ECLI:NL:GHSHE:2026:1221

ECLI:NL:GHSHE:2026:1221

Instantie Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak 13-05-2026
Datum publicatie 13-05-2026
Zaaknummer 20-001738-22
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Medeplegen van gekwalificeerde doodslag op bejaarde eigenaar Bed & Breakfast. Veroordeling tot een gevangenisstraf van 16 jaar, met aftrek van voorarrest, en (gedeeltelijke) toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen.

Uitspraak

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 29 juli 2022, in de strafzaak met parketnummer 01-068888-21 tegen:

[verdachte] ,

in eendaadse samenloop gepleegd met

geboren te [geboorteplaats] [in het jaar] 1981,

thans verblijvende in Justitieel Complex Zaanstad te Westzaan.

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte door de rechtbank ter zake van:

 medeplegen van doodslag, vergezeld van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden, gemakkelijk te maken en bij betrapping op heter daad, aan zichzelf of andere deelnemers aan dat feit hetzij straffeloosheid hetzij het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren (feit 1 primair),

 diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, die diefstal gemakkelijk te maken en bij betrapping op heter daad, aan zichzelf of andere deelnemers van het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en terwijl het feit de dood ten gevolge heeft (feit 2),

veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de rechtbank de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] tot een totaalbedrag van € 6.631,93 hoofdelijk toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige is de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk verklaard. De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] is door de rechtbank tot een totaalbedrag van € 5.679,82 hoofdelijk toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige is de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk verklaard. Ten slotte is met betrekking tot deze beide vorderingen een proceskostenveroordeling uitgesproken.

Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van 8 april 2026 gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen (met inbegrip van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ), met aanvulling van de gronden en met uitzondering van de strafoplegging en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] . De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof, opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 jaren, met aftrek van voorarrest. Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat het hof deze vordering integraal tot een bedrag van € 8.179,82 hoofdelijk zal toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging heeft integrale vrijspraak van het onder 1 (primair en subsidiair) en partiële vrijspraak van het onder 2 tenlastegelegde bepleit. In geval van een veroordeling, is verzocht aan de verdachte een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, met aftrek van voorarrest en met reclasseringsbegeleiding en behandeling door een forensisch psychiatrische polikliniek als bijzondere voorwaarden. Met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis, met verbetering van de bewezenverklaring, met verbetering en aanvulling van de gronden waarop dit berust en met uitzondering van de strafoplegging en de beslissing op de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] . Het hof zal dientengevolge tevens de toepasselijke wettelijke voorschriften opnieuw opnemen.

Verbetering van de bewezenverklaring

Het hof kan zich vinden in de bewezenverklaring van feit 1 primair en feit 2, zoals weergegeven op pagina’s 23 en 24 van het vonnis, met uitzondering van een (telkens) onder het derde gedachtestreepje opgenomen zinsnede, te weten: “en tegen de keel en de hals”. Het hof acht, zowel onder feit 1 primair als onder feit 2, niet wettig en overtuigend bewezen dat sprake was van het meermalen slaan en/of schoppen tegen de keel en de hals van het slachtoffer toen hij met vastgebonden handen op de grond lag. Het hof schrapt dit onderdeel derhalve uit de bewezenverklaring. Voor het overige wordt de bewezenverklaring bevestigd. Het hof overweegt hierbij nog dat het (telkens) schrappen van voornoemd onderdeel de bewezenverklaring, kwalificatie en stafbaarheid van de feiten niet wezenlijk anders maakt, zodat vernietiging van het vonnis om deze reden niet noodzakelijk wordt geacht. De verdachte is daarmee, naar het oordeel van het hof, evenmin in zijn belangen geschaad.

Verbetering en aanvulling van de bewijsmiddelen

De door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen, zoals uitgewerkt opgenomen op pagina’s 4 tot en met 18 van het vonnis, worden door het hof bevestigd, doch met verbetering en aanvulling daarvan, als volgt:

Verbetering van de bewijsmiddelen

De navolgende bewijsmiddelen komen geheel te vervallen:

[verbalisanten] d.d. 23 maart 2021, dossierpagina’s 120-135 (op pagina 18 van het vonnis).

De inhoud van de navolgende bewijsmiddelen, zoals weergegeven op pagina’s 14 tot en met 16 van het vonnis, komt gedeeltelijk te vervallen en wordt deels verbeterd gelezen. Het hof zal deze bewijsmiddelen derhalve opnieuw en op verbeterde wijze opnemen, als volgt:

Het proces-verbaal van het verhoor van de [medeverdachte 2] , opgemaakt door [verbalisant] in Litouwen, in het bijzijn van [verbalisanten] d.d. 17 mei 2021, dossierpagina’s 470-476, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik, [medeverdachte 1] en [betrokkene] zijn vanuit Duitsland samen met de auto gegaan naar Nederland. We zijn rond 09:00 uur vertrokken vanuit Duitsland naar Nederland om [verdachte] op te halen. We reden met de auto van [betrokkene] “Saab 93”. We hebben [verdachte] opgehaald en we gingen terug naar Duitsland. Onderweg heeft [medeverdachte 1] zich een persoon herinnerd, het overleden slachtoffer zoals ik het nu begrijp, dat hij het geld heeft. [medeverdachte 1] had eerder bij hem gewoond. Tijdens de hele reis waren [verdachte] en [medeverdachte 1] een plan aan het bedenken over het bestelen van het slachtoffer. In Duitsland hebben we samen: ik, [verdachte] , [medeverdachte 1] , [betrokkene] en de huisbaas (hij is een Duitser) tot laat in de nacht alcoholische dranken gedronken. Ik heb mijn vriendin gebeld en we hebben met elkaar minstens een half uur gesproken via een beeld. Ik was met haar in gesprek tot het moment dat [medeverdachte 1] en [verdachte] naar mij toe kwamen en zeiden “we gaan, we gaan”. Ik ben met hen vertrokken zonder te weten waar ik naar toe ging. Toen we aankwamen, hebben we besproken wat er gedaan moest worden. We hebben besproken dat er op de deur geklopt moest worden, naar binnen gegaan moest worden en vervolgens de persoon moest vastgebonden worden. De woning moest daarna snel doorzocht worden want

