GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.352.539/01
arrest van 12 mei 2026
in de zaak van
1. [appellant sub 1] ,wonende te [woonplaats] ,
2. [appellante sub 2] ,wonende te [woonplaats] ,
appellanten,
hierna aan te duiden als [appellanten] ,
advocaat: mr. H. Knotter te 's-Hertogenbosch,
tegen
1. [geïntimeerde sub 1] ,wonende te [woonplaats] ,
2. [geïntimeerde sub 2] ,wonende te [woonplaats] ,
3. [geïntimeerde sub 3] ,wonende te [woonplaats] ,
4. [geïntimeerde sub 4],
wonende te [woonplaats] ,
5. [geïntimeerde sub 5],
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerden,
hierna aan te duiden als [geïntimeerden] ,
advocaat: mr. R. Janssen te Helmond,
op het bij exploot van dagvaarding van 11 maart 2025 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 29 januari 2025, door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, tussen [appellanten] als eisers en [geïntimeerden] als gedaagden gewezen en aangevuld bij vonnis van 9 juli 2025.
1. Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/390613/ HA ZA 23-144)
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.
2. Het geding in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep;
de memorie van grieven met producties 33 tot en met 48 en productie 50, tevens houdende vermeerdering van eis;
de memorie van antwoord met productie 2;
de akte uitlaten van [appellanten] ;
de antwoordakte van [geïntimeerden] ;
de akte van [appellanten] van 6 maart 2026 met producties 51 tot en met 54, tevens houdende een wijziging van eis, ontvangen door het hof op 9 maart 2026;
de antwoord-akte van [geïntimeerden] , ontvangen door het hof op 12 maart 2026;
de op verzoek van het hof toegestuurde documenten te weten:
o een e-mail van 12 maart 2026 van [geïntimeerden] waarbij zij correspondentie tussen de vorige raadsman van [geïntimeerden] en de curator mr. P.M.C. Brouns hebben toegezonden, te weten (i) een e-mail van 11 september 2024 van mr. F.G.J. van der Kruis aan mr. Brouns en (ii) een e-mail van 23 september 2024 van mr. Brouns aan mr. Van der Kruis;
o een e-mail van 12 maart 2026 van [appellanten] waarbij hij de bij producties 42 van de memorie van grieven behorende producties 35, 36, 43 en 44 alsmede het Addendum I behorend bij de akte van cessie van 17 december 2015 heeft overgelegd; en
- de mondelinge behandeling die op 16 maart 2026 heeft plaatsgevonden, waarbij beide partijen spreekaantekeningen hebben overgelegd.
[geïntimeerden] hebben geen bezwaar gemaakt tegen de in de memorie van grieven geformuleerde eiswijzigingen en in hun antwoordakte hebben zij aangegeven geen bezwaar te hebben tegen de eiswijziging van [appellanten] in zijn akte van 6 maart 2026. Wel hebben zij bezwaar gemaakt tegen de producties 51-54 gevoegd bij die akte van 6 maart 2026. Het hof heeft tijdens de mondelinge behandeling al medegedeeld dit bezwaar te passeren nu het om voor [geïntimeerden] bekende processtukken gaat die eenvoudig te doorgronden zijn en zij voldoende gelegenheid hebben gehad zich op een verweer daartegen voor te bereiden. De akte van 6 maart 2026 met eiswijzigingen en de producties 51-54 maken dus deel uit van de processtukken.
Partijen hebben geen bezwaren geuit tegen de hiervoor genoemde, op verzoek van het hof toegestuurde, producties, zodat ook deze deel uitmaken van de processtukken.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft mr. Knotter verzocht de nog niet eerder overgelegde productie 49 bij memorie van grieven alsnog in het geding te mogen brengen, zijnde een overzicht van de tot dan gemaakte reële (proces)kosten. Daartegen heeft mr. Janssen namens [geïntimeerden] bezwaar gemaakt. Het hof heeft deze productie geweigerd, omdat deze te laat is ingediend, terwijl een overzicht van de in deze procedure gemaakte (proces)kosten – in ieder geval tot en met de antwoord-akte aan de zijde van [appellanten] – eerder had kunnen worden overgelegd. Door voor het eerst tijdens de mondelinge behandeling deze productie over te leggen, hebben [geïntimeerden] onvoldoende tijd gehad zich voor te bereiden op een verweer daartegen. Productie 49 maakt dus geen deel uit van het procesdossier.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.
3. De kern van de zaak
Tussen 2008 en 2010 hebben [geïntimeerden] met Bridge Benelux B.V. (hierna: Bridge) franchiseovereenkomsten gesloten. [appellanten] waren bestuurders van Bridge. Op basis van die franchiseovereenkomsten hebben [geïntimeerden] trainings- en coachingstrajecten aangeboden. [geïntimeerden] waren daarvoor een fee verschuldigd aan Bridge, waarvoor Bridge in de jaren 2012 en 2013 facturen heeft gestuurd. Tussen Bridge enerzijds en de [geïntimeerden] anderzijds is een geschil ontstaan. Naar aanleiding daarvan zijn tussen partijen meerdere procedures aanhangig geweest en nog steeds aanhangig. Bridge is op 27 augustus 2015 in staat van faillissement geraakt, met benoeming van mr. P.M.C. Brouns (hierna en hiervoor: Brouns) tot curator. In deze zaak gaat het om de vorderingen van Bridge op [geïntimeerden] tot betaling van verschuldigde fees. [geïntimeerden] hebben erkend een aantal gefactureerde fees schuldig te zijn aan Bridge.
Door (de curator van) Bridge zijn diverse vorderingen van Bridge gecedeerd aan [appellanten] is van mening dat ook de hiervoor genoemde vorderingen zijn gecedeerd en hij heeft in deze zaak betaling gevorderd van deze schuldig erkende fees. [geïntimeerden] hebben meerdere verweren gevoerd, waaronder het verweer dat de vorderingen niet rechtsgeldig zijn gecedeerd en dat deze zijn verjaard. De rechtbank heeft het beroep op verjaring gehonoreerd en de vorderingen op die grond afgewezen. [appellanten] is het hiermee niet eens en is in hoger beroep gekomen. [geïntimeerden] hebben in hoger beroep opnieuw diverse verweren aangevoerd met als conclusie dat zij niet gehouden zijn tot betaling. Het hof zal [appellanten] gelijk geven en zal hierna uitleggen hoe het tot dit oordeel komt.
4. De beoordeling
De feiten
Bridge is een franchiseorganisatie die in de periode 2007 - 2015 middels [geïntimeerden] trainings- en coachingstrajecten aanbood aan organisaties.
De [geïntimeerden] hebben in de periode 2008 - 2010 op basis van door hen
individueel met Bridge gesloten franchiseovereenkomsten trainings- en coachingstrajecten
verzorgd.
Op grond van de gesloten franchiseovereenkomsten zijn de [geïntimeerden] een
zogeheten “franchise fee” aan Bridge verschuldigd. Bridge heeft hen daarvoor facturen gestuurd, maar deze zijn (deels) onbetaald gebleven.
Op 20 november 2013 hebben de [geïntimeerden] in een andere gerechtelijke
procedure tussen partijen erkend de volgende bedragen als fee verschuldigd te zijn aan Bridge: [geïntimeerde sub 2] € 9.392,52, [geïntimeerde sub 3] € 21.782,96, [geïntimeerde sub 1] € 3.999,31, [geïntimeerde sub 4] € 19.421,16 en [geïntimeerde sub 5] € 12.030,03. De uitspraak in hoger beroep in die procedure is inmiddels bindend en onherroepelijk. Deze bedragen hebben de [geïntimeerden] niet betaald.
Bridge is op 27 augustus 2015 in staat van faillissement verklaard.
De vorderingen, het oordeel van de rechtbank en de beslispunten in hoger beroep
De volgende vorderingen van [appellanten] liggen na twee eiswijzigingen in hoger beroep, waartegen geen bezwaren zijn geuit ter beoordeling voor:
de vernietiging van het vonnis van de rechtbank van 29 januari 2025;
de vordering tot veroordeling van iedere individuele [geïntimeerden] tot betaling aan [appellanten] van de navolgende bedragen:
[geïntimeerde sub 2] : € 9.392,52
[geïntimeerde sub 3] : € 21.782,96
[geïntimeerde sub 1] : € 3.999,31
[geïntimeerde sub 4] : € 19.421,16
[geïntimeerde sub 5] : € 12.030,03
elk bedrag te vermeerderen met de contractuele rente van 1% als bedoeld in de franchiseovereenkomsten, te rekenen vanaf de vervaldata van de facturen, althans vanaf het moment dat de betreffende [geïntimeerden] in verzuim is komen te verkeren tot de datum van ontbinding en te vermeerderen met de wettelijke handelsrente, althans met de wettelijke rente over de genoemde bedragen, vanaf het moment dat de franchiseovereenkomsten op 1 augustus 2013 rechtsgeldig zijn ontbonden tot de dag van volledige betaling. Daarbij verwijst [appellanten] voor de grondslag van de contractuele rente naar artikel 8 lid 2 van de franchiseovereenkomsten tussen Bridge enerzijds en respectievelijk [geïntimeerde sub 2] , [geïntimeerde sub 3] , [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 4] anderzijds, alsmede naar artikel 11 lid 2 van de franchiseovereenkomst met [geïntimeerde sub 5] ;
[geïntimeerden] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.576,28 te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag;
[geïntimeerden] hoofdelijk te veroordelen in de reële (dat willen zeggen: de daadwerkelijk gemaakte) kosten van deze procedure in hoger beroep en in de (proces)kosten van de procedure in eerste aanleg, althans de (proces)kosten van beide instanties, vermeerderd met de wettelijke rente over de volledige proceskosten, indien niet binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis voldoening daarvan heeft plaatsgevonden, en
het arrest uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
In eerste aanleg waarin – afgezien van de gevorderde rente die in eerste aanleg iets anders opgebouwd was – dezelfde vorderingen voorlagen, heeft de rechtbank in het bestreden vonnis van 29 januari 2025, aangevuld bij vonnis van 9 juli 2025, geoordeeld dat de vorderingen tot betaling van de fees zijn verjaard en de vorderingen en de nevenvorderingen van [appellanten] afgewezen. De rechtbank heeft [appellanten] veroordeeld in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover en deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
[appellanten] is hiertegen met vijf grieven in hoger beroep gekomen. [geïntimeerden] zijn het eens met het bestreden vonnis. In hoger beroep liggen, gelet op de vorderingen van [appellanten] , de grieven en met inachtneming van de devolutieve werking de volgende beslispunten ter beoordeling voor.
i) Zijn de vorderingen tot betaling van de fees en de daarover gevorderde rente rechtsgeldig gecedeerd aan [appellanten] ?
ii) Zijn de vorderingen tot betaling van de fees verjaard?
iii) Zijn de vorderingen tot betaling van de fees teniet gegaan door het beroep van [geïntimeerden] op verrekening?
iv) Is de vordering tot betaling van contractuele rente dan wel de wettelijke (handels)rente verjaard?
v) Zijn de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd?
vi) Is er aanleiding voor een veroordeling tot betaling van de reële proceskosten?
Eerder tussen partijen gevoerde procedures
Voor een goed begrip van deze zaak zal het hof – voor zover relevant – een overzicht geven van eerder tussen partijen gevoerde procedures en het oordeel van de betreffende gerechtelijke instantie.
Procedure bij rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht - vonnis 13 mei 2015
In deze door [geïntimeerden] aanhangig gemaakte zaak tussen [geïntimeerden] en Bridge, heeft de rechtbank, voor zover hier van belang:
in de hoofdzaak in conventie:
i) de franchiseovereenkomsten vernietigd wegens dwaling;
ii) voor recht verklaard dat Bridge onrechtmatig jegens de [geïntimeerden] heeft gehandeld door bij het aangaan van de franchiseovereenkomsten onjuist te informeren over de te behalen omzetten;
iii) Bridge veroordeeld tot betaling van de volgende bedragen (in die procedure de vordering in conventie onder 6): aan [geïntimeerde sub 1] : € 134.001,00aan [geïntimeerde sub 2] : € 138.900,00
aan [geïntimeerde sub 3] : € 165.636,94
aan [geïntimeerde sub 4] : € 123.501,00
aan [geïntimeerde sub 5] : € 121.566,70(in totaal dus een bedrag van € 683.605,64),steeds te vermeerderen met de wettelijke rente (in die procedure de vordering in conventie onder 7) en deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad verklaard;
( iv) het meer of anders gevorderde afgewezen.
De veroordeling van Bridge onder (iii) ziet op door [geïntimeerden] onverschuldigd betaalde fees. De rechtbank heeft hetgeen op basis van de wegens dwaling vernietigde franchiseovereenkomsten is gepresteerd als onverschuldigd betaald beschouwd en op die grond de door [geïntimeerden] gevorderde restitutie van de door hen aan Bridge betaalde fees toewijsbaar geoordeeld (r.o. 4.11 van het vonnis van 13 mei 2015).
De rechtbank oordeelde weliswaar ook dat Bridge onrechtmatig had gehandeld (zie de toegewezen verklaring voor recht hiervoor onder (ii), maar de door [geïntimeerden] gevorderde schadevergoeding is niet toegewezen (r.o. 4.13 van het vonnis van 13 mei 2015).
in reconventie in de hoofdzaak :
v) de vorderingen van Bridge die strekken tot nakoming van de franchiseovereenkomsten of gebaseerd zijn op de gestelde niet-nakoming daarvan of op onrechtmatig handelen door [geïntimeerden] afgewezen (r.o. 4.22 en 4.23 van het vonnis van 13 mei 2015),
vi) Bridge veroordeeld in de kosten van de hoofdzaak in reconventie.
Procedure bij hof Den Bosch in hoger beroep – arrest van 5 juni 2018
Bridge heeft op 1 juni 2015 – dus kort voor het tegen haar op 27 augustus 2015 uitgesproken faillissement – hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 13 mei 2015. In dit hoger beroep heeft het hof in zijn arrest van 5 juni 2018, voor zover van belang:
inzake de vorderingen van [geïntimeerden] :
( i) het vonnis van 13 mei 2015 vernietigd, voor zover daarin in de hoofdzaak in conventie de tussen Bridge en [geïntimeerden] gesloten franchiseovereenkomsten zijn vernietigd wegens dwaling en voor zover daarin voor recht is verklaard dat Bridge onrechtmatig heeft gehandeld jegens de [geïntimeerden] door hen bij het aangaan van de franchiseovereenkomsten onjuist te informeren over de te behalen omzetten, en
in zoverre opnieuw rechtdoende:
ii) de door de [geïntimeerden] gevorderde vernietiging op grond van dwaling en/of bedrog en de verklaring voor recht inzake het onrechtmatig handelen van Bridge afgewezen;
iii) overwogen en verstaan dat de procedure ter zake de hiervoor in r.o. 4.3.2 genoemde vorderingen onder 6 en 7 (dat zijn de geldvorderingen van [geïntimeerden] uit hoofde van onverschuldigde betaling ad in totaal € 683.605,64 vermeerderd met wettelijke rente, ingesteld in de hoofdzaak in conventie en door de rechtbank Limburg toegewezen jegens Bridge) van rechtswege is geschorst op grond van het bepaalde in artikel 29 Faillissementswet (hierna: Fw) (r.o. 3.4.1. van het arrest en het dictum);
inzake de vorderingen van Bridge:
iv) het vonnis van 13 mei 2015 deels vernietigd en
v) in zoverre opnieuw rechtdoende (verkort weergegeven): voor recht verklaard dat [geïntimeerden] toerekenbaar tekort zijn geschoten in de nakoming van hun verplichtingen uit hoofde van de franchiseovereenkomst en hen veroordeeld tot vergoeding van de schade nader op te maken bij staat.
Procedure bij de Hoge Raad – arrest van 6 december 2019
Op het door de [geïntimeerden] ingestelde cassatieberoep heeft de Hoge Raad – voor zover van belang – in zijn arrest van 6 december 2019 geoordeeld dat het hof het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden. Het hof had de grieven tegen de toewijzing van de vorderingen van de [geïntimeerden] op Bridge in verband met dwaling en bedrog niet mogen beoordelen zonder eerst de [geïntimeerden] in de gelegenheid te stellen ten aanzien van die grieven voor antwoord te concluderen. De Hoge Raad overweegt dat na verwijzing opnieuw op de vorderingen van [geïntimeerden] in conventie, voor zover niet geschorst, zal moeten worden beslist. De Hoge Raad heeft:
i) het arrest van het gerechtshof Den Bosch van 5 juni 2018 vernietigd, en
ii) het geding verwezen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing.
Procedure bij het hof Arnhem-Leeuwarden – arrest van 10 mei 2022
Het hof heeft, voor zover van belang, in zijn arrest van 10 mei 2022:
( i) het vonnis van de rechtbank Limburg van 13 mei 2015 vernietigd, en
opnieuw rechtdoende
inzake de vorderingen van [geïntimeerden] (in conventie)
( ii) verstaan dat de procedure ter zake het door de [geïntimeerden] onder 6 en 7 gevorderde (dat zijn de hiervoor in r.o. 4.3.2 genoemde geldvorderingen van [geïntimeerden] ad in totaal € 683.605,64 uit hoofde van onverschuldigde betaling vermeerderd met wettelijke rente daarover, ingesteld in de hoofdzaak in conventie en door de rechtbank Limburg toegewezen jegens Bridge) is geschorst op grond van artikel 29 Fw;
inzake de vorderingen van [appellanten] (in reconventie):
( iii) voor recht verklaard dat [geïntimeerden] toerekenbaar tekort zijn geschoten in de nakoming van hun verplichtingen uit hoofde van de franchiseovereenkomst en hen veroordeeld tot vergoeding van de schade nader op te maken bij staat;
in conventie en in reconventie
( iv) het arrest ten aanzien van de daarin vervatte veroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
In het lichaam van het arrest heeft het hof dit dictum gebaseerd op de volgende overwegingen/beslissingen:
inzake de vorderingen van [geïntimeerden] (in conventie)
i) Het hof Den Bosch had geoordeeld dat de procedure ten aanzien van het door de [geïntimeerden] onder 6 en 7 gevorderde (dat zijn de hiervoor in r.o. 4.3.2 genoemde geldvorderingen van [geïntimeerden] ad in totaal € 683.605,64 uit hoofde van onverschuldigde betaling vermeerderd met wettelijke rente daarover, ingesteld in de hoofdzaak in conventie en door de rechtbank Limburg toegewezen jegens Bridge) op grond van artikel 29 Fw van rechtswege is geschorst en dit oordeel is in cassatie niet bestreden. Dit betekent dat het hof Arnhem-Leeuwarden aan deze beslissing is gebonden. De procedure ten aanzien van deze vorderingen is dan ook van rechtswege geschorst, zodat het hof Arnhem-Leeuwarden aan een inhoudelijke beoordeling hiervan niet toekomt (r.o. 3.15 van het arrest van 10 mei 2022).
ii) Het beroep van de [geïntimeerden] op dwaling faalt op inhoudelijke gronden (r.o. 4.18 van het arrest).
iii) In het midden kan blijven of de [geïntimeerden] voldoende hebben gesteld om tot een toerekenbare tekortkoming en/of onrechtmatig handelen van Bridge te kunnen concluderen, omdat de vorderingen van [geïntimeerden] op deze grondslagen al stranden vanwege het feit dat Bridge niet in verzuim is geraakt (wegens het ontbreken van een adequate ingebrekestelling) en vanwege het feit dat de [geïntimeerden] niet tijdig hebben geklaagd. Dit betekent niet alleen dat de op wanprestatie of onrechtmatig handelen gebaseerde vorderingen (in conventie) van de [geïntimeerden] zullen worden afgewezen, maar ook dat de [geïntimeerden] tegen de vorderingen van de bestuurders van Bridge (in reconventie) niet de verweren kunnen voeren dat Bridge eerder in verzuim was dan zij dat waren en ook niet dat zij de franchiseovereenkomsten geldig tussentijds hebben opgezegd of buitengerechtelijk hebben ontbonden (r.o. 4.28 en 4.29 van het arrest van 10 mei 2022).
iv) Ook de niet of nauwelijks uitgewerkte grondslagen bedrog, misleiding dan wel onvoorziene omstandigheden kunnen niet tot toewijzing van de vorderingen van de [geïntimeerden] leiden, omdat zij een beroep op deze grondslagen onvoldoende hebben onderbouwd (r.o. 4.31 en 4.32 van het arrest van 10 mei 2022).
inzake de vorderingen van [appellanten] (in reconventie)
v) Wat betreft de gefactureerde vergoedingen erkennen de [geïntimeerden] de aan ieder van hen door Bridge gefactureerde vergoedingen in ieder geval deels verschuldigd te zijn. Daarmee staat vast dat zij gehandeld hebben in strijd met de franchiseovereenkomsten. (r.o. 4.49 van het arrest van 10 mei 2022).
vi) Bridge heeft rechtsgeldig de franchiseovereenkomsten ontbonden op 1 augustus 2013, omdat is geconstateerd dat de [geïntimeerden] op een aantal punten toerekenbaar tekortgeschoten zijn in de nakoming van hun overeenkomsten (r.o. 4.90 van het arrest van 10 mei 2022).
vii) Het hof Arnhem-Leeuwarden zal volstaan met de toewijzing van een verklaring voor recht dat de franchiseovereenkomsten zijn geschonden, omdat voor toewijzing van meer dan dat Bridge onvoldoende heeft aangevoerd en omdat haar stellingen onvoldoende aanknopingspunten bieden voor een meer nauwkeurige vaststelling van verschuldigde fees, eventueel verschuldigde vergoedingen en boetes (r.o. 4.93 van het arrest van 10 mei 2022).
Tegen de uitspraak van het hof Arnhem-Leeuwarden is geen rechtsmiddel ingesteld, zodat deze in kracht van gewijsde is gegaan.
De vorderingen zijn rechtsgeldig gecedeerd aan [appellanten]
De eerste vraag die het hof zal beoordelen is of de curator de vorderingen waarvan [appellanten] in deze procedure betaling heeft gevorderd (de door [geïntimeerden] op 20 november 2013 schuldig erkende fees + rente) rechtsgeldig zijn gecedeerd aan [appellanten] [appellanten] stelt dat dit het geval is. De [geïntimeerden] hebben dit gemotiveerd betwist.
Volgens [appellanten] zijn met de akte van cessie van 17 december 2015 (productie 2 bij dagvaarding) gevolgd door de op 18 december 2015 bij deurwaardersexploot gedane mededeling van de cessie aan de [geïntimeerden] de vorderingen door de curator van het failliete Bridge overgedragen aan [appellanten] In deze akte van 17 december 2015, ondertekend door Brouns q.q. als ‘Cedent’ en [appellanten] gezamenlijk als ‘Cessionaris’, staat, voor zover hier van belang, het volgende:
“Artikel 1 Cessie
Cedent cedeert én levert hierbij, door middel van cessie in de zin van artikel 3:94 BW, aan Cessionaris de Vorderingen, gelijk Cessionaris hierbij de cessie en levering van de Vorderingen aanvaardt (de "Cessie").”.
De hier genoemde ‘Vorderingen’ zijn in de considerans van deze akte onder I. als volgt omschreven:
“alle vorderingen van Bridge op de [geïntimeerden] zoals die in de Procedure jegens de [geïntimeerden] zijn ingesteld en waarover de rechtbank in haar Vonnis in eerste aanleg heeft geoordeeld (waaronder begrepen dus ook de incidentele vorderingen en (neven)vorderingen) (…) over te nemen van Cedent.”.
Het begrip ‘Procedure’ is in de considerans van deze akte onder G. als volgt omschreven:
“De gerechtelijke procedure tussen Bridge enerzijds en de [geïntimeerden] anderzijds uit hoofde van voornoemd geschil, zowel in eerste aanleg, hoger beroep als alle mogelijk daaropvolgende (schadestaat)procedure(s),…”.
Vonnis is in de considerans van deze akte onder E. omschreven als het vonnis van:
“De rechtbank Limburg, locatie Maastricht (…) van 13 mei 2015 (C/03/194708/HA ZA 14-463)…”.
In het aan de akte van 17 december 2015 gehechte document genaamd ‘Addendum II bij akte van cessie d.d. 17 december 2015’ (hierna Addendum II) ondertekend op 10 februari 2023 door mr. Brouns q.q.’ als Cedent’ en [appellanten] gezamenlijk als ‘Cessionaris’, staat, voor zover hier van belang:
“(…)
In aanmerking nemende
A. Partijen hebben op 17 december 2015 een akte van cessie ondertekend (de"Akte"), welke Akte door middel van een schriftelijk addendum van 27 juni 2016("Addendum I") door partijen is gewijzigd. De Akte en het Addendum I zijn alsbijlage 1 respectievelijk bijlage 2 aan dit Addendum II gehecht.
