Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 22 december 2023 op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak met parketnummer 02-088678-21 tegen:
[betrokkene] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1990,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
De rechtbank heeft het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op
€ 683.463,75 en heeft aan de betrokkene een betalingsverplichting opgelegd voor dat bedrag. Tevens heeft de rechtbank het aantal dagen gijzeling dat bij niet betaling kan worden gevorderd bepaald op 1080 dagen.
Van de zijde van de betrokkene is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de betrokkene naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal bevestigen.
De verdediging heeft bepleit dat de ontnemingsvordering dient te worden afgewezen.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis zal worden vernietigd omdat het hof zich daarmee niet kan verenigen.
Door het hof gebruikte bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest.
Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.
Schatting van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De veroordeling
De betrokkene is bij vonnis van de rechtbank van 22 december 2023 onder parketnummer 02/088678-21 onder meer veroordeeld ter zake van het in de periode van 15 februari 2021 tot en met 29 maart 2021 medeplegen van het verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren van cocaïne (feit 1) en van hennep/hasjies (feit 2).
Dit hof heeft bij arrest van heden (parketnummer 20-003521-23) voormelde veroordeling in stand gelaten.
Wettelijke grondslag
Het hof ontleent aan de inhoud van voormelde bewijsmiddelen het oordeel dat de betrokkene door middel van het begaan van voormelde feiten en andere feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de betrokkene zijn begaan, te weten de handel in verdovende middelen in de periode voorafgaande aan 15 februari 2021, zijnde vanaf 1 juli 2017 een voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht heeft genoten.
Het hof sluit hiermee aan bij de onderzoeksperiode die door de rechtbank is gehanteerd en verwijst voor het bestaan van die aanwijzingen naar hetgeen door de rechtbank daaromtrent is overwogen op pagina 2 onderaan en pagina 3 bovenaan van het vonnis van de rechtbank.
Ook neemt het hof over hetgeen de rechtbank verder omtrent de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is overwogen op de pagina’s 2 tot en met 5 van het vonnis.
Met de rechtbank neemt het hof als uitgangspunt dat uit de handel in verdovende middelen in de periode van 1 juli 2017 tot en met 29 maart 2021 in totaal een voordeel is gegenereerd van € 1.366.927,50.
Toerekening
Anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal oordeelt het hof het onaannemelijk dat voormeld voordeel enkel aan de betrokkene en de medebetrokkene [medeverdachte] is toegekomen. Hoewel de betrokkene en zijn medebetrokkene op grote schaal in verdovende middelen hebben gehandeld, is onvoldoende aannemelijk geworden dat hun rol dat van het dealen aan gebruikers heeft overstegen. Gelet daarop is het ook niet onaannemelijk dat de betrokkene en zijn medebetrokkene onderdeel hebben uitgemaakt van een groter geheel en dat zij daarin niet de leidinggevende personen waren. Gelet hierop schat het hof dat van voormeld voordeel een kwart (25% ) aan de betrokkene en de medebetrokkene is toegekomen. En dat dit voordeel – bij ontbreken van aanwijzingen voor het tegendeel – ponds-pondsgewijs aan hen is toegekomen.
Dit betekent dat het hof aan de betrokkene van voormeld voordeel een bedrag van (€ 1.366.927,50 x 25% /2=) € 170.865,- zal toerekenen en het voordeel op dat bedrag zal vaststellen.
Op te leggen betalingsverplichting
Het hof zal aan de betrokkene de verplichting opleggen tot betaling van na te melden bedrag aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Gijzeling
Het hof bepaalt het aantal dagen gijzeling dat overeenkomstig het bepaalde in artikel 6:6:25 Wetboek van Strafvordering bij niet betaling kan worden gevorderd op 1080 dagen.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 170.865,00 (honderdzeventigduizend achthonderdvijfenzestig euro).
Legt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 170.865,00 (honderdzeventigduizend achthonderdvijfenzestig euro).
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 1080 dagen.
Aldus gewezen door:
mr. S.C. van Duijn, voorzitter,
mr. C.P.J. Scheele en mr. G.M. Goes, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. J.H.W. van der Meijs, griffier,
en op 26 maart 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. S.C. van Duijn is buiten staat dit arrest te ondertekenen.