[medeverdachte 1] was ervan overtuigd dat daar geld lag. We zijn met de auto niet ver van de woning vandaan gekomen, we zijn naar de woning toe gelopen en [hebben]op de deurbel gedrukt. Een man heeft de deur open gedaan. We, ik en [verdachte] , hebben met handen de man bij zijn mond gepakt en hem naar de kamer meegenomen. We hebben hem op de grond gelegd en vastgebonden. We hebben hem vastgebonden met tie-wraps. We hebben hem gelegd in de kamer aan de linker kant, meteen als je de woning binnenkomt, waar de woonkamer is. Toen heb ik de hele tijd zijn mond vastgehouden met mijn hand om te voorkomen dat de man ging schreeuwen. [verdachte] heeft met het slachtoffer in het Engels gesproken en steeds gevraagd waar het geld lag. Wat [medeverdachte 1] op dat moment aan het doen was weet ik niet. Hij was ergens in de woning. Het slachtoffer heeft geprobeerd te schreeuwen en hij kronkelde, daarom heb ik hem een paar klappen gegeven. Ik heb met mijn hand, de onderarm, de klappen gegeven tegen het lichaam van het slachtoffer. [verdachte] was toen al ergens verdwenen, ik heb hem niet gezien. Toen heeft het slachtoffer een plaats gezegd in het Engels. Ik heb het niet begrepen maar ik had wel begrepen dat daar het geld lag. Ze kwamen nerveus terug, want zoals ik het heb begrepen, hebben ze het geld niet gevonden. Ze hadden de capuchons en de gezichtsmaskers op. Ik hield met de hand de mond vast van het slachtoffer en ik had niet gezien wie wat aan het doen was, maar [medeverdachte 1] en [verdachte] hebben het slachtoffer met handen geslagen en geschopt met benen. Het is zeker dat [medeverdachte 1] het liggende slachtoffer van de linkerkant heeft geschopt. [verdachte] was de hele tijd aan het heen en terug lopen en hij stelde steeds de vragen aan het slachtoffer en hij zei tegen het slachtoffer dat het slachtoffer loog. We hebben hem geslagen met het doel dat hij ging praten. Nadat [medeverdachte 1] en [verdachte] een paar keer kwamen en weer op zoek gingen naar geld, hoorde ik het slachtoffer iets zeggen dat in verband met een wc was. Ik heb begrepen dat er iets in de wc was en ik ben naar de wc gegaan om daar te kijken. Maar ik heb in de wc niets gevonden en ik kwam terug naar de woonkamer. Tijdens het lopen zag ik een rommel in de andere kamers en ik zag hoe (...) het slachtoffer [werd gesleept] naar de radiator. Toen zijn we vertrokken. We zijn weggereden.

(...)

Vraag van de rechercheurs van het Koninkrijk der Nederlanden: Waar kwamen de tie-wraps vandaan?

[medeverdachte 2] : Dat was het werkmateriaal van mij en [medeverdachte 1] . We hebben bij

hetzelfde Nederlandse bedrijf gewerkt en die tie-wraps waren ons werkgereedschap. Ze

lagen in de auto.

Vraag van de rechercheurs van het Koninkrijk der Nederlanden: Hebben jullie de speciale kleding gedragen en hebben jullie de gezichten bedekt of iets anders?

[medeverdachte 2] : We hebben de handschoenen gedragen want het was koud. Op het gezicht hadden we een medisch masker, de kleur was of blauw of zwart, ik weet het niet. De kleding was de gewone kleding.

Vraag van de rechercheurs van het Koninkrijk der Nederlanden: Waar waren [verdachte] en

[medeverdachte 1] op het moment dat u bij de deur heeft aangebeld?

[medeverdachte 2] : [verdachte] stond achter mij, [medeverdachte 1] stond verderop.

Vraag van de rechercheurs van het Koninkrijk der Nederlanden: Hebben jullie overlegd wie wat zal doen?

[medeverdachte 2] : Onze rol was zo dat ik en [verdachte] het slachtoffer moesten vasthouden totdat [medeverdachte 1] het geld gepakt zou hebben en daarna moesten we weggaan. Maar het werd een circus.

Vraag van de rechercheurs van het Koninkrijk der Nederlanden: In welke positie was u

naast het slachtoffer? Hurkte u naast hem, stond u naast hem of zat u op hem? Aan welke kant?

[medeverdachte 2] : Ik hurkte voor hem. Hij lag gebogen op de linkerzijde, ik hurkte voor hem en ik hield zijn mond vast. Zijn handen waren vastgebonden bij zijn borstkas. Ik hield hem vast met één hand op zijn mond en met de andere hand onder zijn nek om te voorkomen dat hij ging schreeuwen.

Vraag van de rechercheurs van het Koninkrijk der Nederlanden: Wat heeft het slachtoffer

gedaan op het moment dat u hem heeft vastgebonden en zijn mond dicht heeft gehouden? Welke handelingen heeft het slachtoffer verricht?

[medeverdachte 2] : Hij verweerde zich, hij schopte, hij probeerde te schreeuwen. Na een paar minuten heb ik gezien dat hij verzwakt was en hij bleef alleen maar ademen met geluid, via de neus en de mond. Hij ademde krachtig. Hij ademde diep want ik had op zijn mond gedrukt met mijn hand.

Vraag van de rechercheurs van het Koninkrijk der Nederlanden: Heeft u gezien dat [verdachte]

heeft geschopt en met handen heeft geslagen. Tegen welk deel van het lichaam?

[medeverdachte 2] : Ik meen tegen de delen van de buik of tegen de zijkant. Zo heb ik het gezien. [verdachte] heeft geschopt en met handen geslagen. Of tegen de buik of tegen de

zijkant.

Het proces-verbaal van het verhoor van de [medeverdachte 2] , opgemaakt door [verbalisanten] d.d. 3 juni 2021, dossierpagina’s 477-502, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

[medeverdachte 1] kwam terug, hij sloeg de man. Waar precies weet ik niet; ik voelde dat aan mijn hand die zijn mond vasthield. Ik voelde hem geluid maken, dat hij geslagen werd en dat [medeverdachte 1] dan weer vragen ging stellen. Dat was ook hetzelfde als [verdachte] terugkwam. Het was een hoop gedoe en we wisten alle drie niet meer goed wat we aan het doen waren.

Verbalisanten: Waarom ben jij naar het toilet gaan kijken en waarom niet [verdachte] of [medeverdachte 1] ? Jij bleef toch steeds bij de meneer zitten.

Verdachte: Misschien kreeg ik het idee dat zij steeds aan het zoeken waren en niets vonden en daarom moest ik maar eens gaan kijken. Mogelijk vond ik het wel. Ik zei houd hem vast en ik ben gaan kijken. Toen heb ik alles nagekeken waaronder de ventilatie. Daarna zag ik dat het hele huis was doorzocht. (...)

Verbalisanten: Waarom werd de meneer vastgebonden (het hof begrijpt: met tie-wraps om zijn polsen aan de radiator)?

Verdachte: Zodat hij de politie niet kon waarschuwen en wij meer tijd hadden om weg te

komen.

Raadsman: Is dat op dat moment ook door iemand gezegd van we binden hem vast omdat we willen voorkomen dat de politie snel gewaarschuwd wordt? Of is het gewoon logisch en is het niet uitgesproken?

Verdachte: We hadden het al bedacht voordat we het huis in gingen. Mogelijk hadden we

het er al over gehad in Duitsland. Mogelijk zijn om die reden de tie-wraps meegenomen.

Verbalisanten: Ze zeggen ook allebei dat jij met je knie op het hoofd/nek hebt gezeten van die meneer.

Verdachte: Dat kan wel kloppen ja. Er is wel een moment geweest dat ik mijn knie daar heb gehad maar niet heel de tijd. Ik weet zo niet meer op welk moment het is geweest, maar het klopt wel.

Aanvulling van de bewijsmiddelen

Naast de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen, met inachtneming van de hiervoor vermelde wijze waarop deze door het hof zijn verbeterd, komt de bewezenverklaring van feit 1 primair en feit 2 mede te berusten op:

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 3 september 2025, doorgenummerde pagina’s 1-30, voor zover inhoudende als verklaring van de [verdachte] :

(pagina 9)

Toen werd het slachtoffer gesleept naar de slaapkamer door [medeverdachte 1] . Hij sleepte het slachtoffer aan de benen naar de slaapkamer.

(pagina 10)

[medeverdachte 1] sleepte het slachtoffer weg in de richting van de slaapkamer, de kamer waar ik eerder naar het geld had gezocht. [medeverdachte 2] (het hof begrijpt: [medeverdachte 2]) bleef daar om de handen van het slachtoffer vast te maken.

U, voorzitter, vraagt mij hoe ik wist dat de handen van het slachtoffer werden vastgemaakt. Toen wij het huis verlieten, zag ik dat zijn handen met tie-wraps waren vastgebonden. Dat zag ik op het moment dat wij met de wijn naar buiten liepen. Ik zag alleen hoe de handen van het slachtoffer waren vastgebonden. Ik zag niet waaraan de handen waren vastgebonden.

(pagina 11)

Ondanks dat er wel geweld werd gepleegd door de anderen, ben ik verder gegaan met het zoeken naar geld, omdat er volgens [medeverdachte 1] meer geld moest zijn.

(pagina 12)

Ik draaide mij om en ik zag toen dat [medeverdachte 2] de handen van het slachtoffer ging vastmaken. (...) Op het moment van weggaan zag ik hem de handen van het slachtoffer vastmaken.

Verbetering van de bewijsoverwegingen

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep integrale vrijspraak van het onder 1 (primair en subsidiair) tenlastegelegde en partiële vrijspraak van het onder 2 tenlastegelegde bepleit. Daartoe is – zoals uitgebreid verwoord in de overgelegde pleitnota – aangevoerd dat de verdachte heeft verklaard dat hij, samen met de medeverdachten, naar de woning van het slachtoffer is gegaan om geld te stelen. Hij heeft daarbij zelf geen geweld gebruikt en heeft “met woorden” getracht de medeverdachten te laten stoppen met het uitoefenen van geweld jegens het slachtoffer. De verdachte heeft hierover van meet af aan – en bovendien als eerste van de drie verdachten én toen nog onder alle beperkingen – consistent en op géén moment tegenstrijdig verklaard, reden waarom zijn verklaringen als betrouwbaar dienen te worden aangemerkt. De verklaringen van de medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] dienen daarentegen als onbetrouwbaar ter zijde te worden geschoven.

Mocht het hof de verklaringen van de medeverdachte [medeverdachte 2] wel als betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs achten, dan dienen die verklaringen als ontlastend te worden beschouwd, dan wel als een bevestiging dat de rol van de verdachte wezenlijk anders is geweest dan die van de twee medeverdachten.

Voorts is aangevoerd dat de verdachte geen opzet heeft gehad op het van het leven beroven van het slachtoffer, maar alleen op het (samen met de medeverdachten) stelen van geld. De verdachte kan niet strafrechtelijk aansprakelijk worden gesteld voor het voor hem onverwachte en niet afgesproken geweld dat door de medeverdachten werd gepleegd, te meer nu hij hen daarop nog heeft aangesproken. De verdachte heeft geen wezenlijke bijdrage aan het geweld geleverd en het daarop aanspreken van de medeverdachten betekent dat bij de verdachte het (voorwaardelijk) opzet op de dood van het slachtoffer ontbrak en dat hij de kans op geweld juist niet had aanvaard. Nu geen sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking met de medeverdachten, dient de verdachte van het onder 1 (primair en subsidiair) tenlastegelegde te worden vrijgesproken.

Ook ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde feit is volgens de verdediging geen sprake van “dubbel opzet” bij de verdachte. Evenmin was sprake van een nauwe en bewuste samenwerking met de medeverdachten. Hoewel de verdachte het plegen van diefstal in vereniging heeft bekend, dient hij te worden vrijgesproken van de strafverzwarende bestanddelen “met geweld” en “terwijl het feit de dood ten gevolge heeft gehad”.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Hoewel het hof zich grotendeels kan vinden in de bewijsoverwegingen van de rechtbank, zoals opgenomen op pagina’s 18 tot en met 22 van het vonnis, zal het hof die overwegingen, vanwege de leesbaarheid daarvan en gelet op het door de verdediging gevoerde verweer ter terechtzitting in hoger beroep, opnieuw en op verbeterde wijze opnemen, als volgt.

Vaststelling op grond van de bewijsmiddelen

Gelet op de gebezigde bewijsmiddelen stelt het hof, met de rechtbank, vast dat de verdachte [verdachte] , samen met de medeverdachten [medeverdachte 1] (inmiddels overleden) en [medeverdachte 2] , in de nacht van 22 januari 2021 naar de woning van het [slachtoffer] in [plaats] is gegaan om geld te stelen. Het idee was afkomstig van medeverdachte [medeverdachte 1] , omdat hij eerder in de Bed & Breakfast van het slachtoffer heeft verbleven, hij destijds contant geld heeft betaald aan het slachtoffer en daarom dacht dat er geld te halen viel. De verdachten hebben tie-wraps meegenomen en ook gebruikt. Gelet daarop en gelet op het tijdstip van de woningoverval (ongeveer half 5 in de ochtend), hebben de verdachten er rekening mee gehouden dat het slachtoffer thuis zou zijn. Uit een op grond van camerabeelden gemaakte reconstructie blijkt dat de verdachten bijna een uur lang in de woning van het slachtoffer zijn geweest. Gedurende dat uur is zodanig veel hevig geweld op het slachtoffer toegepast, dat hij aan de gevolgen daarvan is komen te overlijden. Voorts kan worden vastgesteld dat de woning van het slachtoffer overhoop is gehaald en dat de verdachten geld en wijn hebben gestolen. Rond half zes in de ochtend hebben de drie verdachten gezamenlijk de woning verlaten en zijn zij in de auto weggereden, terwijl zij het slachtoffer zwaargewond en gekneveld achterlieten.

Uit het pathologieonderzoek blijkt dat alle letsels van het slachtoffer bij leven zijn ontstaan door de gevolgen van meervoudige stomp botsende en/of (samen)drukkende geweldpleging ter hoogte van zijn mond, hals en romp. Er was onder meer sprake van zeer veel en complexe breuken van de ribben, met een klaplong als gevolg. Het overlijden van het slachtoffer kan door de verschillende bij het onderzoek vastgestelde letsels worden verklaard. Dat de hartafwijkingen van het slachtoffer mogelijk het overlijden hebben versneld, maakt de conclusie dat de dood van het slachtoffer te verklaren is door – kort gezegd – de gevolgen van meervoudige en hevige geweldpleging, niet anders.

In de woning van het slachtoffer en aan zijn kleding is sporenonderzoek gedaan. Op de pyjama van het slachtoffer is DNA-materiaal van alle drie de verdachten aangetroffen. Op de tie-wraps die zijn gebruikt om het slachtoffer vast te binden is DNA-materiaal aangetroffen van de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Verder is DNA-materiaal van de medeverdachte [medeverdachte 1] op diverse plekken in de woning aangetroffen.

Met de rechtbank stelt het hof ten slotte vast dat uit het dossier aanwijzingen naar voren komen dat de verdachten ten tijde van het feit onder invloed waren van alcohol en verdovende middelen.

Verklaringen van de verdachten

Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft in zijn eerste verhoren ontkend dat hij in de woning van het

slachtoffer is geweest. In latere verhoren is hij hierop teruggekomen en heeft hij – kort samengevat – verklaard dat hij samen met de [verdachte] en de medeverdachte [medeverdachte 2] in de woning van het slachtoffer is geweest en dat hij overal in de woning heeft gezocht naar geld. [medeverdachte 1] heeft voorts verklaard dat hij zelf geen geweld heeft gepleegd tegen het slachtoffer, dat hij ook niet heeft gezien dat een van zijn medeverdachten geweld heeft gepleegd en dat hij evenmin heeft waargenomen dat het slachtoffer gekneveld in de woning is achtergelaten, omdat hij op dat moment al naar buiten was gelopen.

Net als de rechtbank (en zoals ook verzocht door de advocaat-generaal en de verdediging), schuift het hof deze grotendeels ontkennende verklaring van de medeverdachte [medeverdachte 1] als ongeloofwaardig ter zijde, nu deze geen steun vindt in de bewijsmiddelen en het hof het volstrekt onaannemelijk acht dat [medeverdachte 1] van de hevige en voortdurende geweldplegingen tegen het slachtoffer in het geheel niets zouden hebben gezien of gemerkt. Immers, uit de omvang en de ernst van de bij het slachtoffer aangetroffen letsels volgt dat zeer veel en hevig geweld tegen hem moet zijn gebruikt, terwijl de woning niet heel groot is, de verdachten bijna een uur lang binnen zijn geweest en daar heen en weer hebben gelopen in hun zoektocht naar geld. Dergelijk geweld kan dan niet onopgemerkt hebben plaatsgevonden.

Anders dan de rechtbank, acht het hof niet alleen de door de medeverdachte [medeverdachte 2] afgelegde verklaringen bruikbaar voor het bewijs, maar ook die van de verdachte [verdachte] , zij het dat het hof hun verklaringen op (onderling) verschillende onderdelen betrouwbaar acht. Het hof overweegt hiertoe als volgt.

Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft bij de politie in Litouwen in zijn eigen woorden en min of meer spontaan een verklaring afgelegd over de gebeurtenissen in de nacht van 22 januari 2021, zonder daarover al concreet te zijn bevraagd of te zijn geconfronteerd met de onderzoeksbevindingen. Deze verklaring is gedetailleerd en komt grotendeels overeen met de situatie ter plaatse, de onderzoeksbevindingen en het sporenbeeld. Bovendien heeft [medeverdachte 2] niet alleen zijn medeverdachten [verdachte] en [medeverdachte 1] belast, maar heeft hij ook een belastende verklaring over zichzelf afgelegd. Zo heeft hij erkend dat hij, samen met de verdachte [verdachte] , het slachtoffer direct bij binnenkomst naar binnen heeft geduwd, waarna ze hem met zijn tweeën naar de grond hebben gebracht en hem – wederom samen – met tie-wraps hebben vastgebonden. [medeverdachte 2] heeft verder erkend dat niet alleen de anderen, maar ook hijzelf het slachtoffer diverse malen heeft geslagen, dat hij herhaaldelijk en gedurende langere tijd diens mond heeft dichtgehouden en hem met zijn knie in de hals in bedwang heeft gehouden. Ook heeft hij verklaard dat hij de woning heeft verlaten, terwijl hij wist dat het slachtoffer vastgebonden lag aan de verwarming. Het feit dat [medeverdachte 2] niet alleen heeft verklaard over het aandeel van de anderen, maar dat hij ook heeft toegegeven zelf (fors) geweld tegen het slachtoffer te hebben gebruikt, maakt zijn verklaring in de ogen van het hof op deze onderdelen geloofwaardiger dan de verklaringen van de verdachte [verdachte] en de medeverdachte [medeverdachte 1] . Zij hebben immers beiden verklaard dat zij zelf in het geheel geen geweld hebben gebruikt en, in het geval van [medeverdachte 1] , zelfs dat hij van enige geweldpleging tegen het slachtoffer niets heeft gezien of zelfs maar heeft gemerkt.

De medeverdachte [medeverdachte 2] heeft echter ontkend dat hij degene is geweest die al dan niet samen met een van de medeverdachten het slachtoffer naar de verwarming heeft gesleept en aan de verwarmingsbuis heeft vastgebonden met een extra tie-wrap. De ontkenning van zijn aandeel in dit essentiële onderdeel in het gebeurde (het gekneveld achterlaten van een zeer zwaar mishandeld slachtoffer) en de omstandigheid dat zijn verklaring over de wijze waarop het slachtoffer door de anderen naar de verwarming zou zijn versleept niet past bij het sporenbeeld, terwijl zijn DNA op het slotje van die extra tie-wrap is aangetroffen, maken dit deel van zijn verklaring, naar het oordeel van het hof, minder betrouwbaar. Hoewel uit zijn verklaring wel volgt dat het slachtoffer naar de hal is versleept en is vastgebonden aan de verwarmingsbuis, gaat het hof op dit onderdeel – voor wat betreft de details – dan ook uit van de verklaring van de verdachte [verdachte] .

De verdachte [verdachte] heeft, ten aanzien van het verslepen en het vastbinden van het slachtoffer, verklaard dat hij heeft gezien dat medeverdachte [medeverdachte 1] het slachtoffer vanuit de woonkamer aan de benen naar de verwarming in de hal heeft gesleept en dat medeverdachte [medeverdachte 2] het slachtoffer vervolgens heeft vastgebonden. Hij heeft niet gezien waaraan het slachtoffer werd vastgebonden, maar wist bij het verlaten van de woning wel dat [medeverdachte 2] de handen van het slachtoffer had vastgemaakt. Naar het oordeel van het hof past deze verklaring beter bij de objectieve bewijsmiddelen, waaronder met name het aangetroffen sporenbeeld maar bovendien ook de positie waarin het slachtoffer is aangetroffen, dan de verklaring van de medeverdachte [medeverdachte 2] hierover. Het hof acht dit onderdeel van zijn verklaring dan ook betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs.

Voorts heeft de verdachte [verdachte] verklaard dat hij zelf geen geweld heeft gepleegd, dat hij het door de medeverdachten gepleegde geweld wel heeft waargenomen, maar dat hij “met woorden” heeft getracht dit te laten stoppen. Het hof acht dit onderdeel van zijn verklaring ongeloofwaardig. Hoewel het hof met de verdediging van oordeel is dat de verdachte hierover van meet af aan consistent heeft verklaard, betekent dat niet per definitie dat de verdachte hierover ook naar waarheid heeft verklaard. Overigens, zelfs als de verdachte inderdaad tegen de medeverdachten zou hebben gezegd dat zij moesten stoppen met het plegen van geweld – hetgeen zij vervolgens niet hebben gedaan – volgt uit zijn eigen verklaring dat de verdachte desondanks is doorgegaan met het zoeken naar geld en dat hij zich niet heeft gedistantieerd. Zoals hiervoor overwogen, acht het hof de verklaringen van de medeverdachte [medeverdachte 2] op dit onderdeel geloofwaardiger en uit zijn verklaringen volgt dat óók de verdachte aanzienlijk geweld jegens het slachtoffer heeft gepleegd.

Op grond van de voor het bewijs gebezigde verklaringen van de verdachte [verdachte] en de medeverdachte [medeverdachte 2] , in onderling verband en samenhang bezien, gaat het hof ervan uit dat de verdachte [verdachte] het slachtoffer, direct na binnenkomst in de woning, samen met de medeverdachte [medeverdachte 2] heeft overmeesterd, neergeslagen en gekneveld. Het hof gaat er verder van uit dat alle drie de verdachten hierna – ongeveer een uur lang – het huis hebben doorzocht en tegelijkertijd zijn doorgegaan met het slachtoffer op allerlei manieren (waaronder slaan en schoppen) ernstig te mishandelen. Vervolgens is het slachtoffer door medeverdachte [medeverdachte 1] vanuit de woonkamer aan zijn benen naar de verwarming in de gang gesleept en door [medeverdachte 2] aan de verwarmingsbuis vastgebonden met een extra tie-wrap. Daarna hebben de verdachten de woning verlaten en zijn zij gezamenlijk met de auto en de buit (geld en flessen wijn) vertrokken. Uit de bewijsmiddelen volgt bovendien dat van tevoren al was besproken dat het slachtoffer vastgebonden zou worden achtergelaten, zodat hij de politie niet kon waarschuwen en de verdachten meer tijd hadden om weg te komen.

Medeplegen

Voor een bewezenverklaring van medeplegen moet sprake zijn van een voldoende nauwe en

bewuste samenwerking tussen de betrokken personen, gericht op de totstandkoming van het

delict. Het accent ligt daarbij op de samenwerking en minder op de vraag wie welke

feitelijkheden heeft verricht. De bijdrage aan het delict dient van voldoende intellectueel of

materieel gewicht te zijn.

Het hof is, met de rechtbank, van oordeel dat uit het handelen van de drie verdachten die nacht een nauwe en bewuste samenwerking valt af te leiden. De verdachten zijn tezamen naar de woning van het slachtoffer gereden om een woningoverval te plegen. Vooraf werd onderling afgesproken dat op de deur geklopt moest worden, naar binnen gegaan moest worden en vervolgens de bewoner moest worden overmeesterd en vastgebonden. De verdachten zijn die nacht – geheel volgens plan – de woning binnengegaan en hebben direct het slachtoffer naar de grond gebracht en vastgebonden met de meegebrachte tie-wraps.

Hoewel op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld wie op welke wijze elk afzonderlijk letsel aan het slachtoffer feitelijk heeft toegebracht, staat naar het oordeel van het hof vast dat alle drie de verdachten geweldshandelingen hebben gepleegd. Het slachtoffer is daarna versleept en vastgebonden aan een verwarmingsbuis, waarna de verdachten de woning met de buit hebben verlaten en gezamenlijk in de auto zijn weggereden. Geen van hen heeft zich op enig moment van de situatie gedistantieerd en ook niemand heeft de andere verdachten (daadwerkelijk) weerhouden van het toepassen van geweld of hulpdiensten ingeschakeld.

Dat het slachtoffer vastgebonden achtergelaten zou worden was ook onderdeel van het vooraf gemaakte plan van de verdachten, omdat hij de politie dan niet zou kunnen waarschuwen en de verdachten meer tijd zouden hebben om weg te komen.

Ten slotte volgt uit het dossier dat op de terugweg (een deel van) de wijn al werd gedronken en dat het geld is verdeeld tussen de verdachte [verdachte] en de medeverdachte [medeverdachte 1] . Met de rechtbank is het hof van oordeel dat uit het voorgaande blijkt dat de verdachten, al vanaf het moment dat zij onderweg waren naar de woning van het slachtoffer tot en met het moment van vertrek, nauw en bewust hebben samengewerkt. Het hof acht hen derhalve alle drie als medepleger verantwoordelijk voor de diefstal en het gepleegde dodelijke geweld.

Opzet

Vervolgens ziet het hof zich, net als de rechtbank, bij de beoordeling van feit 1 voor de vraag gesteld of de verdachten opzet hebben gehad op de dood van het slachtoffer.

Net als de rechtbank acht het hof niet bewezen dat de verdachten de bedoeling – in de zin van boos opzet – hebben gehad om het slachtoffer van het leven te beroven. Uit de afgelegde verklaringen en de overige bewijsmiddelen blijkt die intentie niet. Het doel van de verdachten was het plegen van een woningoverval en het stelen van geld.

De vraag die vervolgens door het hof moet worden beantwoord is of sprake was van opzet in voorwaardelijke zin. Daarvoor is vereist dat er een aanmerkelijke kans op de dood bestond en dat de verdachten deze kans bewust hebben aanvaard. Voor de vaststelling dat de verdachten zich willens en wetens hebben blootgesteld aan de kans dat het slachtoffer als gevolg van hun gezamenlijk handelen zou komen te overlijden, is niet alleen vereist dat de verdachten wetenschap hadden van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat zij die kans ten tijde van de gedraging bewust hebben aanvaard. De beantwoording van deze vraag hangt verder af van de feitelijke omstandigheden van het geval. Daarbij zijn de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht van belang. Het zal in ieder geval moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachten de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg hebben aanvaard.

Zoals hiervoor al is vastgesteld, zijn de verdachten in de nachtelijke uren naar de woning van het slachtoffer gegaan met de bedoeling een woningoverval te plegen en geld weg te nemen. De omstandigheid dat daarbij geweld zou worden gebruikt was voorzienbaar, nu door de verdachten bewust tie-wraps werden meegenomen om het slachtoffer, na overmeestering (hetgeen al gepaard gaat met geweld), daarmee te kunnen vastbinden. In de woning is vervolgens ook zeer veel en hevig geweld tegen het bejaarde, en daardoor kwetsbare, slachtoffer gebruikt. Hij is onder andere tegen zijn hoofd geslagen en geschopt, zijn mond is dichtgedrukt gehouden en er werd met een knie op zijn hoofd en hals gedrukt. Uit de letselinterpretatie volgt dat het op het slachtoffer toegepaste geweld bijzonder hevig is geweest. Het slachtoffer is vervolgens zwaar gewond en vastgebonden aan een verwarmingsbuis in zijn woning achtergelaten. Dat ook de verdachte [verdachte] op de hoogte was van de erbarmelijke toestand waarin het slachtoffer verkeerde, blijkt uit zijn uitlatingen, gedaan tijdens een telefoongesprek met zijn vriendin, dat hij een persoon “in coma heeft achtergelaten”. De verdachten zijn vertrokken zonder dat iemand van hen zich nog om het slachtoffer heeft bekommerd of hulpdiensten heeft ingeschakeld. De kans dat het slachtoffer door deze gedragingen van de verdachten zou komen te overlijden is naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk te achten. Dat de mond van het slachtoffer niet met tape is dichtgeplakt, dat de verdachte [medeverdachte 2] hem (waar mogelijk) ademruimte heeft gegeven, dat sprake was van reeds bestaande ziekelijke afwijkingen aan het hart en dat geen wapens zijn gebruikt, zoals door de verdediging naar voren is gebracht, maken dat niet anders, te meer nu voor de verdachten duidelijk was dat het slachtoffer – ondanks dat hij tegenstribbelde – een kwetsbare bejaarde man was. Naar het oordeel van het hof hebben de verdachten de kans dat het slachtoffer door het hevige geweld zou komen te overlijden ook bewust aanvaard door hem in de vroege ochtend, zwaar gewond en vastgebonden, en daardoor niet in staat om alarm te slaan of hulp in te roepen, in de woning achter te laten. Het samenstel van de gedragingen van de verdachten is naar de uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht geweest op de dood van het slachtoffer dat het – behoudens contra-indicaties, die niet aannemelijk zijn geworden – niet anders kan zijn dan dat de verdachten de aanmerkelijke kans op diens dood bewust hebben aanvaard. Gelet op het voorgaande is het hof, met de rechtbank, van oordeel dat bij de verdachten sprake is geweest van voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer.

Tussenconclusie

Nu de verdachten kunnen worden aangemerkt als medeplegers en zij voorwaardelijk opzet

hebben gehad op de dood van het slachtoffer, hebben zij zich alle drie schuldig gemaakt aan

het medeplegen van doodslag.

Gekwalificeerde doodslag

De vraag die vervolgens aan de orde is, is of verdachten de doodslag hebben gepleegd onder

strafverzwarende omstandigheden zoals bedoeld in artikel 288 van het Wetboek van

Strafrecht. Met de rechtbank overweegt het hof daaromtrent als volgt.

Het hof stelt vast dat het geweld, waaraan het slachtoffer uiteindelijk is overleden, door de verdachten werd gepleegd met het oogmerk om de beroving van het slachtoffer mogelijk te maken, het bezit van het gestolene te verzekeren en er straffeloos vanaf te komen. Uit het dossier blijkt immers dat de woning uitgebreid is doorzocht en dat er daadwerkelijk geld en flessen wijn zijn weggenomen. Uit de verklaringen van de medeverdachte [medeverdachte 2] blijkt voorts dat het uitoefenen van het geweld als doel had om de woning te kunnen doorzoeken (o.a. het vasthouden en tegen de grond geduwd houden van het slachtoffer), om erachter te komen waar het geld zou liggen (o.a. het slaan en het schoppen van het slachtoffer) en om tijd te hebben om weg te kunnen komen (o.a. het aan de verwarming vastbinden van het slachtoffer). Met de rechtbank is het hof dan ook van oordeel dat de doodslag in onmiddellijk verband staat met de gepleegde diefstal.

Eindconclusie over het bewijs

Gelet op het voorgaande, acht het hof het onder 1 primair tenlastegelegde feit – het medeplegen van gekwalificeerde doodslag – ten aanzien van alle drie de verdachten wettig en overtuigend bewezen. Eveneens kan feit 2 – de diefstal met geweld, in vereniging gepleegd, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft gehad – wettig en overtuigend worden bewezenverklaard. Het hof bevestigt derhalve de eindconclusie van de rechtbank over het bewijs.

Het hof is van oordeel dat de door de verdediging gevoerde verweren hun weerlegging vinden in de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien met de bewijsoverwegingen.

Op te leggen sanctie

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

De verdachte heeft zich samen met zijn twee medeverdachten schuldig gemaakt aan een

gekwalificeerde doodslag. Midden in de nacht van 22 januari 2021 is hij samen met de medeverdachten vanuit Duitsland naar [plaats] gereden met het plan om [slachtoffer] – een alleenstaande bejaarde man van 73 jaar – in zijn woning te overvallen en contant geld te stelen. De verdachten wisten dat het slachtoffer naar alle waarschijnlijkheid thuis zou zijn en dat hij in bedwang gehouden moest worden. De verdachten hebben het kwetsbare slachtoffer zwaar toegetakeld en in hulpeloze en mensonterende toestand, met

tie-wraps vastgebonden aan een verwarmingsbuis, in zijn woning achtergelaten. Bij het verlaten van de woning hebben de verdachten geld en een aantal flessen wijn meegenomen.

De wijze waarop de verdachten het slachtoffer hebben mishandeld, enkel en alleen voor financieel gewin, getuigt van een volkomen gebrek aan respect voor de waarde van het leven van een medemens en is beestachtig en gruwelijk te noemen. Het slachtoffer moet onbeschrijfelijk veel angst, pijn en machteloosheid hebben ervaren in de momenten voorafgaand aan zijn overlijden. De zucht naar geld van de verdachten heeft het slachtoffer het meest kostbare bezit – zijn leven – gekost. Door hun daad hebben zij ook de nabestaanden onherstelbaar leed en verdriet toegebracht. In hun slachtofferverklaringen hebben de nabestaanden invoelbaar hun afschuw, verdriet en onbegrip geuit ten aanzien van het zeer gewelddadige handelen van de verdachten jegens hun broer en oom, enkel en alleen vanwege “een paar rotcenten”. Daarnaast veroorzaakt een delict als het onderhavige grote maatschappelijke onrust en leidt het tot een toename van gevoelens van angst en onveiligheid onder burgers, zeker onder kwetsbare alleenwonende ouderen.

Hoewel de verdachte enige openheid van zaken heeft gegeven, vindt het hof het, net als de rechtbank, kwalijk dat de verdachte voor wat betreft het jegens het slachtoffer gepleegde geweld geen verantwoordelijkheid neemt en enkel naar zijn medeverdachten wijst. Het ontkennen van elke betrokkenheid bij en verantwoordelijkheid voor de dood van het slachtoffer doet bovendien afbreuk aan de waarde die kan worden gehecht aan het door de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep getoonde berouw.

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de bewezenverklaarde feiten in eendaadse samenloop zijn gepleegd. Derhalve wordt de zwaarste toepasselijke strafbepaling, te weten die voor een gekwalificeerde doodslag, toegepast, voor welk feit dezelfde maximale strafmaat geldt als voor moord. Dat de verdachte niet de woning van het slachtoffer is binnengedrongen met de (volle) intentie om het slachtoffer te doden, maakt dat niet anders, omdat opzet op de dood van het slachtoffer inherent is aan het bewezenverklaarde feit.

Gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde, kan dan ook niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Het hof heeft bij het bepalen van de duur van die gevangenisstraf ook acht geslagen op rechterlijke uitspraken van de gerechtshoven uit de laatste jaren in zaken betreffende gekwalificeerde doodslag die qua aard en ernst met het onderhavige geval ‘grosso modo’ vergelijkbaar zijn.

Het hof heeft voorts rekening gehouden met de omstandigheid dat de verdachte, blijkens een hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 16 februari 2026, in Nederland niet eerder ter zake van soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld. Uit een zich in het dossier bevindend ECRIS uittreksel d.d. 14 juli 2021 volgt evenwel dat de verdachte in 2010 in Denemarken onherroepelijk is veroordeeld ter zake van diefstal met geweld en ter zake van diefstal. Het hof weegt deze twee veroordelingen in strafverzwarende zin mee.

Ten slotte heeft het hof acht geslagen op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan uit het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.

Door en namens de verdachte is naar voren gebracht dat hij het zwaar heeft in de gevangenis en dat “de nachtmerrie” van wat er in deze zaak is gebeurd in zijn hoofd blijft zitten. Dit volgt ook uit de zich in het dossier bevindende Pro Justitia rapportage d.d. 22 juni 2021. De psycholoog die de verdachte heeft onderzocht heeft bij hem een depressieve stoornis, een stoornis in middelengebruik en een persoonlijkheidsstoornis met antisociale trekken geconstateerd, ook ten tijde van het bewezenverklaarde. De psycholoog is echter van oordeel dat sprake is van een beperkt verband tussen de geconstateerde psychische problematiek en het onder 2 bewezenverklaarde feit. De verdachte moet volgens de psycholoog in staat geacht worden om de wederrechtelijkheid van dit feit in te kunnen zien. Hij kan tevens in staat geacht worden om overeenkomstig voornoemd inzicht te handelen en er van af te zien. Derhalve wordt geadviseerd om dit feit de verdachte volledig toe te rekenen. Omdat de verdachte het onder 1 bewezenverklaarde ontkent, heeft de psycholoog zich onthouden van het doen van een uitspraak van de mate waarin dit feit aan de verdachte zou kunnen worden toegerekend.

Het hof neemt de bevindingen van de psycholoog over en maakt deze tot de zijne. Het hof is van oordeel dat de verdachte ook ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde volledig toerekeningsvatbaar kan worden geacht. Aanknopingspunten om voor wat betreft dit feit anders te oordelen over de toerekenbaarheid dan met betrekking tot het onder 2 bewezenverklaarde feit ontbreken.

Ten slotte heeft de psycholoog opgemerkt dat een behandeling van de problematiek van de verdachte is geïndiceerd. Uit het reclasseringsrapport van 19 januari 2022 volgt dat de inhoud van die behandeling, in geval van een lange onvoorwaardelijk gevangenisstraf, in een later stadium, in het kader van een detentie en re-integratieplan, nader kan worden onderzocht.

Anders dan de rechtbank heeft het hof bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf geen rekening gehouden met de huidige v.i.-regeling (voorwaardelijke invrijheidsstelling). Nog behoudens de vraag of de verdachte – als vreemdeling zonder rechtmatig verblijf in Nederland – daarvoor in aanmerking komt en afgezien van een mogelijke overdracht van de strafexecutie aan Litouwen, is het hof van oordeel dat het voor alle gedetineerden in Nederland onzeker is wat een opgelegde gevangenisstraf netto betekent, nu bij de beslissing over het verlenen van een voorwaardelijke invrijheidsstelling bepaalde aspecten (zoals geschiktheid van het gedrag, risico’s en belangen van derden) worden betrokken. Met de v.i.-regeling wordt derhalve niet in strafmatigende (of verhogende) zin rekening gehouden.

Alles afwegende, is het hof – anders dan de advocaat-generaal – van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 17 jaren, met aftrek van voorarrest, in dit geval passend en geboden is. De door de rechtbank opgelegde strafduur (15 jaren) en in nog veel grotere mate hetgeen door de verdediging is verzocht (een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf) doen onvoldoende recht aan de aard en ernst van het bewezenverklaarde, zodat het hof daaraan voorbij gaat.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de

penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte – indien van toepassing –voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

Redelijke termijn

Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn strafzaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Gelet op de tot op heden voortdurende voorlopige hechtenis van de verdachte, bedraagt die termijn in een geval als dit 16 maanden per instantie. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van strafvervolging zou moeten leven.

In de onderhavige zaak kan worden vastgesteld dat de redelijke termijn voor berechting zowel in eerste aanleg als in hoger beroep is overschreden. Immers, de redelijke termijn is in eerste aanleg aangevangen op 11 maart 2021, de dag waarop de verdachte in verzekering is gesteld, en de rechtbank heeft vonnis gewezen op 29 juli 2022. De behandeling in eerste aanleg is derhalve (net) niet afgerond met een eindvonnis binnen 16 maanden na de aanvang van de hiervoor genoemde termijn. In eerste aanleg is aldus sprake van een overschrijding van de redelijke termijn met 18 dagen. Namens de verdachte is vervolgens op 2 augustus 2022 hoger beroep ingesteld, terwijl het hof op 13 mei 2026 arrest wijst. De redelijke termijn in hoger beroep is daarmee met ruim 29 maanden overschreden.

Het hof acht geen (zodanig) bijzondere omstandigheden aanwezig die voornoemde overschrijdingen rechtvaardigen. Er is dan ook in twee instanties sprake van een overschrijding van de redelijke termijn voor berechting, als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. Het hof is van oordeel dat dit dient te worden verdisconteerd in de aan de verdachte op te leggen straf.

Zonder schending van de redelijke termijn in eerste aanleg en in hoger beroep zou, zoals hiervoor overwogen, naar het oordeel van het hof een gevangenisstraf voor de duur van 17 jaren, met aftrek van voorarrest, passend zijn geweest. Nu de redelijke termijn fors is geschonden, zal worden volstaan met het opleggen van een gevangenisstraf voor de duur van 16 jaren, met aftrek van voorarrest.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

De benadeelde partij [benadeelde partij 1] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een totaalbedrag van € 12.204,92 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Deze vordering is opgebouwd uit de navolgende schadeposten:

Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep tot een totaalbedrag van € 6.631,93 toegewezen (te weten, ten aanzien van de eerste twee schadeposten). De rechtbank heeft de benadeelde partij voor het overige in de vordering niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering, zodat de vordering in hoger beroep strekt tot het oorspronkelijk gevorderde bedrag van € 12.204,92 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes bewezenverklaarde handelen rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot een totaalbedrag van € 6.631,93. Het hof overweegt daartoe als volgt.

Materiële schade

Door de benadeelde partij is verzocht om vergoeding van de door haar gemaakte kosten van de uitvaart van haar broer, het slachtoffer [slachtoffer] , te weten de verzorging van de uitvaart (totaal € 6.406,93) en de uitvaartbegeleiding (€ 225,00). Het hof is, met de rechtbank en de advocaat-generaal, van oordeel dat deze twee schadeposten voldoende zijn onderbouwd en het rechtstreekse gevolg zijn van de bewezenverklaarde feiten. Deze schade is bovendien door de verdediging niet betwist. Daarmee komt een bedrag van € 6.631,93 voor vergoeding in aanmerking.

Voorts heeft de benadeelde partij verzocht om vergoeding van een bedrag van € 4.768,88 ter zake van het door de verdachte en de medeverdachten uit de woning van het slachtoffer gestolen contante geld. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de gemachtigde van de benadeelde partij gesteld dat de vordering tot vergoeding van deze schade onder algemene titel is overgegaan, omdat zij een van de erfgenamen van het slachtoffer is, maar heeft dit niet met stukken onderbouwd. Ook in hoger beroep zijn daartoe geen stukken ter onderbouwing overgelegd. Naar het oordeel van het hof zou het alsnog verrichten van nader onderzoek hiernaar een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. Het hof zal de vordering daarom op dit onderdeel reeds hierom niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Ten slotte is verzocht om vergoeding van de kosten van de loodgieter die op 7 oktober 2021, 17 november 2021 en 22 december 2021 werkzaamheden heeft verricht in de woning van het slachtoffer. Het gaat daarbij om een door de benadeelde partij betaalde factuur van

€ 804,11. Het hof is, met de rechtbank en de advocaat-generaal, van oordeel dat door de benadeelde partij onvoldoende is onderbouwd dat sprake is van rechtstreeks door de bewezenverklaarde feiten toegebrachte schade. Het hof zal daarom bepalen dat de benadeelde partij in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk is.

Resumé

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes bewezenverklaarde handelen rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot een totaalbedrag van € 6.631,93. De verdachte is hoofdelijk tot vergoeding van deze schade gehouden, zodat de vordering tot dit bedrag toewijsbaar is, met vermeerdering met de wettelijke rente met ingang van de dag van het ontstaan van de schade. Het hof zal daarbij, anders dan de rechtbank, uitgaan van de datum van het indienen van de factuur van de uitvaartverzorging (het hoogste schadebedrag), te weten: 6 maart 2021.

Het hof zal de verdachte, die als de in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, tevens veroordelen in de proceskosten aan de zijde van de benadeelde partij, ten tijde van het wijzen van dit arrest begroot op nihil. Voorts zal de verdachte worden veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging van dit arrest door de benadeelde partij nog te maken kosten.

Voor het overige kan ofwel de vordering ofwel de benadeelde partij niet in de vordering worden ontvangen. Zij kan haar vordering in zoverre slechts nog bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde partij 1] is toegebracht tot een totaalbedrag van € 6.631,93. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte hoofdelijk de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 maart 2021 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

De benadeelde partij [benadeelde partij 2] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een totaalbedrag van € 8.179,82. Dit bedrag bestaat uit

€ 679,82 aan materiële schade, opgebouwd uit de navolgende posten:

alsmede € 7.500,00 aan immateriële schade, telkens te vermeerderen met de wettelijke rente.

Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep tot een totaalbedrag van € 5.679,82 toegewezen, te weten een bedrag van € 679,82 aan materiële schade en € 5.000,00 aan immateriële schade. De rechtbank heeft de benadeelde partij voor het overige in de vordering niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering, zodat de vordering in hoger beroep strekt tot het oorspronkelijk gevorderde bedrag van € 8.179,82 aan materiële en immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes bewezenverklaarde handelen rechtstreeks materiële en immateriële schade heeft geleden tot het gevorderde totaalbedrag van € 8.179,82. Het hof overweegt daartoe als volgt.

Materiële schade

Door de benadeelde partij is verzocht om vergoeding van reiskosten naar de huisarts,

de psycholoog en de bedrijfsarts (in totaal € 163,28), de kosten van medicatie (€ 44,97), vergoeding van het eigen risico (€ 385,00) en het opvragen van medische informatie

(€ 86,57). Het hof is, met de rechtbank en de advocaat-generaal, van oordeel dat deze schadeposten voldoende zijn onderbouwd en het rechtstreekse gevolg zijn van de bewezenverklaarde feiten. Deze schade is bovendien door de verdediging niet betwist. Daarmee komt een totaalbedrag van € 679,82 aan materiële schade voor vergoeding in aanmerking.

Immateriële schade

De benadeelde partij heeft gesteld dat zij shockschade heeft geleden, omdat zij haar oom, het slachtoffer [slachtoffer] , op 23 januari 2021 dood in zijn woning heeft aangetroffen en daarbij werd geconfronteerd met de gruwelijke wijze waarop hij om het leven is gebracht. De benadeelde partij heeft hierdoor een acute stressstoornis opgelopen (DSM 5: 308.3) en heeft verwerkingsgerichte interventies in de vorm van EMDR-therapie en exposurestrategieën ondergaan.

Het hof overweegt in de eerste plaats dat shockschade immateriële schade is van degene bij wie door het waarnemen van een, aan onrechtmatig handelen van de veroorzaker toe te rekenen, gebeurtenis of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan, een hevige emotionele schok wordt teweeggebracht, waaruit geestelijk letsel voortvloeit. Deze immateriële schade kan op grond van het bepaalde in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek voor vergoeding in aanmerking komen. De Hoge Raad heeft in diverse uitspraken bepaald welke eisen gelden om aan te kunnen nemen dat sprake is van een onrechtmatige daad die verplicht tot vergoeding van deze vorm van schade.

Vergoeding van shockschade kan plaatsvinden als bij de benadeelde partij een hevige

emotionele schok wordt teweeggebracht door het waarnemen van het tenlastegelegde of

door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan. Uit die emotionele schok dient

vervolgens geestelijk letsel te zijn voortgevloeid. Dat zal zich met name kunnen voordoen

als de benadeelde partij en het slachtoffer een nauwe affectieve relatie hadden en het

slachtoffer bij het tenlastegelegde is gedood of verwond. Voor vergoeding van deze schade

is dan wel vereist dat het bestaan van geestelijk letsel, waardoor iemand in zijn persoon is

aangetast, in rechte kan worden vastgesteld. Dat zal in het algemeen slechts het geval zijn

als sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld.

De hoogte van de geleden shockschade dient te worden vastgesteld naar billijkheid met

inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de ernst van het aan de

verdachte te maken verwijt, de aard van het letsel, de ernst van het letsel (waaronder de duur

en de intensiteit), de verwachting ten aanzien van het herstel en de leeftijd van de

benadeelde partij. Voorts dient de rechter bij de begroting, indien mogelijk, te letten op de

bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.

Het hof overweegt hiertoe dat de benadeelde partij is geconfronteerd met het misdrijf

waarbij haar oom op gruwelijke wijze om het leven is gebracht en dat als gevolg daarvan

sprake is van een ziektebeeld dat in de psychiatrie erkend is. Voor het aannemen van het

bestaan van een dergelijk ziektebeeld is geen verklaring van een psychiater vereist, maar

kan ook worden volstaan met de verklaring van een GZ- of klinisch psycholoog. In dit geval

is een verklaring van een GZ-psycholoog waarin de diagnose acute stressstoornis is gesteld,

overgelegd. Anders dan de rechtbank, maar met de advocaat-generaal, en rekening houdend met in andere gevallen toegewezen schadebedragen en richtlijnen (zoals de Rotterdamse Schaal), acht het hof toewijzing van het gevorderde bedrag van € 7.500,00 in dit geval billijk. Bovendien heeft de verdediging deze schade niet betwist.

Resumé

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes bewezenverklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot een totaalbedrag van (€ 679,82 + € 7.500,00 =) € 8.179,82. De verdachte is hoofdelijk tot vergoeding van deze schade gehouden, zodat de vordering tot dit bedrag toewijsbaar is, met vermeerdering met de wettelijke rente met ingang van de dag van het ontstaan van de schade. Het hof zal daarbij, anders dan de rechtbank, ten aanzien van de materiële schade uitgaan van de datum van het indienen van de vordering, te weten: 24 mei 2022. Ten aanzien van de immateriële schade gaat het hof, net als de rechtbank, uit van de pleegdatum, te weten: 22 januari 2021.

Het hof zal de verdachte, die als de in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, tevens veroordelen in de proceskosten aan de zijde van de benadeelde partij, ten tijde van het wijzen van dit arrest begroot op nihil. Voorts zal de verdachte worden veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging van dit arrest door de benadeelde partij nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde partij 2] is toegebracht tot een totaalbedrag van € 8.179,82. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte hoofdelijk de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade (respectievelijk 24 mei 2022 en 22 januari 2021) tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 47, 55, 63, 288 en 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en de beslissing op de vorderingen van de benadeelde partijen en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 (zestien) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 6.631,93 (zesduizend zeshonderdeenendertig euro en drieënnegentig cent) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk voor zover deze ziet op de post “gestolen contant geld” (ad € 4.768,88) en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre deze vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte hoofdelijk de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 1] , ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 6.631,93 (zesduizend zeshonderdeenendertig euro en drieënnegentig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 58 (achtenvijftig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 6 maart 2021.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 8.179,82 (achtduizend honderdnegenenzeventig euro en tweeëntachtig cent), bestaande uit € 679,82 (zeshonderdnegenenzeventig euro en tweeëntachtig cent) materiële schade en

€ 7.500,00 (zevenduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte hoofdelijk de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 2] , ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 8.179,82 (achtduizend honderdnegenenzeventig euro en tweeëntachtig cent), bestaande uit € 679,82 (zeshonderdnegenenzeventig euro en tweeëntachtig cent) materiële schade en € 7.500,00 (zevenduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 65 (vijfenzestig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdata van de wettelijke rente voor de materiële schade op 24 mei 2022 en van de immateriële schade op 22 januari 2021.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Aldus gewezen door:

mr. G.J. Hanssen, voorzitter,

mr. T. van de Woestijne en mr. Y.G.M. Baaijens-van Geloven, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. N.S. Willems Ettori-Oort, griffier,

en op 13 mei 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. G.J. Hanssen
  • mr. T. van de Woestijne
  • mr. Y.G.M. Baaijens-van Geloven

Griffier

  • mr. N.S. Willems Ettori-Oort

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand