Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
’s-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 26 augustus 2025, in de strafzaak met parketnummer 02-180568-25 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2002,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij het vonnis waarvan beroep heeft de politierechter het tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als ‘opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd’ (feit 1) en ‘opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod’ (feit 2), de verdachte strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden. Verder heeft de politierechter de inbeslaggenomen kentekenplaten en het geld verbeurd verklaard en de verdovende middelen onttrokken aan het verkeer.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden. Verder heeft de advocaat-generaal geconcludeerd tot verbeurdverklaring van de kentekenplaten en het geld, de onttrekking aan het verkeer van de drugs en teruggave van de edelsteen aan de verdachte.
Namens de verdachte is primair vrijspraak van beide feiten bepleit. Subsidiair heeft de raadsman een straftoemetingsverweer gevoerd. De raadsman heeft het hof verzocht tot teruggave van de edelsteen en het geld aan de verdachte.
Vonnis waarvan beroep
Het bestreden vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - tenlastegelegd dat:
1.hij, in of omstreeks de periode van 30 oktober 2024 tot en met 27 november 2024 te Hoogerheide, gemeente Woensdrecht, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad (telkens) een of meerdere hoeveelheden cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2.hij, op of omstreeks 27 november 2024 te Hoogerheide, gemeente Woensdrecht, althans in Nederland opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 1,56 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of ongeveer 1,82 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde MDMA en/of cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
1.hij in de periode van 30 oktober 2024 tot en met 27 november 2024 te gemeente Woensdrecht, meermalen telkens opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en verstrekt en vervoerd, meerdere hoeveelheden cocaïne van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
2.hij op 27 november 2024 te Hoogerheide, gemeente Woensdrecht, althans in Nederland opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 1,56 gram van een materiaal bevattende MDMA en ongeveer 1,82 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde MDMA en cocaïne telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.
Bewijsoverwegingen
Het hof neemt onderstaande bewijsoverweging van de politierechter cursief over en maakt deze tot de zijne.
Verbalisant [verbalisant] heeft in een proces-verbaal van bevindingen beschreven wat hij op 30 oktober 2024 heeft waargenomen. Hij zag de auto van verdachte en geeft aan dat hij verdachte herkende. De verbalisant zeg dat er een deal plaatsvond, wat wordt ondersteund door de verklaring van de getuige [getuige 1] . Verdachte heeft hierover ter zitting verklaard dat hij niet degene was die op 30 oktober 2024 de auto bestuurde en zijn auto had uitgeleend, maar wil niet vertellen aan wie.
Op 8 november 2024 herkent dezelfde verbalisant verdachte opnieuw als de bestuurder die uit dezelfde auto stapt. Ook hier heeft de verbalisant een drugsdeal waargenomen en is de afnemer gehoord. De verbalisant heeft in het proces-verbaal beschreven dat hij goed zicht had op de bestuurder. Onder die omstandigheden is de herkenning voldoende beschreven. Verdachte heeft onvoldoende onderbouwing gegeven voor zijn verklaring dat hij die dag niet bestuurder is geweest. De politierechter gaat daarom uit van het proces-verbaal van bevindingen. Op 27 november 2025 nam een andere verbalisant een drugsdeal waar. De getuige [getuige 2] verklaart tegenover de politie dat hij cocaïne heeft gekocht. De middelen zijn indicatief getest. Er zaten twee mensen in de auto van verdachte. Eén van deze twee mensen, namelijk [medeverdachte] , werd aangehouden door de politie. De bestuurder van de auto rende weg. De bestuurder wordt op dat moment niet herkend als zijnde verdachte, maar de verbalisanten beschrijven wel het signalement van de kleding die de bestuurder droeg. Enkele minuten later kwam verdachte aan bij de auto. Hij droeg dezelfde jas als was gezien bij de bestuurder. Verdachte heeft verklaard dat hij zijn auto had uitgeleend en wil niet verklaren aan wie. Gelet op het geheel aan omstandigheden, met name gelet op het feit dat een portemonnee met daarin het rijbewijs van verdachte in het middenconsole van de auto lag, is de politierechter van oordeel dat de verklaring van verdachte onaannemelijk is. Het onder één ten laste gelegde feit, te weten het dealen van drugs, kan wettig en overtuigend worden bewezen.
