ECLI:NL:GHSHE:2026:1170

ECLI:NL:GHSHE:2026:1170

Instantie Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak 06-05-2026
Datum publicatie 06-05-2026
Zaaknummer 20-000547-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte, terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994, zich als bestuurder van een motorrijtuig aanmerkelijk onvoorzichtig gedragen waardoor er een ongeval heeft plaatsgevonden. Het hof veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 50 (vijftig) dagen hechtenis en ontzegt de verdachte ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 18 (achttien) maanden;

Uitspraak

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 19 februari 2025, in de strafzaak met parketnummer

02-120951-23 tegen:

[verdachte] ,

waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten een of meer botbreuken in de linkervoet en/of een of meer botbreuken in het linkerbeen en/of een of meer kapotte/(af)gescheurde pezen en/of banden, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste, tweede, derde, vierde of vijfde lid van de Wegenverkeerswet 1994, dan wel na het feit niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, zevende of negende lid van genoemde wet;
door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

geboren te [geboorteplaats en -datum] 1954,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is aan de verdachte ter zake van;

veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 160 uren subsidiair 80 dagen hechtenis en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 18 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.

Namens de verdachte is primair de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie bepleit. Subsidiair is integrale vrijspraak bepleit en meer subsidiair is er een strafmaatverweer gevoerd.

Ontvankelijkheid Openbaar Ministerie

De raadsvrouw heeft de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie bepleit nu er volgens de raadsvrouw door de officier van justitie telefonisch de toezegging is gedaan dat de verdachte enkel vervolgd zou worden voor het rijden onder invloed van alcohol. Dat feit is onherroepelijk door de politierechter op 2 augustus 2023 afgedaan. Bij brief van 21 augustus 2023 is ondanks deze toezegging bericht dat de verdachte vervolgd zou worden voor het veroorzaken van een ongeval en het verlaten van de plaats van het ongeval. De raadsvrouw is van mening dat de verdachte mocht vertrouwen op de eerdere telefonische toezegging van de officier van justitie aan de raadsvrouw gedaan. Het dagvaarden van de verdachte voor onderhavige feiten is derhalve in strijd met het vertrouwensbeginsel en de beginselen van een behoorlijke procesorde. Dit alles dient volgens de raadsvrouw te leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging.

De advocaat-generaal heeft betoogd dat uit de brieven van de officier van justitie niets blijkt van een dergelijke toezegging. Nu een dergelijke toezegging volgens de advocaat-generaal niet is gedaan, is er geen sprake van schending van het vertrouwensbeginsel en een behoorlijke procesorde. Het Openbaar Ministerie is volgens het standpunt van de advocaat-generaal dan ook ontvankelijk in de vervolging.

Het hof overweegt als volgt.

Door de verdediging is gesteld dat de raadsvrouw voor de zitting bij de politierechter ter zake van het rijden onder invloed telefonisch contact heeft gezocht met de officier van justitie omdat zij wilde weten of de verdachte alleen voor het rijden onder invloed zou worden vervolgd of dat de verdachte daarnaast ook nog voor andere feiten zou worden vervolgd. Door de officier van justitie is volgens de raadsvrouw gezegd dat de verdachte uitsluitend vervolgd zou worden voor het rijden onder invloed. Buiten het gegeven dat deze vraag van de raadsvrouw op twee manieren geïnterpreteerd kan worden – te weten wordt de verdachte op deze zitting alleen voor rijden onder invloed vervolgd of wordt de verdachte ten aanzien van de feiten op 4 november 2022 enkel voor het rijden onder invloed vervolgd – heeft de raadsvrouw geen schriftelijke toezegging ontvangen van de officier van justitie en heeft zij ook zelf verzaakt deze vermeende toezegging schriftelijk vast te leggen.

Het Openbaar Ministerie heeft daarentegen meerdere schriftelijke stukken (schrijven van 19 januari en 18 juli 2024) overgelegd die het standpunt van de officier van justitie, te weten er is geen toezegging gedaan dat de verdachte niet voor andere strafbare feiten zou worden vervolgd, onderbouwen. Gelet op deze stukken, en het ontbreken van enige schriftelijke onderbouwing van het standpunt van de raadsvrouw, gaat het hof uit van de juistheid van de informatie die door het Openbaar Ministerie is verstrekt. Op basis hiervan verwerpt het hof het verweer van de verdediging en acht zij het Openbaar Ministerie ontvankelijk in de vervolging ter zake van het veroorzaken van een ongeval alsmede het verlaten van de plaats van het ongeval.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 4 november 2022 te Cadzand, gemeente Sluis, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de Kievitenlaan, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 4 november 2022 te Cadzand, gemeente Sluis als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Kievitenlaan,

2. hij, als degene die al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig betrokken was geweest bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden in Cadzand, gemeente Sluis op/aan de Kievitenlaan, op of omstreeks 4 november 2022 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [slachtoffer] ) letsel en/of schade was toegebracht.

Vrijspraak feit 2

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Het hof overweegt daartoe als volgt.

De verdachte heeft verklaard dat hij niets heeft meegekregen van een aanrijding van een voetganger op de Kievitenlaan in Cadzand. De verdachte heeft niets gezien, niets gehoord en niets gemerkt. De verdachte heeft na het ongeval zijn weg vervolgd en is enkele meters verder rechts afgeslagen. De verdachte is vervolgens thuisgekomen en heeft een drankje genomen. Toen de politie bij de verdachte aan de deur stond, begreep de verdachte dan ook niet wat de politie daar kwam doen. Ook in het verhoor bij de politie blijft de verdachte bij zijn verklaring dat hij niets van een ongeval heeft meegekregen. De verklaringen van de verdachte komen authentiek over en zijn op dit punt consequent.

De getuigen hebben ook niet zodanige omstandigheden beschreven waaruit opgemaakt kan worden dat de verdachte welbewust de plaats van het ongeval heeft verlaten. Alhoewel de verdachte volgens de getuigen hard weg reed, wordt hierbij niet opgemerkt dat de verdachte extra gas gaf om de plaats van het ongeval te verlaten. Verder zijn ook geen bewegingen bij de persoon van de verdachte waargenomen waaruit opgemaakt kan worden dat de verdachte wist dat hij een ongeval had veroorzaakt.

Mede gelet op het gegeven dat de verdachte reed in een grote zware auto en vrijwel onmiddellijk nadien naar rechts is afgeslagen, is het naar het oordeel van het hof niet onaannemelijk dat de verdachte niet gemerkt heeft dat hij [slachtoffer] met zijn auto had geraakt. Het hof spreekt de verdachte dan ook vrij van het onder feit 2 tenlastegelegde nu de verdachte niet redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat hij een ongeval had veroorzaakt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij:

1. op 4 november 2022 te Cadzand, gemeente Sluis, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de Kievitenlaan, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig,

waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten botbreuken in de linkervoet en kapotte/(af)gescheurde pezen en/of banden werd toegebracht,

terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Omwille van de leesbaarheid van dit arrest worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aan dit arrest gehechte bewijsmiddelenbijlage. De daarin vervatte bewijsmiddelen maken integraal deel uit van dit arrest.

Bewijsoverwegingen

I.

De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

II.

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verweer gevoerd tegen de bewezenverklaring door de rechtbank en bepleit dat er geen sprake is geweest van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. Daartoe is – op gronden zoals nader in de pleitnota verwoord – in de kern het volgende aangevoerd.

De verdachte heeft verklaard dat hij in zijn beleving niet verantwoordelijk is geweest voor het veroorzaken van een ongeval. De verdachte heeft bij de politierechter en in hoger beroep verklaard dat hij de voetgangers heeft gezien maar dat hij daar met voldoende ruimte omheen is gereden zonder deze voetgangers te raken. De verdachte erkent dat hij voordat hij is gaan rijden 3 tot 4 Jonge Klare (het hof begrijpt Jenever) heeft gedronken, maar was in de veronderstelling dat het eerste drankje inmiddels was uitgewerkt en hij was naar eigen zeggen niet zodanig onder invloed dat hij niet meer kon rijden.

De raadsvrouw heeft bepleit dat er niet vastgesteld kan worden dat de verdachte met een hogere snelheid heeft gereden dan de toegestane snelheid aldaar. Door de politie is er immers geen onderzoek gedaan naar de gereden snelheid van het betrokken voertuig. Van verkeersfouten is volgens de raadsvrouw niet gebleken. Het was nog daglicht en vastgesteld is dat de verdachte niet op zijn telefoon actief was op het moment dat hij daar reed. Al hoewel er een ademanalyse is gedaan ruimschoots na het ongeval, kan niet vastgesteld worden dat de verdachte op het moment van het ongeval de toegestane maximum alcohol-inname voor het besturen van een auto heeft overschreden. De verdachte heeft daarover verklaard dat hij na thuiskomst nog een glas Ricard heeft gedronken en bezig was met een tweede glas.

Daarnaast heeft de raadsvrouw bepleit dat de verklaringen in het dossier van aangever en getuigen tegenstrijdig en subjectief zijn en niet worden ondersteund door enig ander bewijs in het dossier. De raadsvrouw is dan ook van mening dat de verdachte dient te worden vrijgesproken nu er onvoldoende bewijs is voor roekeloos of zeer dan wel aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend rijgedrag. Omdat het dossier volgens de raadsvrouw geen duidelijkheid geeft over de toedracht van het ongeval kan evenmin worden vastgesteld dat de verdachte het verwijt kan worden gemaakt dat hij niet voldoende behoorlijk en/of tijdig heeft afgeremd of niet tijdig is uitgeweken of onvoldoende maatregelen heeft genomen om een aanrijding te voorkomen.

Het hof overweegt als volgt.

Vaststelling feiten

De verdachte heeft tot in hoger beroep ontkend dat hij met zijn auto [slachtoffer] heeft aangereden en wijst op de mogelijkheid dat [slachtoffer] , nadat hij zijn dochter opzij heeft geduwd, ongelukkig terecht is gekomen waardoor het letsel is ontstaan.

Het hof stelt aan de hand van de bewijsmiddelen het volgende vast. Op 4 november 2022 loopt [slachtoffer] met zijn dochter, [dochter slachtoffer] , en zijn stiefvader, [stiefvader] , op de Kievitenlaan te Cadzand. Het drietal steekt op een gegeven moment over en loopt aan de rechterkant van de weg. Om ongeveer 17.40 uur – 17.50 uur wordt [slachtoffer] door een bruine BMW X1 met het [kenteken] aangereden. Deze aanrijding wordt gezien door de dochter, stiefvader en [getuige] .

Toetsingskader

Aan het hof ligt de vraag voor of het aan de schuld van verdachte te wijten is dat het verkeersongeval heeft plaatsgevonden en zijn handelen aldus kan worden gekwalificeerd als een overtreding van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994. Volgens vaste rechtspraak moet daarbij gekeken worden naar het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het ongeval. Uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer kan niet worden afgeleid dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van genoemde wet. Van schuld in deze zin is pas sprake in het geval van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid of onoplettendheid. Bij het vaststellen van onvoorzichtigheid gaat het om de vraag of de verdachte objectief gezien een ernstige fout heeft gemaakt dan wel zijn rijgedrag (aanmerkelijk) onder de maat is gebleven van wat van een automobilist in het algemeen en gemiddeld mag worden verwacht in vergelijkbare omstandigheden. De kern van de onvoorzichtigheid schuilt in het kunnen voorzien dat het gevolg (het ongeval) door de onvoorzichtige gedraging kan intreden. Met verwijtbaarheid wordt gedoeld op vermijdbaarheid. De betrokkene moet anders hebben kunnen handelen.

Volgens vaste rechtspraak hoeft een fout die door een medeweggebruiker is gemaakt op zichzelf niet in de weg te staan aan een veroordeling ter zake van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994.

De aan verdachte verweten gedragingen zien op (1) het na gebruik van (teveel) alcoholhoudende drank gaan rijden. (3) het rijden met een snelheid die hoger lag dan voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was en (2) het blijven rijden zonder zich er voldoende van te vergewissen dat de weg voor hem vrij was en/of vrij zou blijven.

Op basis van de hiervoor geschetste feitelijke toedracht overweegt het hof hierover het volgende.

1. Het na gebruik van alcoholhoudende drank gaan rijden

Nadat de verbalisanten op de hoogte zijn geraakt van de aanrijding hebben ze het adres van de tennaamgestelde van het betrokken voertuig, de verdachte, bezocht en is de verdachte gevraagd om mee te gaan naar het politiebureau. De verbalisant merkt in het proces-verbaal op dat de verdachte bloeddoorlopen ogen had, met een dubbele tong sprak en onvast ter been was. De verdachte heeft hierover verklaard dat hij op die betreffende dag bij de haven in Cadzand in een tijdsbestek van 1,5 uur drie of vier jonge klare – jenever – heeft gedronken waarna hij over de Kievitenlaan/ Boulevard de Wielingen naar huis is gereden. Eenmaal thuis heeft de verdachte nog een Ricard (het hof begrijpt een likeur) gedronken en was hij bezig met een tweede glas toen de politie aanbelde. Dat de verdachte die avond heeft gedronken volgt tevens uit de uitgevoerde ademanalyse waarbij het onderzoeksresultaat van de ademanalyse van verdachtes adem 595 ug/l bedroeg. Alhoewel niet is vastgesteld hoeveel alcohol de verdachte heeft genuttigd op het moment van de aanrijding, gaat het hof uit van de verklaring van de verdachte, te weten dat hij 3 of 4 jenever heeft gedronken. Ook met deze hoeveelheid is het hof van oordeel dat de verdachte heeft gereden terwijl hij de maximum hoeveelheid toegestane alcohol-inname voor het besturen van een auto heeft overschreden. Dit is ook bij de onherroepelijke uitspraak van de politierechter van 2 augustus 2023 vastgesteld waarbij de verdachte is veroordeeld voor het rijden onder invloed op 4 november 2022.

2. Het blijven rijden zonder zich er voldoende van te vergewissen dat de weg voor hem vrij was en/of vrij zou blijven en/of zijn personenauto niet tot stilstand te brengen binnen een afstand waarover verdachte de weg kon overzien en of deze vrij was.

Het ongeluk heeft vervolgens plaatsgevonden op het moment dat de verdachte de voetgangers passeerde. De verdachte heeft bij het verhoor bij de politie een dag na het ongeval verklaard dat hij geen verkeersdeelnemers en aldus ook geen voetgangers heeft gezien. De verdachte was zich dan ook niet bewust van het feit dat er een aanrijding heeft plaatsgevonden. Ter terechtzitting in eerste aanleg in 2023 en ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij de voetgangers heeft zien oversteken en hen ook aan de rechter kant van de weg zag lopen. De verdachte heeft de voetgangers naar eigen zeggen met voldoende afstand gepasseerd. Het hof acht de verklaring van de verdachte de dag na het ongeval het meest geloofwaardig. Het hof is van oordeel dat de latere verklaringen van de verdachte een invulling kunnen zijn op basis van het dossier en/of ingegeven om met de situatie in het reine te komen.

Nu het hof de verklaring van de verdachte bij de politie als geloofwaardig bestempeld, is het hof van oordeel dat de verdachte de voetgangers niet heeft gezien terwijl hij deze wel had moeten zien. Het niet zien van de voetgangers volgt naar het oordeel van het hof ook uit de verklaring van de stiefvader. Voor de stiefvader liep het latere slachtoffer, [slachtoffer] . De stiefvader verklaart dat de auto van de verdachte kort langs hem heeft gereden en de verdachte toen hij hem voorbij was nog naar rechts heeft gestuurd, vermoedelijk om rechtsaf te slaan (wat de verdachte daarna ook heeft gedaan om zijn weg naar zijn huis te vervolgen), zonder daarbij acht te slaan op de daar aanwezige voetgangers. De verdachte heeft aldus zich er onvoldoende van vergewist dat de weg voor hem vrij was en/of vrij zou blijven.

3. Het rijden met een snelheid die hoger lag dan voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was

Het hof is met de verdediging van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte harder heeft gereden dan de ter plaatse wettelijk toegestane maximumsnelheid van 30 kilometer/uur. Er heeft geen onderzoek plaatsgevonden naar de door de verdachte gereden snelheid. De verdachte heeft hierover zelf verklaard dat hij tussen de 30 en 35 kilometer/uur heeft gereden. Los van een objectieve vaststelling van de gereden snelheid van de verdachte, is het hof van oordeel dat de verdachte heeft gereden met een snelheid die hoger lag dan voor een veilig verkeer ter plaatse was geboden. De voetgangers zijn voordat de verdachte in zijn auto passeerde, van het voetpad aan de linkerkant de weg overgestoken naar de rechterzijde en liepen aan de zijkant van de weg. Bij het naderen van kwetsbare verkeersdeelnemers zoals voetgangers dient men extra voorzichtigheid te betrachten en te anticiperen op de op dat moment geldende situatie, omdat het risico op een botsing groot is en de gevolgen daarvan ernstig kunnen zijn. Uit de verklaringen van de betrokkenen volgt dat de verdachte dit niet heeft gedaan en hij met een snelheid van circa 30-35 kilometer te dicht langs de voetgangers is gereden, hetgeen heeft geresulteerd in een aanrijding. Dat dit rijgedrag qua snelheid en afstand tot de voetgangers aanmerkelijk onvoorzichtig was gelet op de omstandigheden ter plaatse (voetgangers die in de rijrichting van de verdachte aan de zijkant van de weg liepen), volgt ook uit het gegeven dat aangever zijn dochter kort voor de aanrijding aan de kant heeft geduwd omdat hij vreesde dat het fout zou gaan.

Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte, terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994, zich als bestuurder van een motorrijtuig aanmerkelijk onvoorzichtig gedragen waardoor er een ongeval heeft plaatsgevonden.

Letsel

Door de aanrijding heeft [slachtoffer] een fractuur van de linker enkel en gescheurde pezen en/of banden opgelopen. Hiervoor is [slachtoffer] meermaals geopereerd en tot op de dag van vandaag heeft [slachtoffer] nog last van de gevolgen van het ongeval en heeft hij daardoor zijn restaurant moeten verkopen. Dergelijk letsel wordt volgens vaste rechtspraak gekwalificeerd als zwaar lichamelijk letsel. Dat het letsel te wijten is aan het ongeval volgt naar het oordeel van het hof genoegzaam uit de bewijsmiddelen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 primair bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel a, van deze wet.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

Op te leggen sanctie

De verdediging heeft het hof verzocht om bij een eventueel op te leggen straf en/of maatregel rekening te houden met het tijdsverloop en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gedragen in het verkeer waardoor hij een verkeersongeval heeft veroorzaakt waarbij het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Dit alles terwijl de verdachte onder invloed was van alcohol. Hiermee heeft de verdachte de belangen van andere – met name zwakkere – verkeersdeelnemers veronachtzaamd en onvoldoende inzicht gehad in de op hem rustende verantwoordelijkheden als automobilist. Het slachtoffer van het ongeval heeft – zoals ook blijkt uit de slachtofferverklaring in hoger beroep – tot op heden nog veel last van de nasleep van het ongeval en heeft tot op de dag van vandaag nog niet naar behoren kunnen functioneren, met grote persoonlijke en zakelijke gevolgen, waarbij het nog de vraag is of hij geheel zal herstellen. Het slachtoffer heeft zijn [bedrijf] moeten verkopen, omdat hij nog steeds niet lang kan staan, veel pijn heeft en nog behandelingen moet ondergaan. Dit heeft ook ernstige gevolgen voor zijn privéleven.

Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 5 januari 2026, waaruit volgt dat de verdachte reeds eerder – alhoewel een zeer lange tijd geleden – onherroepelijk is veroordeeld voor het rijden onder invloed. Daarnaast heeft het hof oog gehad voor de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals deze ter terechtzitting in hoger beroep naar voren zijn gebracht. De verdachte heeft hierover verklaard dat hij de zorg draagt voor zijn vrouw die last heeft van ernstige reuma en hij haar dientengevolge regelmatig met de auto naar het ziekenhuis moet brengen.

Voorts heeft het hof acht geslagen op het voorlichtingsrapport van [instantie] d.d. 31 januari 2025 waaruit volgt dat de ontkennende houding van de verdachte mogelijk wijst op enigszins beperkt zelfinzicht en/of gevoelens van schuld en schaamte. De kans op herhaling wordt ingeschat als gering tot matig. De verdachte heeft ter terechtzitting, ondanks zijn ontkenning ten aanzien van de aanrijding, duidelijk gemaakt dat hij erg geschrokken is van de gevolgen en het hof is eveneens van oordeel dat de recidivekans gering lijkt.

Met de rechtbank merkt het hof met betrekking tot de hoogte van de op te leggen straf op dat er voor het veroorzaken van een verkeersongeval onder invloed van alcohol oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) bestaan. Deze oriëntatiepunten van 2023 gaan in het geval van aanmerkelijke schuld als vertrekpunt voor de op te leggen straf bij het rijden onder invloed van meer dan 570 µg/l en het veroorzaken van zwaar lichamelijk letsel uit van een onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van 140 uren subsidiair 70 dagen hechtenis en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 18 maanden.

Het hof overweegt met betrekking tot het procesverloop in deze zaak nog het volgende.

Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 EVRM. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven.

In de onderhavige zaak is de redelijke termijn aangevangen op 4 november 2022, de dag waarop de verdachte is aangehouden. De rechtbank heeft op 19 februari 2025 vonnis gewezen. Het hof stelt vast dat de redelijke termijn bij de behandeling in eerste aanleg, die voor deze fase doorgaans op twee jaren wordt gesteld, is overschreden met ruim 4 maanden.

Zonder schending van de redelijke termijn acht het hof een taakstraf voor de duur van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis, passend en geboden. Nu de redelijke termijn is geschonden, zal worden volstaan met het opleggen van een taakstraf voor de duur van 100 uren subsidiair 50 dagen hechtenis.

Mede ter bescherming van de verkeersveiligheid zal het hof ter zake van het bewezenverklaarde aan de verdachte de bevoegdheid ontzeggen om motorrijtuigen te besturen voor een duur van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, en met een proeftijd van 2 jaren.

De tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 ingevorderd of ingehouden is geweest, zal op de duur van deze bijkomende straf in mindering worden gebracht.

Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het onder 1 primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 50 (vijftig) dagen hechtenis;

ontzegt de verdachte ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 18 (achttien) maanden;

bepaalt dat een gedeelte van de bijkomende straf van ontzegging, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.

Aldus gewezen door:

mr. C.M. Hilverda, voorzitter,

mr. R. Lonterman en mr. M.J.M.A. van der Put, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. R.M. Gloudemans, griffier,

en op 6 mei 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. C.M. Hilverda
  • mr. R. Lonterman
  • mr. M.J.M.A. van der Put

Griffier

  • mr. R.M. Gloudemans

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand