Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 29 juli 2022, in de strafzaak met parketnummer 01-068853-21 tegen:
[verdachte] ,
in eendaadse samenloop gepleegd met
geboren te [geboorteplaats] [in het jaar] 1984,
bij leven gewoond hebbende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte door de rechtbank ter zake van:
medeplegen van doodslag, vergezeld van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden, gemakkelijk te maken en bij betrapping op heter daad, aan zichzelf of andere deelnemers aan dat feit hetzij straffeloosheid hetzij het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren (feit 1 primair),
diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, die diefstal gemakkelijk te maken en bij betrapping op heter daad, aan zichzelf of andere deelnemers van het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en terwijl het feit de dood ten gevolge heeft (feit 2),
veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de rechtbank de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] tot een totaalbedrag van € 6.631,93 hoofdelijk toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige is de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk verklaard. De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] is door de rechtbank tot een totaalbedrag van € 5.679,82 hoofdelijk toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige is de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk verklaard. Voorts is met betrekking tot deze beide vorderingen een proceskostenveroordeling uitgesproken.
Namens de verdachte is op 2 augustus 2022 tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep.
Het hof heeft kennisgenomen van hetgeen door de raadsman bij e-mailbericht d.d. 27 februari 2026 naar voren is gebracht en van de vordering van de advocaat-generaal, zoals gedaan ter terechtzitting van 8 april 2026.
De raadsman heeft het hof bij voornoemd e-mailbericht op de hoogte gesteld van de omstandigheid dat de verdachte op 2 februari 2026 is overleden, hetgeen dient te leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de strafvervolging.
De vordering van de advocaat-generaal van 8 april 2026 strekt, gelet op het overlijden van de verdachte, eveneens tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de strafvervolging.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.
Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie
Volgens artikel 69 van het Wetboek van Strafrecht komt het recht tot strafvordering te vervallen door de dood van de verdachte. Uit de gedingstukken, in het bijzonder een de verdachte betreffende akte van overlijden d.d. 4 februari 2026, volgt dat de verdachte op
2 februari 2026 te [plaats] is overleden.
Gelet hierop dient, na vernietiging van het vonnis waarvan beroep, het Openbaar Ministerie alsnog niet-ontvankelijk te worden verklaard in de strafvervolging van de verdachte.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart het Openbaar Ministerie ter zake van het tenlastegelegde niet-ontvankelijk in de vervolging.
Aldus gewezen door:
mr. G.J. Hanssen, voorzitter,
mr. T. van de Woestijne en mr. Y.G.M. Baaijens-van Geloven, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. N.S. Willems Ettori-Oort, griffier,
en op 13 mei 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.