De politierechter stelt vast dat op 27 november 2024 drugs zijn aangetroffen in de auto van verdachte. Deze drugs zijn getest door het NFI. Nu de politierechter ervan uitgaat dat verdachte op 27 november 2024 de bestuurder was van zijn auto, oordeelt zij dat ook het aanwezig hebben van de aangetroffen drugs wettig en overtuigend is bewezen. Dit betreft niet de verkochte drugs en gaat dus om een ander feit.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen straf
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Het hof overweegt daartoe in het bijzonder als volgt.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het verkopen en opzettelijk aanwezig hebben van harddrugs. Er is wetenschappelijk aangetoond dat het frequent gebruik van harddrugs de volksgezondheid kan schaden, met name waar het geestelijke aandoeningen betreft. Het verkopen van de harddrugs draagt bij aan een systeem van illegale handel. De illegale handel in harddrugs gaat gepaard met allerlei maatschappelijk ongewenste, veelal criminele, effecten heeft. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals is bewezenverklaard.
Het hof heeft acht geslagen op de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid zijn neerslag heeft gevonden. Ten aanzien van het met enige regelmaat verkopen van gebruikershoeveelheden harddrugs gedurende minder dan een maand is het oriëntatiepunt een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden. Het hof is van oordeel dat er in dit geval 3 momenten in minder dan 4 weken sprake is van enige regelmaat. Zodoende kan bij dit oriëntatiepunt aansluiting gezocht worden. Ten aanzien van het aanwezig hebben van harddrugs is het oriëntatiepunt bij een gewicht van 0-10 gram een geldboete ter hoogte van € 950,00.
Verder heeft het hof acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 22 december 2025, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte. Uit dit uittreksel komt naar voren dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van overtreding van de Opiumwet. Deze eerdere onherroepelijke veroordeling heeft hem er klaarblijkelijk niet van weerhouden om te handelen zoals bewezenverklaard. Eveneens is hieruit naar voren gekomen dat de taakstrafbeperking – zoals neergelegd in artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht – van toepassing is.
Voorts heeft het hof acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals op het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep naar voren zijn gebracht. De verdachte werkt als zzp’er en daarnaast werkt hij ook in loondienst. Bij een onvoorwaardelijke gevangenisstraf is de verdachte bang dat zijn schulden oplopen.
Het hof is van oordeel dat, in het bijzonder gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de straffen die in soortgelijke gevallen in de regel worden opgelegd en dat de verdachte eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld, niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Alles afwegende acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden passend en geboden.
Beslag
Onttrekking aan het verkeer
De in de beslissing te noemen onder de verdachte inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven verdovende middelen, met betrekking tot welke het bewezenverklaarde is begaan, dan wel welke bij gelegenheid van het vooronderzoek bij de verdachte zijn aangetroffen, dienen te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.
Bewaring ten behoeve van de rechthebbende
De inbeslaggenomen kentekenplaten behoren niet toe aan de verdachte. Het hof zal de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten. Anders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat de kentekenplaten niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring.
Teruggave van de inbeslaggenomen goederen
Het hof is van oordeel dat de overige onder de verdachte inbeslaggenomen voorwerpen – te weten de geldbedragen en een edelsteen – moeten worden teruggeven aan de verdachte, nu naar het oordeel van het hof het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave daarvan. Anders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat de geldbedragen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 2,10 en 13a van de Opiumwet en de artikelen 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden;
beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
Aldus gewezen door:
mr. G.M. Goes, voorzitter,
mr. A.M.G. Smit en mr. G. Schnitzler, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. D.S. Yap, griffier,
en op 16 april 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. A.M.G. Smit en mr. G. Schnitzler zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.