ECLI:NL:GHSHE:2026:1172

ECLI:NL:GHSHE:2026:1172

Instantie Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak 07-05-2026
Datum publicatie 07-05-2026
Zaaknummer 200.350.183_01 en 200.350.183_02
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Verwijzing na Hoge Raad
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Vaststellen van de partneralimentatie na verwijzing. Behoefte en behoeftigheid van de vrouw worden opnieuw vastgesteld. Het inkomen en vermogen van de man kunnen niet worden vastgesteld. Jaarlijkse indexering.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBSOCH

Team familie- en jeugdrecht

zaaknummers: 200.350.183/01 en 200.350.183/02

zaaknummers eerste aanleg: C/13/588737 / FA RK 15-4266 en

C/13/607721 / FA RK 16-3098

zaaknummers in hoger beroep: 200.231.171/01 en 200.231/174/01

zaaknummer in (1e) cassatie: 20/00494

zaaknummer in hoger beroep na verwijzing: 200.304.504/01

zaaknummer in (2e) cassatie: 23/01348

beschikking van de meervoudige kamer van 7 mei 2026

in de zaak in hoger beroep van:

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

verzoekster na verwijzing,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. J.P.N. de Wit te Amsterdam ,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in hoger beroep,

verweerder na verwijzing,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. L. Barenbrug te Elst, gemeente Overbetuwe,

De zaak in het kort

Deze zaak gaat over de vraag of de vrouw behoefte heeft aan partneralimentatie en of de man dat kan betalen.

1. De procedure in feitelijke instanties en in cassatie.

Het hof verwijst voor het verloop van de procedure in feitelijke instanties en in cassatie naar de beschikking van de Hoge Raad van 12 januari 2024 onder zaaknummer 23/01348.

2. Het geding tot verwijzing

De rechtbank Amsterdam heeft bij beschikking van 11 oktober 2017 het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een door de man te betalen bijdrage in haar levensonderhoud afgewezen.

Het gerechtshof Amsterdam heeft bij beschikking van 12 november 2019 de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 11 oktober 2017 voor wat betreft de partneralimentatie vernietigd en opnieuw rechtdoende bepaald dat de man met ingang van 13 juni 2016 aan de vrouw als bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw dient te betalen een bedrag van € 7.015,-- bruto per maand.

De Hoge Raad heeft bij beschikking van 26 maart 2021 de beschikking van gerechtshof Amsterdam van 12 november 2019 vernietigd en het geding verwezen naar gerechtshof Den Haag ter verdere behandeling en beslissing.

Het gerechtshof Den Haag heeft bij beschikking van 11 januari 2023 de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 11 oktober 2017 voor wat betreft de partneralimentatie vernietigd en opnieuw rechtdoende bepaald dat de man aan de vrouw met ingang van de datum van die beschikking als bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw dient te betalen een bedrag van € 3.867,25 per maand.

De Hoge Raad heeft bij beschikking van 12 januari 2024 de beschikking van gerechtshof Den Haag van 11 januari 2023 vernietigd en het geding verwezen naar dit hof ter verdere behandeling en beslissing.

3. Het geding na verwijzing

Bij ‘procesinleiding na tweede verwijzing door de Hoge Raad tevens houdende vermeerdering van eis tevens houdende verzoek voorlopige voorzieningen’ (hierna: procesinleiding na tweede verwijzing) heeft de vrouw de zaak aangebracht bij dit hof ter verdere behandeling en beslissing. Zij verzoekt om, opnieuw rechtdoende, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de man met de volgende bedragen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw bijdraagt:

- met ingang van 13 juni 2016 met een bedrag van € 7.015 bruto per maand;

- met ingang van 1 januari 2017 met een bedrag van € 7.162,32 bruto per maand;

- met ingang van 1 januari 2018 met een bedrag van € 7.269,75 bruto per maand;

- met ingang van 1 januari 2019 met een bedrag van € 7.415,15 bruto per maand;

- met ingang van 1 januari 2020 met een bedrag van € 7.600,53 bruto per maand;

- met ingang van 1 januari 2021 met een bedrag van € 7.828,55 bruto per maand;

- met ingang van 1 januari 2022 met een bedrag van € 7.977,29 bruto per maand;

- met ingang van 1 januari 2023 met een bedrag van € 8.248,52 bruto per maand;

- met ingang van 1 januari 2024 met een bedrag van € 8.759,93 bruto per maand;

- met ingang van 1 januari 2025 met een bedrag van € 9.329,33 bruto per maand;

- met ingang van 1 januari 2026 met een bruto-bedrag per maand gelijk aan € 9.329,33 met de per 1 januari 2026 geldende wettelijke indexering daarover;

althans met een bedrag dat en met ingang van een datum die het hof juist acht, en vervolgens telkens met de wettelijke verhoging daarover met ingang van iedere volgende 1 januari.

Daarnaast verzoekt zij bij wijze van voorlopige voorziening bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad voor zover rechtens mogelijk, te bepalen dat de man met ingang van de dag van indiening van het verzoekschrift met een bedrag van € 9.329,33 bruto per maand bijdraagt in het levensonderhoud van de vrouw, althans met een bedrag en met ingang van een datum die het hof juist acht.

Bij ‘verweerschrift in appel op verzoeken in procesinleiding na tweede verwijzing door de Hoge Raad tevens houdende vermeerderingsverzoek tevens houdende verzoek voorlopige voorzieningen’ (hierna: verweerschrift tegen procesinleiding na tweede verwijzing) heeft de man geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van de vrouw in haar verzoeken en voor het overige tot afwijzing van de verzoeken van de vrouw als rechtens ongegrond / onjuist dan wel onbewezen, alsmede verzocht voor zoveel nodig de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 11 oktober 2017 voor zover het de partneralimentatie betreft te bekrachtigen, zo nodig onder aanvulling respectievelijk verbetering van gronden.

Daarnaast concludeert de man dat het hof zich onbevoegd moet verklaren om van het verzoek voorlopige voorzieningen van de vrouw kennis te nemen, dan wel de vrouw in die verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel haar verzoek af te wijzen als zijnde ongegrond/onjuist, dan wel onbewezen.

Het hof heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

de brief van de advocaat van de man van 20 februari 2026 met producties 8 tot en met 30;

de brief van de advocaat van de vrouw van 23 februari 2026 met producties 27 tot en met 45;

het zivver bericht van de advocaat van de man d.d. 27 februari 2026;

het zivver bericht van de advocaat van de vrouw d.d. 2 maart 2026.

De mondelinge behandeling bij het hof was op 5 maart 2026. Aanwezig waren:

de vrouw, bijgestaan door haar advocaat mr. De Wit;

de man, bijgestaan door zijn advocaat mr. Barenbrug.

Beide partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling zittingsaantekeningen voorgedragen en overgelegd. Deze stukken behoren tot het procesdossier.

4. De feiten

Partijen zijn op 18 september 1998 gehuwd onder het maken van huwelijkse voorwaarden.

Het huwelijk is op 13 juni 2016 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank Amsterdam van 13 januari 2016 in de registers van de burgerlijke stand.

5. De motivering van de beslissing

Ingangsdatum

Gerechtshof Den Haag heeft de ingangsdatum van de te betalen partneralimentatie bepaald op de datum van de beschikking van dat hof (11 januari 2023). De Hoge Raad heeft geoordeeld dat klachtonderdelen 3 en 3.3.-3.4 en 3.6-3.7 – gericht tegen die ingangsdatum – slagen:

“3.2.2. (...) Het hof heeft onvoldoende inzicht gegeven in zijn gedachtegang die heeft geleid tot het oordeel dat de wijze van procederen van beide partijen en het tijdsverloop na datum ontbinding van het huwelijk aanleiding zijn om de partneralimentatie te laten ingaan op de datum van de beschikking. Het heeft geen kenbare aandacht besteed aan de omstandigheid dat de vaststelling van de hoogte van de partneralimentatie vertraging heeft ondervonden door de eerste cassatieprocedure. Verder heeft het hof niet kenbaar in zijn oordeel betrokken de gevolgen van het ruim 6,5 jaar na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking laten ingaan van de partneralimentatie, en het partijdebat met betrekking tot de beschikbaarheid van financiële middelen aan de zijde de man. Zonder nadere motivering is het oordeel van het hof dan ook onbegrijpelijk.”.

Dat betekent dat dit hof de ingangsdatum opnieuw moet vaststellen.

De vrouw stelt zich op het standpunt dat als ingangsdatum de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking dient te gelden (13 juni 2016). Een andere datum zou in strijd zijn met de redelijkheid en billijkheid.

Het aanzienlijke tijdsverloop sinds de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking kan partijen niet worden verweten. Partijen hebben twee keer cassatie moeten instellen. Ook zijn zij twee keer naar mediation verwezen en er zijn daarnaast talloze pogingen ondernomen om via onderhandelingen alsnog tot een minnelijke regeling te komen.

De man stelt zich op het standpunt dat de ingangsdatum moet worden bepaald op primair de datum van de beschikking van het hof, subsidiair de datum waarop de omstandigheid is ingetreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend is: 14 maart 2025, en meer subsidiair de datum van indiening van het processtuk van de vrouw (procesinleiding na tweede verwijzing door de Hoge Raad, zijnde 16 januari 2024) dan wel een andere datum die het hof juist acht.

Bij de bepaling van de ingangsdatum dient in aanmerking te worden genomen dat het hier om een nabetaling van partneralimentatie gaat. Van de man kan in redelijkheid niet worden verlangd dat hij, als de ingangsdatum wordt bepaald op de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking, geconfronteerd wordt met een achterstallige bruto partneralimentatie van (afgerond) € 830.059,--, terwijl uit zijn stukken blijkt dat hij slechts over een minimaal inkomen en minimale liquide middelen beschikt.

