op het hiervoor weergegeven juridische kader, wel vereist was. Op voorhand was namelijk te voorzien dat door de verwerking en analyse van de ANØM-data, die werden ingezien via (een) elektronische gegevensdrager(s) en/of geautomatiseerde werk(en), inzicht zou kunnen worden verkregen in verkeers- en locatiegegevens, maar ook in andersoortige gegevens (zoals foto’s en de inhoud van communicatie). Een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene was aldus voorzienbaar.

Gelet op het voorgaande, is sprake geweest van een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek dat niet meer hersteld kan worden. Bij de vraag of en, zo ja, welk rechtsgevolg aan dit vormverzuim dient te worden verbonden, heeft het hof rekening gehouden met het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat door dat verzuim is veroorzaakt.

Het hof stelt vast dat het geschonden voorschrift, de verplichting betreft om onderzoek aan elektronische gegevensdrager(s) en/of geautomatiseerde werk(en) dat een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene(n) met zich brengt, voorafgaand door een rechter(-commissaris) te laten toetsen. Het hiervoor weergegeven juridische kader vindt zijn basis in rechtspraak van het HvJ EU, in het bijzonder het arrest van dat hof d.d. 4 oktober 2024. Dit arrest heeft betrekking op Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens. Met deze richtlijn is beoogd om de grondrechten en de fundamentele vrijheden van natuurlijke personen en met name hun recht op bescherming van persoonsgegevens te beschermen. Het hiervoor genoemde geschonden voorschrift moet in het licht van deze doelstelling worden bezien.

Op grond van de inhoud van het dossier stelt het hof vast dat de verdachte en zijn medeverdachten de cryptocommunicatiedienst ANØM doelbewust hebben gebruikt om buiten het zich van de autoriteiten (uitgebreid) te kunnen communiceren over het plannen, beramen en plegen van ernstige, drugsgerelateerde feiten. Uit de ANØM-berichten in het dossier leidt het hof af dat de verdachte en zijn medeverdachten de ANØM-berichtendienst nagenoeg uitsluitend gebruikten voor de communicatie over drugsgerelateerde activiteiten. Immers, de chatgesprekken in het dossier hebben zonder uitzondering betrekking op de productie en export van synthetische drugs en diverse daarmee samenhangende criminele activiteiten. Dergelijke praktijken, die in de kern niets te maken hebben met het privéleven van de verdachte(n) en zijn/hun persoonsgegevens, worden door de hiervoor genoemde richtlijn niet beschermd. Het belang van de verdachte(n) dat de door hem/hen beraamde en gepleegde strafbare feiten door de autoriteiten niet worden ontdekt, kan derhalve niet worden aangemerkt als een rechtens te respecteren belang. Het hof is dan ook in beginsel van oordeel dat de communicatie van de verdachte via ANØM niet valt onder de reikwijdte van de richtlijn en van het recht van de verdachte op bescherming van zijn privéleven en zijn persoonsgegevens. Daarbij heeft het hof ook in aanmerking genomen de werking en specifieke kenmerken van ANØM(-toestellen), zoals hiervoor onder ‘De werking en kenmerken van ANØM’ is uiteengezet. In dat verband acht het hof in het bijzonder van belang dat de ANØM-toestellen niet vrij verkrijgbaar zijn, zeer weinig functionaliteiten bezitten en voor het gebruik van ANØM (zeer) hoge abonnementskosten moeten worden betaald. Bovendien heeft onderzoek door de Amerikaanse opsporingsdiensten uitgewezen dat elk van de 530 in Nederland gelokaliseerde ANØM-toestellen gebruikt werd voor de communicatie inzake ernstige strafbare feiten, zo volgt uit de brief van het Landelijk Parket d.d. 11 juni 2021.

Ten aanzien van de ernst van het in de onderhavige zaak begane vormverzuim merkt het hof allereerst op dat ten tijde van het onderzoek aan de ANØM-data, het hiervoor genoemde arrest van het HvJ EU (Landeck) nog niet was gewezen. Verder stelt het hof vast dat de politie bij de verwerking en analyse van de ANØM-data zorgvuldig te werk is gegaan. Door het gebruik van specifieke zoektermen betreffende ANØM-gebruikers uit lopende strafrechtelijke onderzoeken naar criminele samenwerkingsverbanden of die naar hun aard wijzen op ernstige criminele activiteiten in georganiseerd verband, is getracht zo veel als mogelijk recht te doen aan de (privacy)rechten van de betrokkenen en eventuele inbreuken op die rechten zo beperkt mogelijk te houden.

Ten aanzien van het nadeel dat door het verzuim is veroorzaakt, stelt het hof ten slotte (opnieuw) het volgende vast. Uit de ANØM-berichten in het dossier leidt het hof af dat de verdachte en zijn medeverdachten de ANØM-berichtendienst nagenoeg uitsluitend gebruikten voor de communicatie over drugsgerelateerde activiteiten. In de onderhavige zaak is nauwelijks gebleken van privécommunicatie via ANØM. Hoogstens zijdelings en altijd in het kader van zijn criminele activiteiten heeft de verdachte zeer sporadisch een privézaak benoemd, zoals de datum van zijn verjaardag. De verdediging heeft ook niet gesteld dat als gevolg van de ANØM-operatie en de verwerking van de ANØM-data in de onderhavige zaak (relevante) privézaken betreffende de verdachte ongewild ter kennis van justitie zijn gekomen. Gelet hierop is het hof van oordeel dat de verdachte als gevolg van het vormverzuim niet of nauwelijks nadeel heeft geleden.

Alles afwegende, is het hof van oordeel dat aan het geconstateerde vormverzuim geen rechtsgevolg behoeft te worden verbonden. Het hof zal dan ook volstaan met de enkele constatering van het verzuim.

Gebruik van de ANØM-data in overeenstemming met het recht op een eerlijk proces?

Ten aanzien van het recht van de verdachte op een eerlijk proces, als vastgelegd in artikel 6 van het EVRM, stelt het hof het volgende voorop.

Uit de rechtspraak van het EHRM volgt dat het EVRM op zichzelf niet eraan in de weg staat dat in een strafzaak gebruik wordt gemaakt van de resultaten van in het buitenland verricht onderzoek, maar dat het gebruik van dergelijke resultaten voor het bewijs niet in strijd mag komen met het recht van de verdachte op een eerlijk proces. Ook als van de resultaten van het onder verantwoordelijkheid van buitenlandse autoriteiten verrichte onderzoek in de strafzaak tegen de verdachte gebruik wordt gemaakt voor het bewijs, moet de rechter de ‘overall fairness’ van die strafzaak waarborgen. Dat betekent dat de rechter alleen aandacht besteedt aan de wijze waarop die resultaten zijn verkregen, als die wijze van verkrijging van belang is voor de beoordeling of het gebruik voor het bewijs van de resultaten in overeenstemming is met het recht op een eerlijk proces.

Gelet op hetgeen hiervoor onder ‘De verkrijging van de ANØM-data’ en ‘De verwerking en analyse van de data betreffende ANØM-gebruikers in Nederland’ is overwogen, is het hof van oordeel dat het gebruik van de ANØM-data betreffende de verdachte voor het bewijs in de onderhavige zaak in overeenstemming is met het recht van de verdachte op een eerlijk proces, als vastgelegd in artikel 6 van het EVRM. Naar het oordeel van het hof is de strafprocedure tegen de verdachte in de onderhavige zaak, in haar geheel bezien, eerlijk geweest. In dat verband acht het hof ook van belang dat de raadslieden van de verdachte geen verweren hebben gevoerd ten aanzien van de betrouwbaarheid van de ANØM-data en de identificatie van de verdachte als de gebruiker van de ANØM-accounts met chat-ID’s ‘ [ANØM-account 1] ’, ‘ [ANØM-account 2] ’ en ‘ [ANØM-account 3] ’.

De raadslieden van de verdachte hebben aangevoerd dat (vertegenwoordigers van) het Nederlandse OM de verdediging (jarenlang) onjuist hebben/heeft geïnformeerd over de betrokkenheid van de Nederlandse politie bij de verwerking en analyse van ANØM-data voorafgaand aan de ‘spontane’ verstrekking van deze data door de Amerikaanse autoriteiten aan Nederland vanaf 23 maart 2021 en dat om die reden sprake is van schending van het recht van de verdachte op een eerlijk proces. Wat er van deze stelling van de verdediging ook zij, het hof is van oordeel dat een en ander niet relevant is voor de beantwoording van de vraag of het recht van de verdachte in de onderhavige zaak al dan niet is gewaarborgd. Voor de beantwoording van die vraag is immers niet van belang vanaf welk moment de Nederlandse politie inzage heeft gehad in de ANØM-data, doch enkel of het onderzoek aan die data volgens de daarvoor geldende regels is verricht. In dat verband wijst het hof naar hetgeen hiervoor onder ‘De verwerking en analyse van de data betreffende ANØM-gebruikers in Nederland’ is overwogen. Het hof ziet in hetgeen door de verdediging op dit punt is aangevoerd, geen reden om aan te nemen dat in de onderhavige zaak sprake is geweest van schending van het recht op een eerlijk proces.

Beslissingen op de onderzoekswensen van de verdediging

Kort voor de terechtzitting in hoger beroep d.d. 11 maart 2026 hebben de raadslieden van de verdachte het hof schriftelijk verzocht om de volgende personen als getuigen te (doen) horen:

De raadslieden wensen deze personen als getuigen te (doen) horen, om (nadere) informatie en inzicht te verkrijgen over/in de wijze waarop de ANØM-data is verkregen alsmede over/in de betrokkenheid van de Nederlandse politie en/of het Nederlandse OM bij de verwerking en analyse van deze data voorafgaand aan de ‘spontane’ verstrekking door de VS.

Ter terechtzitting hebben de raadslieden bij deze onderzoekswensen gepersisteerd en deze nader toegelicht. Ook hebben de raadslieden ter terechtzitting een voorwaardelijk verzoek gedaan tot voeging van het boek ‘ [naam boek] ’ van [auteur] in het dossier. Indien het hof de citaten uit dat boek, zoals opgenomen in het schriftelijk stuk met onderzoekswensen, niet (voldoende) betrouwbaar acht, hebben de raadslieden het hof verzocht aan voornoemd verzoek gehoor te geven.

De raadslieden hebben zich op het standpunt gesteld dat de ingediende (getuigen)verzoeken moeten worden beoordeeld aan de hand van het criterium van het verdedigingsbelang, omdat de verzoeken zijn gebaseerd op informatie die ten tijde van het opstellen van de appelschriftuur nog niet voorhanden was.

De advocaat-generaal heeft zich ten aanzien van de ingediende (getuigen)verzoeken primair op het standpunt gesteld dat deze verzoeken tardief zijn en om die reden moeten worden afgewezen. Subsidiair heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat (toewijzing van) de verzoeken niet relevant is/zijn voor enige in deze zaak door het hof te nemen beslissing.

Anders dan de verdediging, is het hof van oordeel dat de ingediende (getuigen)verzoeken dienen te worden beoordeeld aan de hand van het noodzaakscriterium. Weliswaar was de informatie die de aanleiding vormde voor het indienen van de verzoeken ten tijde van het indienen van de appelschriftuur (bij de verdediging) (nog) niet voorhanden. Uit het onderzoek ter terechtzitting d.d. 11 maart 2026 is echter gebleken dat de informatie wel reeds ruim voor die zitting bij de verdediging bekend was. Desalniettemin heeft de verdediging niet eerder dan een week voorafgaand aan de terechtzitting de onderzoekswensen aangekondigd en ingediend. Gelet hierop, is het hof van oordeel dat op de beoordeling van de onderzoekswensen het noodzaakscriterium van toepassing is.

Gelet op hetgeen in dit arrest is overwogen met betrekking tot de verkrijging en verwerking van de ANØM-data (betreffende Nederlandse gebruikers), acht het hof zich voldoende voorgelicht om de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv te beantwoorden. Het hof is de noodzaak van het verzochte dan ook niet gebleken. Het hof zal de verzoeken van de verdediging, met inbegrip van het voorwaardelijk verzoek, om die reden afwijzen. Ten overvloede merkt het hof op dat een beoordeling van de verzoeken aan de hand van het criterium van het verdedigingsbelang niet tot een ander oordeel zou hebben geleid, aangezien de verdediging redelijkerwijs niet in haar belangen kan worden geschaad, mede (voor zover de getuigen zijn gevraagd in verband met de verkrijging van de ANØM-data), nu het interstatelijk vertrouwensbeginsel aan de ondervraging van de door de verdediging opgegeven personen in de weg staat. Het hof verwijst in dit verband naar hetgeen eerder in dit arrest onder “Het interstatelijk vertrouwensbeginsel” is overwogen.

Overwegingen ten aanzien van het bewezenverklaarde

De beslissing dat het tenlastegelegde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hiervoor bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd. Op grond van de inhoud van deze bewijsmiddelen acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de aan hem tenlastegelegde feiten heeft begaan.

De verdediging heeft geen verweren gevoerd ten aanzien van de betrouwbaarheid van de ANØM-data en de identificatie van de verdachte als de gebruiker van de ANØM-accounts met chat-ID’s ‘ [ANØM-account 1] ’, ‘ [ANØM-account 2] ’ en ‘ [ANØM-account 3] ’. Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen stelt het hof vast dat de verdachte de gebruiker is geweest van voornoemde accounts.

Het hof ziet verder geen reden voor nadere bewijsoverwegingen ten aanzien van het bewezenverklaarde. De inhoud van de bewijsmiddelen spreekt voor zich.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het in de zaak met parketnummer 01-993293-21 onder 1 bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Het in de zaak met parketnummer 01-993293-21 onder 2 bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en te bevorderen een ander tracht te bewegen om dat feit te plegen of mede te plegen, om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen en zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit tracht te verschaffen en voorwerpen, stoffen en gelden voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd.

Het in de zaak met parketnummer 01-993370-21 bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

Op te leggen straf

Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat hij zich tezamen en in vereniging heeft schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen gericht op de productie van synthetische drugs, de daadwerkelijke productie van amfetamine en de uitvoer van, verdeeld over drie transporten, in totaal circa 242 kilogram amfetamine naar Zweden. Uit de inhoud van de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte bij het plegen van de bewezenverklaarde feiten een leidinggevende rol heeft vervuld en dat hij degene was die aan de touwtjes trok. De verdachte stuurde anderen aan om die feiten te bewerkstelligen. Het was de verdachte die bepaalde waar en wanneer er werd gewerkt. Hij was verantwoordelijk voor het regelen van goederen en grondstoffen ten behoeve van de productie van de drugs, zorgde voor de betaling van die goederen en grondstoffen en onderhield contacten met afnemers en transporteurs van de drugs.

Het is algemeen bekend dat het gebruik van synthetische drugs kan leiden tot een geestelijke of lichamelijke verslaving en, bij gecombineerd gebruik of een overdosis, zelfs tot de dood van de gebruiker. Synthetische drugs vormen daarnaast een maatschappelijk probleem doordat het chemisch afval dat ontstaat bij de productie van die drugs illegaal wordt gedumpt waardoor het milieu schade ondervindt. Er moet in de regel veel geld, tijd en energie geïnvesteerd worden om de negatieve gevolgen voor het milieu zoveel mogelijk ongedaan te maken. Bovendien legt het opsporen, ontmantelen en vervolgen van de producenten van en handelaren in synthetische drugs een fors beslag op het opsporingsapparaat als gevolg waarvan de opsporing van andere misdrijven in het gedrang kan komen. Drugscriminaliteit is het werkterrein van georganiseerde misdaad. Deze georganiseerde drugscriminaliteit leidt tot veel geweld met alle gevolgen van dien. Kortom, de productie en handel van harddrugs heeft op meerdere vlakken een ontwrichtend effect. De verdachte heeft zich niets aangetrokken van alle hiervoor genoemde negatieve gevolgen en kennelijk gehandeld uit puur financieel (eigen)belang. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.

Bij zijn beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft het hof, voor zover voorhanden, aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten, zoals neergelegd in het document ‘Oriëntatiepunten voor straftoemeting en LOVS-afspraken’, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf.

Het oriëntatiepunt voor het in georganiseerd verband – waarvan in de onderhavige zaak naar het oordeel van het hof sprake is geweest – in-/uitvoeren van meer dan 20 kilo harddrugs is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van meer dan zes jaar. Het oriëntatiepunt voor het in georganiseerd verband telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en vervaardigen van meer dan 20 kilo harddrugs is eveneens een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van meer dan zes jaar.

De verdachte heeft zich tezamen en in vereniging schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen gericht op de productie van synthetische drugs, de daadwerkelijke productie van amfetamine en de uitvoer van, verdeeld over drie transporten, circa 242 kilogram amfetamine naar Zweden. Het hof heeft er bij de straftoemeting ten gunste van de verdachte wel rekening mee gehouden dat tussen deze feiten enige feitelijke samenhang bestaat.

Voorts heeft het hof bij de straftoemeting acht geslagen op de inhoud van het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 27 november 2025, betreffende het justitiële verleden van de verdachte. Hieruit blijkt dat de verdachte in 2019 onherroepelijk voor soortgelijke feiten is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden. Aldus is sprake van recidive. Ook na de bewezenverklaarde feiten is de verdachte tweemaal onherroepelijk veroordeeld ter zake van (onder meer) soortgelijke feiten, in 2022 tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, en in 2023 tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden onvoorwaardelijk. Het hof leidt hieruit af dat de verdachte kennelijk bij herhaling lak heeft aan de Opiumwetgeving en zijn persoonlijke financiële gewin telkens laat prevaleren boven het naleven van de wet. Het hof weegt deze veroordelingen aanmerkelijk in strafverzwarende zin mee. In verband met de veroordelingen uit 2022 en 2023 is voorts het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van toepassing. In dit verband merkt het hof tot slot nog op dat de veroordelingen uit 2022 en 2023 ten tijde van het vonnis waarvan beroep nog niet onherroepelijk waren, zodat de rechtbank hiermee als strafverzwarende omstandigheden (nog) geen rekening mocht houden. Mede hierom komt het hof tot een hogere strafoplegging dan in eerste aanleg.

Daarnaast betrekt het hof bij de strafoplegging dat de verdachte zich in eerste aanleg heeft beroepen op zijn zwijgrecht en zich na de schorsing van zijn voorlopige hechtenis in strijd met de schorsingsvoorwaarden heeft onttrokken aan zijn berechting. Ook ter terechtzitting in hoger beroep is hij niet verschenen en heeft hij geen rekenschap afgelegd voor zijn daden of daarvoor verantwoordelijkheid genomen. Ook dit acht het hof strafverzwarende feiten en omstandigheden.

Bij de beslissing over de aan de verdachte op te leggen hoofdstraf heeft het hof voorts meegewogen dat, zoals na te melden, aan de verdachte tevens als bijkomende straf de verbeurdverklaring van de op de beslaglijst vermelde voorwerpen, welke tezamen een meer dan geringe waarde vertegenwoordigen, zal worden opgelegd. Het hof heeft daarbij acht geslagen op de draagkracht van de verdachte.

Overige strafmatigende feiten en omstandigheden zijn niet aannemelijk geworden.

Naar het oordeel van het hof kan, met name gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten, in het bijzonder ook de initiërende en leidinggevende rol van de verdachte daarin, alsmede de andere voormelde veroordelingen van de verdachte, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor zeer lange duur met zich brengt. Het hof heeft voorts in ogenschouw genomen de toepasselijkheid van het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.

Gelet op alle voormelde feiten en omstandigheden, bijeengenomen, brengt de door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep aangehaalde strafmaatjurisprudentie het hof niet tot een ander oordeel over de aan de verdachte op te leggen straf, nu de genoemde zaken onvoldoende vergelijkbaar zijn met de onderhavige zaak.

Alles afwegende, acht het hof in beginsel de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaar passend en geboden.

Het hof is echter van oordeel dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM en overweegt in dat verband als volgt. Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Deze termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de verdachte een handeling is verricht waaraan die in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem of haar ter zake van een bepaald strafbaar feit door het OM een strafvervolging zal worden ingesteld. In hoger beroep vangt de redelijke termijn aan vanaf het moment van instellen van appel.

Bij de vraag of sprake is van een schending van de redelijke termijn moet rekening worden gehouden met de omstandigheden van het geval, waaronder begrepen de processuele houding van de verdachte, de aard en ernst van het tenlastegelegde, de ingewikkeldheid van de zaak en de mate van voortvarendheid waarmee deze strafzaak door de justitiële autoriteiten is behandeld.

De verdachte is op 7 juni 2021 in verzekering gesteld. Het hof hanteert deze datum als uitgangspunt voor de aanvang van de redelijke termijn. De rechtbank heeft vonnis gewezen op 23 januari 2024. In eerste aanleg is, uitgaande van 16 maanden, nu de verdachte in eerste aanleg ruim 13 maanden in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, sprake van een overschrijding van de redelijke termijn, met ruim 15 maanden.

Namens de verdachte is op 30 januari 2024 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank. Het hof wijst dit arrest op 6 mei 2026. In hoger beroep is daarom eveneens sprake van een overschrijding van de redelijke termijn en wel, uitgaande van 24 maanden, met een periode van ruim drie maanden.

In totaal is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn met een periode van ruim 18 maanden.

Nu de redelijke termijn met in totaal ruim 18 maanden is geschonden, acht het hof, alles afwegende, in plaats van een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaar, passend en geboden om aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaar en 9 maanden.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Beslag

Het hof stelt vast dat onder de verdachte de volgende voorwerpen in beslag zijn genomen:

- één telefoontoestel, Google Pixel 3a;

- twee telefoontoestellen, Google Pixel 4a;

- één telefoontoestel, Google Pixel;

- 20 telefoontoestellen, Google Pixel 4a, verpakt in doos;

- twee telefoontoestellen, Google Pixel 4a, verpakt in doos met 35 ongebruikte simkaarten;

- één weegschaal;

- één geldautomaat;

- één geldtelmachine;

- één gegevensdrager, Datashur;

- 35 simkaarten en

- één telefoonkaart.

Ten tijde van de bewezenverklaarde feiten behoorden deze voorwerpen aan de verdachte toe.

Ten aanzien van alle voorwerpen zal het hof de verbeurdverklaring uitspreken.

Ten aanzien van de inbeslaggenomen telefoontoestellen, simkaarten en telefoonkaart overweegt het hof daarbij in het bijzonder nog het volgende. In het document waarin de technische details van ‘Operation Trojan Shield’, alsmede van de cryptocommunicatiedienst ANØM zijn opgenomen (dit document is laatstelijk gewijzigd op 31 augustus 2021) is beschreven dat telefoons van het merk Google Pixel geschikt waren voor en gebruikt werden als zogenaamde ANØM-toestellen. Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen stelt het hof vast dat de verdachte en zijn medeverdachten gebruik maakten van ANØM-toestellen voor de communicatie over de bewezenverklaarde strafbare feiten. Uit het dossier leidt het hof verder af dat de verdachte via zijn ANØM-accounts dergelijke ANØM-toestellen te koop aanbood.

Gelet onder meer op het voorgaande, is het hof van oordeel dat alle hiervoor genoemde inbeslaggenomen voorwerpen vatbaar zijn voor verbeurdverklaring, omdat dit voorwerpen zijn met betrekking tot welke de bewezenverklaarde feiten zijn begaan en/of met behulp van welke deze feiten zijn begaan of voorbereid en/of die tot het begaan van de bewezenverklaarde misdrijven zijn vervaardigd of bestemd. Het hof zal deze voorwerpen dan ook verbeurd verklaren.

Herroeping voorwaardelijke invrijheidsstelling

De verdachte is bij vonnis van de rechtbank Oost-Brabant d.d. 23 december 2019, onder parketnummer 01-879227-19, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden. De veroordeelde is op 31 oktober 2020 voorwaardelijk in vrijheid gesteld onder de algemene voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Bij vordering d.d. 2 augustus 2021 heeft de officier van justitie, onder v.i. zaaknummer 99-000687-24, bij de rechtbank Oost-Brabant een vordering tot gehele herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling ingediend wegens het niet naleven van de aan de invrijheidstelling verbonden algemene voorwaarde, te weten het niet plegen van strafbare feiten. Uit het vonnis waarvan beroep leidt het hof af dat de officier van justitie ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 12 december 2023 de vordering heeft gewijzigd, omdat door een omissie in de vordering staat vermeld dat de resterende v.i.-periode 365 dagen bedraagt in plaats van tien maanden.

Gelet op het voorgaande, stelt het hof vast dat het gedeelte van de bij het hiervoor genoemde vonnis opgelegde gevangenisstraf dat als gevolg van de toepassing van de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling niet ten uitvoer is gelegd, tien maanden bedraagt.

De vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling is in eerste aanleg geheel toegewezen en is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Het hof is van oordeel dat de verdachte zich gedurende zijn voorwaardelijke invrijheidstelling schuldig heeft gemaakt aan de thans bewezenverklaarde feiten en derhalve de algemene voorwaarde heeft overtreden. De verdachte was een gewaarschuwd man en wist wat hem boven het hoofd hing, maar heeft desondanks wederom, soortgelijke, strafbare feiten gepleegd. Het hof acht daarom in beginsel een volledige herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling passend. In hetgeen ter terechtzitting aan de orde is gekomen en in de persoon van de veroordeelde, ziet het hof geen reden om toch niet tot gehele herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling over te gaan. Het hof zal de vordering tot herroeping daarom geheel toewijzen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 33, 33a, 47, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 01-993293-21 onder 1 en 2 en in de zaak met parketnummer 01-993370-21 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 01-993293-21 onder 1 en 2 en in de zaak met parketnummer 01-993370-21 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) jaren en 9 (negen) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, als vermeld op de beslaglijst in het dossier, te weten:

- één telefoontoestel, Google Pixel 3a;

- twee telefoontoestellen, Google Pixel 4a;

- één telefoontoestel, Google Pixel;

- 20 telefoontoestellen, Google Pixel 4a, verpakt in doos;

- twee telefoontoestellen, Google Pixel 4a, verpakt in doos met 35 ongebruikte simkaarten;

- één weegschaal;

- één geldautomaat;

- één geldtelmachine;

- één gegevensdrager, Datashur;

- 35 simkaarten en

- één telefoonkaart.

Wijst de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling met parketnummer 99-000687-24 toe en gelast dat het gedeelte van de bij het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant d.d. 23 december 2019 onder parketnummer 01-879227-19 opgelegde vrijheidsstraf dat als gevolg van de toepassing van de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling niet ten uitvoer is gelegd, alsnog geheel wordt ondergaan, te weten 10 (tien) maanden.

Aldus gewezen door:

mr. T. van de Woestijne, voorzitter,

mr. R. Lonterman en mr. C.N.G.M. Starmans, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. S. Kerssies, griffier,

en op 6 mei 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. C.N.G.M. Starmans is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. T. van de Woestijne
  • mr. R. Lonterman
  • mr. C.N.G.M. Starmans

Griffier

  • mr. S. Kerssies

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand