Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
’s-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 19 juni 2025, in de strafzaak met parketnummer 02-074039-25 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2002,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte ter zake van ‘opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 weken.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 weken, waarvan 4 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren.
Namens de verdachte is primair vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft de raadsman een straftoemetingsverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het hof is gebleken dat het proces-verbaal met het uitgewerkte mondelinge vonnis van de politierechter nietig is. Het proces-verbaal is niet ondertekend door de politierechter, maar door een collega (rechter) die aanwezig was in de zaal. Enkel de aantekening van het mondeling vonnis als bedoeld in artikel 378a Sv resteert. Ook deze is ondertekend door voornoemde collega van de politierechter, maar de politierechter heeft verklaard dat de aantekening van het mondeling vonnis overeenkomstig de mondelinge gedane uitspraak is. Gelet op ECLI:NL:HR:2018:2291 leidt dit naar het oordeel van het hof niet tot nietigheid.
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat de politierechter heeft volstaan met aantekening van de uitspraak op een aan het dubbel van de dagvaarding gehecht stuk, maar het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 van het Wetboek van Strafvordering.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij, op of omstreeks 10 augustus 2024 te Ossendrecht, gemeente Woensdrecht, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 16,70 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 10 augustus 2024 te Ossendrecht, gemeente Woensdrecht opzettelijk aanwezig heeft gehad 16,70 gram cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.
Bewijsoverwegingen
De verdediging heeft aangevoerd dat het zakje met daarin de drugs die onder de auto is gevonden niet aan de verdachte toebehoort.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Het hof stelt vast dat verbalisant [verbalisant] heeft gezien dat de bijrijdersportier kort open is gegaan. Vervolgens zag hij dat een arm naar buiten kwam en dat er iets op de grond gegooid werd. De verbalisant heeft naast de auto bij de bosrand gezocht en daar lag een oud blikje, dat er duidelijk al langer lag. Verder lagen daar enkel bladeren en zand. De verbalisant heeft naar de handen van de verdachte en de bestuurder gekeken en zag niets wat erop wees dat zij zand of bladeren vast hadden gehad. Vervolgens trof de verbalisant onder de auto een plastic zakje met daarin de ponypacks met drugs aan. Dit zakje was droog, er zat geen zand op en was helemaal schoon. Het hof overweegt dat het niet anders kan zijn dan dat dit zakje hetgeen is dat uit de auto is gegooid. Voorts overweegt het hof dat de verbalisant het onmogelijk acht om vanuit de positie van de bestuurder dusdanig snel iets uit de bijrijdersportier te gooien, onder meer gelet op het formaat van de auto. Het hof komt tot het oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat het plastic zakje met daarin de verdovende middelen die onder de auto is gevonden door de verdachte uit de auto is gegooid. Het hof verwerpt het verweer van de raadsman.
Resumerend acht het hof, gelet op het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang bezien – wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen straf
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Het hof overweegt daartoe in het bijzonder als volgt.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van harddrugs. Er is wetenschappelijk aangetoond dat het frequent gebruik van harddrugs de volksgezondheid kan schaden, met name waar het geestelijke aandoeningen betreft. Daarnaast houdt het verwerven en het vervolgens in bezit hebben van synthetische drugs de illegale handel van harddrugs in stand, welke handel allerlei maatschappelijk ongewenste, veelal criminele, effecten heeft. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals is bewezenverklaard.
Het hof heeft acht geslagen op de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid zijn neerslag heeft gevonden. Ten aanzien van het aanwezig hebben van harddrugs is het oriëntatiepunt bij een gewicht van 10-50 gram een taakstraf voor de duur van 80 uren.
Verder heeft het hof acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 22 december 2025, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte. Uit dit uittreksel komt naar voren dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van overtreding van de Opiumwet. Deze eerdere onherroepelijke veroordeling heeft hem er klaarblijkelijk niet van weerhouden om te handelen zoals bewezenverklaard. Eveneens is hieruit naar voren gekomen dat de taakstrafbeperking – zoals neergelegd in artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht – van toepassing is.
Voorts heeft het hof acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals op het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep naar voren zijn gebracht. De verdachte werkt als zzp’er en daarnaast werkt hij ook in loondienst. Bij een onvoorwaardelijke gevangenisstraf is de verdachte bang dat zijn schulden oplopen.
Het hof is van oordeel dat, in het bijzonder gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de straffen die in soortgelijke gevallen in de regel worden opgelegd en dat de verdachte eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld, niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Alles afwegende acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van 4 weken passend en geboden.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) weken.
Aldus gewezen door:
mr. G.M. Goes, voorzitter,
mr. A.M.G. Smit en mr. G. Schnitzler, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. D.S. Yap, griffier,
en op 16 april 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. A.M.G. Smit en mr. G. Schnitzler zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.