(…)
Artikel 2 Wijziging Considerans, artikel 1, 2, 3.2 t/m 3.4 en artikel 4.2
Akte
Partijen wensen paragraaf I van de Considerans van de Akte aan te passen door aan deze paragraaf I toe te voegen:
"Partijen hebben bij het sluiten van de Akte nadrukkelijk beoogd dat Cessionaris alle vorderingen van Bridge op de [geïntimeerden] uit hoofde van tussen Bridge en de [geïntimeerden] gesloten franchiseovereenkomsten van Cedent zou overnemen. Onder de Vorderingen zijn derhalve tevens begrepen:
o Alle nakomingsvorderingen van Bridge op de [geïntimeerden] op grond van artikel 3:296 BW uit hoofde van de Franchiseovereenkomsten (o.a. contractuele fee verplichtingen vóór ontbinding en contractueel verschuldigde vergoeding wegens omzetderving - misgelopen minimum fees en vergoedingen – ná ontbinding);
Artikel 3 Slotbepaling
Hetgeen is opgenomen in deze overeenkomst maakt onlosmakelijk deel uit van de Akte, waarvan de overige bepalingen onverkort van kracht blijven.
Dit Addendum II wordt tezamen met de Akte nadrukkelijk aangemerkt als de akte van cessie waarmee de Vorderingen (dus met inbegrip van de vorderingen voor zover nog niet overgedragen middels de Akte), worden overgedragen aan Cessionaris. Cessionaris zal de [geïntimeerden] mededeling doen van deze aanvullende cessie.”
Volgens artikel 3:84 lid 1 BW wordt voor overdracht van een goed vereist een levering krachtens geldige titel, verricht door hem die bevoegd is over het goed te beschikken.
De levering van tegen een of meer bepaalde personen uit te oefenen rechten (buiten de in artikel 3:93 BW bedoelde rechten die hier niet aan de orde zijn) vindt plaats door een daartoe bestemde akte en mededeling daarvan aan die personen door de vervreemder of verkrijger. Dat staat in artikel 3:94 lid 1 BW.
Ten aanzien van de levering van vorderingsrechten op naam geldt, evenals ten aanzien van de levering van andere goederen, het zogeheten bepaaldheidsvereiste. Dat komt tot uitdrukking in artikel 3:84 lid 2 BW, waarin staat dat bij de titel het goed met voldoende bepaaldheid moet zijn omschreven.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is voor het antwoord op de vraag of partijen hebben bedoeld een bepaald goed over te dragen, uitleg van de akte noodzakelijk. Bij die uitleg komt het aan op de zin die – in dit geval de cedent en cessionaris – in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Een van die uitleg te onderscheiden en zelfstandig te beoordelen vraag is of is voldaan is aan het uit artikel 3:84 lid 2 BW in verbinding met artikel 3:98 BW voortvloeiende vereiste dat de akte van cessie het te cederen vorderingsrecht in voldoende mate bepaalt ten tijde van de cessie. Aan dit bepaaldheidsvereiste is volgens vaste rechtspraak voldaan als de akte van cessie zodanige gegevens bevat dat, eventueel achteraf, aan de hand daarvan kan worden vastgesteld om welk vorderingsrecht het gaat (zie onder andere Hoge Raad 3 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:590 en HR 22 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1841).
Dit betekent, anders dan [appellanten] heeft gesteld, dat niet enkel gekeken moet worden naar de bedoeling die de curator en [appellanten] bij het ondertekenen van de akte van 17 december 2015 hebben gehad. Deze bedoeling is immers niet relevant voor het antwoord op de vraag of aan het bepaaldheidsvereiste is voldaan. Alhoewel het begrip ‘Vorderingen’ in de akte van 17 december 2015 ruim geformuleerd is, moet het daarin blijkens de tekst wel gaan om vorderingen die zijn ‘ingesteld’ in een procedure tussen [appellanten] en [geïntimeerden] . Partijen verschillen van mening of de vorderingen die [appellanten] in de onderhavige procedure hebben ingesteld destijds ook zijn ingesteld door Bridge in de hiervoor genoemde procedures bij de rechtbank Limburg en de beide hoven zoals bedoeld in de akte van 17 december 2015. Bridge heeft immers in die procedure bij conclusie van antwoord in reconventie van 28 augustus 2013 geen rechtsvordering ingesteld, maar wel in het lichaam van dat processtuk duidelijk maakte dat Bridge zich het recht om betaling van de facturen te vorderen voorbehield en duidelijk gemaakt dat deze vorderingen onderdeel waren van het partijdebat, ook zonder daartoe ingestelde vordering.
Naar het oordeel van het hof kan het antwoord op de vraag of de akte van 17 december 2015 voldoet aan het bepaaldheidsvereiste in het midden blijven omdat het hof van oordeel is dat met Addendum II de vorderingsrechten jegens [geïntimeerden] in ieder geval zijn overgedragen aan [appellanten] In artikel 2.1. aanhef en eerste bulletpoint van het Addendum II worden de hier aan de orde zijnde vorderingen immers duidelijk omschreven en zij zijn daarmee voldoende bepaalbaar. Dat geldt ook voor de nevenvorderingen tot betaling van contractuele rente dan wel de wettelijke (handels)rente. In artikel 2.1. van het Addendum II wordt duidelijk gemaakt dat met de in de akte van 17 december 2015 genoemde vorderingen is bedoeld ‘alle vorderingen van Bridge op [geïntimeerden] uit hoofde van tussen Bridge en de [geïntimeerden] gesloten franchiseovereenkomsten’. Nu in de considerans onder I van de akte van 17 december 2015 waarin de vorderingen worden gedefinieerd uitdrukkelijk staat vermeld ‘waaronder begrepen dus ook de incidentele vorderingen en (neven)vorderingen’ kan Addendum II niet anders worden begrepen dan dat dit ook betrekking had op deze nevenvorderingen zoals rente.
In artikel 3.2. van het Addendum II worden al deze vorderingen, voor zover deze nog niet eerder zijn overgedragen middels de akte van 17 december 2015, alsnog overgedragen aan Cessionaris ( [appellanten] ). Niet in geschil is dat eveneens op 10 februari 2023, voorafgaand aan het uitbrengen van de dagvaarding in eerste aanleg, mededeling is gedaan aan [geïntimeerden] van de cessie.
Daarmee staat voor het hof vast dat deze vorderingsrechten niet meer tot de boedel behoren, zoals de [geïntimeerden] hebben betoogd en dat [appellanten] in beginsel het recht heeft deze vorderingsrechten te incasseren. Dit laatste is anders als het beroep van [geïntimeerden] op verjaring slaagt of indien de vorderingen, zoals de [geïntimeerden] hebben gesteld, door verrekening teniet zijn gegaan. Dit zal het hof hierna beoordelen.
De vorderingen zijn niet verjaard
De vraag die eveneens beantwoord moet worden is of de verjaring in de periode 20 november 2013 tot 20 november 2018 (opnieuw) is gestuit. Niet ter discussie staat immers dat de verjaringstermijn van vijf jaar, als bedoeld in artikel 3:307 BW, van toepassing is. In die bepaling staat dat een vordering tot nakoming van een verbintenis tot een geven of een doen verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag volgende op die waarop de vordering opeisbaar is geworden. De vorderingen van [appellanten] zien op facturen die Bridge in de jaren 2012 en 2013 aan de [geïntimeerden] heeft verzonden en dus op nakoming van de betaling daarvan.
Niet in geschil is verder dat de [geïntimeerden] de vorderingen op 20 november 2013 hebben erkend in de procedure bij de rechtbank Limburg, die heeft geleid tot het vonnis van 13 mei 2015 en dat deze erkenning de lopende verjaring heeft gestuit (artikel 3:318 BW). Als gevolg daarvan is een nieuwe verjaringstermijn gaan lopen, gelijk aan de oorspronkelijke termijn van vijf jaar (artikel 3:319 BW). De [geïntimeerden] schrijven immers in hun conclusie van antwoord onder 7 “Door de erkenning op 20 november 2013 begon vanaf die dag de vijfjarentermijn te lopen (art 3:318 BW).” en in hoger beroep hebben zij dit standpunt niet verlaten. De opmerking van [geïntimeerden] in hun conclusie van antwoord onder 7 eerste alinea: ‘Deze erkenning was uiteraard enkel aan de eisende partij Bridge Benelux B.V. gericht.’ leidt – nog daargelaten dat zij daaraan geen andere conclusie ten aanzien van de stuiting hebben verbonden – niet tot een ander oordeel. Ook het hof Arnhem-Leeuwarden heeft immers in de procedure tussen onder andere [appellanten] en [geïntimeerden] geoordeeld dat [geïntimeerden] de verschuldigdheid van de gefactureerde fees hebben erkend (zie r.o. 3.21 onder (i) in samenhang met r.o. 4.48 van het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden van 10 mei 2022). Het hof gaat dus uit van 20 november 2013 als datum waarop een nieuwe verjaringstermijn is gestart.
Het antwoord op de vraag of de verjaring van de onderhavige vordering tijdig is gestuit moet – dit is ook niet in geschil – worden beantwoord aan de hand van artikel 3:317 lid 1 BW: de verjaring van een rechtsvordering tot nakoming wordt gestuit door een schriftelijke aanmaning of door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt (artikel 3:317 lid 1 BW).
Met [appellanten] is het hof van oordeel dat met de e-mail van 21 juni 2018 van mr. J. van Till (de toenmalige advocaat van [appellanten] ) gericht aan mr. J. van Gastel met cc aan mr. H. Loeffen en curator Brouns, de lopende verjaring tijdig is gestuit. In die e-mail heeft mr. Van Till, voor zover van belang, geschreven:
“Begrijp ik het goed dan heeft u bovenvermelde kwestie van mr. H. Loeffen overgenomen en behartigt u vanaf nu de belangen van de heren [geïntimeerde sub 1] , [geïntimeerde sub 2] , [geïntimeerde sub 3] , [geïntimeerde sub 4] en [geïntimeerde sub 5] . (…)
In het arrest van 5 juni jl. heeft het hof vastgesteld dat aan mijn cliënten ( [appellanten] ) zijn overgedragen de vorderingsrechten van Bridge op de [geïntimeerden] die rechtvaardigen dat zij de in eerste aanleg door Bridge ingestelde rechtsvorderingen geldend maken (r.o. 3.4.3) (…).
dat de vorderingen die betrekking hebben op onbetaalde franchise fees en contractueel verschuldigde boetes en vergoedingen niet kunnen worden verwezen naar een schadestaatprocedure. Het hof heeft met betrekking tot die vorderingen derhalve volstaan met verklaringen voor recht dat uw cliënten toerekenbaar zijn tekortgeschoten in de nakoming van hun verplichtingen uit hoofde van de franchiseovereenkomsten. De op grond daarvan bestaande aanspraken van [appellanten] op voldoening van franchise fees, boetes, vergoedingen en rente zullen, indien afwikkeling buiten rechte niet mogelijk zou blijken, in een nieuw op te starten procedure jegens uw cliënten geldend worden gemaakt;
Vooraleerst zij opgemerkt dat de gevolgen van de door uw cliënten in en buiten de procedure gevolgde gedragslijn van desastreuze omvang zijn (…)
[appellanten] zijn evenwel in beginsel bereid de mogelijkheid van een algehele regeling in overweging te nemen onder de voorwaarde dat uw cliënten als blijk van hun daadwerkelijke wil daartoe in ieder geval de niet voor inhoudelijk serieuze discussie vatbare vorderingen van [appellanten] voldoen. Die vorderingen - en dus niet de overige vorderingen waarover nader zal moeten worden gesproken of, indien geen regeling kan worden bereikt, geprocedeerd - bedragen in totaal € 149.166,99 laten zich als volgt specificeren:
[geïntimeerde sub 4]
Openstaande facturen: € 26.856,- vermeerderd met de daarover verschuldigde contractuele boete van 12% p.a. (artikel 8 lid 2 franchiseovereenkomst) op heden € 23.149,83 = € 50.005,83 (incl BTW) (…)
[geïntimeerde sub 1]
Openstaande facturen: € 3.999,31,- vermeerderd met de daarover verschuldigde contractuele boete van 12% p.a. (artikel 8 lid 2 franchiseovereenkomst) op heden € 3.445,08 = € 7.444,39 (incl BTW) (…);
[geïntimeerde sub 2]
Openstaande facturen: € 11.224,52,- vermeerderd met de daarover verschuldigde contractuele boete van 12% p.a. (artikel 8 lid 2 franchiseovereenkomst) op heden € 9.669,02 = € 20.893,54 (incl BTW) (…);
[geïntimeerde sub 3]
Onbetaalde franchise fees: € 21.166,66,- vermeerderd met de daarover verschuldigde contractuele boete van 12% p.a. (artikel 8 lid 2 franchiseovereenkomst) op heden € 18.764,26 = € 40.547,22 (incl BTW) (…);
[geïntimeerde sub 5]
Onbetaalde franchise fees: € 16.265,03,- vermeerderd met de daarover verschuldigde contractuele boete van 12% p.a. (artikel 8 lid 2 franchiseovereenkomst) op heden € 14.011,01 = € 30.276,01 (incl BTW) ;
Totaal: € 149.166,99
[appellanten] zijn bereid om met uw cliënten in onderhandeling te treden over een algehele regeling inzake de franchiseovereenkomsten, de uitvoering en de gevolgen van de beëindiging daarvan tegen verlening van finale kwijting over en weer van al hetgeen partijen over en weer van elkaar (menen) te vorderen (te) hebben mits genoemd minimumbedrag uiterlijk op vrijdag 13 juli a.s. is betaald op de derdengeldrekening van mijn kantoor. Duidelijkheidshalve wijs ik er uitdrukkelijk op dat deze voorwaarde niet voor onderhandeling vatbaar is. Me dunkt ook dat [appellanten] uw cliënten met het voorgaande een meer dan redelijke opening geven voor het in gang zetten van gesprekken over een algehele regeling en ik vertrouw er op dat uw cliënten deze opening op waarde weten te schatten.
(…)”
Naar het oordeel van het hof kan deze e-mail niet anders worden begrepen dan een schriftelijke mededeling waarin ondubbelzinnig het recht op nakoming tot betaling van de schuldig erkende fees wordt voorbehouden. Dat dit bericht van mr. Van Till een reactie is op van een e-mailbericht van mr. Van Gastel (de advocaat van [geïntimeerden] ) aan mr. Van Till en curator Brouns met het verzoek aan deze laatste om te bezien of hij tot een regeling wilde komen, maakt de inhoud niet anders. Het had voor [geïntimeerden] duidelijk moeten zijn dat zij er rekening mee moesten houden dat er aanspraak op betaling van deze fees zou worden gemaakt. Evenmin volgt het hof [geïntimeerden] in hun betoog dat het besloten karakter van deze confraternele correspondentie over de inhoud van schikkingsonderhandelingen eraan in de weg staat dat de inhoud van die e-mail naar buiten toe als stuitingshandeling kan worden aangemerkt. Die opvatting vindt geen steun in het recht.
[geïntimeerden] hebben nog als verweer aangevoerd dat de e-mail van 21 juni 2018 aan een fout adres was geschreven, omdat de cassatieadvocaat de behandeling reeds had overgenomen. Het hof passeert dit verweer, omdat de reactie van mr. Van Till volgt op een e-mail van mr. Van Gastel van 19 juni 2021 gericht aan mr. van Till met cc aan de curator Brouns en mr. H. Loeffen, waarin mr. Van Gastel schrijft:
“Ik begrijp, dat U inmiddels kennis heeft genomen van het arrest van het Hof.
(…)
Ik verzoek de curator te bezien in hoeverre met cliënten tot een deal is te komen en mij daartoe op korte termijn uit te nodigen, dit met het oog op het belang van de boedel .
Ik zend deze mail tevens naar de heer van Till, omdat deze wellicht bij deze bespreking aanwezig zou willen zijn. Mogelijk is ook met hem voor de wel door het Hof aan [appellanten] toegewezen vorderingen te dealen en ook op dat punt derhalve af te zien van cassatie.
Graag verneem ik zo spoedig mogelijk van de heren of U tot een dergelijk onderhoud bereid bent.
Ik verzoek u beiden op verzoek van cliënten in het vervolg niet meer met Mr Loeffen, maar met mij via dit e-mailadres te corresponderen.
Groeten
Jan van Gastel”
Uit deze laatste zin volgt duidelijk dat mr. Van Till zich tot mr. Van Gastel moest richten. Dat heeft mr. Van Till gedaan. In zijn e-mail van 21 juni 2018 (waarvan de tekst hiervoor is weergegeven) volgt ook nog dat mr. Van Till checkt of hij zich inderdaad tot mr. Van Gastel moest richten. In dit licht bezien valt niet in te zien dat mr. Van Till zich niet tot mr. Van Gastel mocht wenden. Ook desgevraagd tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep hebben [geïntimeerden] niet kunnen toelichten waarom mr. Van Till de e-mail aan een fout adres zou hebben gestuurd.
De [geïntimeerden] hebben tot slot nog aangevoerd dat enkel de curator had kunnen stuiten als rechthebbende, omdat het vorderingsrecht op 21 juni 2018 nog niet was overgedragen aan [appellanten] Het hof is van oordeel, dat ook als ervan moet worden uitgegaan dat de vorderingsrechten met de akte van 17 december 2015 niet zijn overgedragen aan [appellanten] omdat niet aan het bepaaldheidsvereiste uit artikel 3:84 lid 2 BW is voldaan, het betoog moet worden gepasseerd om de volgende redenen:
Uit de akte van 17 december 2015 als het Addendum II bij die akte volgt duidelijk dat [appellanten] en de curator ervan uitingen dat de vordering tot betaling van door Bridge gefactureerde fees bij die akte van 17 december 2015 was overgedragen aan [appellanten]
De e-mail van 21 juni 2021 van mr. Van Till waarin hij de verjaring heeft gestuit is gericht aan mr. Van Gastel met onder andere de curator in de cc. De curator was dus wel betrokken in de correspondentie. Dat de curator geen actieve taak voor zichzelf weggelegd zag is logisch, omdat de curator in de veronderstelling verkeerde dat deze vorderingsrechten waren overgedragen aan [appellanten] De curator ondersteunde de stuiting wel hetgeen blijkt uit het feit dat hij zich daartegen niet heeft verzet en ook daarna zijn medewerking heeft verleend aan het opstellen van het Addendum II om te verzekeren dat deze vorderingsrechten daadwerkelijk waren overgedragen aan [appellanten] en door hen konden worden geïnd.
Dat ook mr. Van Gastel ervan uitging dat de curator in de correspondentie betrokken was ondanks dat de curator ‘slechts’ in de cc stond, volgt uit het feit dat hij zijn e-mail van 19 juni 2018 (die voorafging aan de e-mail van 21 juni 2018) weliswaar richtte aan mr. Van Till maar zich inhoudelijk primair richtte tot de curator: “Geachte heren (…) Ik verzoek de curator te bezien in hoeverre met cliënten tot een deal te komen is”. Daarnaast richtte hij zich tot mr. Van Till: “Ik zend deze mail tevens naar de heer van Till, omdat deze wellicht bij deze bespreking aanwezig zou willen zijn. Mogelijk is ook met hem voor de wel door het Hof aan [appellanten] toegewezen vorderingen te dealen en ook op dat punt derhalve af te zien van cassatie.”. Kortom: zowel de curator als mr. Van Till zijn in deze correspondentie geadresseerd en betrokken.
Onder die omstandigheden moet de e-mail van mr. Van Till geacht worden te zijn uitgegaan namens zowel de curator als [appellanten] , althans moet deze stuitingshandeling, voor zover noodzakelijk, worden toegerekend aan de curator. De [geïntimeerden] hebben ook geen feiten aangevoerd waaruit kan worden afgeleid dat zij dit in redelijkheid niet zo hebben hoeven begrijpen.
Dit betekent dat de verjaring die op 20 november 2013 is gaan lopen, met de e-mail van 21 juni 2018 tijdig is gestuit, waarna een nieuwe verjaringstermijn van vijf jaar is gaan lopen.
Vervolgens is binnen die nieuwe verjaringstermijn de dagvaarding in deze zaak op 10 februari 2023 ingesteld.
De conclusie is dat de verjaring tijdig is gestuit.
De vorderingen zijn niet door verrekening teniet gegaan.
De [geïntimeerden] hebben zich erop beroepen dat de vorderingen tot betaling van de fees al teniet zijn gegaan door hun beroep op verrekening met hun eigen vorderingen op Bridge van in totaal € 683.605,64, vermeerderd met de wettelijke rente, die door de rechtbank Limburg bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis van 13 mei 2015 in conventie zijn toegewezen (hiervoor weergegeven onder r.o. 4.3.2 onder (iii)).
Deze veroordeling is niet aangetast, omdat de procedure ten aanzien van deze vorderingen is geschorst op grond van artikel 29 Fw. Deze schorsing geldt door het niet verschijnen van de curator nog steeds, waardoor de veroordeling uit het vonnis van 13 mei 2015 nog steeds een rechtsfeit is en voort duurt totdat de curator de procedure voortzet, aldus de [geïntimeerden] . Tot nu toe heeft de curator dit niet gedaan. De [geïntimeerden] hebben deze (tegen)vorderingen ter verificatie ingediend en deze zijn vooralsnog enkel voorlopig betwist. Als de curator de procedure voortzet, zullen [geïntimeerden] nieuwe bewijzen aanleveren en rechtsfeiten stellen, waardoor de veroordeling van de rechtbank in stand blijft op verbetering van gronden, aldus nog steeds de [geïntimeerden] .
[appellanten] heeft dit gemotiveerd betwist.
Het wettelijk kader aan de hand waarvan het beroep op verrekening moet worden beoordeeld is als volgt:
Volgens artikel 29 Fw wordt, voor zover tijdens de faillietverklaring aanhangige rechtsvorderingen voldoening van een verbintenis uit de boedel ten doel hebben, het geding na de faillietverklaring geschorst, om alleen dan voortgezet te worden, indien de verificatie van de vordering betwist wordt. In dit geval wordt hij, die de betwisting doet, in de plaats van de gefailleerde, partij in het geding.
Volgens artikel 6:127 lid 1 BW gaan, wanneer een schuldenaar die de bevoegdheid tot verrekening heeft, aan zijn schuldeiser verklaart dat hij zijn schuld met een vordering verrekent, beide verbintenissen tot hun gemeenschappelijk beloop teniet.
Volgens het tweede lid van dit artikel heeft een schuldenaar de bevoegdheid tot verrekening, wanneer hij een prestatie te vorderen heeft die beantwoordt aan zijn schuld jegens dezelfde wederpartij en hij bevoegd is zowel tot betaling van de schuld als tot het afdwingen van de betaling van de vordering.
Artikel 6:129 lid 1 BW bepaalt dat de verrekening terugwerkt tot het tijdstip, waarop de bevoegdheid tot verrekening is ontstaan.
Artikel 6:136 BW bepaalt dat de rechter een vordering, ondanks een beroep van de verweerder op verrekening kan toewijzen, indien de gegrondheid van dit verweer niet op eenvoudige wijze is vast te stellen en de vordering overigens voor toewijzing vatbaar is.
Artikel 53 Fw verruimt de verrekeningsmogelijkheden van een schuldeiser van de gefailleerde ten opzichte van artikel 6:127 BW. Volgens artikel 53 lid 1 Fw kan hij die zowel schuldenaar als schuldeiser van de gefailleerde is, zijn schuld met zijn vordering op de gefailleerde verrekenen, als beide zijn ontstaan vóór de faillietverklaring of voortvloeien uit handelingen, vóór de faillietverklaring met de gefailleerde verricht. Volgens het derde lid van dit artikel kan de curator geen beroep doen op artikel 6:136 BW.
Dat laatste geldt ook voor de cessionaris, zoals [appellanten] Dat volgt onder andere uit de uitspraak van de Hoge Raad van 18 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT9061 (Nap B.V./Rabobank West Kennemerland). Daarin heeft de Hoge Raad geoordeeld dat als de curator een tot de boedel behorende vordering cedeert aan een derde, het aan artikel 6:145 BW ten grondslag liggende beginsel, mede gelet op de gedachte waarop art. 53 lid 1 Fw is gebaseerd namelijk dat iedere schuldeiser van de boedel zijn schuld aan de boedel als "onderpand" mag beschouwen voor de betaling van zijn vordering mee dat artikel 53 lid 3 Fw van overeenkomstige toepassing moet worden geacht in geval van cessie door de curator.
Dit betekent dat het hof de vordering van [appellanten] , ondanks een beroep van [geïntimeerden] op verrekening niet kan toewijzen met als argument dat de gegrondheid van dit verrekenverweer niet op eenvoudige wijze is vast te stellen.
Uit de uitspraak van 24 november 2017 (ECLI:NL:HR:2017:3017), waarin de Hoge Raad dit uitgangspunt heeft herhaald, volgt dat het hof de gegrondheid van de tegenvordering van [geïntimeerden] moet beoordelen. De Hoge heeft in die uitspraak geoordeeld (in r.o. 3.3.2):
“In geval van het faillissement van de pandgever kan de debiteur van de verpande vordering zijn tegenvordering verrekenen met overeenkomstige toepassing van art. 53 lid 3 Fw, zonder dat de pandhouder een beroep toekomt op art. 6:136 BW, en wel in verband met het belang dat de debiteur van de verpande vordering erbij heeft zijn schuld aan de boedel als ‘onderpand’ te kunnen beschouwen (zie laatstelijk HR 13 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ7391, NJ 2014/521, rov. 3.6.2). Na verwijzing zal de gegrondheid van de tegenvordering van Artis derhalve alsnog moeten worden onderzocht.”
Dit betekent dat het hof in deze zaak de gegrondheid van de tegenvordering van [geïntimeerden] zal (moeten) beoordelen.
Naar het oordeel van het hof zijn de tegenvorderingen waarmee [geïntimeerden] zich op verrekening beroepen materieel inhoudsloos, ondanks de omstandigheid dat het vonnis van de rechtbank Limburg van 13 mei 2015 anders dan [appellanten] betoogt formeel niet is vernietigd. Het hof Arnhem-Leeuwarden heeft weliswaar in het dictum van het arrest van 10 mei 2022 het vonnis van 13 mei 2015 vernietigd, zonder daarbij enig voorbehoud ten aanzien van de veroordelingen ten laste van [appellanten] te plaatsen, maar dit kan tegen de achtergrond van hetgeen dat hof in r.o. 3.15 van zijn arrest heeft overwogen en overigens in het dictum van dat arrest heeft verstaan, niet als vernietiging worden begrepen van mede de door de rechtbank toegewezen tegenvorderingen van [geïntimeerden] . Het hof heeft immers in r.o. 3.15 overwogen kort gezegd dat de procedure wat betreft de toegewezen tegenvorderingen is geschorst zodat het hof niet toekomt aan een beoordeling daarvan, hetgeen in het dictum tot uitdrukking zal komen. In het dictum heeft het hof kort gezegd verstaan dat de procedure inzake deze tegenvorderingen is geschorst.
Dit alles laat echter onverlet dat uit het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden volgt dat de tegenvorderingen van [geïntimeerden] materieel gezien niet liquide zijn. Het hof Arnhem-Leeuwarden heeft immers de grondslagen waarop [geïntimeerden] die tegenvorderingen hebben gebaseerd wel beoordeeld. Ten aanzien van het beroep op dwaling heeft het hof geoordeeld dat dit op inhoudelijke gronden faalt (r.o. 4.18 van het arrest van 10 mei 2022). Ten aanzien van de door [geïntimeerden] gestelde tekortkoming in de nakoming heeft het hof geoordeeld dat in het midden kan blijven of de [geïntimeerden] voldoende hebben gesteld om tot een toerekenbare tekortkoming en/of onrechtmatig handelen van Bridge te kunnen concluderen, omdat Bridge niet in verzuim is geraakt (wegens het ontbreken van een adequate ingebrekestelling) en vanwege het feit dat de [geïntimeerden] niet tijdig hebben geklaagd (r.o. 4.28 van het arrest van 10 mei 2022). Het hof heeft het vonnis van de rechtbank Limburg van 13 mei 2015 mede op het punt van dwaling/wanprestatie en onrechtmatig handelen vernietigd.
Ook ten aanzien van de door de [geïntimeerden] niet of nauwelijks uitgewerkte grondslagen bedrog en misleiding heeft het hof geoordeeld dat deze niet slagen. Dat er sprake zou zijn van opzet bij Bridge om de [geïntimeerden] te bedriegen en te misleiden heeft Bridge gemotiveerd betwist en hebben de [geïntimeerden] onvoldoende onderbouwd (r.o. 4.31).
Hetzelfde lot was het beroep van de [geïntimeerden] op onvoorziene omstandigheden beschoren (r.o. 4.32).
De conclusie is daarom dat het dictum in het vonnis van 13 mei 2015, inhoudende de veroordeling van Bridge tot betaling van in totaal € 683.605,64, te vermeerderen met de wettelijke rente, weliswaar formeel nog niet is vernietigd, maar dat alle grondslagen die [geïntimeerden] hebben aangevoerd in die procedure door het hof inhoudelijk zijn verworpen. Nu dit arrest onherroepelijk is geworden, hebben deze oordelen gezag van gewijsde gekregen (artikel 236 Rv). De [geïntimeerden] hebben in hoger beroep gesteld dat zij in een procedure met de curator nieuwe bewijzen zullen aanleveren en rechtsfeiten zullen stellen, waardoor de veroordeling van de rechtbank Limburg van 13 mei 2015 in stand blijft met verbetering van gronden. Zij zien daarbij echter over het hoofd dat het gezag van gewijsde er in beginsel aan in de weg staat dat zij nieuw bewijsmateriaal en nieuwe feiten aanvoeren (HR 18 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2099, r.o. 3.1.4.). Het gezag van gewijsde staat er op zich niet aan in de weg dat op basis van een andere grondslag, waarover de rechter zich nog niet heeft uitgelaten, dezelfde vordering of een soortgelijke vordering wordt ingesteld. De [geïntimeerden] hebben naar het oordeel van het hof echter onvoldoende uitgelegd dat die laatste situatie zich voordoet. De [geïntimeerden] hebben tijdens de zitting in hoger beroep als grondslag artikel 3:15j sub d. BW aangevoerd, maar dit artikel biedt enkel een grondslag voor openlegging van tot een administratie behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers. Dit betekent dat, zelfs als een daarop gebaseerde vordering toegewezen zou worden, er een andere juridische basis nodig zal zijn voor het in stand laten van het dictum van het vonnis van 13 mei 2015. De [geïntimeerden] hebben nog nadere feiten gesteld, die indien bewezen, volgens hen een tekortkoming in de nakoming door Bridge opleveren. Ook die nadere feiten zien echter op een grondslag die het hof Arnhem-Leeuwarden al heeft beoordeeld en verworpen. Voor zover de [geïntimeerden] zich op onbehoorlijke taakvervulling in verband met
bestuurdersaansprakelijkheid zouden willen beroepen hebben zij niet toegelicht hoe in het licht van het feit dat het hof Arnhem-Leeuwarden het beroep op onrechtmatige daad van de [geïntimeerden] heeft afgewezen, sprake zou kunnen zijn van een nieuwe grondslag. Zij hebben nog gewezen op artikel 2:248 BW juncto artikel 2:394 BW maar de vordering uit hoofde van die bepalingen komt alleen aan de curator toe.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het hof van oordeel is dat de [geïntimeerden] onvoldoende gemotiveerd hebben gesteld dat zij materieel een liquide te verrekenen vordering hebben. Om die reden kunnen zij ook niet tot bewijslevering worden toegelaten, nog daargelaten dat zij enkel een algemeen – en daarmee in hoger beroep een onvoldoende specifiek – bewijsaanbod hebben gedaan. Dit betekent dat er geen bevoegdheid tot verrekening was en is en het beroep op verrekening faalt, zodat de vorderingen van [appellanten] tot betaling van de gevorderde achterstallige fees toewijsbaar zijn. Concreet betekent dit dat:
[geïntimeerde sub 2] zal worden veroordeeld tot betaling van € 9.392,52;
[geïntimeerde sub 3] zal worden veroordeeld tot betaling van € 21.782,96;
[geïntimeerde sub 1] zal worden veroordeeld tot betaling van € 3.999,31;
[geïntimeerde sub 4] zal worden veroordeeld tot betaling van € 19.421,16;
[geïntimeerde sub 5] zal worden veroordeeld tot betaling van € 12.030,03.
Rente
[appellanten] heeft na zijn laatste eiswijziging van zijn vordering in hoger beroep, gevorderd:
( i) het overeengekomen percentage van 1 % per maand over de openstaande fees:
vanaf de vervaldata van de facturen althans vanaf de datum dat [geïntimeerden] in verzuim zijn komen te verkeren;
tot het einde van de overeenkomst, te weten het moment van ontbinding zijnde 1 augustus 2013.
en
(ii) de wettelijke handelsrente, althans wettelijke rente:
vanaf het moment van ontbinding op 1 augustus 2013;
tot het moment van algehele voldoening.
De [geïntimeerden] hebben hiertegen ingebracht naast het hiervoor reeds verworpen verweer dat deze rentevorderingen niet zijn gecedeerd aan [appellanten] dat de rentevorderingen verjaard zijn omdat deze niet tijdig zijn gestuit. Zij hebben als zodanig niet betwist dat de franchiseovereenkomsten een grondslag bieden voor de door [appellanten] gevorderde contractuele rente van 1% per maand over de openstaande fees vanaf het door [appellanten] gestelde moment.
Op grond van artikel 3:308 BW verjaren rechtsvorderingen tot betaling van onder andere renten van geldsommen en voorts alles wat bij het jaar of een kortere termijn moet worden betaald, door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de vordering opeisbaar is geworden. De wetgever heeft met 'renten van geldsommen' ook de wettelijke rente op het oog gehad.
[appellanten] heeft geen concrete datum genoemd waarop de vorderingen opeisbaar zijn geworden, anders dan dat deze opeisbaar zijn vanaf de vervaldata als bedoeld in artikel 8 lid 2 van de franchiseovereenkomsten en, wat [geïntimeerde sub 5] betreft, artikel 11 lid 2. Daarin staat een termijn van uiterlijk veertien dagen na afloop van elke kalendermaand. Verder heeft [appellanten] gesteld dat de vorderingen in 2012 en 2013 zijn ontstaan, zonder dit in processtukken te concretiseren. Het hof zal daarom uitgaan van hetgeen de [geïntimeerden] in dit verband hebben aangevoerd, namelijk dat de rente uiterlijk vanaf 1 april 2013 opeisbaar was. [appellanten] heeft de contractuele rente over de openstaande facturen tot 1 augustus 2013 gevorderd.
Naar het oordeel van het hof is de vordering tot betaling van contractuele rente niet eerder gestuit dan op 21 juni 2018. [appellanten] heeft weliswaar gesteld dat in diverse sommaties consequent verwezen is naar de artikelen 8 en 11 van de respectievelijke overeenkomsten, maar heeft niet gesteld welke sommaties dit dan zijn en bij welke producties deze zijn overgelegd. Voor zover [appellanten] het oog zou hebben op de ontbindingsbrieven (overgelegd als productie 26), geldt dat daarin niet wordt verwezen naar de artikelen 8 en/of 11 van de franchiseovereenkomsten. In die ontbindingsbrieven wordt, zoals [geïntimeerden] terecht hebben opgemerkt, alleen verwezen naar ‘verbeurde boetes’ en [appellanten] heeft niet (gemotiveerd) gesteld dat dit ziet op de contractuele rente en dat de [geïntimeerden] dit ook hadden moeten begrijpen. In de e-mail van 21 juni 2018, waarvan de tekst hiervoor in r.o. 4.5.3. is weergegeven, wordt wel expliciet verwezen naar rente en naar de contractuele boete van 12% p.a. (artikel 8 lid 2 / artikel 11 lid 2 franchiseovereenkomst). Hieruit volgt duidelijk dat aanspraak gemaakt zal worden op de in deze procedure gevorderde contractuele rente van 1% per maand. Dat betekent dat de vorderingen ter zake de contractuele rente die voor 21 juni 2013 opeisbaar zijn geworden zijn verjaard. Dit betekent dat het hof de contractuele rente zal toewijzen voor de periode vanaf 21 juni 2013 tot 1 augustus 2013 (nu [appellanten] de contractuele rente tot 1 augustus 2013 heeft gevorderd).
Vanaf 1 augustus 2013 is de wettelijke handelsrente naar het oordeel van het hof toewijsbaar. Niet ter discussie staat dat sprake is van een handelsovereenkomst in de zin van artikel 6:119a BW, aangezien sprake is een overeenkomst om baat die een of meer van de partijen verplicht iets te geven of te doen en die tot stand is gekomen tussen een of meer natuurlijke personen die handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf of rechtspersonen.
De wettelijke handelsrente is naar het oordeel van het hof ook tijdig gestuit in de procedure die heeft geleid tot het vonnis van 13 mei 2015 bij conclusie van antwoord in reconventie van 28 augustus 2013 (in randnummer 372). Daarin staat: “Bridge maakt daarnaast aanspraak op de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW met ingang van de dag der opeisbaarheid van de onderhavige facturen”. Hierna is een nieuwe termijn van vijf jaar gaan lopen. Vervolgens is de verjaring bij e-mail van 21 juni 2018 gestuit, nu daarin eveneens aanspraak wordt gemaakt op de “franchise fees (…) en rente” en vervolgens bij de dagvaarding in deze zaak op 10 februari 2023.
Buitengerechtelijke incassokosten
[appellanten] heeft gevorderd om [geïntimeerden] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten die hij na vermeerdering van eis in hoger beroep op € 1.576,28 heeft gesteld conform de staffel Buitengerechtelijke Incassokosten (BIK). [appellanten] heeft over dit bedrag de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW gevorderd vanaf de datum van de dagvaarding. Het hof zal deze vordering als onvoldoende gemotiveerd betwist toewijzen.
Slotsom
De slotsom van het voorgaande is dat de grieven in zoverre slagen dat het hof de [geïntimeerden] zal veroordelen tot betaling van de gevorderde achterstallige fees, te vermeerderen met de contractuele rente van 1% per maand daarover vanaf 21 juni 2013 tot 1 augustus 2013 en de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW vanaf 1 augustus 2013 tot aan de dag van volledige betaling. Verder zullen [geïntimeerden] hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van het bedrag van€ 1.576,28 te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 10 februari 2023 (de dag van dagvaarding) tot aan de dag van volledige betaling.
Reële) proceskosten
[appellanten] heeft primair veroordeling van de reële proceskosten gevorderd. Hij heeft gesteld dat [geïntimeerden] artikel 21 Rv hebben geschonden. Naar het oordeel van het hof kan de juistheid daarvan in het midden blijven, aangezien in hoger beroep ook andere juridische vraagstukken speelden dan die waarop de gestelde schending van artikel 21 Rv betrekking had. Dat een hoger beroep procedure niet nodig zou zijn geweest als wel aan artikel 21 Rv was voldaan, volgt het hof daarom niet. Wel zal het hof [geïntimeerden] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten als bedoeld in artikel 237 Rv.
De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van [appellanten] zullen
worden vastgesteld op:
Explootkosten € 208,04 (2x 104,02)
Griffierecht € 1.301,00
Salaris advocaat € 2.428,00 (2 punten x tarief IV)
Totaal € 3.937,04
De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [appellanten] zullen vastgesteld worden op:
Explootkosten € 149,37
Griffierechten € 827,00
Salaris advocaat principaal hoger beroep € 5.880,00 (2,5 punt(en) x tarief IV)
Nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 7.045,37
Het hof zal de wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals vermeld in de beslissing.
5. De beslissing
Het hof:
vernietigt het bestreden vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 29 januari 2025, aangevuld bij vonnis van 9 juli 2025, en
opnieuw rechtdoende:
veroordeelt [geïntimeerde sub 2] tot betaling aan [appellanten] van € 9.392,52, te vermeerderen met de contractuele rente van 1% per maand daarover over de periode 21 juni 2013 tot 1 augustus 2013 en vervolgens te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW vanaf 1 augustus 2013 tot aan de dag van volledige betaling;
veroordeelt [geïntimeerde sub 3] tot betaling aan [appellanten] van € 21.782,96, te vermeerderen met de contractuele rente van 1% per maand daarover over de periode 21 juni 2013 tot 1 augustus 2013 en vervolgens te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW vanaf 1 augustus 2013 tot aan de dag van volledige betaling;
veroordeelt [geïntimeerde sub 1] tot betaling aan [appellanten] van € 3.999,31, te vermeerderen met de contractuele rente van 1% per maand daarover over de periode 21 juni 2013 tot 1 augustus 2013 en vervolgens te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW vanaf 1 augustus 2013 tot aan de dag van volledige betaling;
veroordeelt [geïntimeerde sub 4] tot betaling aan [appellanten] van € 19.421,16, te vermeerderen met de contractuele rente van 1% per maand daarover over de periode 21 juni 2013 tot 1 augustus 2013 en vervolgens te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW vanaf 1 augustus 2013 tot aan de dag van volledige betaling;
veroordeelt [geïntimeerde sub 5] tot betaling aan [appellanten] van € 12.030,03, te vermeerderen met de contractuele rente van 1% per maand daarover over de periode 21 juni 2013 tot 1 augustus 2013 en vervolgens te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW vanaf 1 augustus 2013 tot aan de dag van volledige betaling;
veroordeelt [geïntimeerden] hoofdelijk tot betaling van € 1.576,28 ter zake de buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 10 februari 2023 (de dag van dagvaarding) tot aan de dag van volledige betaling;
veroordeelt [geïntimeerden] hoofdelijk in de proceskosten van [appellanten] in beide instanties, die de eerste aanleg worden bepaald op € 3.937,04 en in hoger beroep op € 7.045,37, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [geïntimeerden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het arrest daarna wordt betekend, dan moeten [geïntimeerden] € 98,- extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening;
veroordeelt [geïntimeerden] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
verklaart het arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.J. Korthuis-Becks, C.M.E. Lagarde en C.B.M. Scholten van Aschat en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 12 mei 2026.
griffier rolraadsheer