Dat de man vanaf de indiening van het echtscheidingsverzoek rekening moest houden met een door hem te betalen bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw, betekent niet dat hij met een bedrag zoals nu verzocht – € 830.059,-- – rekening moest houden. Nabetaling van dit bedrag heeft voor hem ingrijpende gevolgen. Een latere datum dan de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking heeft voor de vrouw geen ingrijpende gevolgen, omdat zij bepaalde lasten niet meer kan verwezenlijken / uitgeven en zij gedurende één jaar en zes maanden geen actie heeft ondernomen om de appelprocedure na de tweede verwijzing door de Hoge Raad voort te zetten.

Artikel 1:402 BW laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. Het hof hanteert als ingangsdatum de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking, 13 juni 2016, en overweegt daartoe het volgende.

De lange duur van de procedure – het verzoek tot echtscheiding dateert van 9 juni 2015 – kan op zichzelf niet aan de man of de vrouw worden verweten. Het staat partijen vrij om – wanneer zij het niet eens zijn met een beschikking van de rechtbank of het hof – hoger beroep of cassatie in te stellen. De procedure heeft bovendien geresulteerd in twee geslaagde cassatieberoepen. De vertraging in de procedure is geen reden om de ingangsdatum op een later tijdstip te bepalen. Daaraan doet evenmin af dat de zaak na het tweede cassatieberoep pas na anderhalf jaar is aangebracht bij dit hof. De man wist immers dat de beschikking van het gerechtshof Den Haag juist op het punt van de ingangsdatum vernietigd was.

Als een latere ingangsdatum wordt gehanteerd, ontvangt de vrouw gedurende een kortere periode partneralimentatie. De verplichting tot levensonderhoud eindigt immers van rechtswege na verstrijking van een termijn van twaalf jaar, die aanvangt op de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.

De man kon vanaf de indiening van het verzoek – 9 juni 2015 – al rekening houden met een door hem te betalen bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw. De man stelt niet dat hij de nabetaling van partneralimentatie niet kan financieren, alleen dat hij onvoldoende inkomen en liquide middelen heeft. Dit laatste is echter weersproken door de vrouw en door de man niet nader onderbouwd en toegelicht zodat het hof hieraan voorbijgaat. Dit kan dan ook geen reden zijn om van een latere datum uit te gaan.

De man heeft de vrouw nog verweten dat zij tijdens de echtscheidingsprocedure geen verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ten aanzien van de partneralimentatie heeft ingediend. Dat is eveneens onvoldoende om bij de definitieve vaststelling van de partneralimentatie van een andere ingangsdatum uit te gaan. Het stond de vrouw vrij om al dan niet een dergelijk verzoek in te dienen.

Hoogte van de behoefte vrouw

Het gerechtshof Den Haag heeft de behoefte van de vrouw vastgesteld aan de hand van wat de vrouw concreet nodig heeft. De klacht van de vrouw dat het hof Den Haag daarbij buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden door ten aanzien van een aantal op de behoeftelijst van de vrouw genoemde posten met een lager bedrag rekening te houden dan waarvan de man is uitgegaan en de post huisdieren (door hem op € 12,50 per maand gesteld) zelfs helemaal niet mee te nemen en het hof aldus voor deze posten ten onrechte in totaal met € 291,50 per maand minder rekening heeft gehouden dan de man heeft opgevoerd, slaagt:

“3.1.2. (...) De man heeft specifiek gereageerd op de door de vrouw gestelde uitgaven, en daarbij onder meer verwezen naar een door hemzelf opgesteld overzicht. In dat overzicht is bij iedere door de vrouw gestelde uitgave weergegeven in hoeverre de man deze uitgave betwist. Voor zover de man door de vrouw gestelde uitgaven niet heeft betwist, staan die tussen partijen vast (art. 149 Rv); het stond het hof niet vrij om ten aanzien daarvan van een lager bedrag uit te gaan.”.

Het hof zal de behoefte van de vrouw aldus opnieuw vaststellen.

De vrouw stelt zich op het standpunt dat haar huwelijksgerelateerde behoefte € 5.250,-- netto per maand bedraagt, zijnde het bedrag dat op basis van het netto-gezinsinkomen en de hofnorm in ieder geval als behoefte voor haar beschikbaar was. Daarnaast baseert de vrouw zich voor haar behoefte op afspraken tussen partijen en op een door haar opgestelde behoeftelijst (productie 22 bij de procesinleiding tweede verwijzing). Hierin is een aantal tot dusverre vergeten posten opgevoerd. De vrouw heeft de kosten anno 2025 opgevoerd en deze teruggerekend naar 2015 op basis van de voor alimentatie vastgestelde indexeringspercentages.

De man is van mening dat de behoefte van de vrouw aan de hand van haar behoeftelijst moet worden vastgesteld. De vrouw heeft tegen de andere wijzen / omstandigheden waarop zij vindt dat haar behoefte moet worden becijferd en die door gerechtshof Den Haag niet zijn meegenomen tevergeefs cassatie ingesteld. In deze fase van het geding is er geen plaats voor een algehele herbeoordeling van de geschilpunten zoals die bij gerechtshof Den Haag voorlagen. Van een relevante wijziging van omstandigheden is geen sprake.

Voor zover de man de door de vrouw gestelde uitgaven niet aan de hand van de door hemzelf opgestelde behoeftelijst (bijlage E bij het verweerschrift na eerste verwijzing Hoge Raad) heeft betwist, staan die tussen partijen vast. De man is het niet eens met de toevoeging van nieuwe posten en de door de vrouw gehanteerde terugrekenmethode. De wijze van terugrekenen is niet zomaar vast te stellen en lasten die zij in een voorgaande periode niet heeft gehad, hoeft zij niet meer te bestrijden.

Het hof overweegt als volgt.

Tegen het oordeel van gerechtshof Den Haag dat de behoefte van de vrouw moet worden vastgesteld aan de hand van wat de vrouw concreet nodig heeft is geen cassatie ingesteld. Ook dit hof zal daarom de behoefte van de vrouw vaststellen aan de hand van wat de vrouw concreet nodig heeft. De vrouw heeft als productie 22 bij de procesinleiding na tweede verwijzing een nieuwe behoeftelijst overgelegd. Het hof gaat aan die lijst voorbij nu die is gebaseerd op een hypothetische terugrekening van bedragen van 2025 naar 2015 waarvan de juistheid door de man is betwist. Het hof zal de behoeftelijst die door gerechtshof Den Haag in de beschikking van 11 januari 2023 is vermeld als uitgangspunt nemen met inachtneming van de nieuwe feiten en omstandigheden die zijn aangevoerd.

Ten aanzien van de posten telefoon, onderhoud auto, kosten ov, reservering vakantie en uitgaan heeft de vrouw al eerder hogere bedragen opgevoerd dan waarvan gerechtshof Den Haag is uitgegaan. De man heeft de hoogte van de posten betwist. De vrouw heeft geen (kenbare) nieuwe gronden aangevoerd, zodat het hof uitgaat van de door gerechtshof Den Haag meegenomen bedragen.

De hoogte van de posten gas elektra water, tv, woonverzekering, boodschappen, kleding en schoenen, persoonlijke verzorging, cadeaus, brandstof, verzekering auto en aansprakelijkheidsverzekering zijn niet in geschil zodat het hof uitgaat van de door gerechtshof Den Haag genoemde bedragen.

De man wil bij de post huur van een bedrag van € 750,-- uitgaan. Het hof is echter van oordeel dat de man het door de vrouw genoemde bedrag van € 1.350,-- onvoldoende gemotiveerd heeft betwist, welk bedrag het hof ook juist voorkomt.

De vrouw voert ten aanzien van de post ziektekostenverzekering aan dat zij een aantal keren zeer hoge tandartskosten heeft gehad en daarom een tandartsverzekering heeft afgesloten. Ze voert een premie op van in totaal € 194,-- per maand. In 2015 behoorde een tandartsverzekering niet tot haar behoefte en deze post was toen in redelijkheid niet te voorzien. Het hof houdt daarom net als gerechtshof Den Haag rekening met een bedrag van € 145,--.

Ten aanzien van de post huisdieren voert de vrouw aan dat uitgegaan moet worden van een bedrag van € 165,-- per maand. Ter onderbouwing legt de vrouw als productie 24 een overzicht van het Landelijk Informatiecentrum Gezelschapsdieren over waaruit blijkt dat de kosten van een hond € 620,-- per jaar en die van een kat € 680,-- bedragen. De man heeft erop gewezen dat het moet gaan om concrete, werkelijke kosten. Het hof is van oordeel dat de vrouw niet laat zien dat zij de door haar gestelde kosten daadwerkelijk maakt. De man heeft het bedrag van € 165,-- per maand voldoende gemotiveerd betwist. Hij heeft verder aangevoerd dat de kosten voor een hond maximaal € 0,50 per dag bedragen. Rekening houdend met drie huisdieren, stelt het hof daarom het bedrag waarmee rekening moet worden gehouden op € 45,--.

De vrouw heeft ook een aantal nieuwe posten aangevoerd. De posten gemeentelijke belastingen van € 22,--, de waterschapsbelasting van € 8,50 en de motorrijtuigenbelasting heeft de man onvoldoende betwist zodat het hof met die posten rekening zal houden. Met de post reisverzekering houdt het hof geen rekening nu deze onder de reservering vakantie kan worden geschaard en daarmee dus reeds rekening is gehouden. Evenmin houdt het hof rekening met de post pensioen omdat tijdens het huwelijk geen pensioen werd opgebouwd. Dáárvoor waren de panden bedoeld. Ook met advocaatkosten houdt het hof geen rekening, die maken geen deel uit van de behoefte van de vrouw.

Tot slot heeft de vrouw een aantal posten opgevoerd die eerder niet zijn meegenomen. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat klachtonderdeel 1.6 – waarin werd geklaagd dat het hof Den Haag een aantal posten niet heeft meegenomen – niet tot cassatie kan leiden. Ter zake heeft de vrouw geen (kenbare) nieuwe gronden aangevoerd waardoor zij nu wel meegenomen zouden moeten worden. Het hof gaat aan die posten dan ook voorbij.

De behoeftelijst ziet er dan als volgt uit:

huur 1.350

gas/elektra/water 239

telefoon 58

tv 45

woonverzekering 10

boodschappen 475

kleding en schoenen 166

persoonlijke verzorging 100

cadeaus 50

brandstof 85

verzekering auto 72,50

onderhoud auto 50

kosten ov 50

ziektekostenverzekering 145

aansprakelijkheidsverzekering 8

reservering vakantie 100

uitgaan 50

huisdieren 45

gemeentelijke belastingen 22

waterschapsbelasting 8,50

motorrijtuigenbelasting 56,50

totaal 3.185,50 (netto)

Gelet op het voorgaande stelt het hof de behoefte van de vrouw in 2015 vast op € 3.185,50 netto per maand, zijnde € 5.655,-- bruto per maand.

Behoeftigheid

De Hoge Raad heeft geoordeeld dat klachtonderdeel 2 van de vrouw en klachtonderdeel I-3 van de man– die zich richten tegen het oordeel van gerechtshof Den Haag over de behoeftigheid van de vrouw – niet tot cassatie kunnen leiden.

De vrouw voert aan dat zij niet in staat is en was om zelfs maar gedeeltelijk in haar levensonderhoud te voorzien en dat zij daartoe in redelijkheid ook niet in staat geoordeeld kan worden. Het was voor haar, met haar beperkte kennis van de Italiaanse taal en haar leeftijd, onmogelijk om in Italië betaald werk te vinden. Ook in Nederland is het haar niet gelukt werk te vinden. Zij heeft weliswaar sociologie gestudeerd, maar heeft nooit als socioloog gewerkt. Als gevolg van de echtscheiding was sprake van medische / psychische decompensatie. De vrouw heeft zich onder behandeling laten stellen van artsen, therapeuten, acupuncturisten, voedingsdeskundigen en een psychologe. Zij heeft ernstig geleden en lijdt aan een burn-out, recidiverende lage rugklachten, hartkloppingen, maagklachten, reflux, slapeloosheid en hoge bloeddruk. Daarnaast kreeg en krijgt zij medicijnen voorgeschreven die zij volgens voorschrift gebruikt. Door middel van verklaringen van haar artsen en therapeuten heeft de vrouw tijdens de hele procedure inzichtelijk gemaakt wat het verloop van haar medische / psychische situatie is geweest en heeft zij uitvoerig inzicht gegeven in wat zij allemaal heeft geprobeerd om te re-integreren en zelfvoorzienend te zijn. De vrouw heeft rust nodig om te herstellen, maar als gevolg van de stress en zorgen die de duur en de intensiteit van de hele rechtsgang voor de vrouw meebrengen, is er van herstel geen sprake. Zij verwacht pas te kunnen herstellen als alles is afgerond en zij eindelijk financiële zekerheid heeft. Vanaf 22 maart 2019 ontvangt de vrouw opnieuw een bijstandsuitkering die haar bij wijze van lening is toegekend. Op grond van al haar klachten en beperkingen is de vrouw door de gemeente [woonplaats vrouw] vrijgesteld van de arbeidsverplichtingen. Ook daaruit blijkt het ontbreken van verdiencapaciteit.

De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat van haar niet kan worden gevergd dat zij inteert op haar vermogen, nu dat vermogen – na alle kosten en aflossingen van schulden – niet zeer groot is en de man meer dan voldoende draagkracht heeft. Verder heeft de vrouw aangevoerd dat, nadat zij door de Hoge Raad begin 2024 in het gelijk was gesteld maar haar executoriale titel was verloren, haar cassatieadvocaat heeft geprobeerd om via het LBIO de schade voor de vrouw te beperken. Ook heeft zij haar advocaat in Italië aan het werk gezet, waarna haar financiën volledig waren opgedroogd en het een tijd heeft geduurd voordat zij weer geld heeft kunnen lenen om haar advocaat verweer te laten voeren in het kort geding van 2023 en de tweede verwijzingsprocedure op te laten tuigen.

De man stelt zich op het standpunt dat, nu de cassatieklachten over de behoeftigheid niet tot cassatie hebben geleid, de behoeftigheid niet meer ter beslissing voorligt, behoudens indien sprake is van een rechtens relevante wijziging van feitelijke omstandigheden, die kwalificeert als een rechtens relevante wijziging van omstandigheden.

De vrouw is volgens de man in staat om in ieder geval gedeeltelijk zelf in haar kosten van levensonderhoud te voorzien. Dat zij ten tijde van het uiteengaan van partijen niet in staat was om betaald werk te vinden heeft zij niet aangetoond. Zij heeft daartoe een inspanningsverplichting. Dat de vrouw zich niet ruimer en breder heeft gericht op passende arbeid in loondienst dient voor haar rekening en risico te komen. Dat door de keuzes van de vrouw hierdoor ook een achterstand van 10 jaar op de arbeidsmarkt is ontstaan, en daarmee gepaard gaande gemiste loonsverhogingen, dient eveneens voor haar eigen rekening en risico te komen. De vrouw heeft sociologie gestudeerd en diverse banen gehad. Ook was zij jarenlang werkzaam in het (laten) opknappen en de verkoop van onroerend goed. De man is van mening dat de verdiencapaciteit van de vrouw tenminste € 3.600,-- bruto per maand bedraagt.

Uit de door de vrouw overgelegde (medische) stukken blijkt niet, dan wel onvoldoende, hoe het verloop is geweest van haar inspanningen om te herstellen en te re-integreren na haar burn-out / ziekte sinds 2016. Zij is door de gemeente niet van alle arbeidsverplichtingen ontheven; zij dient mee te werken aan een onderzoek om te bekijken wat haar mogelijkheden zijn om aan het werk te gaan en zij dient mee te werken om een plan van aanpak voor haar re-integratie te maken en uit te voeren. Wat uit dit onderzoek is gekomen, is niet duidelijk. De man gaat ervanuit dat de vrouw niet aan deze arbeidsverplichtingen heeft voldaan.

Sinds de beschikking van gerechtshof Den Haag van 11 januari 2023 zijn alweer drie jaren verstreken. Daarom dient in ieder geval voor de periode na de beschikking van gerechtshof Den Haag, de behoeftigheid van de vrouw opnieuw beoordeeld te worden voor zover deze ziet op een gewijzigde rechtens relevante omstandigheid, namelijk de verdeling van de onroerende zaak [onroerende zaak] . De vrouw ontving uit die verdeling op 14 maart 2025 een bedrag van € 370.000,--. Eerder ontving zij uit de verkoop van de echtelijke woning in [plaats] € 57.324,-- en uit hoofde van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden € 96.022,--. In september 2023 ontving zij € 14.221,-- bruto alimentatie. Als daarbij de al betaalde voorschotten van € 94.400,-- worden opgeteld, heeft de vrouw in totaal € 631.978,-- ontvangen. Het door de vrouw ontvangen bedrag is voldoende om twaalf jaar lang haar kosten van levensonderhoud te bestrijden.

Het hof overweegt als volgt. Een aanspraak op partneralimentatie bestaat slechts voor zover een echtgenoot niet voldoende inkomsten tot zijn levensonderhoud heeft, noch deze in redelijkheid kan verwerven (art. 1:157 lid 1 BW (oud), thans art. 1:156 lid 1 BW).

De vrouw laat onvoldoende zien dat zij niet in staat is te werken om daarmee inkomsten te verwerven. De overgelegde (medische) stukken geven geen goed beeld hoe het verloop is geweest van haar inspanningen om te herstellen en te re-integreren na haar burn-out / ziekte sinds 2016. Uit de (medische) verklaringen van de huisarts is niet vast te stellen in welke mate de ziekte van de vrouw ook tot (enige) arbeidsongeschiktheid leidt of heeft geleid. Een huisarts is niet deskundig in het geven van een medisch oordeel over de arbeidsgeschiktheid (zie 3.30 en 3.31 conclusie AG Wensink-van Gent d.d. 17 november 2023). Dat de vrouw een onafhankelijke, deskundige arts heeft geraadpleegd om haar arbeidsongeschiktheid te beoordelen is niet gesteld of gebleken. Dat de gemeente [woonplaats vrouw] haar heeft vrijgesteld van een aantal arbeidsverplichtingen is onvoldoende om te concluderen dat de vrouw niet in staat is om (in enige mate) in haar eigen levensonderhoud te voorzien.

De vrouw heeft sociologie gestudeerd en diverse banen gehad. Zij was jarenlang werkzaam in het (laten) opknappen en de verkoop van onroerend goed. Van de vrouw kan dan ook worden verlangd dat zij in ieder geval een inkomen ter hoogte van het minimumloon kan verdienen. De vrouw heeft niet laten zien dat daartoe beletselen zijn.

Het minimumloon bedroeg in 2016 € 1.537,20 bruto per maand. Uitgaande van de behoefte van de vrouw geïndexeerd per 2016 van € 5.729,--, becijfert het hof de behoefte van de vrouw aan een bijdrage van de man in haar levensonderhoud op (€ 5.729,-- - € 1.537,20 =) € 4.191,80 in 2016.

De man heeft nog aangevoerd dat de vrouw kan interen op vermogen. De vrouw heeft betwist dat haar vermogen de omvang heeft die de man stelt nu haar vermogen is geslonken door de kosten die zij heeft moeten maken en de aflossingen op schulden. Het geld dat de vrouw van de man heeft ontvangen heeft zijn herkomst in de verdeling van gemeenschappelijke goederen waartoe beiden gerechtigd zijn. Gelet hierop brengen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid mee dat niet van de vrouw kan worden gevergd dat zij inteert op haar vermogen, althans dat rekening wordt gehouden met inkomen uit vermogen.

Draagkracht van de man

De man stelt dat zijn draagkracht niet toereikend is om de vastgestelde alimentatie te betalen. De vrouw betwist dat.

De man voert aan dat hij tot 1 januari 2025 twee inkomstenbronnen had: inkomsten uit de exploitatie van [onroerende zaak] en de huurinkomsten uit de onroerende zaken die hij samen met de heer [betrokkene 1] in privé-eigendom (50%) heeft. [B.V. 1] B.V. genereert vooralsnog geen inkomsten. Door toedoen van de vrouw genereert de man vanaf 1 januari 2025 geen inkomsten meer uit de exploitatie van [onroerende zaak] . De man heeft eerder stukken ingediend met betrekking tot zijn inkomsten en vermogen over de jaren 2016-2020. Uit die stukken blijkt dat de man nagenoeg geen huurinkomsten heeft, zeker niet nu de (fiscale) wetgeving rond het exploiteren van onroerend goed is gewijzigd. De man kan uit de werkelijke huurinkomsten de verschuldigde box III-belasting niet meer betalen.

De in de aangifte 2018 genoemde jaarhuren verschillen van de ontvangen huur in het exploitatieoverzicht omdat de man en de heer [betrokkene 1] de uitvoering van de verhuur hebben uitbesteed aan makelaarskantoor [makelaarskantoor] . Dit kantoor zorgt voor de incasso van de huur, het beheren van de onroerende zaken, het uitvoeren van onderhoud en het regelen van de zaken als er iets kapot is o.i.d. Daarvoor wordt een vergoeding betaald, die al is afgetrokken van de huuropbrengsten die door [makelaarskantoor] op de exploitatierekening worden gestort en waarvan onder andere de rente en aflossing van de daarop rustende hypotheken wordt betaald. Ook wordt vooraf de VvE-bijdrage ingehouden. In de afrekening is nog geen rekening gehouden met de schuld van partijen bij mevrouw [betrokkene 2] van € 278.499,-- en de schuld aan de heer [betrokkene 3] van € 50.000,-- waar ook rente en aflossing op betaald moet worden. Deze geldleningen zijn destijds aangegaan voor de aankoop en restauratie van [onroerende zaak] en zijn nog niet verdisconteerd in de afgerekende overwaarde die de vrouw heeft ontvangen.

Het is wachten tot een huurder de huur opzegt en er een onroerende zaak kan worden verkocht. Uit de overwaarde kan de man dan de aanslag IB-box III voldoen. Van hetgeen de man dan nog overhoudt, leeft hij.

Als wordt uitgegaan van de totale jaar huur die uit de aangifte IB 2018 blijkt, zijnde € 94.687,--, en de kosten van € 74.482,-- uit het exploitatieoverzicht, dan zou het resultaat € 20.205,-- bedragen, zijnde € 10.102,50 voor de man (50%), ofwel € 841,88 per maand. De inkomsten van [onroerende zaak] waren ook in 2018 minimaal en de verschuldigde IB in box III moet ook nog uit dit bedrag worden voldaan. Per saldo houdt de man niets over.

Om in 2018 weer voor ziektekosten verzekerd te kunnen zijn is de man dat jaar – tijdelijk en alleen maar voor dat doel – in dienst geweest bij [B.V. 2] B.V. waaruit hij dat jaar in totaal € 22.000,-- bruto heeft ontvangen. Het netto besteedbaar inkomen van de man zou (maximaal) € 2.132,-- per maand bedragen. De man is nu van overheidswege in Italië verzekerd voor de ziektekosten.

Er dient rekening te worden gehouden met zijn draagkrachtloos inkomen. De hoven hadden zich er rekenschap van moeten geven of de man bij voldoening aan zijn onderhoudsplicht nog wel over voldoende middelen van bestaan beschikt en in ieder geval niet over minder dan 95% van de voor hem geldende bijstandsnorm. Van zwarte inkomsten is geen sprake.

De vrouw stelt zich op het standpunt dat de man voldoende draagkracht heeft voor de door hem te betalen partneralimentatie. Beide hoven hebben in hun beschikkingen volstrekt duidelijk gemaakt dat de man ernstig in gebreke is gebleven om de financiële stukken over te leggen waarmee zijn draagkracht zou kunnen worden vastgesteld.

In haar brief van 23 september 2022 heeft de vrouw aan gerechtshof Den Haag opgave gedaan van de financiële stukken die op het eerste gezicht aan de zijde van de man ontbraken. De man dient in deze procedure bewijsstukken over te leggen van de verkoopopbrengsten van de 108 appartementen en 40 panden van [B.V. 1] BV die in de periode 2008-2020 zijn verkocht. Voorts dient de man de stukken over te leggen die volgens beide hoven ontbraken.

Het hof overweegt als volgt.

De man stelt zich op het standpunt dat hij geen draagkracht heeft om een bijdrage te kunnen leveren in het levensonderhoud van de vrouw. Hij verwijst daarbij naar een e-mailbericht van zijn advocaat aan de boekhouder, [boekhouder] , van 9 januari 2026 (productie 29 bij de brief van de advocaat van de man d.d. 20 februari 2026), waarin de navolgende stukken worden opgevraagd:

de vastgestelde jaarrekeningen 2020 tot en met 2024 van [B.V. 1] B.V. en over de tijd daarna de voorlopige cijfers, ook tussentijdse, beide met toelichting inclusief een overzicht van de verkoopopbrengsten van de verkochte onroerende zaken van [B.V. 1] B.V. in de periode 2016-2025 met de daaruit voortvloeiende inkomsten van de man vanaf 13 juni 2016;

de vastgestelde jaarrekeningen 2020 tot en met 2024 van [B.V. 2] B.V. en over de tijd daarna de voorlopige cijfers, ook tussentijdse, beide met toelichting;

de Nederlandse aangifte IB/PVV 2021-2025, indien bestaand, met de bijbehorende Nederlandse aanslagen IB/PVV 2020-2025 (definitief en/of voorlopig);

recent overzicht van de in bezit van de man in privé zijnde onroerende zaken en financiële jaaroverzicht(-en) 2022-2025 waaruit de rente en aflossing van de hypothecaire geldlening(-en) blijken;

exploitatieoverzicht onroerende zaken [adres 1] & [adres 2] over de periode 2020-2025 met een inzichtelijke presentatie van de daaruit vloeiende inkomsten voor de man.

Bij genoemde productie 29 is eveneens het antwoord van de heer [boekhouder] bij e-mail bericht van diezelfde datum overgelegd. De heer [boekhouder] geeft aan dat deze stukken allemaal in het bezit zijn van de man. De man heeft de genoemde stukken in deze procedure echter niet overgelegd. De jaarrekeningen van [B.V. 1] B.V. en [B.V. 2] B.V. zijn niet overgelegd en evenmin de aangiften en aanslagen inkomstenbelasting. Het hof heeft geen inzicht gekregen in het inkomen en vermogen van de man. De man heeft bij genoemde brief van 20 februari 2026 weliswaar huurlijsten over de periode 2016-2026 overgelegd en jaarstukken van [B.V. 3] B.V. overgelegd, maar dat geeft onvoldoende inzicht in het inkomen en vermogen van de man.

De man genereerde inkomen met de handel in panden. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de man ruim twee decennia actief is op de onroerend goed markt. De man erkent dat de verkoop van panden voor hem inkomen genereert. Hij geeft immers aan dat hij van de verkoop van panden de aanslagen IB voldoet en van het restant leeft. Dat inkomen heeft de man evenwel niet inzichtelijk gemaakt.

Ook heeft de man inkomsten uit de verhuur van diverse appartementen in de villa in Italië, [onroerende zaak] , thans middels [onderneming] . De man maakt niet inzichtelijk welke inkomsten hij hieruit genereert.

Uit het voorgaande volgt dat het ervoor moet worden gehouden dat de man voldoende draagkracht heeft voor een bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw van € 3.765,80 per maand (in 2016).

De man heeft nog aangevoerd dat beoordeeld moet worden of de man bij voldoening aan zijn onderhoudsplicht nog wel over voldoende middelen van bestaan beschikt en in ieder geval niet over minder dan 95% van de voor hem geldende bijstandsnorm. Het hof kan dat echter niet beoordelen omdat het inkomen en vermogen van de man niet kan worden vastgesteld. Dat dient voor zijn rekening en risico te blijven. Zoals gezegd, moet het ervoor gehouden worden dat de man voldoende draagkracht heeft voor een bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw en dat de man daarnaast voldoende middelen van bestaan heeft.

Het hof passeert het bewijsaanbod van de man bij gebrek aan voldoende onderbouwing van de stellingen waarop het aanbod betrekking heeft.

Indexering

De vrouw heeft verzocht de vast te stellen bijdrage jaarlijks te verhogen met de wettelijke indexering.

Het hof overweegt als volgt.

Indien de datum van de uitspraak zou zijn samengevallen met de datum met ingang waarvan het vastgestelde bedrag is verschuldigd – zijnde 13 juni 2016 – dan zou die bijdrage sindsdien jaarlijks van rechtswege zijn geïndexeerd op grond van art. 1:402a BW.

Partijen hebben echter hoger beroep ingesteld en zijn twee keer in cassatie gegaan, welke cassaties beide keren succesvol zijn gebleken. Als gevolg van de lange procedure wordt de bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw pas in 2026 – 10 jaar na de ingangsdatum – vastgesteld.

In deze omstandigheden ziet het hof aanleiding om de gevolgen van het later vaststellen van de onderhoudsbijdrage te verdisconteren in de hoogte van het verschuldigde bedrag over de periode die is gelegen voor deze uitspraak. Het hof zal de vastgestelde bijdrage in 2016 tot de datum van deze uitspraak verhogen met de jaarlijkse indexering die verschuldigd zou zijn geweest indien de uitspraak zou zijn gedaan op 13 juni 2016.

Verzoek voorlopige voorzieningen

Het hof wijst de verzochte voorlopige voorziening af wegens gebrek aan belang. Het hof beslist immers in de hoofdzaak.

6. De beslissing

Het hof:

in de zaak met zaaknummer 200.350.183/02:

wijst het verzoek van de vrouw af;

in de zaak met zaaknummer 200.350.183/01:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 11 oktober 2017 voor wat betreft de partneralimentatie, en opnieuw rechtdoende:

bepaalt dat de man met ingang van 13 juni 2016 aan de vrouw als bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw dient te betalen:

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.M. Bossink, G.J. Vossestein en A.J.F. Manders en is in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2026 in tegenwoordigheid van mr. L. Kramer, griffier.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. L. Kramer

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand