[betrokkene] ,
statutair gevestigd te [adres] .
Hoger beroep
Bij het vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 553.322,00 en aan de betrokkene een betalingsverplichting opgelegd voor datzelfde bedrag.
Namens de betrokkene is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de betrokkene naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal bevestigen.
De raadsman van de betrokkene heeft primair bepleit dat er geen sprake is van wederrechtelijk verkregen voordeel, waardoor het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk voordeel. Subsidiair is bepleit dat het wederrechtelijk verkregen voordeel op een lager bedrag dient te worden geschat en dat bij de op te leggen betalingsverplichting rekening dient te worden gehouden met de beperkte draagkracht van de rechtspersoon.
Vonnis waarvan beroep
Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en opnieuw rechtdoen omdat het zich met het vonnis niet kan verenigen. Meer in het bijzonder komt het hof tot een andere geschatte omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Door het hof gebruikte bewijsmiddelen
Het hof baseert zijn oordeel dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen op de hierna te vermelden wettige bewijsmiddelen – waarnaar telkens in de voetnoten wordt verwezen – en ontleent aan de inhoud van die bewijsmiddelen tevens de schatting van de omvang van bedoeld voordeel.
Schatting van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Het standpunt van de verdediging
De raadsman van de betrokkene heeft primair bepleit dat er geen sprake is van wederrechtelijk verkregen voordeel, nu er geen sprake is van strafbare feiten, althans van stafbare feiten die wederrechtelijk verkregen voordeel hebben gegenereerd. In de hoofdzaak is door de verdediging immers bepleit dat de betrokkene dient te worden vrijgesproken van het onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde. Gelet daarop dient het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk voordeel.
Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat het wederrechtelijk verkregen voordeel op een lager bedrag dient te worden geschat, omdat de wijze van berekening in het rapport gemankeerd is. Het is onjuist om van de – in het boekhoudprogramma van [betrokkene] (hierna: [betrokkene]) per klant en per factuur op de productie berekende – brutomarge uit te gaan. Diverse kostenposten – waaronder personeelskosten, afschrijvingen en overige bedrijfskosten – moeten in de berekening worden meegenomen. Het klopt ook niet – anders dan het uitgangspunt in de door het Openbaar Ministerie voorgestane berekening – dat alle kosten van [betrokkene] werden doorberekend aan de klant. Daarnaast betrof de (vermeende illegale) productie van flammables zo’n 3 tot 5% van de gehele nettowinst. Het bedrag waarop in het rapport het wederrechtelijk verkregen voordeel is vastgesteld beslaat echter maar liefst 46% van de volledige winst van het bedrijf en dat leidt tot een disproportioneel aanrekenen van de gemaakte winst aan de beweerdelijk begane overtredingen en daarmee niet tot herstel van de rechtmatige situatie. Daarom dient het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld te worden op 3 tot 5% van de totale nettowinst in de periode vanaf 21 oktober 2014 tot en met februari 2018.
Ten slotte dient volgens de raadsman rekening te worden gehouden met de beperkte draagkracht van de rechtspersoon. Er vinden immers in [betrokkene] geen bedrijfsactiviteiten meer plaats en bijgevolg zijn er ook geen inkomsten meer. Ook dient rekening te worden gehouden met de schending van de redelijke termijn.
De veroordeling
De betrokkene is bij arrest van dit gerechtshof van heden, gewezen onder parketnummer 20-000684-22 veroordeeld tot een geldboete van € 130.000,00 voor het meermalen overtreden van artikel 28, zesde lid, van de Arbeidsomstandighedenwet (feit 1), voor het meermalen overtreden van artikel 6, eerste lid, tweede volzin, van de Arbeidsomstandighedenwet (feit 2 en feit 4) en het meermalen overtreden van artikel 8.40, eerste lid, van de Wet milieubeheer (feit 2), alsmede voor overtreding van artikel 2.3, aanhef en onder a, juncto artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (feit 3). De onderhavige ontnemingsvordering is aan deze strafzaak gelieerd.
De wettelijke grondslag
Het hof ontleent aan de inhoud van voormelde bewijsmiddelen het oordeel dat de betrokkene door middel van of uit de baten van het onder feit 1 bewezenverklaarde – te weten het in de periode van 21 oktober 2014 tot en met 28 februari 2018 overtreden van het bevel tot stillegging d.d. 22 juli 2014 gegeven door de Inspectie SZW, inhoudende dat er ten aanzien van producten die met lucht een gasexplosie kunnen veroorzaken geen afvul- en overslagwerkzaamheden mogen plaatsvinden in productiehal P1 in verband met ernstig gevaar voor personen – voordeel als bedoeld in artikel 36e, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, heeft verkregen.
Voorts ontleent het hof aan de inhoud van voormelde bewijsmiddelen het oordeel dat de betrokkene tevens door middel van of uit de baten van andere strafbare feiten, te weten het overtreden van voornoemd bevel tot stillegging in de periode van 22 juli 2014 tot 21 oktober 2014, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de betrokkene zijn begaan, tevens voordeel als bedoeld in artikel 36e, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, heeft verkregen.
De berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Opbrengst
Voor wat betreft de door de betrokkene verkregen opbrengst ziet het hof aanleiding om aan te sluiten bij de bevindingen in het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel. In dit rapport is gerelateerd dat het financiële onderzoek ten doel heeft een berekening te maken van het door de betrokkene verkregen wederrechtelijk verkregen voordeel over de periode van 22 juli 2014 tot 5 maart 2018.
Productie
De opbrengst is berekend op basis van de door [betrokkene] in rekening gebrachte en van hen ontvangen marge voor het produceren van producten met een vlampunt dat < 43°C of waarvan het eindproduct een vlampunt heeft dat hoger is dan 43°C of onbekend, maar waarbij een grondstof is gebruikt met een vlampunt dat < 43°C. Zoals in AMB-003-01 en AMB-009-01 beschreven, zijn dit de stoffen die zijn beschouwd in het dossier Kenosha. Hiermee heeft [betrokkene] het bevel tot stillegging overtreden.
Aan de hand van de naam van het product, het gewicht en de productiedatum is in de
fysieke administratie van [betrokkene] gezocht naar facturen van bovenstaande producten. In het
boekhoudprogramma van [betrokkene] zijn de verkoopfacturen per jaar, per klant opgenomen. Aan de hand van de naam van de klant, het factuurnummer en het totaalbedrag is de marge op de
productie achterhaald. In de overzichten ‘Handelingen met brandbare stoffen met een vlampunt < 43°C”, DOC-012-02 en DOC-012-03 is een kolom “Marge” toegevoegd. De in het boekhoudprogramma van [betrokkene] vermelde marge is overgenomen in het nieuwe overzicht.
Op de totalen met betrekking tot de hoeveelheden geproduceerde producten in kilogrammen en met betrekking tot de in rekening gebrachte marges brengt het hof in mindering de als nr. 1 in hierboven genoemd overzicht (DOC-020-01) geproduceerde hoeveelheid van 2366 kg “Cliqsperse CA” met daarbij behorende marge van € 1.130,61 aangezien deze productie gelet op de datering (17 juli 2014) heeft plaatsgevonden voordat het bevel tot “stillegging” werd gegeven (22 juli 2014).
In het geval dat op de factuur meerdere producten zijn gefactureerd, is de marge verdeeld over de producten. Omdat niet van alle jaren de verkoopfacturen in beslag zijn genomen, is voor de ontbrekende facturen gekeken naar de marge per kilo op het product in het voorgaande jaar en is deze vermenigvuldigd met het geproduceerde aantal kilo’s.
Van de producten Glasreiniger, Witbreak GT-705 en Cetepox 1680 H X 90 is geen factuur en/of marge gevonden. Het betreft 7 producties voor 9531 kilo. In het voordeel van de betrokkene zijn deze producties niet in de berekening meegenomen.
De opbrengst van de productie is aldus berekend op basis van de door [betrokkene] ontvangen marge voor het produceren van producten met een vlampunt dat < 43°C of waarvan het eindproduct een vlampunt heeft dat hoger is dan 43°C of onbekend, maar waarbij een grondstof is gebruikt met een vlampunt dat < 43°C. Over de periode van 22 juli 2014 tot 5 maart 2018 heeft [betrokkene] 1.656.830 kilo (1.659.196 minus 2366 kilo) geproduceerd en afgerond naar beneden een marge ontvangen van € 548.205,00 (€ 549.336,00 minus € 1.130,61).
Ompakken
Van de omgepakte producten met een vlampunt < 43°C is aan de hand van de besteedbare tijd voor het ompakken en/of de naam van de klant en het factuurnummer op de verkoopfactuur, het boekhoudprogramma van [betrokkene] geraadpleegd. In het overzicht “Ompakhandelingen met brandbare stoffen met een vlampunt < 43°C” is een kolom “Marge” toegevoegd (zie DOC-012-04). De in het boekhoudprogramma van [betrokkene] vermelde marge is overgenomen in het nieuwe overzicht.
Omdat niet van alle jaren de verkoopfacturen in beslag zijn genomen is op de productiebonnen gekeken naar de besteedbare tijd voor het ompakken. In de facturen stond dat [betrokkene] over de gehele onderzoeksperiode voor het ompakken van producten per 15 minuten een bedrag van € 15,00 in rekening bracht. De besteedbare tijd is vermenigvuldigd met € 15,00 en vermeld in de kolom “Marge”.
Van de geel gearceerde ompakhandelingen in DOC-020-02 zijn geen facturen aangetroffen en was op de productiebon geen tijd vermeld. Het betreft elf ompakhandelingen voor 2.698 kilo. In het voordeel van de betrokkene zijn deze ompakhandelingen niet in de berekening meegenomen.
Aldus is de opbrengst van het ompakken berekend op basis van de door [betrokkene] ontvangen marge of aan de hand van de besteedbare tijd voor het ompakken van producten met
een vlampunt < 43°C. Over de periode van 22 juli 2014 tot 5 maart 2018 heeft [betrokkene] voor de ompakhandelingen van 26.004 kilo een marge ontvangen van € 3.986,00.
Totale opbrengst
Totaal heeft [betrokkene] een marge (opbrengst) ontvangen van € 552.191,00
(€ 548.205,00 + € 3.986,00).
Kosten
Het hof ziet aanleiding om ten aanzien van de gemaakte kosten met betrekking tot de productie van producten met een vlampunt < 43°C of die als eindproduct een vlampunt hebben dat hoger is dan 43°C of onbekend, maar waarbij een grondstof is gebruikt met een vlampunt < 43°C en de omgepakte producten met een vlampunt < 43°C aansluiting te zoeken bij de som der bedrijfskosten zoals opgenomen in de jaarrekeningen van de betrokkene. Daarbij gaat het hof ervan uit dat, zoals door de verdediging is gesteld en in het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel is gerelateerd, deze productie en het ompakken van zogenaamde flammables niet meer dan 5% van de totale opbrengst betrof. Het hof zal dan ook telkens schattenderwijs ervan uitgaan dat 5% van de som der bedrijfskosten steeds is gemaakt ten behoeve van de productie en het ompakken van deze flammables.
2014
De totale som der bedrijfskosten over 2014 betrof € 2.032.000,00. Uitgaande van de periode van 22 juli t/m 31 december 2014, waarbij het hof deze maanden in het voordeel van de betrokkene zal afronden naar zes volle maanden (te weten een half jaar), betreffen de kosten die gemaakt zijn in de betreffende periode waarin flammables werden geproduceerd en omgepakt (€ 2.032.000,00 / 2 =) € 1.016.000,00.
Uitgaande dat 5% van die kosten gemaakt is ten behoeve van deze flammables, zal het hof uitgaan van kosten in 2014 voor het bedrag van (0,05 x € 1.016.000,00=) € 50.800,00.
2015
De totale som der bedrijfskosten over 2015 betrof € 1.954.000,00. Uitgaande dat 5% van die kosten gemaakt is ten behoeve van flammables, zal het hof uitgaan van kosten in 2015 voor het bedrag van (0,05 x € 1.954.000,00) = € 97.700,00.
2016
De totale som der bedrijfskosten over 2016 betrof € 2.157.000,00. Uitgaande dat 5% van die kosten gemaakt is ten behoeve van flammables, zal het hof uitgaan van kosten in 2016 voor het bedrag van (0,05 x € 2.157.000,00) = € 107.850,00.
2017
De totale som der bedrijfskosten over 2017 betrof € 2.106.000,00. Uitgaande dat 5% van die kosten gemaakt is ten behoeve van flammables, zal het hof uitgaan van kosten in 2017 voor het bedrag van (0,05 x € 2.106.000,00) = € 105.300,00.
2018
De totale som der bedrijfskosten over 2018 betrof € 2.241.000,00. Uitgaande van de periode van 1 januari tot en met 5 maart 2018 (uitgaande van twee maanden) betreffen de kosten die gemaakt zijn in de periode waarin flammables werden geproduceerd en omgepakt (€ 2.241.000,00 / 6 =) € 373.500,00.
Uitgaande dat 5% van die kosten gemaakt is ten behoeve van deze flammables , zal het hof uitgaan van kosten in 2018 voor het bedrag van (0,05 x € 373.500,00 =) € 18.675,00.
Totale kosten
Aldus betreffen de totale kosten van [betrokkene] voor de productie en het ompakken van flammables:
2014 € 50.800,00
2015 € 97.700,00
2016 € 107.850,00
2017 € 105.300,00
2018 € 18.675,00 +
Totaal: € 380.325,00
Het wederrechtelijk verkregen voordeel
Het voorgaande leidt tot een totaal aan geschat wederrechtelijk verkregen voordeel voor de betrokkene van (€ 552.191,00 - € 380.325,00 = ) € 171.866,00.
Op te leggen betalingsverplichting
Het hof zal aan de betrokkene de verplichting opleggen tot betaling van na te melden bedrag aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Draagkracht betrokkene
De verdediging heeft bepleit dat rekening moet worden gehouden met de draagkracht van de rechtspersoon, nu de rechtspersoon niet meer economisch actief is en ook niet in de toekomst actief zal zijn. Er vinden immers geen bedrijfsactiviteiten meer plaats en bijgevolg zijn er ook geen inkomsten meer. Er is slechts een bankrekening waar beslag op ligt, aldus de raadsman.
Het hof overweegt dat in het ontnemingsgeding de draagkracht alleen dan aanleiding is voor matiging indien aanstonds duidelijk is dat de betrokkene op dit moment en in de toekomst geen draagkracht heeft of zal hebben. Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof niet gebleken dat [betrokkene] op dit moment geen bezittingen heeft. Naar het oordeel van het hof kan derhalve niet worden uitgesloten dat [betrokkene] over voldoende vermogen beschikt om aan haar betalingsverplichting te voldoen, dan wel een doorstart zal maken en waarna zij voldoende inkomsten zal weten te verwerven om aan de betalingsverplichting te voldoen. Naar het oordeel van het hof is er, in elk geval in dit stadium, onvoldoende reden om reeds nu op grond van de gestelde draagkracht van de betrokkene de betalingsverplichting op een lager bedrag dan het geschatte voordeel vast te stellen.
Redelijke termijn
Het hof stelt voorop dat in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en Fundamentele Vrijheden (EVRM) het recht van iedere betrokkene is gewaarborgd dat binnen een redelijke termijn op de jegens hem of haar aanhangig gemaakte ontnemingsvordering wordt beslist. Deze redelijke termijn bedraagt in beginsel 24 maanden. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem of haar een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel aanhangig zal worden gemaakt.
Het hof overweegt met betrekking tot het procesverloop in deze zaak het volgende.
Het hof stelt vast dat de rechter-commissaris op 26 oktober 2018 een machtiging tot het leggen van conservatoir beslag heeft verleend. Het hof merkt dit moment aan als aanvangsdatum van de redelijke termijn in de ontnemingsprocedure in eerste aanleg. De rechtbank heeft vervolgens op 12 juli 2022 vonnis gewezen. Aldus is niet binnen twee jaren na de aanvang van de redelijke termijn in eerste aanleg vonnis gewezen en is de redelijke termijn met ruim 20 maanden overschreden. Namens de betrokkene is vervolgens op 25 juli 2022 hoger beroep ingesteld. Het hof doet bij arrest van heden – 1 mei 2026 – einduitspraak. Derhalve is eveneens niet binnen twee jaren na het instellen van het hoger beroep eindarrest gewezen. De overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep bedraagt daarmee ruim 21 maanden. Van bijzondere omstandigheden die de overschrijdingen van de redelijke termijn rechtvaardigen, is het hof niet gebleken.
Nu het hof de overschrijdingen van de redelijke termijn in eerste aanleg en hoger beroep al heeft verdisconteerd in de samenhangende en gelijktijdig uitgesproken strafzaak, zal het hof in de onderhavige zaak volstaan met de enkele constatering van deze overschrijding.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, zoals dit ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens gold dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens geldt.
BESLISSING
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 171.866,00 (honderdeenenzeventigduizend achthonderdzesenzestig euro);
legt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 171.866,00 (honderdeenenzeventigduizend achthonderdzesenzestig euro).
Aldus gewezen door:
mr. W.F. Koolen, voorzitter,
mr. G.J. Hanssen en mr. J.C. Gillesse, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. N. van Abeelen, griffier,
en op 1 mei 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. N. van Abeelen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.